• Aeon
  • Reader
  • Spermaconcurrentie bestaat niet

Spermaconcurrentie bestaat niet

Aeon | Londen | Robert D. Martin | 05 oktober 2018

Weer een mythe doorgeprikt. De eicel is geen passieve, afwachtende partij die in een gigantische marathon de snelste, fitste spermatozoïde beloont met een bevruchting. Sterker nog, zaadcellen zwemmen niet eens het hele traject zelf.

Voordat de wetenschap enig inzicht kreeg 
in de menselijke voortplanting, werd ervan uitgegaan dat nieuw leven spontaan ontstond, uit niet-levend materiaal. Daar kwam halverwege de zeventiende eeuw een klein beetje verandering in, toen het natuurvorsers (maar net) lukte om met het blote oog het vrouwelijke ovum, oftewel de eicel, te zien. Zij concludeerden dat alle leven al in aanleg aanwezig was sinds het moment van de goddelijke schepping; één persoon bestond binnen in 
de ander, in de eitjes van een vrouw, zoals de bekende Russische matroesjkapoppen. Deze kijk op de voortplanting, die ‘preformatie’ werd genoemd, paste goed in het straatje van de heersende klasse. ‘Door afstammelingen binnen in elkaar te plaatsen’, schrijft de Portugese ontwikkelingsbioloog en schrijfster Clara Pinto-Correia in haar boek The Ovary of Eve (‘Eva’s eierstok’, 1997), ‘kon het idee van de preformatie fungeren als een “politiek correcte” antidemocratische doctrine die impliciet het dynastieke stelsel legitimeerde – en natuurlijk hoorden de vooraanstaande natuurvorsers van de Wetenschappelijke Revolutie niet tot de dienende klasse’.

Je zou verwachten dat de voortschrijdende wetenschap, kijkend door haar heldere biologische lens, 
zou afrekenen met die matroesjkatheorie. Maar dat gebeurde helemaal niet – integendeel: toen de microscoop de onderzoekers uiteindelijk in staat 
stelde om niet alleen eicellen te zien maar ook zaadcellen, ging de preformatietheorie over in een nieuwe, zelfs nog patriarchalere politieke arrogantie. 
Nu gingen filosofen en enkele voortplantingsonderzoekers de eicel enkel zien als een passieve ontvanger, die lag af te wachten tot een krachtige spermatozoïde de boel op gang kwam brengen. En die spermatozoïde? Die bevatte in haar kopje een piepklein voorgevormd menselijk wezentje – een ‘homunculus’ om precies te zijn. De Nederlandse wis- en natuurkundige Nicolaas Hartsoeker, uitvinder van de schroefmicroscoop, beschreef die homunculus toen hij in 1695 voor het eerst een zaadcel in beeld kreeg. 
Hartsoeker zág niet werkelijk een homunculus in het kopje van de spermatozoïde, zo gaf hij indertijd toe, maar hij overtuigde zichzelf ervan dat die er wel was.

Krachtigere microscopen hebben de homunculus uiteindelijk naar de vuilnisbelt van de geschiedenis verwezen, maar in bepaalde opzichten is er weinig veranderd. Het meest opvallend leeft de erfenis van de homunculus voort in het hardnekkige idee van 
de eicel als de passieve partij bij de bevruchting, die afwacht tot de actieve spermatozoïde door een 
storm aan hindernissen heen weet te zwemmen, om het leven voort te zetten. Het is begrijpelijk – maar 
ongelukkig – dat een lekenpubliek deze onjuiste, seksistische paradigma’s en metaforen overneemt. Maar biologen en natuurkundigen maken zich er ook schuldig aan.

