• De Balie
  • Reader
  • Toevluchtsoord Europa

Toevluchtsoord Europa

De Balie | Amsterdam | Orlando Figes | 15 september 2020

De term ‘Europese beschaving’ is onterecht in diskrediet geraakt, stelt historicus Orlando Figes. ‘Een Europees paspoort is een toevluchtsoord in roerige tijden en de Europese beginselen waar het voor staat, verdienen onze bescherming.’

De Oostenrijkse auteur Stefan Zweig (1881-1942) beschrijft in zijn autobiografie De wereld van gisteren het optimisme van kort voor de Eerste Wereldoorlog, toen de Franse vliegenier Louis Blériot als eerste over het Kanaal vloog: ‘In Wenen vierden we feest alsof hij een held uit ons eigen land was.’ Hij schetst de tijdgeest: ‘De triomfen van technologie en wetenschap, die elkaar met het uur opvolgden, hadden voor het eerst een Europees gevoel van gemeenschapszin voortgebracht, de ontwikkeling van een Europese identiteit. Wat hebben grenzen voor nut, zeiden we tegen elkaar, als het voor een vliegtuig kinderspel is om eroverheen te vliegen?’

Natuurlijk waren Zweigs bespiegelingen een – niet van nostalgie gespeende – terugblik vanuit het jaar 1941, lang nadat de illusie van een Europese cultuur verloren was gegaan op de slagvelden van Vlaanderen en Polen en een jaar vóór zijn zelfmoord, toen zijn idealen over Europa opnieuw waren vermorzeld onder het opgekomen fascisme.

Na 1945 begon het Europese project om de idee van een ‘Europese gemeenschap’, die Zweig verloren had zien gaan, weer tot leven te wekken dit keer gebaseerd op democratische waarden en het besef dat Europa vrede nodig had, besef dat was geworteld in de herinnering aan twee wereldoorlogen.

Begin twintigste eeuw werden in heel Europa dezelfde boeken gelezen

De idee van een ‘Europese esprit’ was nauw verbonden met hoge cultuur, het waardevolle erfgoed van Leonardo da Vinci, Shakespeare, Rembrandt en Beethoven. Zo kon Europa een eigen, onderscheidende positie innemen, tussen de Verenigde Staten met hun commerciële massacultuur in het westen en het Sovjetblok aan de Europese oostgrens. Geen beter symbool van de Europese cultuur dan Beethovens Ode an die Freude, de glorieuze koorfinale van de Negende Symfonie, waarin de vrijheid en broederschap van de mens worden bezongen en die het officiële ‘volkslied’ van de Europese Unie werd.

Nu worden die idealen opnieuw bedreigd. De EU worstelt om een politiek antwoord te formuleren op de gelijktijdige uitdagingen van klimaatverandering, globalisering en de migrantencrisis, terwijl nationalistische bewegingen kiezers wegtrekken bij de voorstanders van de Unie. In Hongarije en Polen heeft dit geresulteerd in de terugkeer van autoritaire regimes wier optreden onverenigbaar is met de Europese beginselen. Om ‘Europa’ te kunnen laten overleven, moeten we besluiten wat ‘Europees’ betekent. Wat verenigt ons? Gedeelde waarden? Een gedeelde cultuur? Een gedeelde geschiedenis? Zijn we meer dan de som van onze delen?

Optimisme

Zweig schreef over de Europese wereld van vóór de Eerste Wereldoorlog (zijn ‘veilige wereld’) toen ‘mensen net zomin geloofden in een mogelijke terugval tot barbarij, zoals oorlogen tussen Europese landen, als in geesten en heksen’. Dat optimisme was gebaseerd op de vrede en de vooruitgang van de negentiende eeuw, toen Europa verenigd was door een gedeelde cultuur, die was verspreid via spoorlijnen, door goedkoop massadrukwerk en de wetten van de markteconomie.

Rond het begin van de twintigste eeuw werden in heel Europa dezelfde boeken gelezen, reproducties gemaakt van dezelfde schilderijen, werd thuis of in concertzalen dezelfde muziek gespeeld en werden in alle grote Europese theaters dezelfde opera’s uitgevoerd – de melodieën werden populair in music-halls, in cafés en door orgeldraaiers op straat. Vóór de komst van de grammofoon was er geen groot onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘populaire’ cultuur.

