• The Washington Post
  • Cultuur
  • Tegen de stroom in

Tegen de stroom in

The Washington Post | Washington D.C. | Philip Kennicott | 21 september 2018

Het mecenasechtpaar Mitch en Emily Rales zet met hun nieuwe Glenstone-museum niet in op Instagram of grote bezoekersaantallen, maar op individuele bespiegeling. Het grote publiek vindt dat elitair.

Er zijn musea voor hedendaagse kunst die ontoegankelijker zijn en afgelegener liggen dan Glenstone – zoals een museum op een verlaten eiland in Japan, of een museum in een 
afgezonderd plaatsje in Texas. Sommige musea zijn alleen toegankelijk op uitnodiging en functioneren bijna als privéclub. Ook zijn er enkele vooraanstaande instellingen die zich tot doel stellen cultuur en natuur in elkaar te laten opgaan en de bezoekers willen verleiden niet alleen kunst te komen kijken, maar zich tevens te laven aan het landschap.

In een tijd waarin de kunstwereld kampt met een sterk gevoel dat musea het slachtoffer zijn geworden van hun eigen succes en dat er dringend behoefte 
is aan een nieuw paradigma voor de beleving van kunst, opent Glenstone bovendien een nieuwe 
aanbouw in Potomac, waar de deuren iets wijder open zullen staan dan in het oude Glenstone, en via het onlinereserveringssysteem meer publiek zal worden toegelaten. Het museum is de gezamenlijke schepping van Mitch en Emily Rales, rijke kunstverzamelaars die in 2006 een galerie openden op het terrein van hun huis in Maryland. Op 4 oktober zal het echtpaar de aanzienlijk uitgebreide kunstcampus feestelijk openen – er zal dan vijf keer zo veel expositieruimte beschikbaar zijn in de zogeheten Pavilions, een gebouw dat bestaat uit enkele 
onderling verbonden galeries, gegroepeerd rond 
een bassin, gelegen op een zacht glooiende heuvel. 
Opgetrokken uit grijs, gegoten beton en badend in daglicht, is de uitstraling van de Pavilions mini-malistisch en monastiek, terwijl het gebouw 
tegelijkertijd de sfeer ademt van lang geleden.

Slow art

Wie het museum bezoekt zal, eindelijk, met eigen ogen kunnen aanschouwen hoe het echtpaar Rales hun droom heeft weten te verwezenlijken een van 
de grootste, rijkste en meest ambitieuze nieuwe 
culturele instellingen ter wereld neer te zetten. Maar het Glenstone-terrein, bijna een vierkante kilometer groot, compleet met café, toegangspaviljoen, wisselende tentoonstellingen en toegang tot buitenluchtinstallaties en paden over het 
terrein, is ontworpen met het oog op de beleving van de bezoeker, en niet met het oog op het maximaliseren van het aantal mensen dat voet over de drempel zet.

Het is ontworpen in de geest van de 
slow art-beweging, die momenteel sterk in opkomst is – een reactie op grotere machten die aan het werk zijn binnen 
de kunstwereld, op de democratische 
cultuur en op het tijdperk van kunst die zo op Instagram moet kunnen.

Emily Rales schat dat Glenstone zo’n vierhonderd bezoekers per dag zal kunnen verwerken zonder dat de 
contemplatieve sfeer, de mogelijkheid 
te ontsnappen aan de buitenwereld, in het gedrang komt. Die sfeer speelt een cruciale rol 
in het beeld dat de oprichters voor ogen stond. Ter vergelijking: de Phillips Collection, een museum op een klein stukje grond in het centrum van Washington, vrijwel volledig door bebouwing omsloten, 
ontvangt gemiddeld net iets meer dan vijfhonderd bezoekers per dag, terwijl het Hirshhorn Museum, dat zeer centraal is gelegen, zo’n 2500 bezoekers per dag ontvangt.

Split-Rocker van Jeff Koons, gemaakt van o.a. roestvrij staal en bloemen. – © Glenstone, Iwan Baan.
Split-Rocker van Jeff Koons, gemaakt van o.a. roestvrij staal en bloemen. – © Glenstone, Iwan Baan.

