• Hakai Magazine
  • Cultuur
  • St. Matthew: het eiland dat zich niet laat temmen

St. Matthew: het eiland dat zich niet laat temmen

Hakai Magazine | Victoria | Sarah Gilman | 06 januari 2021

In de Beringzee, halverwege tussen Alaska en Siberië, ligt een eiland gehuld in mist: St. Matthew. Sarah Gilman van Hakai Magazine bezocht het afgelegen oord en beschrijft de barre geschiedenis van het eiland. ‘Ik was benieuwd hoe het zou voelen om op een plek te zijn die zich zo sterk verzet tegen de aanwezigheid van de mens.’

St. Matthew Island is naar verluidt een van de meest verlaten plekken van Alaska. Het eiland ligt in de Beringzee, halverwege richting Siberië, en is meer dan driehonderd kilometer lang. Het is zo’n vierentwintig uur varen vanaf de dichtstbijzijnde menselijke nederzetting. Het eiland biedt een gepast grimmige aanblik, als een zwarte vleugel die opdoemt uit een deken van mist. Gekromde, boomloze bergen sieren deze strook land, met steile kliffen die in de golven verdwijnen. Ten noorden van St. Matthew ligt het kleinere, nog onherbergzamere eiland Hall. Een spitse bergtop, Pinnacle genaamd, houdt als een rotskasteel de wacht over de zuidelijke flank van St. Matthew. Wie voet zet op dit stukje land dat aan alle kanten is omgeven door eindeloze oceaan, heeft het gevoel te worden opgeslokt door het niets in het midden van een verdronken kompasroos.

Mijn hoofd tolt een beetje als ik in een ondiepe kuil kijk op de noordwestpunt van St. Matthew. Het is eind juli 2019 en de lucht zindert van het geluid van de endemische Alaskawoelmuis. De toendra die is ontstaan in de kuil waar ik naast sta, is begroeid met wilde bloemen en wolgras, maar zo’n vierhonderd jaar geleden was dit een huis, deels ingegraven om de elementen te trotseren. Het is het oudste teken van menselijke bewoning op het eiland, het enige prehistorische huis dat hier ooit is aangetroffen. Een met korstmos begroeid walviskaakbeen wijst in de richting van de zee, de kompasnaald die het noorden aangeeft.

Onherbergzame plek

In vergelijking met de meer beschutte baaien en stranden aan de oostkant van het eiland, moet dit een betrekkelijk onherbergzame plek zijn geweest om een huis neer te zetten. Met enige regelmaat wordt deze kust geteisterd door stormen, die met de volle kracht van de lege oceaan op het land inbeuken. Er overwinterden hier maar liefst driehonderd ijsberen, voordat ze eind negentiende eeuw werden verjaagd door de Russen en de Amerikanen.

Uit verschillende vondsten valt op te maken dat de bewoners van het kuilhuis dit niet langer dan een seizoen gebruikten, zegt Dennis Griffin, een archeoloog die zich sinds 2002 met de archipel bezighoudt. Opgravingen hebben voldoende materiaal opgeleverd om duidelijk te maken dat het huis is gebouwd door leden van de Thule-stam – voorgangers van de Inuit en de Joepiks, die nu aan de noordwestelijke kusten van Alaska wonen. Maar Griffin heeft nergens restanten aangetroffen van een haard, en ook niet meer dan een dunne laag artefacten.

Het is vaak mistig op St. Matthew. © Wikipedia / Kenneth D. Lemper
Het is vaak mistig op St. Matthew. © Wikipedia / Kenneth D. Lemper

De Ungangan, of Aleoeten, afkomstig van een de Aleoeten- en Pribilofeilanden in het zuiden, vertellen over de zoon van een stamhoofd, die de destijds onbewoonde Pribilofeilanden ontdekte toen hij uit koers was geraakt. Hij overwinterde op het eiland en ging pas het voorjaar erna terug naar huis, met een kajak. De Joepiks, van St Lawrence Island in het noorden, hebben een soortgelijk verhaal, over jagers die op een onbekend eiland verzeild raakten, waar ze wachtten op een gelegenheid om over het zee-ijs naar huis te lopen.

Griffin vermoedt dat de mensen die ooit dit huis hebben gegraven, iets soortgelijks was overkomen en dat ze wachtten op het moment dat ze weer konden vertrekken. Misschien hebben ze het gered, zal hij later tegen me zeggen. Maar misschien ook niet. ‘Het kan zijn dat een ijsbeer ze te pakken heeft gekregen.’

