• Al-Jumhuriya
  • Cultuur
  • Syriër in het koude Noorden

Syriër in het koude Noorden

Al-Jumhuriya | Ankara | Odai Al Zoubi | 08 december 2016

De Syrische schrijver en journalist Odai Al Zoubi vluchtte in 2015 via Istanboel naar Denemarken. In dit verslag vertelt hij hoe het hem vergaat in Scandinavië.

‘Het Noorden is een beproeving, een oord van verveling.’ – Salim Barakat, Syrisch-Koerdische dichter (tegenwoordig gevestigd in Zweden)

Ik ben begin 2015 in Istanboel aangekomen en er aan het eind van dat jaar weer weggegaan. Ik had niet bewust gekozen om me daar te vestigen en ook niet om er weg te gaan. Het was de wil van het lot, waarop wij geen enkele greep hebben.

We staan bij het consulaat van Denemarken in Istanboel: Irakezen, Syriërs, Arabieren en Koerden. Er zijn hier geen Turken, die vragen hun visum aan via internet. De Irakezen vertellen me over hun vrees voor Syrië, hun liefde voor Homs en Damascus. In dit rustige gesprek is de soenniet die zich verzet tegen de sjiitische milities makkelijk te onderscheiden van de sjiiet die boos is op Islamitische Staat. De slecht Arabisch sprekende Syrische Koerden in het consulaat wachten op toestemming voor gezinshereniging.

Een oude vrouw met een hoofddoek bidt tot God en roept daarmee nog meer verwensingen op. Een meisje van acht klampt zich aan haar vast, terwijl een nog jonger jongetje achter zijn moeder aan gaat die voor het loket van een Deense employé staat te wachten. De oma zegt tegen mij dat ze uit Ayn Tarma [een voorstad van Damascus] komt en vertelt me haar verhaal: ‘Mijn oudste dochter verzoekt om gezinshereniging zodat ze naar haar man in Denemarken kan gaan.’ Als haar dochter weggaat, zal de oma hier helemaal alleen wegkwijnen; gaat ze niet, dan zullen ze hier samen met de twee kinderen wegkwijnen. ‘Mijn enige zoon is zestien jaar en hij wil ook vertrekken. Ik wil het beste voor hem, maar wat moet ik doen als hij weggaat? Uit bedelen gaan? Zou jij dat voor je moeder willen?’ Ze richt zich niet echt tot mij, en verwacht ook geen antwoord. Ze smeekt God om haar terug te brengen naar het dorp waar ze vandaan komt: ‘In Ayn Tarma heb je alles wat je wilt, niemand heeft daar honger en de mensen houden van elkaar.’

De dochter probeert haar zoontje over te halen om weer bij zijn oma te gaan staan. ‘Anders geven de Denen ons de papieren niet, wees stil, houd je mond nu. De Denen zijn niet zo lawaaiig als wij… Dit is al de vijfde keer dat we hier zijn, we wachten al twee jaar op die papieren, hopelijk lukt het deze keer.’ De Deense medewerker wenkt de moeder naar het loket en geeft haar de papieren. ‘Mabroek!’ [‘Gefeliciteerd!’] De vrouw barst in tranen uit. Haar twee kinderen volgen haar voorbeeld. Iedereen om hen heen feliciteert de vrouw, ook de Koerden in hun gebrekkige Arabisch en de Irakezen die geroerd zijn door dit tomeloze verdriet.

Het kleine meisje fluistert: ‘Mama, ik wil niet naar Denemarken, ze zeggen dat het daar heel erg koud is.’ De moeder drukt haar huilend tegen zich aan: ‘De hele wereld is ijskoud.’

Ergens in mijn achterhoofd vraag een duiveltje geamuseerd: “In Damascus bent je nooit geïntegreerd, gaat het je hier dan wel lukken?”

