• The Washington Post
  • Economie
  • Rwanda heeft genoeg van afdankertjes

Rwanda heeft genoeg van afdankertjes

The Washington Post | Washington D.C. | Max Bearak en David J. Lynch | 10 juli 2018

Afrikaanse landen, Rwanda voorop, willen af van de tweedehandskleding uit het Westen. Maar die blijkt moeilijk tegen te houden.

Als er in de VS grote schoonmaak wordt gehouden, voelt het als een daad van onbaatzuchtigheid om geliefde kleren in een inzamelingsbak te gooien. Die sweaters met vlekken erop, T-shirts die je in het zomerkamp droeg en uit de mode geraakte shorts mogen wel naar iemand die ze harder nodig heeft, toch?

Het ligt iets gecompliceerder. Het grootste deel van Amerika’s afgedankte kleren wordt door onder meer het Leger des Heils en Goodwill aan privébedrijven verkocht. Balen tweedehandskleren worden met containerladingen tegelijk verscheept, voornamelijk naar het Afrika ten zuiden van de Sahara – het is een industrie geworden waarin miljarden dollars omgaan.

Maar Afrikaanse regeringen hebben daar langzamerhand meer dan genoeg van. Wat velen in het Westen beschouwen als een genereus gebaar, verhindert hen hun eigen kledingindustrieën op te bouwen, zeggen ze. In maart 2016 besloten vier Oost-Afrikaanse landen de importheffingen op tweedehandskleren te verhogen, in sommige gevallen zelfs met een factor twintig.

De patstelling laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt

De Amerikaanse tweedehandskledinglobby trok aan de alarmbel en de regering-Trump startte vorig jaar een onderzoek naar de vraag of de vier landen misschien een achttien jaar oud handelsverdrag met de VS overtraden. De Oost-Afrikaanse regeringen werden onder druk gezet en verlaagden hun heffingen weer naar het oude niveau. Behalve Rwanda.

Nu lijdt een Rwandese leider, die zichzelf als een trotse visionair ziet, onder de consequenties van zijn beslissing zich te verzetten tegen Washington. Binnenkort staat Rwanda volgens de African Growth and Opportunity Act de opschorting te wachten van enkele van zijn belastingvrije handelsprivileges op het gebied van kleding. De pogingen een binnenlandse kledingindustrie van de grond te krijgen, hebben intussen weinig resultaten opgeleverd. En Rwandezen die in de tweedehandskledingindustrie werken, klagen dat ze schade lijden.

De patstelling tussen de economische reus van de wereld en een van Afrika’s snelst groeiende economieën kan niet echt een handelsoorlog worden genoemd – het is meer een schermutseling. De totale tweedehandskledingimport in Rwanda was in 2016 volgens regeringsstatistieken nog geen 7 procent van die van heel Oost-Afrika. En de kledingexport naar de VS bedroeg een minuscule 2 miljoen dollar. Maar het laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt.

‘Made in Rwanda’

President Paul Kagame is ervan overtuigd dat hij in Rwanda fabrieken kan opzetten en zijn land afstand kan laten doen van de tweedehandskleren die hij als onwaardig beschouwt. Hij maakt deel uit van een aantal Afrikaanse leiders die een dam willen opwerpen tegen de stroom gebruikte goederen – van kleren tot elektronica en medische apparatuur – die op het continent terechtkomen nadat iemand anders ze heeft weggegooid. ‘Wat mij betreft is het een simpele keus,’ zei Kagame vorig jaar tegen journalisten over het handelsgeschil. ‘Er zouden consequenties aan vast kunnen zitten.’ Maar, zei hij, Rwanda en andere landen in Afrika ‘moeten groeien en eigen industrieën opzetten’.

Vroeger produceerde Rwanda, net als andere Oost-Afrikaanse landen, het grootste deel van zijn kleding zelf. Maar in de jaren tachtig werkten regionale leiders samen met de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds om hun economieën open te stellen en meer handel toe te laten. Dat resulteerde in een toevloed van goedkope import. De Rwandese genocide in 1994 bracht verdere schade toe aan de lokale industrie. De kleding die nu in Rwanda voor de lokale markt wordt geproduceerd, is voornamelijk erg duur en gericht op stedelingen met een goede baan.

De regering van Kagame lanceerde onlangs ‘Made in Rwanda’, een campagne om lokale productie aan te moedigen en te subsidiëren. Tot nu toe heeft die echter nog weinig vooruitgang geboekt. Het luxemerk Kate Spade laat in Rwanda handtassen in elkaar zetten voor de export, en twee andere fabrieken hebben er hun deuren geopend – een met een Rwandese en een met een Chinese eigenaar.

Rwanda heeft te kampen met talloze nadelen. Het is geheel door land omgeven en ligt ver van zeehavens, de binnenlandse markt is klein en arm, en er is een gebrek aan goed opgeleide arbeiders. Het zal niet snel het volgende Vietnam of Bangladesh worden.