Wetenschappelijk sprookje

Relatief kort geleden, in het jaar 1991, lang nadat veel van de echte wetenschap in steen was gebeiteld, schreef de Amerikaanse antropoloog Emily Martin, die nu verbonden is aan de New York-universiteit, over ‘een wetenschappelijk sprookje’, zoals zij het noemde – het beeld van de eicel en de zaadcel dat 
het doet voorkomen alsof ‘vrouwelijke biologische processen minder waard zijn dan hun mannelijke tegenhangers’ en alsof ‘vrouwen minder waard zijn dan mannen’. Zo wordt bijvoorbeeld gezegd dat de eierstok van begin af aan slechts een beperkte voorraad eicellen heeft, die in de loop van een leven steeds verder uitgeput raakt, terwijl van de testikels wordt gezegd dat ze een leven lang nieuwe spermacellen produceren. De menselijke eicelproductie wordt algemeen ‘overtollig’ genoemd, omdat van 
de 300.000 eicellen die bij de puberteit aanwezig zijn, slechts zo’n vierhonderd rijpe eicellen ooit een eisprong zullen opleveren; toch wordt het bijvoeglijk naamwoord ‘overtollig’ zelden gebruikt voor de levenslange mannelijke productie van meer dan twee biljoen zaadcellen. Of het nu in de populaire of de wetenschappelijke pers is, de menselijke paring wordt meestal voorgesteld als een gigantische zwemmarathon waarin de snelste, fitste spermatozoïde als prijs de eicel mag bevruchten. Het zou al 
erg genoeg zijn als dit sprookje alleen maar een 
overblijfsel uit ons seksistische verleden was – een beledigende mannelijke fantasie, gebaseerd op onjuiste informatie. Maar het blijven teruggrijpen 
op dit soort bevooroordeelde informatie staat belangrijke ontwikkelingen in de behandeling van onvruchtbaarheid, zowel voor mannen als voor 
vrouwen, in de weg.

Om te begrijpen hoe het zo ver is gekomen, kan een rondje door de geschiedenis helpen. De wetenschap heeft pas relatief kort inzicht in geslachtscellen en het proces van menselijke conceptie. Een eicel, de grootste cel in een menselijk lichaam, is voor het blote oog nauwelijks zichtbaar, ongeveer zo groot 
als de punt aan het eind van deze zin. Tegelijkertijd 
is de kleinste menselijke lichaamscel, een spermatozoïde, zonder microscoop totaal onzichtbaar.

Tot 1677 waren zaadcellen in de wetenschap nog onbekend. In dat jaar keek de Nederlandse amateurwetenschapper Antoni van Leeuwenhoek als eerste via een microscoop naar menselijk sperma. Rond dezelfde tijd besefte men dat de menselijke eierstok eicellen produceerde, al duurde het nog tot 1827 voordat de Duitse bioloog Karl Ernst von Baer als eerste werkelijke waarnemingen van eicellen van mensen en andere zoogdieren meldde.

Na de ontdekking van de spermatozoïden door 
Van Leeuwenhoek duurde het nog een eeuw voordat iemand besefte dat die nodig waren om eicellen te bevruchten. Die onthulling kwam in de jaren zestig van de achttiende eeuw, toen de Italiaanse priester en natuurwetenschapper Lazzaro Spallanzani, in 
een experiment met mannelijke kikkers die strak-zittende broekjes aan hadden, aantoonde dat kikkereitjes zich niet tot kikkervisjes ontwikkelden als er geen kikkersperma in het omringende water terecht kwam. Voordat Spallanzani zijn ontdekking naar buiten bracht, dachten velen bizar genoeg – ook Van Leeuwenhoek enige tijd – dat spermatozoïden piepkleine parasieten waren die in het menselijk zaad leefden. Pas in 1876 toonde de Duitse zoöloog Oscar Hertwig de samensmelting van spermatozoïde en eicel aan bij zee-egels.

Uiteindelijk hebben krachtige microscopen onthuld dat een gemiddelde menselijke zaadlozing, een 
hoeveelheid van ongeveer een halve theelepel, 
zo’n 250 miljoen zaadcellen bevat. Daarbij blijft één belangrijke vraag echter onbeantwoord: ‘Waarom 
zo veel?’ Uit onderzoek blijkt zelfs dat zwangerschapscijfers de neiging hebben af te nemen als 
de zaadlozing van een man minder dan 100 miljoen spermatozoïden bevat.