Ik probeer uit te zoeken wat ik mee wil nemen in mijn derde ballingschap en ik vind: een aantekenboekje over mijn lezingen van tien jaar geleden, een oude, stoffige koffer die niet open is geweest sinds ik in Istanboel ben aangekomen, souvenirs uit Londen en Norwich, rekeningen voor mijn Engelse mobiele telefoon waar ik niets meer aan heb, tijdelijke arbeidscontracten bij een verre universiteit, officiële papieren en loonstrookjes, belastingoverzichten, verlopen visumaanvragen, tweehonderd Syrische ponden in biljetten en dirhams van de Emiraten, kaartjes van vrienden in Engeland, een verlopen paspoort dat ik niet durf weg te gooien uit angst dat een buitenlandse instantie me er om veiligheidsredenen naar zal vragen, een kruisje dat ik uit een Armeense kerk heb gestolen tijdens een verrassingsbezoek, verschillende dvd’s met films (Buñuel, Sofia Coppola), te krappe truien die ik van het ene continent naar het andere meesleep in de hoop dat ze ooit nog om mijn buik zullen passen die sinds mijn dertigste steeds dikker wordt, de laatste dichtbundel van Mahmoud Darwish [Palestijnse dichter, 1942-2008], en een van Al-Mutanabbi [Arabische dichter uit de tiende eeuw, bekend om zijn omzwervingen], een bloemlezing van gedichten van Borges, mijn master- en doctoraaldiploma, een paar basketbalschoenen die nog vrijwel nieuw zijn, al heb ik ze meer dan vijf jaar geleden gekocht, en het gevoel van een ballingschap die permanent wordt.

Ik heb geen enkele foto bij me, zelfs niet op mijn computer of op mijn telefoon. Ik houd er niet van om rond te zeulen met herinneringen aan een verleden dat geen band heeft met het heden. Wie heeft behoefde aan foto’s als de herinneringen in het geheugen gegrift staan?

Op het vliegveld van Kopenhagen loop ik ineens tussen mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen. Een beetje schutterig loop ik door, de kleine dichter met het gitzwarte haar en de gedrongen gestalte. Een aankondiging waarschuwt dat mensen met een Syrische of Somalische nationaliteit geen toeristenvisum kunnen krijgen, wat ook de reden is voor hun aanvraag. Alleen gezinshereniging is mogelijk, onder financiële en administratieve voorwaarden die even draconisch zijn als vernederend. Racisme is in Denemarken niet langer verborgen, het is nu even zichtbaar als dat van de Syriërs tegenover de Somaliërs. Mijn landgenoten vragen zich verbijsterd af: ‘Echt? Somaliërs en wij? Dat is idioot. Wij zijn beschaafd, goed opgeleid, wij zijn ambachtslieden en ondernemers… niet zoals die zwarte Afrikanen.’ Zelfs onze jarenlange oorlog heeft ons niet van onze fouten genezen.

Staand voor de medewerker van de immigratiedienst bereid ik me voor op het zoveelste verhoor over mijn relatie met Islamitische Staat en andere vreemde vragen over mijn verleden en mijn toekomst, zoals op elke luchthaven waar ik mijn verdoemde Syrische paspoort liet zien. ‘Welkom in Denemarken, uw tweede vaderland. Ik wens u een prettig verblijf.’

Ik geloof mijn oren niet: ‘Moet ik soms ergens anders heen waar ze me willen ondervragen?’ ‘Nee hoor. We moeten ons alleen wel verontschuldigen voor het slechte weer. Ik hoop dat u daartegen kunt.’

Kopenhagen, stad van ‘mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen’. – © Francis Dean / Getty Images
Kopenhagen, stad van ‘mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen’. – © Francis Dean / Getty Images

Ik ben niet gewend aan dit klimaat. Hier in dit koude Noorden kampen de mensen voortdurend met depressies, een diepe narigheid die tot in de haarvaten van hun vermoeide geest trekt. In de winter lopen ze door de straten als witte spoken bedekt met menselijk vlees dat huivert van eenzaamheid. Ze hebben haast om thuis of op hun werk te komen en laten de straten leeg achter, als mooie ruïnes, schoon en geordend. Op de weinige warme dagen vertonen ze zich in de zon, als primitieve wezens die bij de eerste zonnestralen naar buiten komen. Hun zwijgzame stemming wordt jovialer en zuidelijker. Dan glimlachen en lachen ze zoals wij, de kinderen van het warme zuiden. Ze trekken hun kleren uit en gaan in de openbare parken liggen.

Volgens de officiële documenten van de Deense overheid ben ik nu ‘immigrant’. Twee weken na mijn aankomst heb ik een afspraak met de medewerkster die mij de komende jaren onder haar hoede heeft en mijn ‘integratie’ in de Deense samenleving zal begeleiden. Ergens in mijn achterhoofd vraag een duiveltje geamuseerd: ‘In Damascus bent je nooit geïntegreerd, gaat het je hier dan wel lukken?’