Rwandezen zoeken tweedehandskleding uit op een markt in de hoofdstad Kigali. – © Getty Images
Rwandezen zoeken tweedehandskleding uit op een markt in de hoofdstad Kigali. – © Getty Images

De Rwandese kledingindustrie is nauwelijks gegroeid en de markt voor tweedehandskleding – die chagua wordt genoemd, van het Swahilische woord voor ‘kiezen’ – is ingezakt vanwege de nieuwe invoerrechten, terwijl er meer dan 18.000 mensen werkzaam zijn. ‘Ik heb mijn prijzen moeten verdriedubbelen,’ zegt Zaetzev Sibomana (26), die tweedehandskleding verkoopt op de markt in de wijk Nyamirambo in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. ‘Ze hebben de branche vernietigd en daarmee mijn spaarcentjes. Ik woon nog bij mijn ouders.’ De eigenaren van de winkel naast hem zijn de goedkope, Chinese kleding gaan verkopen die nu de Amerikaanse tweedehandskleren vervangt. Die Chinese kleren zijn nieuw, waardoor ze niet onderworpen zijn aan de hoge invoerrechten.

Isai Mugabo, een van de winkeleigenaren, is niet blij met die verschuiving. Chagua was chiquer dan de Chinese kleren, mensen konden zich er modieus in voelen, zegt hij. ‘De meeste van mijn klanten gaan nu ontevreden de winkel uit. Vroeger vonden ze altijd wel iets unieks, maar nu gaat iedereen weg met hetzelfde overhemd. Ze lopen nu allemaal rond in een soort Chinees uniform.’

‘Banenverlies in VS’

De belangrijkste Amerikaanse handelsvereniging voor tweedehandskleding, de Secondary Materials and Recycled Textiles Association, riep vorig jaar Amerikaanse handelsvertegenwoordigers op kritiek te leveren op de gestegen importheffingen van de Oost-Afrikaanse landen. Volgens hen hadden de maatregelen al een ‘dramatische, negatieve invloed’ op de Amerikaanse industrie. De industriegroep zei dat er 5000 banen in de private sector plus 19.000 posten bij non-profitorganisaties verloren waren gegaan, en dat uiteindelijk 40.000 Amerikaanse banen ‘negatieve invloeden’ konden ondervinden door de verhoogde heffingen. Een verzoek om een interview werd door de groep afgewezen.

Drie onafhankelijke analisten zetten vraagtekens bij het berekende banenverlies in de industrie. ‘Die aantallen klinken absurd hoog,’ zegt Todd Moss, een voormalig Amerikaans plaatsvervangend staatssecretaris voor Afrikaanse Zaken, die nu staflid is van het Center for Global Development, een denktank. Hij en anderen hebben kritiek geleverd op de acties van de regering-Trump. ‘Het is buitengewoon schadelijk om te zien hoe de grootste economie ter wereld – om irrelevante, mercantilistische redenen – een Afrikaanse partner straft en intimideert,’ zegt Moss.

Ambtenaren van de regering-Trump zeggen echter dat een strengere naleving van internationale overeenkomsten essentieel is om het handelsbeleid weer in evenwicht te brengen in het belang van Amerikaanse arbeiders. En Amerikaanse functionarissen merken op dat Oost-Afrikaanse landen zich moeten houden aan wat ze hebben afgesproken toen ze het akkoord, dat hun vele voordelen oplevert, sloten.

Kagames woordvoerder wilde geen commentaar leveren op dit artikel, evenmin als Rwanda’s ministerie van Handel.

‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan’

Op de korte termijn zou het handelsgeschil gunstig kunnen uitpakken voor China. In haar kritiek op de Oost-Afrikaanse verhoging van invoerrechten op tweedehandskleding voerde de Amerikaanse Handelsvertegenwoordiging aan dat Chinese import ‘een veel groter gevaar oplevert voor de Oost-Afrikaanse binnenlandse industrieën’ dan Amerikaanse tweedehandskleding. De Chinese kledingexport naar Oost-Afrika was in 2016 goed voor 1,2 miljard dollar, ‘een factor vier groter dan de waarde van tweedehandskleding’, schreef de instantie.

Leveranciers van tweedehandskleding in Kigali zeggen dat zij en hun klanten zich in de steek gelaten voelen door de handelsverschuivingen. ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan,’ zegt Nadine Ingabire, die al tien jaar chagua verkoopt. ‘Zover zijn we nog niet. We hebben chagua nodig tot we wel zover zijn. Die keus is noodzakelijk. Het is niet ideaal om alleen chagua te hebben, maar alleen goedkope Chinese kleding hebben is dat ook niet. En tegen mensen die zeggen ‘Koop in Rwanda gemaakte kleding’, zeg ik: niet iedereen kan zich een klerenkast vol zondagse kleren veroorloven.’

Auteurs: Max Bearak en David J. Lynch
Vertaler: Tineke Funhoff

Dit artikel van Max Bearak en David J. Lynch verscheen eerder in The Washington Post.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.