Het leven keert hier terug, het overwoekert, doet vergeten. Niet onoverwinnelijk veerkrachtig, maar vastberaden en zelfverzekerd

Onder wildernis verstaan de meeste Noord-Amerikanen een plek die nauwelijks is aangetast door de mens; in de wetten van de Verenigde Staten wordt die definitie ook gehanteerd. Die opvatting is een construct uit het recente koloniale verleden. Vóór de Europese invasie werd het grootste deel van het ongerepte land op het continent bewoond door de inheemse bevolking, die er jaagde en het land beheerde.

De archipel van St. Matthew, in 1970 officieel bestempeld tot ongerept natuurgebied, en in 1980 tot deel van het Alaska Maritime National Wildlife Refuge, had veel te bieden: zoetwatermeren vol vis, veel van de planten die ook op het vasteland werden gegeten, grote hoeveelheden zeevogels en zeezoogdieren om op te jagen. Maar toch, omdat St. Matthew zo afgelegen is, lijken de overblijfselen van het kuilhuis erop te wijzen dat zelfs de inheemse volkeren van Alaska, die zulke bedreven zeevaarders waren, hier slechts bij toeval verzeild waren geraakt. Andere mensen, die later volgden, werden geholpen door een stevige infrastructuur, of door instellingen. Niemand is lang op het eiland gebleven.

Ik ben naar deze archipel gekomen aan boord van de Tiĝlax̂ [TEKH-lah], een schip vol wetenschappers die de zeevogels bestuderen die broeden op de kliffen van de archipel. Ik was benieuwd hoe het zou voelen om op een plek te zijn die zich zo sterk verzet tegen de aanwezigheid van de mens.

Het is alweer de laatste dag van onze expeditie en de wetenschappers zijn naar de andere kant van het eiland gegaan, om nog wat data te verzamelen. Het kuilhuis lijkt de ideale plek om te mijmeren. Ik laat mezelf in de ondiepte zakken, laat mijn blik over zee glijden, zie op deze ongewoon heldere dag banen zonlicht op de toendra flakkeren. Ik stel me voor dat ik wacht op het moment dat het zee-ijs komt. Ik stel me voor dat ik op de uitkijk zit voor ijsberen, in de hoop dat die juist niet komen. Je weet maar nooit, heeft een gepensioneerde bioloog tegen me gezegd voordat ik aan boord ging van de Tiĝlax̂. ‘Ik zou maar goed uitkijken. Als je daar iets groots en wits ziet, kijk dan nog maar eens goed.’

De bereneilanden

Ooit waren deze eilanden bergen, plekken op de Beringlandbrug die Noord-Amerika en Azië met elkaar verbond. Toen verzwolg de oceaan het land rondom de bergtoppen, hulde ze in dikke mistdekens, isoleerde ze. Zonder mensen die lang genoeg bleven om iets van een geschiedenis vast te leggen, groeiden de eilanden uit tot plekken die tot in het oneindige ‘ontdekt’ konden worden. Luitenant Ivan Synd van de Russische marine, die geen weet had van het kuilhuis, meende in 1766 als eerste het grote eiland te hebben ontdekt. Hij vernoemde het naar de christelijke apostel Matteüs. In 1778 meende kapitein James Cook dat hij het had ontdekt, en hij noemde het eiland Gore. De walvisvaarders die later op de archipel stuitten, hadden het eenvoudigweg over ‘De bereneilanden.’

Ergens rond de winter van 1809-1810 sloeg een groep Russen en Ungangan er hun kamp op, om op beren te jagen voor de pels. Al naar gelang de bronnen die je raadpleegt zijn veel van de Russen gestorven aan scheurbeuk terwijl de Ungangan het overleefden, óf zijn enkele of de meeste leden van de groep omgekomen toen de zeezoogdieren waarvan ze afhankelijk waren om te overleven, zich terugtrokken tot buiten hun bereik, óf maakten de ijsberen hun het leven zo zuur dat ze wel móésten vertrekken.

Dat laatste lijkt niet onwaarschijnlijk, want toen naturalist Henry Elliott in 1874 de eilanden aandeed, wemelde het er van de beren. ‘Stelt u zich onze verbazing voor bij de aanblik van honderden grote ijsberen… die loom in met gras begroeide kuilen lagen, of gras en andere wortels opgroeven, wroetend als zwijnen,’ schreef Elliott, al leek hij de dieren eerder interessant en smakelijk te vinden dan angstaanjagend. Nadat ze er een paar hadden gedood, schreef hij dat het vlees ‘voortreffelijk’ was.