Zittend achter haar computer houdt de medewerkster officiële papieren in drie talen in haar handen: Arabisch, Engels en Deens. Ik ga tegenover haar zitten, gewapend met maar één document dat geen waarde heeft maar voor mij belangrijk is: mijn verdoemde paspoort. De bijeenkomst begint met het officieel voorlezen van mijn rechten en plichten. De administratieve papierwinkel heeft me altijd afgeschrikt. Het doet me denken aan de vernederingen in Syrië, elke keer als wij ons wilden inschrijven bij de universiteit, bij de vakbond of zelfs voor het registreren van een auto. Ik buig mijn hoofd en neem de domme houding van de vluchteling aan.

De woordenstroom stokt: ‘Luistert u wel?’

‘Natuurlijk,’ antwoord ik.

Even blijft het stil. ‘Heeft u psychische problemen?’

Een stemmetje in mij weerstaat de lust om te antwoorden: ‘Tja lieverd, zoals alle Syriërs. Ik heb geen vrienden meer. Die zijn via de ballingschap verspreid geraakt, ik heb ze al in geen vijf jaar meer gezien.’ Ik stel mijn ondervraagster gerust: ‘Nee, nee, geen psychische problemen.’

Zij pakt haar papieren weer op. ‘Hebt u een lichamelijke of geestelijke handicap waarvan wij moeten afweten?’ Het stemmetje binnenin mij fluistert: ‘Ja, ik durf het huis niet uit. Ik kan er niet tegen als iemand me vragen stelt over Syrië. Europeanen stellen ons vragen over Syrië alsof het over een Hollywood- of Bollywoodfilm gaat. Die blik, waarmee ze dan “O” zeggen en het gebaar waarmee ze vervolgens hun hand op onze schouder leggen, als uit medeleven.’

Hardop: ‘Nee, alles is normaal.’

‘Kunt u terug naar Syrië?’

‘Dat weet ik niet. Als Turkije de grens openstelt, zou ik naar de noordelijke gebieden kunnen, die worden beheerst door de oppositie. Ik denk niet dat ik naar de gebieden kan gaan waar het regime de baas is. Maar er is geen formele aanklacht tegen mij.’

Weer stilte. Voor me op het bureau liggen foldertjes, bedoeld voor vrouwen, in het Turks, Pasjtoe, Farsi, Arabisch en Urdu: ‘Als uw echtgenoot, uw broer of een ander familielid u slaat of verbaal mishandelt, kunt u contact met ons opnemen en dan kunnen wij u beschermen.’ Ik pak er een en laat het in mijn zak glijden.

De vrouw glimlacht. ‘Laten we het over uw integratie hebben.’ Inwendig overweeg ik te antwoorden: ‘Ik zal u eens heel simpel uitleggen hoe het zit: de Syriër kan nergens integreren zolang zijn land in brand staat. Dat is logisch, mevrouw. Onze families, onze vrienden, onze straten, onze herinneringen, onze toekomst, onze muziek, onze godsdienst, ons land, onze grenzen, onze bedrijven, onze tradities, onze dialecten, onze literatuur, onze overtuigingen, de stem van onze voorouders, hun foto’s en hun graven, alles op de wereld dat belangrijk voor ons is, verdwijnt alsof het nooit heeft bestaan. Zelfs te midden van de mensen voelen wij ons alleen. Laat ons in deze oorlogsjaren met rust. We willen niet integreren en zelfs al zouden we het willen, we kunnen het niet.’ Ik antwoord uiteindelijk: ‘Ja, natuurlijk, dat is belangrijk.’

‘Hebt u problemen met aanpassen aan de Deense samenleving?’

‘Ik geloof het niet.’

‘Weet u dat zeker? Er bestaan verscheidene programma’s om de integratie makkelijker te maken en ik zou graag willen dat u daar eens naar kijkt.’

Ze geeft me wat folders, die ik een beetje vermoeid doorblader. Vrijwilligers die je de stad willen laten zien, andere vrijwilligers die je Deens kunnen leren. Er worden bijeenkomsten georganiseerd over Denemarken, over de cultuur van het land, de keuken. Er zijn gesprekken voor psychologische ondersteuning…

Deense waarden

‘Goed, laten we het dan nu over de komende vijf jaar hebben.’

