• Mail & Guardian
  • Politiek
  • Scouts bewaren de vrede in Centraal-Afrikaanse Republiek

Scouts bewaren de vrede in Centraal-Afrikaanse Republiek

Mail & Guardian | Simon Allison | 28 november 2018

De scoutingbeweging is groter dan welke rebellengroep ook in de geteisterde Centraal-Afrikaanse Republiek. Misschien is het wel het effectiefste vredesleger van allemaal.

Het is begin september en de diverse humanitaire hulp-
organisaties in Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), vrezen het ergste. 
De ebola-uitbraak in buurland Congo maakt een dodelijke opmars en de kans is groot dat deze overslaat naar een afgelegen gebied in het oosten van de CAR, waar gewapende groeperingen de dienst uitmaken. Op een donderdag-
ochtend bereiken paniekerige berichten over mensen met inwendige bloedingen de hoofdstad. Misschien zijn ze besmet met ebola.

Die informatie moet worden geverifieerd. Klopt het? Is het inderdaad ebola? De regering heeft geen enkel gezag over de oostelijke uithoek van het land, en door de geweldsuitbarstingen zijn er geen internationale organisaties actief. Het ontbreekt aan gezondheids-klinieken en een betrouwbaar communicatienetwerk, dus er valt niet te 
checken of de informatie klopt, zonder een helikopter met zwaar bewapende vredessoldaten in te zetten, wat een gevaarlijke, peperdure operatie is. 
Maar er is nóg een optie: de scouts inschakelen.

Milities

Na vijf jaar burgeroorlog kun je de 
CAR niet met goed fatsoen een land noemen. Goed, er is een vlag, er is een volkslied en er zijn grenzen, maar wat zich binnen die grenzen afspeelt, wordt niet gereguleerd door iets wat ook maar enigszins op een traditionele staat lijkt. De regering in Bangui, overeind gehouden door een heel legioen aan vredessoldaten, heeft alleen controle over een paar gebieden rondom de hoofdstad en in het westen.

De rest van het land is verdeeld onder een tiental milities die continu van gezicht veranderen en steeds wisselende 
territoria beheersen. Het is zelfs zo dat sommige groeperingen tegen de tijd dat er vredesbesprekingen worden gehouden, inmiddels niet meer bestaan en dat nieuwe groeperingen, die juist niet bij de besprekingen zijn betrokken, de kop hebben opgestoken. Soms lijkt het alsof de rebellen zelf 
niet eens precies weten waar ze voor vechten.

Vaak is het geweld doordrenkt van religieuze motieven: de ‘goede’ christelijke soldaten binden de strijd aan met ‘de terroristen’, de vervolgde moslims beschermen hun geterroriseerde minderheidsgroep, maar nog vaker gaan de gevechten over de steeds schaarsere voedselbronnen.
In Bangui wemelt het van de uniformen: VN-soldaten met hun opvallende lichtblauwe helmen, militairen met rode baretten in hun versleten plunje, gendarmerie in het blauw.

De rebellen in de stad, die zich voornamelijk in de moslimwijk schuilhouden, laten zich minder vaak zien. En dan heb je nog 
de leden van de verschillende takken van de scoutingorganisatie, de Central African Boy Scouts Movement, in hun uniform.
Ze lijken op elkaar, met hun kaki blouse, shorts, kousen en keurig gestrikte sjaaltjes, en je ziet ze regelmatig in groepjes door de stad lopen. Als je goed kijkt, zie je de behaalde insignes op hun korte mouwen: voor houtbewerking, koken, navigatie.

Scouting is ongekend populair in de CAR: volgens de organisatie zelf telt het land rond de twintigduizend scouts, maar door de burgeroorlog is het lastig om de statistieken precies bij te houden. (Ter vergelijking: het land telt 14.787 VN-soldaten.) De scouts zijn 
vertegenwoordigd in alle zestien provincies en in bijna ieder bisdom. Hiermee is de scoutingbeweging groter dan welke rebellengroep ook, en sterker verankerd. Door de strikte, hiërarchische structuur heeft de beweging de klappen van de burgeroorlog overleefd en ze is een van slechts een handjevol nationale instellingen – waaronder ook de katholieke kerk – waarvan je redelijk zeker kunt zijn dat wanneer in Bangui een beslissing wordt genomen, die elders in het land wordt uitgevoerd.