‘We zijn er goed in om wonderbaarlijke dingen te maken. Waar we heel slecht in zijn, is ze weer afbreken en de rotzooi opruimen’

Maar ook na het vertrek van de beren was de archipel een onherbergzame plek voor de mens. De mist was eindeloos, het weer een gesel, de eenzaamheid ongekend. In 1916 raakte de arctische schoener Great Bear in de mist uit koers en leed schipbreuk op Pinnacle. De bemanning maakte gebruik van de walvissloepen om zo’n twintig ton aan voorraden op St. Matthew in veiligheid te brengen. Ze sloegen er hun kamp op en wachtten op hulp.

Ene N. H. Bokum wist een soort zender in elkaar te knutselen en hij klom elke avond op een hoge klif om SOS-signalen uit te zenden. Maar toen hij tot de conclusie kwam dat de vochtige lucht de werking van zijn apparaat verstoorde, verloor hij de moed. Naarmate de weken verstreken werden de mannen onrustiger, totdat er zelfs messen werden getrokken op het moment dat de kok het vlees wilde rantsoeneren. Als ze niet na achttien dagen zouden zijn gered, was die wanhoop slechts een mild voorproefje geweest van wat de winter nog voor hen in petto had, zou John Borden, de eigenaar van Great Bear, later opmerken.

Amerikaanse militairen die tijdens de Tweede Wereldoorlog op St. Matthew waren gestationeerd zouden het nog veel zwaarder te verduren krijgen in de barre winter op het eiland. In 1943 bouwde de Amerikaanse Coast Guard een long-range navigation site (Loran) op de zuidwestkust van het eiland, als onderdeel van een netwerk dat gevechtsvliegtuigen en oorlogsschepen helpt om met behulp van vaste radiogolven de positie te bepalen op de Stille Oceaan. Soms lag er wel acht meter sneeuw rond het Loran-station en ‘de sneeuwstormen met orkaankracht’ hielden gemiddeld tien dagen aan. Zo’n zeven maanden per jaar werd het eiland ingesloten door zee-ijs. Als een vliegtuig in de koudste maanden van het jaar de post een paar kilometer verderop afwierp, moesten de mannen drie ploegen maken en elkaar afwisselen om die post te gaan halen – een slee met overlevingsmiddelen achter zich aan trekkend.

In de andere seizoenen was het eiland niet echt veel gastvrijer. Op een dag verdwenen er, ondanks de kalme zee, vijf mannen die met een boot op pad waren gegaan voor een of ander klusje. Het eiland werd een groot deel van de tijd gegeseld door regen en wind, waardoor de toendra veranderde in een ‘modderzee’. Er waren meer dan zeshonderd zakken cement nodig om de fundering te leggen voor de barakken van het station.

Een waaier aan puin

De kustwacht, die zich zorgen maakte hoe de mannen zich onder dergelijke omstandigheden moesten redden als ze verstoken waren van nieuwe voorraden, bracht in 1944 een kudde rendieren naar St. Matthew, bij wijze van voedselvoorraad. Uiteindelijk kwam er een einde aan de oorlog en vertrokken de mannen. De rendierpopulatie nam exponentieel toe, bij gebrek aan natuurlijke vijand. In 1963 waren er zesduizend rendieren. In 1964 waren ze bijna allemaal verdwenen. Allemaal ten prooi gevallen aan de winter.

Tegenwoordig is het Loran-station niet veel meer dan een hoge mast die met metaalkabels is verankerd aan een steile rots bij het strand, omgeven door een waaier aan puin. Op de vijfde dag van onze expeditie-week, lopen we met een paar mensen over de ingezakte restanten van een oude weg naar de plek van het Loran-station. Niet ver van de mast die nog overeind staat, ligt een tweede, omgevallen, mast, en een derde, en een vierde. Ik zie de vierkante, betonnen palen van de funderingen van de barakken. Op een heuveltje ligt een verlaten wc-pot, weggedraaid van zee. Ik blijf even staan kijken naar Aaron Christ, een biometricus, die foto’s maakt van een verzameling roestige olievaten waar een sterke dieselwalm vanaf slaat. ‘We zijn er goed in om wonderbaarlijke dingen te maken,’ zegt hij na een poosje. ‘Waar we heel slecht in zijn, is ze weer afbreken en de rotzooi opruimen.’