‘We hebben allemaal ons “Mona Lisa-moment” gehad,’ zegt Thomas Phifer, de architect die nauw heeft samengewerkt met het echtpaar Rales bij het ontwerpen van de 19.000 vierkante meter grote Pavilions. Het Mona Lisa-moment is het gevoel van wanhoop dat wordt opgewekt door de krankzinnige drukte in de zalen van het Louvre in Parijs, waar 
het in de ruimte die aan de Mona Lisa is gewijd één grote chaos is, met groepen toeristen die door elkaar krioelen, zich verdringen en elkaar soms zelfs opzij duwen in de hoop dichtbij genoeg te kunnen komen om met hun telefoon een foto te maken van het beroemdste schilderij ter wereld. ‘Als je die ruimte betreedt, sta je daar met vierhonderd van je beste vrienden, en met een beetje geluk kun je een glimp opvangen van de Mona Lisa,’ zegt Phifer over deze indringende en frustrerende ervaring, die in steeds meer musea over de hele wereld eerder regel dan 
uitzondering lijkt te worden.

Het Mona Lisa-moment kan ook worden ervaren in 
de zalen van het Museum of Modern Art in New York, waar het inmiddels zo druk is dat echte 
kunstliefhebbers het museum mijden, of bij speciale 
tentoonstellingen, zoals de show van Kusama in 
het Hirshhorn afgelopen jaar, waar het zo druk was dat de bezoekers met een stopwatch werden gevolgd en niet langer dan een paar seconden in de speciaal ontworpen ‘oneindigheidsruimtes’ van de kunstenaar mochten verblijven. Het probleem zit hem 
niet alleen in de grote aantallen bezoekers, de herrie of de afleiding; het probleem zit hem in het weg-
vallen van een van de cruciale componenten van het kijken naar kunst, namelijk de rustige, individuele bespiegeling.

Mitch en Emily Rales openden Glenstone in 2006 op het terrein van hun huis in Maryland.
Mitch en Emily Rales openden Glenstone in 2006 op het terrein van hun huis in Maryland.

Maar het opnieuw vormgeven van hedendaagse musea teneinde een betekenisvolle ervaring te waarborgen is een gecompliceerde zaak, die museum-ontwerpers en mecenassen als het echtpaar Rales dwingt om vraagtekens te plaatsen bij diepgewortelde culturele opvattingen met betrekking tot toegankelijkheid, elitarisme en de publieke waarde van kunstbeleving. Aan het einde van de negentiende eeuw en gedurende een groot deel van de twintigste eeuw werden musea beschouwd als kunsttempels die ons het een en ander leerden over de mate waarin kunst van belang is voor de beschaving. 
Halverwege de vorige eeuw legde een nieuwe generatie museumdirecteuren steeds meer nadruk op populistische opvattingen over openheid en gelijkheid in de museale ervaring. Dat tweede tijdperk van de Amerikaanse musea – the Age of Access, het tijdperk van de toegankelijkheid – legde de kiem van de eigen ondergang door een culturele ervaring te genereren die enorme mensenmassa’s trok, zonder al die mensen op een wezenlijke manier te betrekken bij 
de materialiteit of de complexiteit van de kunst zelf.

The Age of Access ging gepaard met cafés, internettoegang, sociale cohesie en het prettige gevoel deel uit te maken van een groter sociaal netwerk; het succes werd afgemeten aan bezoekersaantallen. 
In zijn boek Slow Art uit 2017 geeft recensent Arden Reed een voorzet tot het kijken naar een alternatieve geschiedenis van de kunst, die breekt met de bestaande ideeën over snelheid, sociale omgang en consumptie. Slow art, betoogt hij, is een praktijk, 
een relatie, een historische manier 
van kijken die is ontstaan in reactie op veel van de waarden waarop modernekunstmusea steunen: ‘Naarmate de cultuur in een stroomversnelling is terechtgekomen en de heilige huisjes in de esthetiek omver zijn gehaald, komt slow art tegemoet aan ons 
verlangen naar verstilde tijd, door kunst te maken die vereist dat je er 
tijd voor uittrekt.’