Dat betekent dus dat bijna de helft van de spermatozoïden in een gemiddelde menselijke ejaculatie nodig is voor een normale vruchtbaarheid. Een geliefde verklaring hiervoor is de ‘spermaconcurrentie’, afkomstig van dat machomannelijke idee over spermacellen in die race om te mogen bevruchten – vaak met daarbij het argument dat er misschien wel meer dan één man in de race meedoet. Als in een loterij: hoe meer loten je koopt, des te groter je kans om te winnen. Natuurlijke selectie, zo is de gedachte, drijft aantallen spermacellen hemelhoog op in een soort wapenwedloop om de bevruchtingsprijs.

Er zijn in het dierenrijk inderdaad veel opvallende voorbeelden van concurrentie tussen spermatozoïden. Onze meest nabije verwanten, de chimpansees, leven in sociale groepen met verscheidene volwassen mannetjes die met verschillende vrouwtjes paren; vrouwtjes paren op hun beurt met verschillende mannetjes. Veel lichaamskenmerken, zoals opvallend grote testikels, weerspiegelen een bijzonder hoog niveau van zaadcelproductie bij dit type zoogdiersoorten. Ook kunnen ze heel snel sperma produceren, waarin bovendien grote hoeveelheden zaad-
cellen zitten; die spermatozoïden hebben een groot middenstuk (waarin veel energieopwekkende mitochondriën zitten voor de voortstuwing); ze hebben zichtbaar gespierde spermageleidende kanalen, grote zaadblaasjes en prostaatklieren en relatief veel witte bloedlichaampjes (die seksueel overdraagbare ziekteverwekkers neutraliseren). De blaasjes en de prostaatklier samen produceren een zaadvloeistof die kan stremmen, zodat er een soort stop in de vagina ontstaat die de toegang voor andere mannetjes tijdelijk blokkeert.

Spermaconcurrentie

Over het algemeen wordt – zelfs door veel wetenschappers – gedacht dat hetzelfde spermascenario ook voor mensen geldt, maar onderzoeksresultaten wijzen in een andere richting. Hoe overtuigend soms ook het tegendeel wordt uitgebeeld, er bestaat geen enkel doorslaggevend bewijs dat mannen biologisch zijn toegerust voor spermaconcurrentie. Het verhaal van de overvloed aan spermatozoïden in promiscue parende chimpansees komt niet overeen met wat 
we zien bij verscheidene andere primaten, waaronder mensen. Veel primaten leven in groepen waarin maar één mannetje voor nageslacht zorgt, waar geen directe concurrentie is en de mannelijke dieren opvallend kleine testikels hebben. Uit alle relevante vergelijkingen blijkt dat mensen verwant zijn aan primaten die in groepen met één man leven – waaronder het typische kerngezin. Menselijke testikels hebben het formaat van een walnoot en zijn in omvang maar eenderde van chimpanseetestikels, die ongeveer zo groot zijn als kippeneieren. En terwijl de zaadlozing van een chimpansee opmerkelijk weinig fysiek afwijkende spermatozoïden bevat, zit er in menselijk sperma een groot aantal ‘blindgangers’. 
De kwaliteitscontrole op de menselijke zaadlozing 
is kennelijk verslapt bij gebrek aan directe spermaconcurrentie.

Bij soorten die niet te kampen hebben met directe spermaconcurrentie moet de verklaring voor het grote aantal zaadcellen wel te vinden zijn in 
genetische variatie. In een aantal zelden geciteerde onderzoeksverslagen die meer dan veertig jaar 
geleden werden gepubliceerd, beschrijft bioloog
 Jack Cohen van de Universiteit van Birmingham een verband tussen de hoeveelheid zaadcellen en het genereren van chromosoomkopieën tijdens de spermaproductie. Tijdens de meiose, het speciale type celdeling waardoor voortplantingscellen ontstaan, wisselen chromosomenparen stukjes materiaal uit door onderling van plaats te verwisselen: cross-over. Cohen ontdekte dat in alle soorten de hoeveelheid zaadcellen groter wordt naargelang het aantal 
cross-overs tijdens hun productie. Die onderlinge uitwisseling vergroot de variatie, het noodzakelijke ruwe materiaal voor natuurlijke selectie. Zie de 
productie van zaadcellen als een soort loterij waarin genoeg loten (zaadcellen) worden gedrukt om alle mogelijke lotnummers (verschillende genetische combinaties) te dekken.