Maar toch, de toendra lijkt het meeste puin langzaam op te nemen. De weg is overwoekerd met monnikskap en kruidwilg. Mos en korstmos kruipen over kapot metaal en gebarsten multiplex, trekken alles naar beneden. Op andere plekken waar sprake is geweest van kortstondige bewoning is het niet anders. De aarde verteert de balken van de ingestorte hutjes die de vossenjagers hebben opgetrokken, vermoedelijk ergens voor de crisis van de jaren dertig. De zee heeft een hut weggespoeld die wetenschappers in de jaren vijftig van de vorige eeuw hebben gebouwd, toen ze een tijdje op het eiland verbleven. Toen de kustwacht in 1916 de bemanning van de Great Bear redde, lieten ze alles achter.

© OpenStreetMap via ArcGIS
© OpenStreetMap via ArcGIS

Griffin, de archeoloog, vond weinig meer dan wat verspreide kolen toen hij in 2018 de plek van het kamp bezocht. Het kan zijn dat vissers en militairen veel spullen hebben weggehaald, maar alles wat niet meer de moeite waard was omdat het kapot was – misschien een grammofoon, camera’s, flessen champagne – lijkt te zijn weggespoeld of te zijn verzonken in de aarde. De laatste van de uitgezette rendieren, een eenzaam, kreupel vrouwtje, is in de jaren tachtig aan haar einde gekomen. Heel lang lagen overal op het eiland rendierskeletten. Ook die zijn inmiddels vrijwel allemaal verdwenen. Van de paar die ik nog kan vinden, steekt alleen het puntje van hun gewei nog boven de aarde uit, alsof ze zijn verzwolgen door opkomend groen water.

Het leven keert hier terug, het overwoekert, doet vergeten. Niet onoverwinnelijk veerkrachtig, maar vastberaden en zelfverzekerd. Op Hall Island zie ik een zangvogel in een nest van stokoude batterijen. En de vossen, die de inheemse poolvos goeddeels van St. Matthew hebben verdreven nadat ze de oversteek hadden gemaakt over een dichtgevroren zee, hebben holen gegraven onder de het voormalige Loran-station, of onder stukken puin. En overal hoor je de Alaskawoelmuis.

Het eiland behoort hun toe. Het eiland behoort zichzelf toe.

Grens tussen water en land

De volgende ochtend een schemerige zonsopkomst, licht en wolken sepiakleurig door de rook van de vele branden die in verre bossen woeden. Als ik over de vlakke, zuidelijke flap van St. Matthew loop zie ik iets groots en wits en ik verstijf, knijp mijn ogen tot spleetjes. Het wit begint te bewegen. Te rennen, zelfs. Geen beer, zoals de gepensioneerde bioloog had geopperd, maar twee zwanen op het droge. In hun kielzog waggelen drie jonkies. Ze komen mijn kant op, en dan zie ik achter hen in het gras een schicht gevlekt oranje: een vos.

De jonkies lijken zich niet bewust van de aanwezigheid van hun belager, maar hun belager is zich wel bewust van mijn aanwezigheid. Hij staakt de achtervolging en gaat een paar meter verderop staan – haveloos, goudgele ogen, en mottig als de korstmossen op de rotsen. Hij laat zich op zijn zij vallen en wrijft een paar minuten lekker tegen een kei, sprint dan weg in een jachtige zigzaglijn, laat mij lachend achter. Als hij weg is, laat ik me op mijn hurken zakken en snuffel aan de kei. Hij ruikt naar aarde. Ik wrijf er met mijn eigen haren langs, alleen om even ‘dag’ te zeggen.

Ik loop door en het valt me op dat voorwerpen in de verte vaak iets líjken te zijn, maar uiteindelijk iets anders blijken. Hopen drijfhout blijken walvisbotten. Een vergaan walvisskelet blijkt een door de golven geteisterd wortelstelsel van een boom. Onverwachte voorwerpen zonder verhaal – een ladder, een metalen ponton – steken her en der uit de grond, naar ik aanneem ooit het land op gespoeld tijdens een storm. Als ik mijn ogen sluit, heb ik het vage gevoel dat er golven door mijn lichaam deinen. ‘Dock rock,’ zal iemand dat later noemen: het gevoel dat je, na lange tijd op een boot te hebben gezeten, de zee mee aan land hebt genomen, het land onder je voeten dat de fantoombeweging van water maakt.