‘Ons hele project stoelt op de gedachte dat je de kunst op een rustige, optimale manier kunt ervaren,’ zegt Emily Rales. Dus toen zij en haar man werkten aan hun plannen voor de nieuwe Pavilions, hebben ze andere musea bezocht en bestudeerd – ook musea die ongekend grote aantallen bezoekers verwerken. In het Guggenheim in New York, zegt ze, heeft elke bezoeker gemiddeld zo’n 3 vierkante meter bewegingsruimte, wat een beklemmend gevoel geeft. Zodoende hebben ze Glenstone ontworpen met zo’n 30 vierkante meter bewegingsruimte per bezoeker. In 
de zalen zijn er geen obstakels tussen de mensen en de kunst, maar dat betekent wel dat de stroom van bezoekers in de hand moet worden gehouden 
om te voorkomen dat men per ongeluk tegen de werken opbotst en ze beschadigt. ‘We zijn absoluut van mening dat we geen stangen of hekjes willen, maar daarmee is het aantal mensen dat in de ruimte kan beperkt,’ zegt Rales.

Adam Greenspan, van PWP Landscape Architecture, geeft nog een voorbeeld van de manier waarop 
ontwerpers proberen de ervaring te vertragen: de brug die het paviljoen bij de entree verbindt met het hoofdgebouw is smaller dan gebruikelijk, om mensen ertoe te zetten zich te verplaatsen in groepjes van twee of drie, in plaats van in groepen van twintig of dertig man. Het streven, zegt hij, is een landschap waar mensen kunnen ‘dolen’.

Het beheersen van de omgeving van de Amerikaanse museumbezoeker is niet nieuw, maar dit ideaal kent een beladen geschiedenis. De afgelegen Barnes Foundation, net buiten Philadelphia, heeft tientallen jaren onder vuur gelegen omdat er niet méér publiek werd toegelaten bij de spectaculaire collectie impressionistische en postimpressionistische kunst van de grondlegger. Albert Barnes had bepaald dat zijn kunst een educatief doel moest dienen en niet mocht worden weggehaald uit een speciaal voor de werken gebouwde galerie in een buitenwijk van Philadelphia, en dat de galerie beperkt toegankelijk moest zijn 
voor publiek, op slechts enkele dagen per week. 
Criticasters wisten de Barnes Foundation met succes af te schilderen als elitair en na een paar jaar van financiële strubbelingen werd het museum in 2012 verplaatst naar het centrum van Philadelphia, waar het op een veel bredere grondslag werd opengesteld voor publiek.

Er was sprake van een veel bescheidener, maar vergelijkbaar drama tijdens de opening van de Pulitzer Foundation in St. Louis in 2001. Hier was oorspronkelijk ook ingezet op een openstelling voor publiek op twee dagen per week, met een limiet van vijftig bezoekers per half uur. Het streven was om een 
studieomgeving te creëren, voornamelijk bedoeld voor mensen die werkzaam zijn binnen de kunsten. Maar bij de opening van het museum verschenen 
er krantenkoppen in The New York Times als ‘New Museum (Sort of) for St. Louis; The Pulitzer Art Collection Will Welcome Visitors, Up to a Point’ [‘Nieuw museum (soort van) voor St. Louis; de Pulitzer Art Collection verwelkomt tot op zekere hoogte 
bezoekers’]. Na bijtende kritiek in de lokale pers en beschuldigingen van elitarisme is het museum nu vier dagen per week geopend, op reguliere tijden, en is er een uitgebreide agenda met publieksprojecten.

Musea staan voor een unieke reeks uitdagingen in een tijdperk waarin esthetische oordelen in veel gevallen enkel worden gebaseerd op ideeën over 
circulatie en publiekswaardering, gevoed door social media en de ogenblikkelijke en alomtegenwoordige uitwisseling van beelden. Een concertgebouw wordt bijvoorbeeld betrekkelijk klein gehouden om een optimale akoestische ervaring te garanderen en het contact met de muzikanten te behouden. Zelfs een musical als Hamilton kan een beperkt aantal bezoekers een krankzinnige entreeprijs rekenen zonder voor elitair te worden uitgemaakt, eenvoudigweg omdat er geen andere manier is om het stuk te presenteren dan op een avond, en voor een beperkt publiek.