En er zijn nog meer onderzoeksresultaten die tegen het populaire scenario ingaan. Zo zwemmen de meeste zaadcellen van zoogdieren in werkelijkheid niet uit zichzelf het hele traject door het vrouwelijke geslachtsorgaan, maar worden ze gedeeltelijk of voornamelijk vervoerd door pompende en stuwende bewegingen van de baarmoeder en eileiders. Merkwaardig genoeg zijn zaadcellen van kleinere zoogdieren gemiddeld langer dan die van grotere zoogdieren – een zaadcel van een muis is langer dan een van een walvis. Maar zelfs al waren ze even groot: hoe groter een soort is, des te lastiger het wordt om naar een eicel te zwemmen. Voor een muizenzaadcel zou het misschien nog te doen zijn om helemaal naar de eicel te zwemmen – maar voor een zelfs nog kleinere walviszaadcel is het is onmogelijk om zonder hulp honderd keer zo ver door de vrouwelijke geslachtsorganen heen te zwemmen. Uit onderzoek is gebleken dat menselijke spermatozoïden tijdens hun reis door de baarmoeder en de eileiders passief over aanzienlijke afstanden worden vervoerd. Daar gaan de olympische prestaties van spermatozoïden!

Van de 250 miljoen zaadcellen in de gemiddelde menselijke zaadlozing weten in werkelijkheid slechts een paar honderd de plek te bereken waar de bevruchting moet plaatsvinden, hoog in de eileider. De route die de spermatozoïde daarvoor moet afleggen, heeft meer weg van een extreem zware militaire hindernisbaan dan van een gewone zwemwedstrijd. Onderweg neemt het aantal spermatozoïden steeds verder af, zodat op het moment van bevruchting minder dan één op de miljoen zaadcellen uit de 
oorspronkelijke zaadlozing in de buurt van de eicel is. Zaadcellen met fysieke afwijkingen zullen onderweg worden geëlimineerd, maar de overlevenden die bij de eicel komen, vormen een willekeurige selectie van intacte spermatozoïden.

Veel zaadcellen halen niet eens de cervix (baarmoederhals). De zuurtegraad in de vagina is ongunstig voor zaadcellen; die kunnen daar niet lang overleven. Bij het passeren van de cervix komen veel zaadcellen die aan de vagina zijn ontsnapt, vast te zitten in slijm. Elke zaadcel met fysieke misvormingen zit in de val. Bovendien komen honderdduizenden zaadcellen terecht in zijkanaaltjes, oftewel crypten, waar ze verscheidene dagen opgeslagen kunnen worden. Relatief weinig zaadcellen reizen rechtstreeks door de baarmoederholte heen, en dat aantal wordt nog verder teruggebracht tijdens het binnengaan van de eileider. Eenmaal in die eileider blijven zaadcellen tijdelijk vastzitten aan het oppervlak; slechts enkele worden losgelaten om de eicel te kunnen benaderen.

Het idee dat de bevruchtende zaadcel een soort olympisch kampioen is, heeft het zicht benomen op het feit dat een zaadlozing ook te veel zaadcellen kan bevatten. Als er te veel zaadcellen in de buurt van 
de eicel komen, ontstaat het gevaar van bevruchting door meer dan één zaadcel (polyspermie), met 
rampzalige gevolgen.