Het allerbelangrijkste was dat ze hem van de straat hielden, uit de klauwen van de rebellen en de drugsdealers die azen op de talloze rondhangende puberjongens en jonge mannen

Zoals zoveel dingen in dit land is de beweging opgedeeld langs religieuze lijnen: je hebt ook nog de evangelische scouts, bekend als Les Flambeaux, 
en een slinkende groep islamitische scouts.

Bengai sloot zich op zijn zevende aan bij de scouts en is nu, op zijn negenentwintigste, al tweeëntwintig jaar in een of andere vorm actief. Voor hem is het een reddingslijn geweest.

‘Bij de scouts heb ik geleerd in een gemeenschap te leven, ik heb er een morele, lichamelijke en geestelijke opvoeding gekregen’, zegt hij. Maar het allerbelangrijkste was dat ze hem van de straat hielden, uit de klauwen van de rebellen en de drugsdealers die azen op de talloze rondhangende puberjongens en jonge mannen, die vrijwel allemaal werkloos en ongeschoold zijn en weinig andere opties hebben.

Bengai 
is niet voor die verleiding bezweken. 
Hij en zijn medescouts dreunen een waslijst aan successen op waaruit duidelijk blijkt dat de scoutingbeweging in dit land meer is dan een alleen een leuke vrijetijdsbesteding. Een paar voorbeelden: als nerveuze dorpsbewoners opzien tegen een bezoek aan het ziekenhuis in een nabijgelegen plaats, kunnen ze om een scout vragen 
die hen begeleidt; toen een moslimgemeenschap in de jungle nabij Boda in 2017 door rebellen werd gegijzeld, waren het scouts die hun vrijlating bedongen.

Wees voorbereid

Abdelwadid Gakara, een leider van 
de Moslim Scouts Association, haalt Baden-Powels beroemde leus aan 
wanneer hem wordt gevraagd de enorme maatschappelijke bijdrage van de scouts te verklaren: ‘Ons motto is: Wees voorbereid! Er kan van alles gebeuren.’ Hij voegt eraan toe: ‘Bij ons draait alles om de vredesboodschap. Een goede scout is iemand die met iedereen overweg kan.’ Was het maar zo eenvoudig.

Ngoaporo Ghislain-Oxwold (17) en 
Boy-Fini Mikael (18) zijn vrienden. Ze hebben het initiatiekamp al achter 
de rug, waar ze overlevingstechnieken hebben geleerd, zoals het vinden van een goede overnachtingsplek en het maken van een kampvuur. Ze leren 
ook vaardigheden die als vrouwenwerk worden bestempeld: de was doen, afwassen, koken. Ghislain-Oxwold, die aan ’s lands enige functionerende universiteit studeert, merkt dat zijn leerprestaties verbeterden sinds hij zich bij de scouts heeft aangesloten. ‘Dankzij de scouts heb ik God leren kennen en heb ik mijn laatste examen gehaald.’

Niet al hun vrienden zijn scouts. Sommigen hebben zich aangesloten bij milities, die een soortgelijke aantrekkingskracht uitoefenen. Net als scouts voorzien rebellengroepen in een sterk saamhorigheidsgevoel en een gemeenschappelijk doel. Zelfs hun trainingskampen hebben, gelet op de vaardig-
heden die nieuwe rekruten worden 
bijgebracht, veel van elkaar weg – met als enige uitzondering dat scouts niet leren hoe ze met wapens moeten omgaan. Ondanks de militaristische attributen is de scoutingbeweging, zowel in de car als de rest van de wereld, expliciet pacifistisch. In de 
context van een burgeroorlog kan het verkondigen van pacifisme een revolutionaire daad zijn die niet altijd even populair is.

Ali Ousman is de coördinator van de grootste moslimorganisatie in Bangui. Hij woont, zoals alle moslims in de stad, in Point Kilomètre Cinq, ofwel PK5, een wijk op precies vijf kilometer van het centrum, feitelijk een getto waar het merendeel van ’s lands moslimpopulatie opeen is geperst. PK5 is een gevaarlijk gebied. Er zijn verschillende milities actief, die regelmatig 
in gevecht raken met de zogenaamde christelijke milities. VN-soldaten 
bewaken de in- en uitgaande wegen, maar gaan zelf zelden de wijk in.