Toen culturele uitwisseling en kruisbestuiving tussen Europese landen leidden tot nieuwe kunstuitingen en -stijlen, ontstond er in allerlei kunstvormen een ‘Europese School’, als accent op nationale tradities. ‘In een boek uit die tijd,’ schreef Paul Valéry over de Europese cultuur van vlak voor de Eerste Wereldoorlog, ‘vind je moeiteloos de invloed van het Russische ballet, een vleugje van Pascals somberheid, talloze Goncourt achtige impressies, een beetje Nietzsche, een zweem Rimbaud, effecten die zijn ontleend aan de impressionistische schilders, hier en daar de stijl van een wetenschappelijke publicatie – alles met een onderkoelde, Britse ondertoon!’

Hoe deze ‘Europese cultuur’ werd gecreëerd is het onderwerp van mijn boek Europeanen. Het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur. De kern van het betoog is dat in de negentiende eeuw drie uitvindingen het mogelijk maakten dat er een massacultuur ontstond die zich over het hele continent kon verspreiden. Een internationale cultuur was er in Europa minstens vanaf de Renaissance altijd wel geweest, maar die was beperkt gebleven tot de elites en hun kleine netwerken op het continent. Pas met de komst van de spoorlijnen, goedkoop massadrukwerk en de introductie van het internationaal auteursrecht kon een pan-Europese cultuur doordringen tot iedere laag van de samenleving.

Landschaftspark Duisburg-Nord, Duitsland, voor de serie ‘Herenigd Duitsland’, 2015 – © Lars van den Brink
Landschaftspark Duisburg-Nord, Duitsland, voor de serie ‘Herenigd Duitsland’, 2015 – © Lars van den Brink

Door de treinverbindingen konden kunstenaars en hun werken zich gemakkelijker door Europa verplaatsen. Spoorlijnen openden nieuwe markten voor kunstwerken en luidden het moderne tijdperk van buitenlandse reizen in, zodat veel meer Europeanen elkaars gemeenschappelijke aspecten konden herkennen. Ze konden hun eigen ‘Europeesheid’ ontdekken, de waarden die ze deelden met andere volken in Europa, die hun afzonderlijke nationaliteiten overstegen.

Door goedkoop massadrukwerk, mogelijk gemaakt door de moderne lithografietechniek, konden kunstenaars en hun uitgevers een groter internationaal publiek bereiken. De toenemende alfabetisering en de groeiende vraag naar boeken, bladmuziek en kunstreproducties bij de middenklasse zorgden dat deze drukwerkrevolutie winstgevend kon worden, omdat drukwerk in grote oplages veel goedkoper werd.

De brede introductie van internationaal auteursrecht – een van de grote, maar onderschatte verworvenheden van de negentiende eeuw – stelde kunstenaars, schrijvers en componisten in staat om met de reproductie van hun werk een stabiel inkomen te verwerven. Hierdoor werd een kunstwerk een vorm van kapitaal en konden kunstenaars én hun uitgevers in de opbrengst delen. Zo kregen uitgevers er belang bij om langer in een kunstwerk te investeren en kantoren in het buitenland op te zetten om daar royalty’s te incasseren. De Berner Conventie uit 1886, de grondslag van het moderne auteursrecht, vormde de basis voor de globalisering van de kunstproductie in de twintigste eeuw.

Die marktwerking leidde tot het ontstaan van een Europese canon. Naarmate de markt voor goedkopere boeken, kunstreproducties en bladmuziek groeide, werd het voor uitgevers financieel interessanter om zich te richten op massareproductie van werken die zich hadden bewezen als commercieel succes. Iets vergelijkbaars gebeurde in de theaters: omdat met treinen veel meer toeschouwers naar het theater konden komen dan vroeger met paard-en-wagen, konden er grotere theaters worden gebouwd en bleven succesvolle voorstellingen veel langer lopen. In de achttiende eeuw werden de meeste opera’s maar één seizoen uitgevoerd, maar in de loop van de negentiende eeuw werden opera’s als Gounods Faust of Verdi’s Rigoletto in de grote Europese theaters een paar honderd keer uitgevoerd, seizoen na seizoen.