Ik, in mezelf: ‘Mijn lieve dame, laten we het van dag tot dag bekijken. Ik zit voor twee jaar goed met mijn visum, daarna zien we wel weer verder.’ Zij vraagt me of ik het contract dat de overheid me heeft voorgelegd wel heb gelezen. Dat ben ik kwijtgeraakt, maar ik antwoord bevestigend en zeg dat ik al het heb getekend.

Zij weer: ‘Zolang u hier bent, mag u uw vrouw, uw kinderen of iemand anders niet slaan.’

Ik, in mezelf: ‘En mag ik dat buiten Denemarken dan wel?’

Zij: ‘Dat hoort bij onze waarden in Denemarken.’

Ik, weer inwendig: ‘Ik zou wel eens willen weten wat de Deense waarden onderscheidt van de Zweedse of de Europese. Zijn dat niet dezelfde als die van de Arabieren en de islamieten die in Syrië wonen? Waarden kun je niet vastleggen in een contract dat je afsluit met een denkbeeldig wezen dat “de staat” heet.’

Zij: ‘U verplicht zich om respect te hebben voor minderheden en alle verschillen…’

Ik, in mezelf: ‘Hoe zit het dan met de Deens volkspartij [de Dansk Folkeparti], een extreemrechtse club die bij de parlementsverkiezingen van 2015 de tweede partij van het land is geworden? Die wil uit het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens stappen en de doodstraf weer invoeren. De groep heeft het openlijk over het inperken en onderdrukken van moslims. Deelt u die waarden?’ Dan hardop: ‘Natuurlijk zal ik de Deense waarden respecteren.’

Hoe moeten we onze taal leven in een land waar die in verband wordt gebracht met terrorisme? We schamen ons om die taal te gebruiken op vliegvelden, op stations, in bussen en cafés

De Koerdisch-Syrische dichter Salim Barakat woont ver van alles vandaan in Zweden, waar hij zich in 1999 heeft gevestigd. Ik heb overwogen om contact met hem op te nemen en er daarna weer van afgezien. Ik denk aan zijn vreemde lot. Een Arabischtalige Koerd in een ver land. Hij schrijft nog steeds. Wie zijn lezers zijn hangt af van het onderwerp waar hij het over heeft. Sommigen bewonderen zijn totale en volmaakte beheersing van het strikt letterlijke Arabisch, terwijl anderen vinden dat zijn taal absurd is en leeg, een doel op zichzelf geworden. Toch drukt de man er een heel herkenbaar stempel op zowel voor het oog als voor het oor.

De relatie met de taal is een zwakke plek van alle Arabieren die racistische mythen over de superioriteit van hun taal herhalen. Die mythe is terug te voeren op de religieuze oorsprong van het Arabisch en de tijd van de grote veroveringen. De taal van de Koran is gewapenderhand en via bekeringen opgedrongen aan volken en staten. Op dezelfde manier bestaan in het Westen racistische legendes over de superioriteit van de westerse talen ten opzichte van die van het Oosten. Het koloniale verleden blijft leven in de denkbeelden van het volk en van de academische wereld, die van het Oosten een gebied maken dat onderontwikkeld en anders is, en waarvan de taal nooit de vrije gedachte zal kunnen uitdrukken. Toch zijn volgens de moderne linguïstiek alle talen gelijk in hun vermogen om ideeën en gevoelens te formuleren, de voortgang van de moderne wetenschap te begrijpen en een gemeenschappelijke mystiek van alle volken uit te drukken. Geen taal is beter, preciezer, mooier, poëtischer, vrijer, opener of geslotener dan een andere.

Ik hou van het Arabisch, niet omdat het een superieure taal is, maar omdat het mijn taal is. Net als Salim Barakat wil ik in geen andere taal schrijven. Maar hoe moeten we onze taal leven in een land waar die in verband wordt gebracht met terrorisme? We schamen ons om die taal te gebruiken op vliegvelden, op stations, in bussen en cafés. In ieder geval is het onmogelijk om in een land werk te vinden zonder de taal van dat land machtig te zijn. Het Deens is dus mijn toekomst. Een taal die onmogelijk is om uit te spreken, want hij mist de gutturale klanken waar mijn keel naar staat. Ik denk aan het lot van de ballingen die hun taal naar elders hebben gebracht: Nabokov, Cortázar, Ibsen, Marx of Bakoenin. Wat hebben zij met hun oorspronkelijke taal gedaan na tientallen jaren ballingschap?