De enige reden dat de moslimpopulatie nog niet is uitgemoord, gelooft het merendeel van de inwoners, is dat PK5 door gewapende groeperingen wordt beschermd. Sinds het uitbreken van 
de burgeroorlog zijn er duizenden 
moslims vermoord. Nog eens duizenden moslims zijn de grens over gevlucht. Vanuit Ousmans perspectief zijn de jongens die zich bij de plaatselijke milities hebben aangesloten helden.

‘De jeugd heeft noodgedwongen de wapens opgepakt om PK5, de enige plek in Bangui waar moslims mogen wonen, te verdedigen. Deden 
ze dat niet, dan zouden ze eraan gaan, hun ouders zouden eraan gaan, hun grootouders zouden eraan gaan. Ze hebben geen keus. De moslimscouts daarentegen, in hun belachelijke outfit, met die shorts en die kniekousen, doen als het erop aankomt helemaal niks.’

Scouts van jeugdorganisatie Flambeaux werken als veiligheidsbewaker bij een event in het Complexe Scolaire International Galaxy in Bangui (CAR). – © Will Baxter
Scouts van jeugdorganisatie Flambeaux werken als veiligheidsbewaker bij een event in het Complexe Scolaire International Galaxy in Bangui (CAR). – © Will Baxter

Een aantal jaar geleden werden de scouts van de car tijdelijk geschorst door de World Organisation of the Scout Movement (WOSM), omdat de contributiegelden niet waren betaald. Inmiddels wordt er druk onderhandeld of ze zich weer kunnen aansluiten bij de moederorganisatie, die erg te 
spreken is over de inspanningen 
van de Centraal-Afrikaanse tak. Wel moeten er nog een paar obstakels worden overwonnen, voordat ze kunnen terugkeren in de moederschoot.

Ten eerste is er de openstaande rekening. Ook de versplintering van 
de nationale scoutingorganisatie is een probleem: Les Flambeaux, de Catholic Scouts en de Muslim Scouts moeten allemaal onder één paraplu komen. 
En een ander belangrijk punt is dat de scoutingbeweging in de CAR tot dusver een jongensaangelegenheid is geweest. Om internationaal mee te mogen doen, moeten ook meisjes worden toegelaten. In Bangui is onlangs een meisjesgroep opgericht; een welkome ontwikkeling, zeker in een land waar meisjes weinig te kiezen hebben, zowel wat werkgelegenheid als recreatie betreft.

Vredesleger

De eventuele terugkeer van de nationale scoutingorganisatie in de moederschoot zou een erkenning zijn 
van de belangrijke rol die de scouts in de CAR spelen, waardoor de beweging meer geldbronnen kan aanboren en meer partnerschappen kan aangaan om de werkzaamheden uit te breiden. Om dat werk echt op waarde te schatten, is het zinnig je voor te stellen dat er geen scouts in de car zouden zijn.

Stel je voor dat die twintigduizend jongens niet op kamp zouden gaan, geen insignes zouden behalen of afgelegen dorpjes zouden bezoeken om over 
vaccinatiecampagnes te vertellen. Wat zouden ze dan doen? Bij welke groeperingen zouden ze zich dan aansluiten? Stel je voor dat die jongens andere uniforms zouden dragen, en geweren, dat ze de bevolking zouden terroriseren.

Het antwoord op die vraag wordt nog het best verwoord door Bengai. ‘De gewapende rebellen zijn een oorlogs-leger, de scouts zijn een vredesleger’, zegt hij. In een ineengestort land waar een burgeroorlog woedt, zijn de scouts misschien nog wel het effectiefste leger van allemaal.

Auteur: Simon Allison

Mail & Guardian
Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

Opgericht in 1985 als Weekly Mail _
en in 1990 nieuw leven in 
geblazen door _The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links 
georiënteerde krant ijvert voor 
een toleranter Zuid-Afrika.

Dit artikel van Simon Allison verscheen eerder in Mail & Guardian.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.