Nationalisme

Natuurlijk kwam er een nationalistische reactie op deze Europese standaardisatie. Critici die veel waarde hechtten aan nationale kenmerken wierpen de vraag op of alle kunst er uiteindelijk hetzelfde zou uitzien. In Frankrijk werden die zorgen aan het begin van de twintigste eeuw, toen de Franse boekenmarkt werd overspoeld door vertaalde romans, luidkeels verwoord. ‘Er heeft van alle kanten tegelijk een invasie plaatsgevonden,’ schreef een Franse kunstcriticus. ‘Als we niet oppassen, bestaat er binnenkort geen Franse literatuur meer.’ Gelijksoortige reacties hoorde je op het hele continent. In bijna alle landen die zich openstelden voor internationale invloeden, leidde dat in de kunst en de politiek tot een nationalistische reactie.

Dat politiek nationalisme won in de laatste decennia van de negentiende eeuw aan kracht, maar het was anders van karakter dan het nationalisme van vóór 1848, het jaar waarin in heel Europa democratische revoluties plaatsvonden. Die nationalisten streden voor taalrechten en culturele en politieke vrijheden; het was een veel inclusiever soort nationalisme dan het etnisch georiënteerde natiedenken van de latere nationalisten.

De technologische ontwikkelingen die de motor waren voor het groeiende Europese culturele kosmopolitisme, konden ook door de nationalisten worden ingezet – goedkoop drukwerk voor patriottische pamfletten, de spoorwegen voor troepentransporten naar het front, zoals Bismarck en zijn generaals deden in de Frans-Pruisische Oorlog. De legers van de Eerste Wereldoorlog zouden hun voorbeeld volgen.

‘Nu hij lang geleden door een zware storm is verwoest, beseffen we eindelijk dat onze veilige wereld een luchtkasteel was’, schreef Zweig in 1941. Dat weten we nu nog beter. We zien in dat nieuwe technologieën en snelle culturele en economische verandering eerder tot verdeeldheid tussen landen leiden dan tot meer eenheid. Globalisering verkleint niet alleen de culturele kloof tussen landen (‘Alles ziet er tegenwoordig hetzelfde uit,’ verzuchten blasé geworden toeristen), maar vergroot ook de angst – op nationaal en regionaal niveau en onder sociale klassen – dat men deze veranderingen, waar nationale regeringen geen greep op hebben, niet kan bijbenen (banenverlies door nieuwe technologie of goedkope Aziatische arbeid, verlies van afzetmarkten, enzovoort). We zijn overgeleverd aan de genade van de multinationale techgiganten. In dat opzicht zijn we dan tenminste verenigd.

Als Europa wil overleven, moet het een politieke identiteit hebben

Wat kan Europa doen om in deze geglobaliseerde cultuur overeind te blijven? Wat blijft er in deze wereld over van onze culturele identiteit als Europeanen?

Ode an die Freude is een inspirerend symbool van Europese eenheid. Tijdens een kerstconcert in 1989 werd het toepasselijk gespeeld om de val van de Berlijnse Muur te herdenken. De hoopvolle tekst, een tegengif tegen het nationalisme, kan misschien onze internationalistische gevoelens opwekken (het werd luidkeels gezongen tijdens de bijeenkomst waarmee Emmanuel Macron in 2017 zijn verkiezingsoverwinning op Marine Le Pen vierde). De hymne vertegenwoordigt echter een hoogstaand cultureel erfgoed dat te intellectueel en te afstandelijk is en te ver in het verleden ligt om een snaar te raken bij de meeste Europese burgers, die waarschijnlijk meer verwantschap voelen met Beyoncé dan met Beethoven.

De oude cultuur van Europa, haar oude steden en stadscentra, kathedralen, paleizen, universiteiten en zuilengalerijen, trekt jaarlijks tientallen miljoenen toeristen. Ze komen deels zoeken naar ‘cultuur’, een lijstje dingen die een ‘beschaafd’ mens ‘gedaan’ moet hebben. Dit is cultuur als koop- of handelswaar, in een industrietak waarin het merk Europa veel waard is.