De Syrische hoofdstad Damascus, geboorteplaats van schrijver Odai Al Zoubi. – © Valery Sharifulin / Getty Images
De Syrische hoofdstad Damascus, geboorteplaats van schrijver Odai Al Zoubi. – © Valery Sharifulin / Getty Images

Ik fiets door de straten van de hoofdstad, met een waterdicht pak over mijn gewone kleren, net als de Europeanen. Kopenhagen heeft nooit oorlog of bezetting gekend, behalve die van de Duitse Führer. De stad heeft zich aan Hitler overgegeven om verwoesting te voorkomen, net als Parijs. Het centrum is rustig en veilig. Dit is de stad met het grootste percentage vrouwen in het politieke en economische leven, de beste sociale programma’s en het kleinste verschil tussen rijk en arm ter wereld. Hoe kun je níét van dit koude noordelijke landje houden?

Ik ga in de bibliotheek zitten om _Woorden van dag en avond _van Naguib Mahfouz te lezen [Egyptische winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur; dit boek is niet vertaald]. Het is onmogelijk om niet de bezorgde blikken te zien van mensen die mij, met mijn dikke zwarte baard, iets in het Arabisch zien lezen. Vanuit de verte word ik in de gaten gehouden door gewapende mannen. De bibliotheek kijkt uit op de enige synagoge in Kopenhagen. Twee jaar geleden heeft een Deen van Palestijnse afkomst, die geboren was in Kopenhagen en betrokken bij drugshandel, joden aangevallen bij de ingang van de synagoge, roepend dat hij dat deed uit naam van Palestina en de islam. Er vielen doden en gewonden. Sindsdien wordt de synagoge bewaakt.

Dit land is lange tijd homogeen geweest. Joden kwamen er pas laat naartoe. Vervolgens heeft de overheid na de Tweede Wereldoorlog Turken en Pakistanen binnengehaald om het zware werk te doen. De Palestijnen zijn gekomen tijdens de oorlogen in Libanon [1975-1990]. Zij werden in de jaren negentig gevolgd door Somaliërs en Eritreërs, tegelijk met Oost-Europeanen na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. In diezelfde periode zijn ook de Koerden gekomen, op de vlucht voor de woede van het Turkse leger; vervolgens kwamen de Irakezen, Arabieren en Koerden die verjaagd waren door de oorlog tussen Irak en Iran en daarna door de Amerikaanse interventie. Nu zijn het de Syriërs.

Ik kijk naar de joden met hun keppeltje. Glimlachende oude mannen die langzaam bewegen, kuis geklede vrouwen, die sterk contrasteren met de alomtegenwoordige naaktheid in dit land, verlegen jongeren die achter hun familieleden aanlopen. Niemand in deze stad lijkt zo sterk op ons als deze praktiserende joden.

Ik ga naar buiten en loop door de straten. Geen gewapende wachters bij het parlementsgebouw. Een vredesactiviste staat hier elke dag te demonstreren tegen de regering. Ze roept leuzen tegen Amerika en voor Assad. Ik vraag haar wat ze van de chemische wapens vindt die de Syrische president volgens een rapport van de VN in het opstandige noorden van het land heeft ingezet. Ze antwoordt dat dat allemaal leugens zijn van voorstanders van Amerika en Israël. Ik loop door, verdwaald in een stad die ik nog slecht ken.

Tranen

In een smal straatje speelt een Egyptenaar met zijn zoon, die danst op een wijsje van Amr Diab [bekende zanger in Egypte]. Dan zet het kind het op een lopen en roept iets in het Deens, tot grote wanhoop van zijn vader: hij wil geen Arabische liedjes horen. Ik probeer vergeefs mijn tranen in te houden. Ik huil zonder reden. Mijn vrienden en geliefden zeggen dat ze voortdurend huilen. Degenen die naar Damascus gaan, huilen bij elk bezoek, zowel bij aankomst als bij vertrek. Degenen die er niet heen gaan, krijgen om het minste of geringste tranen in hun ogen, behalve om zichzelf. Wat moet je doen in een land waar Amr Diab ons aan het huilen brengt?