Polyspermie komt bij mensen af en toe voor, vooral wanneer een vader extra veel zaadcellen produceert. Wanneer twee zaadcellen één eicel bevruchten, zullen de cellen van het embryo 
dat daaruit voortkomt meestal 69 chromosomen bevatten, in plaats van de gebruikelijke 46. Dit is altijd dodelijk en leidt meestal tot een miskraam. Een dergelijk embryo weet heel soms te overleven tot aan de geboorte, maar zal dan altijd overlijden. Omdat polyspermie altijd fataal afloopt, heeft de evolutie duidelijk geleid tot een reeks hindernissen in het voorplantingskanaal van de vrouw die het aantal zaadcellen dat bij een eicel mag komen strikt beperkt.

Polyspermie heeft ook praktische implicaties voor vruchtbaarheidsbehandelingen bij mensen met 
verminderde vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid. Zo is de oorspronkelijke standaardmethode om voor kunstmatige inseminatie zaad in de vagina te 
brengen, vervangen door het direct injecteren in de baarmoeder (intra-uteriene inseminatie, IUI). Het direct in de baarmoeder brengen van zaad voorkomt de vermindering van het aantal zaadcellen die meestal optreedt in de cervix, waar slijm het fysiek afwijkende zaad eruit haalt. Analyses van klinische data hebben laten zien dat het inbrengen van 20 miljoen zaadcellen in de baarmoeder (minder 
dan eentiende van het aantal in de gemiddelde zaadlozing) genoeg is om in de meeste gevallen tot een zwangerschap te leiden.

Aantallen zaadcellen worden nog belangrijker 
wanneer het om in-vitrofertilisatie (IVF) gaat, waarbij een eicel in een reageerbuisje rechtstreeks wordt blootgesteld aan zaadcellen. Daarmee worden alle natuurlijke filters tussen de vagina en de eicel omzeild. Aanvankelijk werden bij IVF doorgaans veel te veel zaadcellen gebruikt. Dit had te maken met de begrijpelijke wens om de kans op bevruchting zo groot mogelijk te maken, maar het ging voorbij aan de natuurlijke processen. Hoe groter het aantal 
zaadcellen, tussen de 50.000 en 500.000, hoe kleiner de kans op succes bleek te zijn. Optimale bevruchtingscijfers werden bereikt met slechts 25.000 
zaadcellen rond een eicel. IUI en IVF brengen een groter risico van polyspermie en een grotere kans op een miskraam met zich mee.

In 1677 keek de Nederlandse amateurwetenschapper Antoni van Leeuwenhoek als eerste via een microscoop naar menselijk sperma. Hiernaast een microscopisch beeld van een spermaproductie. 
– © Getty Images
In 1677 keek de Nederlandse amateurwetenschapper Antoni van Leeuwenhoek als eerste via een microscoop naar menselijk sperma. Hiernaast een microscopisch beeld van een spermaproductie. 
– © Getty Images

De mogelijkheid van polyspermie werpt nieuw licht op de evolutie van aantallen zaadcellen. De discussies over spermaconcurrentie richt zich over het algemeen alleen op het zo groot mogelijk maken van 
die aantallen, maar daarbij gaat – zoals zo vaak in de biologie – ook iets verloren. Natuurlijke selectie kan leiden tot een verhoogde productie van zaadcellen als mannetjes direct met elkaar moeten concurreren, maar bevordert tegelijkertijd ook mechanismen 
in het vrouwelijk voortplantingskanaal die het 
aantal zaadcellen rond de eicel beperkt houden. Bij primaten die met meerdere partners paren, zoals chimpansees, werd de vergrote zaadcelproductie gecompenseerd door langere eileiders bij vrouwtjes. Dit moet de aantallen zaadcellen die bij de eicel komen, beperken. Het laat ook zien dat de vrouwelijke rol in het bevruchtingsproces bepaald niet zo passief is als vaak wordt aangenomen.