Maar als Europa als eenheid wil overleven, moet het meer zijn dan een toeristische bestemming of een economische markt. Het moet een politieke identiteit hebben, zoals Macron onlangs goed uiteenzette in een interview in The Economist. Het moet de autonomie van de Europese ruimte verdedigen om de belangen van haar burgers te beschermen: om belasting te heffen bij de techreuzen en een einde te maken aan de belastingparadijzen; om de industrie zodanig te reguleren dat arbeidsrechten en internationaal auteursrecht beschermd zijn; om nieuwe Europese wetten aan te nemen die een eind maken aan de ondermijning van democratieën door desinformatie op sociale media; om gezamenlijk, dwingend EU-beleid te ontwikkelen voor klimaatverandering, de migratiecrisis, gendergelijkheid, rechten van minderheden, enzovoort. Dit zijn Europese beginselen – ze zijn allemaal geworteld in de grote idealen vrijheid, gelijkheid en broederschap – en we moeten ze verdedigen.

Diskrediet

Welke lessen kunnen we leren van de ‘wereld van gisteren’, van de grote vooruitgang van de Europese beschaving in de negentiende eeuw? Wij Europeanen hebben ons vertrouwen, ons geloof in de waarden van die beschaving verloren. Net als het verwante concept van de Verlichting is ook de term ‘Europese beschaving’ in diskrediet geraakt. In de ogen van sommigen is dat bijna synoniem voor ‘kolonialisme’, ‘dode witte mannen’ en zelfs ‘witte suprematie’. In het openbaar debat wordt de term ‘Europese beschaving’ gemeden omdat men vreest publiekelijk aan de schandpaal te worden genageld of zelfs zijn baan te verliezen.

Deze politieke correctheid komt voort uit een beperkte opvatting van geschiedenis. In de negentiende eeuw hebben vele mannen en vrouwen gestreden voor de idealen van de Europese beschaving – niet als een vorm van Europese overheersing over onderworpen kolonies, maar als een progressief, kosmopolitisch streven naar de breedst mogelijke culturele uitwisseling tussen ‘beschavingen’. Ze beschouwden Europa als een hybride cultuur die werd verrijkt door externe invloeden, zoals de Mongolen in Rusland of de Moren in Spanje.

Overgeleverd aan de genade van techgiganten. In dat opzicht zijn we tenminste verenigd

Louis Viardot, een republikeinse socialist, journalist, kunstkenner en vertaler, heeft zowel de Mongoolse als de islamitische cultuur diepgaand bestudeerd. Hij, zijn nog beroemdere vrouw Pauline Viardot – een befaamde mezzosopraan en componiste – en de schrijver Ivan Toergenjev met wie de Viardots een langdurige ménage à trois hadden, zijn de hoofdpersonen van mijn boek. Zij vormen een krachtige herinnering aan de progressieve rol die de Europese beschaving als een naar buiten gerichte, inclusieve kracht kan spelen.

Toergenjev en de Viardots waren kosmopolieten die zich overal op Europese bodem thuis voelden – zolang hun democratische principes er niet in het gedrang kwamen – zonder hun nationaliteitsbesef te verliezen. De uitspraak van de conservatieve filosoof Edmund Burke (1729-1797) dat ‘geen Europeaan zich waar dan ook in Europa een complete balling kan voelen’ had voor hen bedacht kunnen zijn.

Is die stelling van Burke nog steeds waar? Ik hoop het. Met onze EU-paspoorten reizen we meer binnen Europa en hebben we een groter gevoel van verbondenheid met andere Europese landen, al was het maar omdat we een leefstijl van restaurants, cafés, winkels, entertainment en ander vermaak gemeenschappelijk hebben. We werken en wonen steeds meer in het buitenland, voeden onze kinderen op tot Europese burgers. Dit ‘paspoort Europa’ is misschien niet hetzelfde als een ‘thuis’, en velen zullen zich meer identificeren met hun geboortegrond, het eten dat ze gewend zijn, de televisieprogramma’s die ze kennen, dan met een internationaal identiteitsbewijs. Maar het is wel een toevluchtsoord in roerige tijden, en de Europese beginselen waar het voor staat, verdienen onze bescherming.  

Auteur: Orlando Figes

Orlando Figes (1959) is een Britse historicus. Hij is hoogleraar aan Birkbeck College, University of London. Figes verwierf internationale bekendheid met een drietal boeken over de Russische geschiedenis. Vorig jaar verscheen zijn boek Europeanen. Het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur (Nieuw Amsterdam, vertaald door Toon Dohmen).

Op 18 september om 19.00 spreekt Orlando Figes deze lezing uit in de Balie in Amsterdam.
Meer informatie: www.debalie.nl of www.cultureforum.eu

Dit artikel van Orlando Figes verscheen eerder in De Balie.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.