Overal rijden fietsers, er hangt een gigantische poster van de Deense volkspartij met een foto van blonde en blanke Denen. Eenvormiger dan de inwoners van de hoofdstad, vertegenwoordigen zij de campagnes met een duidelijke boodschap: wij zijn de Deense familie. Onder een laagje beschaving borrelen de ergste vormen van fascisme en fanatisme. De leden van deze beweging willen dat de grenzen gesloten worden, dat vluchtelingen worden uitgezet en dat ook de islamitische immigranten het land uit worden gestuurd, net als zigeuners, of dat nu Roemenen, Polen of Bulgaren zijn. Ze beweren dat Denemarken al die armen niet kan helpen: waarom zou het land een last moeten dragen die zijn krachten te boven gaat? Iets in dit affiche blokkeert elke poging tot communicatie tussen ons en die Deense familie. De volkspartij blijft maar hameren op de superioriteit van een beschaving die twee eeuwen geleden de wereld heeft veroverd, en zo het lot van volken, landen en individuen heeft verstoord, die daarvan nog altijd niet zijn hersteld. Afrikanen, Indiërs en Inuit werden onderworpen, tot de Denen stuitten op andere Europeanen, de Engelsen.

Nu verschijnen er partijen die nog extremistischer en gekker zijn dan de volkspartij. Een ongekende angst maakt zich meester van het land. De inwoners herkauwen even stom als nerveus het sprookje van een gelukkig land. Wij zijn superieur en gelukkig. Wij werken acht uur per dag en we houden van ons land. De rest van de wereld begrijpt niet dat wij gelukkig zijn, dat we hart hebben voor het milieu, dat wij goed zijn en open, dat we niets anders willen dat in dit land leven – alleen! Mensen staren zich blind op die zoektocht naar geluk en volmaaktheid. Niets is zo dodelijk voor het geluk als er dag en nacht naar zoeken, zonder de tijd te nemen om ervan te genieten of te denken aan het lot van je ongelukkige broeders, ver van dit ijzige en paradijselijke Noorden.

Ik kom bij de kerk waar ik vlakbij woon. Aan de muur hangt een reusachtig affiche in regenboogkleuren, symbool van de homoseksuelen. Op een houten bankje daaronder speelt een oude Pakistaan met zijn kleinkinderen. Ergens vandaan klinkt klassieke muziek, Mozart misschien. Tientallen kinderen staan in de rij om met hun leerkrachten de straat over te steken. Het onschuldige lawaai van gelach, geschreeuw, gehuil. Straks zal mijn zoon zich bij die scholieren voegen, zonder vragen te hoeven beantwoorden zoals ik.

De oude Pakistani tilt zijn kleindochter op en neemt haar op een holletje mee. De schaterlach van het kleine meisje weeft een onzichtbare draad tussen de kou van het Noorden en de warmte van het Zuiden. De blijheid van een kind omspant de hele wereld.

Auteur: Odai Al Zoubi

Deze Syrische journalist, schrijver en dichter werd in 1981 geboren in Damascus. Hij is medewerker van een groot aantal publicaties en websites van de Syrische oppositie. Met zijn literaire stijl heeft hij in de Arabische wereld al veel prijzen gewonnen. Hij is ook de auteur van een boek dat in 2016 is verschenen: As-Sam (De stilte, niet in het Nederlands vertaald). Al Zoubi, die in Engeland een doctoraal in de filosofie heeft gehaald aan de Universiteit van East Anglia, woont momenteel in Kopenhagen.

Al-Jumhuriya
Turkije | aljumhuriya.net

Al-Jumhuriya (De Republiek) is een website voor onderzoek en discussie die in maart 2012 in Istanboel is opgericht door een groep intellectuele Syrische ballingen, onder wie Yassin al-Haj Saleh, Nayla Mansour en Yassin Swehat. De site publiceert artikelen, enquêtes en wetenschappelijk onderzoek naar de politieke, sociale en culturele transformaties in Syrië en de rest van de Arabische wereld.

Dit artikel van Odai Al Zoubi verscheen eerder in Al-Jumhuriya.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.