De Pavilions, de uitbreiding van Glenstone, bestaat uit onderling verbonden galeries, gegroepeerd rond een bassin, gelegen op een zacht glooiende heuvel. – © Glenstone, Iwan Baan
De Pavilions, de uitbreiding van Glenstone, bestaat uit onderling verbonden galeries, gegroepeerd rond een bassin, gelegen op een zacht glooiende heuvel. – © Glenstone, Iwan Baan

Musea hebben echter zo lang gesproken van maximale toegankelijkheid dat vrijwel alles wat ze doen om de beleving te reguleren – een verbod op camera’s en selfiesticks, om maar iets te noemen – al snel 
als elitair wordt gezien. Glenstone ontmoedigt het nemen van foto’s in de zalen en probeert de bezoekers te verleiden om in gesprek te gaan met de aanwezige gidsen, thuis nadere informatie op te zoeken of een boek aan te schaffen in de museumwinkel.

‘We hebben geen digitale strategie,’ zegt Mitch Rales. ‘We gaan altijd tegen de stroom in,’ voegt Emily eraan toe.

Het gevaar van tegen de stroom in gaan schuilt niet alleen in de publieksperceptie of in dalende bezoekersaantallen. Ideeën over toegankelijkheid zijn ook geworteld in juridische 
opvattingen over musea. Omdat het grote belastingvoordelen oplevert om kunst te schenken aan een particuliere instelling, is er zowel een publiek als een politiek belang bij de terruggave aan de gemeenschap. Glenstone raakte in 2015 betrokken bij een onderzoek van de Senaatscommissie voor 
Financiën, waarbij twaalf musea 
werd gevraagd naar openingstijden, uitleenbeleid en bezoekersaantallen. Het doel was, volgens senator Orrin G. Hatch uit Utah, de voorzitter van de commissie, vast te stellen of een van die musea ‘een beperkte publieke 
functie vervult terwijl donateurs in staat worden gesteld grote belastingvoordelen op te strijken’.

Glenstone kwam relatief ongeschonden uit dit onderzoek tevoorschijn – er wordt geen toegang gevraagd, 
er worden werken uitgeleend aan andere instellingen en men was indertijd bezig uit te breiden. Maar 
de belangstelling van de Senaats-commissie voor het aantal bezoekers laat zien hoe moeilijk het voor een openbare instelling is om de kwaliteit van de 
ervaring boven de kwantiteit van de belangstelling te plaatsen.

Bezoekersaantallen

Dat probleem geldt voor de hele kunstwereld, waarbij sommige musea het Instagramtijdperk verwelkomen en zich richten op een snelle circulatie van mensen en beelden. Veel musea worden geleid door zakenmensen die de verbeeldingskracht missen om in iets anders dan getallen te denken en alleen waarde toekennen aan wat in getallen valt uit te drukken, of het nou gaat om mensen die naar een tentoonstelling komen, likes op social media, of inkomsten die worden gegenereerd door cafés of museumwinkels. Deze manier van denken heeft zich genesteld in raden van bestuur en bij directeuren; je zult maar weinig jaarverslagen van musea vinden waar niet op het omslag, of prominent in de tekst zelf, melding wordt gemaakt van bezoekersaantallen.

Hieraan ten grondslag ligt een angst die vrijwel 
niemand openlijk durft uit te spreken: hebben musea voor hedendaagse kunst het publiek nog iets van waarde te bieden? Het antwoord is kennelijk niet eenduidig voor instanties zoals de Senaatscommissie voor Financiën, noch is het zonneklaar voor het Amerikaanse publiek in brede zin. Maar het is verbazingwekkend hoe slecht ook de meeste musea in staat zijn een zinnig antwoord te formuleren op die vraag, los van een verwijzing naar bezoekersaantallen en een gevarieerd publieksprogramma.

‘Om goed te kunnen nadenken is soms wat tegengas vereist,’ zegt Emily Rales. ‘Dat tegengas bestaat 
hieruit: je vertraagt de ervaring van de verplaatsing door het museum en je biedt betere mogelijkheden voor een kwalitatief hoogstaande ervaring. Door op de rem te gaan staan, kom je verder.’

Auteur: Philip Kennicott

The Washington Post
Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd, met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

Dit artikel van Philip Kennicott verscheen eerder in The Washington Post.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.