En dan wordt de mist nóg dichter, totdat ook ik verdwijn – volkomen uitgevaagd

Ik bedenk dat je, om echt aan te komen op St. Matthew, alles moet loslaten zodat de grens tussen water en land kan vervagen. Ik ben mijn houvast kwijt en ervaar het landschap als iets vloeibaars, het neemt een andere gedaante aan, net als het wortelstelsel en de walvisbotten – het is iets wat zichzelf creëert, wat eilanden maakt uit bergen, wat alle tekenen van hen die hier eerder zijn geweest, verspreidt en verzwelgt.

Ik kijk naar de eroderende randen van het eiland. Sommige kliffen die op oude foto’s staan, zijn in zee gestort of uiteengevallen in brandingspilaren. Ik kijk naar de paar banen zonlicht die op het heldere water vallen, het sepiakleurige licht dat de donkere kelpmatten op de grond van de Beringzee beroert. Hele werelden zijn onder water verdwenen of verpulverd tot kiezels, zand, slib. Land dat afkalft in zee, de herverdeling van aarde in onkenbare toekomsten. Een uitgelezen plek om je te bedenken dat we hier maar zo kort zijn. Dat de grond onder onze voeten altijd onvast zal zijn.

De wind rukt plukken haar uit mijn capuchon en zwiept ze in mijn ogen, en ik druk mijn handpalmen tegen de vloer van het kuilhuis. Dat voelt stevig genoeg, voorlopig. Het stelt me gerust dat het na een paar eeuwen nog altijd zichtbaar is – een klein anker tegen alle krachtige stromen die je op deze plek dreigen mee te sleuren. Maar uiteindelijk krijg ik het koud en klauter naar buiten. Ik moet terug naar mijn kamp, niet ver van de plek waar de Tiĝlax̂ voor anker ligt; morgenochtend varen we weer over de Beringzee naar het zuiden, naar andere eilanden en vliegvelden. Maar eerst loop ik nog over het land in de richting van een hoge, grauwe, zacht glooiende heuvel een paar kilometer verderop, die me al op het schip, meteen al bij aankomst, was opgevallen.

 Een spitse bergtop, Pinnacle genaamd, houdt als een rotskasteel de wacht over de zuidelijke flank van St. Matthew. © Wikipedia
Een spitse bergtop, Pinnacle genaamd, houdt als een rotskasteel de wacht over de zuidelijke flank van St. Matthew. © Wikipedia

Het zonlicht dat vanochtend in banen over de heuvels viel, sterft weg. Er daalt een middagmist neer terwijl ik over het heldergroene gras loop en dan, hand voor hand, over een lint van steile kammen klauter. Ik eindig in het niets. Een van de biologen had me gewaarschuwd, toen we het er voor het eerst over hadden dat ik alleen op pad zou gaan, dat je onverhoeds kan worden ingesloten door de mist; dat ik, als dat zou gebeuren, een gps nodig zou hebben om de weg terug te vinden.

Mijn gps doet het niet goed, dus ik ga verder op de tast, zorg dat ik de steile helling van de kam aan mijn linkerkant hou. Ik verbaas me over vlakten en toppen die ik me niet kan herinneren van beneden af te hebben gezien. Ik begin me langzaam af te vragen of ik misschien per ongeluk langs de zacht glooiende achterkant van de kam ben afgedaald, in plaats van naar boven te zijn geklommen. De mist wordt steeds dichter, tot ik nog maar iets van twee meter zicht heb. En dan wordt hij nóg dichter, totdat ook ik verdwijn – volkomen uitgevaagd, net zoals dat over niet al te lange tijd zal gelden voor de donkere schim van het pad dat ik beneden in het gras heb achtergelaten.

Dan ineens trekt de mist en op wordt het pad naar beneden zichtbaar. Opgelucht baan ik me een weg terug door de heuvels en op de top van de laatste heuvel zie ik in de kalme baai in de diepte de Tiĝlax̂ liggen. Dan klinkt de misthoorn van het schip, als een langgerekt saluut, en ik reik met een hand naar de hemel.

Auteur: Sarah Gilman

Hakai Magazine
Canada | website | hakaimagzine.com

Tijdschrift over wetenschap, maatschappij en milieu, met speciale aandacht voor de zeeën. Onderdeel van de Tula Foundation en het Hakai
Institute. De naam is geïnspireerd op de Hakai Lúxvbálís Conservancy, een groot beschermd gebied aan de westkust van Canada.

Dit artikel van Sarah Gilman verscheen eerder in Hakai Magazine.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.