Het diep ingesleten idee dat ‘de beste zaadcel wint’ heeft in verscheidene opzichten de suggestie gewekt dat er een vorm van selectie optreedt, maar het is moeilijk voor te stellen hoe dat zou kunnen gebeuren. Het DNA in het kopje van een zaadcel zit dicht 
op elkaar en is bijna kristalachtig, dus hoe kunnen 
de eigenschappen daarvan van buitenaf worden waargenomen? Zo wijzen experimenten met muizen erop dat er geen selectie plaatsvindt tussen zaad-cellen met een Y-chromosoom, die het mannelijk geslacht bepaalt, of juist met een X-chromosoom, 
die het vrouwelijk geslacht bepaalt. Het lijkt veel waarschijnlijker dat de menselijke bevruchting een gigantische loterij is met 250 miljoen loten, waarin voor een gezonde zaadcel een succesvolle bevruchting puur een kwestie van geluk is.

Andere vreemde eigenschappen van zaadcellen behoeven ook uitleg. Zo is al lang bekend dat menselijk sperma een grote hoeveelheid afwijkende 
zaadcellen bevat met zichtbare fysieke gebreken, zoals een dubbele staart of een heel klein kopje. De hypothese van de ‘kamikazezaadcel’ deed het voor-|komen alsof deze onbruikbare zaadcellen toch nog andere functies hebben in de concurrentiestrijd, zoals het blokkeren of zelfs doden van zaadcellen van andere mannen. De onjuistheid hiervan is inmiddels onweerlegbaar aangetoond.

Het ingesleten idee dat menselijke zaadcellen zich na de zaadlozing in een fanatieke race storten om het eitje te bereiken, heeft het werkelijke verhaal van de voortplanting compleet overschaduwd, ook het bewijs dat veel zaadcellen helemaal niet op de eicel afstormen, maar juist dagenlang opgeslagen worden voordat ze verder kunnen. Lang is als vaststaand feit aangenomen dat menselijke zaadcellen maar twee dagen in de vagina en baarmoeder kunnen overleven. Maar al vanaf halverwege de jaren zeventig is 
er steeds meer bewijs gekomen dat menselijke zaadcellen minstens vijf dagen kunnen overleven. Inmiddels is breed aanvaard dat zaadcellen een langere periode kunnen blijven leven, en dat die periode wel tien of meer dagen kan zijn.

En er zijn nog veel meer mythen. Er is veel geschreven over het slijm dat wordt geproduceerd door de menselijke cervix. Bij de zogenaamd ‘natuurlijke’ anticonceptiemethoden fungeert de samenstelling van het slijm dat uit de cervix komt als belangrijke indicator. Vlak voor de ovulatie is er weinig baarmoederhalsslijm en heeft dat een waterige, glibberige samenstelling. Maar er wordt heel weinig aandacht besteed aan het verband tussen dat slijm en de opslag van zaadcellen in de baarmoederhals. 
Vastgesteld is dat zaadcellen worden opgeslagen in de crypten waaruit het slijm vloeit. Maar helaas is onze kennis van het proces dat hierbij betrokken is, beperkt tot één enkel onderzoek uit 1980 door gynaecoloog Vaclav Insler en collega’s aan de Universiteit van Tel Aviv.

Voor dit onderzoek waren 25 vrouwen zo dapper zich kunstmatig te laten insemineren op de dag voordat ze zouden worden geopereerd om hun baarmoeder te laten verwijderen. Vervolgens onderzochten Insler en zijn team in het laboratorium heel nauwgezet de zaadcellen die waren opgeslagen in de crypten in opeenvolgende delen van de cervix. De afmetingen van die crypten liepen sterk uiteen en de zaadcellen waren voornamelijk opgeslagen in de grotere crypten. Insler en collega’s berekenden het aantal crypten dat zaadcellen bevatte en de zaadceldichtheid per crypte. Bij sommige vrouwen zaten er wel 200.000 zaadcellen opgeslagen in de cervicale crypten.

Insler en collega’s meldden ook dat er zelfs op de negende dag na de inseminatie nog levende 
spermacellen in het baarmoederhalsslijm waren aangetroffen. In hun samenvatting van de onderzoeksresultaten kwamen ze met de theorie dat de cervix na de inseminatie dient als zaadcelreservoir, waaruit levensvatbare zaadcellen geleidelijk aan kunnen worden afgegeven om naar de eileider te gaan. Deze spectaculaire ontdekking is heel veel geciteerd, maar grotendeels genegeerd, en er is sindsdien geen aanvullend onderzoek naar gedaan.

Opslag

In zijn meer dan duizend pagina’s dikke studieboek Conception in the Human Female (1980) wijdt Sir Robert Edwards, die in 2010 een Nobelprijs kreeg voor de ontwikkeling van IVF, één enkele zin aan cervicale crypten. Veel andere auteurs hebben sindsdien 
al even weinig aandacht besteed aan de opslag van zaadcellen in die crypten. Toch kan de opslag en geleidelijke afgifte van zaadcellen van grote betekenis zijn voor de menselijke voortplanting. Heel belangrijk: het wijdverbreide idee van een beperkte ‘vruchtbare periode’ in de menstruatiecyclus berust op de lang aanvaarde aanname dat zaadcellen maar twee dagen na de inseminatie overleven. Als zaad-cellen misschien wel tien of meer dagen in leven 
blijven, slaat dat de basis weg onder de zogenaamde ‘natuurlijke’ anticonceptiemethoden door onthouding. Opslag van zaadcellen is ook van direct belang voor pogingen om onvruchtbaarheid te behandelen.

Nog een gevaarlijke misvatting is de mythe dat mannen tot op hoge leeftijd volledig vruchtbaar blijven, en dat in tegenstelling tot het abrupte einde aan de vruchtbaarheid die we in de vrouwelijke menopauze zien. Overvloedig bewijs toont echter aan dat het aantal en de kwaliteit van de zaadcellen bij mannen met het vorderen van de leeftijd afnemen. Bovendien is onlangs ontdekt dat mutaties zich in zaadcellen zo’n vier keer zo snel voltrekken als in eicellen, dus het zaad van oude mannen zit in werkelijkheid vol risico’s.

Er is veel geschreven over het feit dat vrouwen in industriële samenlevingen op steeds latere leeftijd hun eerste kind krijgen, wanneer er ook langzaam meer vruchtbaarheidsproblemen ontstaan. Een van de voorgestelde oplossingen is de sterk invasieve en zeer kostbare behandeling om de vruchtbaarheid te bewaren door eicellen uit jonge vrouwen te oogsten, zodat ze die later in hun leven kunnen gebruiken. Over de toenemende vruchtbaarheidsproblemen 
bij ouder wordende mannen, met name het sneller toenemen van zaadcelmutaties, wordt echter zelden gepraat. Eén zeer effectieve en veel minder dure en invasieve manier om vruchtbaarheidsproblemen bij oudere paren te verminderen, zou zeker zijn om spermamonsters van de jonge man te bewaren, zodat hij die later in zijn leven kan gebruiken. Dit is nog maar een van de voordelen die er te behalen zijn door minder seksisme en meer betrouwbare kennis over het rijk van de menselijke voortplanting.
Het mag dan lijken of de homunculus van Hartsoeker tegenwoordig achter de sluiers van de tijd is verdwenen, en alleen nog dient als grappige illustratie 
van stommiteiten bij de vroegste onderzoeken naar menselijke cellen, maar de invloed van dit idee, samen met het machomannelijke vooroordeel 
waaruit het is voortgekomen, leeft in subtielere 
vormen nog steeds voort bij de culturele stereotypen die bepalen welke vragen we stellen in de voort-
plantingsbiologie.

Auteur: Robert D. Martin

Robert D. Martin is emeritus curator biologische 
antropologie bij het Field Museum in Chicago. Hij is lid van het Committee on Evolutionary Biology aan de Universiteit van Chicago en gasthoogleraar aan het Institute of Evolutionary Medicine in Zürich.

Aeon
Verenigd Koninkrijk | aeon.co/magazine

Deze site, met als motto ‘lees dieper’, werd opgericht in september 2012 en publiceert dagelijks een essay, waarbij de relativering van het snelle dagelijks leven vooropstaat.

Dit artikel van Robert D. Martin verscheen eerder in Aeon.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.