• Spiked
  • Politiek
  • Verbod om te haten is verbod om te denken

Verbod om te haten is verbod om te denken

Spiked | Londen | Brendan O’Neill | 24 juni 2016

Het lijkt nobel, dat verbieden van discriminerend of haatzaaiend taalgebruik op internet. Maar wacht: is dat niet in strijd met de vrijheid van meningsuiting en dus een nieuw gevaar?

‘Het internet is een plek voor vrije meningsuiting, niet voor uitingen van haat.’ Deze opvallend orwelliaanse opmerking maakte onlangs de Tsjechische Eurocommissaris Vera Jourová toen ze een nieuwe Europese code aankondigde om uitingen van haat op internet aan te pakken. Nadat bestuurders, politici, hackers en feministen, die allen benadrukken dat kwaadaardig ‘trollen’ online het internet verandert in een poel van walgelijke ideeën en verdorven commentaren, er drie tot vier jaar voor hadden gestreden, heeft de Europese Unie nu besloten tot actie over te gaan. De EU heeft webgiganten als YouTube, Facebook, Twitter en Microsoft zo ver gekregen een belofte te ondertekenen om uitingen van haat, in het bijzonder racistische en xenofobe opmerkingen, op te sporen en te wissen.

Nieuwe code

Sommigen hebben daarop gereageerd met de vraag of de code misschien niet te ver gaat. Het gevaar bestaat, zeggen zij, dat boze opmerkingen, of simpelweg idiote opmerkingen, ook onder de beperkende maatregelen zullen vallen. Dat zal ongetwijfeld gebeuren.

Maar we moeten een stap verder gaan in onze kritiek op de nieuwe code, en op censuur in de eenentwintigste eeuw in het algemeen. We moeten niet alleen zeggen dat ‘relatief normale opmerkingen samen met haatdragende opmerkingen geëlimineerd zouden kunnen worden’ – we moeten het hele idee van ‘haat bevorderende opmerkingen’ in twijfel trekken. De categorie haat is even belachelijk, en even walgelijk, als het idee van ‘thoughtcrime’, dat wil zeggen: sociaal voor niet-aanvaardbaar gehouden gedachten als een misdaad bestempelen. Het staat voor de criminalisering van niet alleen racisme en xenofobie – wat al erg genoeg zou zijn –, maar ook van bepaalde ideeën en morele overtuigingen. We zouden evenzeer bezwaar moeten maken tegen het idee van ‘haatzaaien’ als tegen het idee van ‘thoughtcrime’.

Codes tegen haatzaaiende uitingen zijn een ideologisch instrument dat vermomd is als dwang om te doen wat moreel juist wordt geacht

Codes tegen haatzaaiende uitingen zijn een ideologisch instrument dat vermomd is als dwang om te doen wat moreel juist wordt geacht. Denk aan de recente geschiedenis van het idee van haatzaaiende taal, die uitstekend is gedocumenteerd in het boek Censored van Paul Coleman.

Na de Tweede Wereldoorlog waren de Sovjets de vurigste voorstanders van controle op ‘haatzaaiende taal’. In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw waren er internationale bijeenkomsten om naoorlogse internationale verdragen uit te werken, en tijdens die ontmoetingen drongen de Sovjets aan op een wereldwijde verplichting om haatzaaien in woord en geschrift te onderdrukken, in het bijzonder uiterst rechtse taal. Ze wilden bepalingen tegen ‘haat’ en ‘aanzetten tot haat’. Vreemd genoeg verzette het Westen zich daartegen.

Eleanor Roosevelt vertegenwoordigde dat Westen tijdens sommige van die debatten. Ze voerde aan dat het ‘uiterst gevaarlijk’ zou zijn om haatzaaiende taal te verbieden, omdat ‘kritiek op publieke of religieuze autoriteiten al te gemakkelijk beschreven kon worden als aanzetten tot haat’. En zo is het.

’Iedereen die zegt dat een persoon met een penis een man is, kan nu aangemerkt worden als “haatzaaier’’

Uiteindelijk wonnen de Sovjets. In 1965 werd in de VN het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van rassendiscriminatie aangenomen dat een voorstel bevatte om ‘ideeën gebaseerd op raciale superioriteit’ strafbaar te stellen. Het sleutelwoord was: ideeën.

Vanaf het begin gingen verdragen en wetten tegen haatzaaiende taal over de controle op ideeën: onhebbelijke ideeën, zeker, maar niettemin ideeën. Het was al snel duidelijk dat de categorie haatzaaiende taal een ideologisch instrument voor de onderdrukking van slechte ideeën was, van bepaalde overtuigingen. Na 1965 introduceerden westerse landen in hun nationale wetten de verplichting om ideeën gebaseerd op raciaal denken te onderdrukken.

Maar de categorie van haatzaaiende taal is een bijzonder elastisch instrument voor de onderdrukking van ideeën. Het heeft zich uitgestrekt van het beknotten van ideeën van raciale superioriteit tot het onderdrukken van uitdrukkingen van religieuze haat.

Sommige Scandinavische landen willen uitingen van vrouwenhaat verbieden. Op campussen wordt vijandige taal jegens transgenders aangepakt. Iedereen die zegt dat een persoon met een penis een man is, kan nu aangemerkt worden als ‘haatzaaier’, waarna hem of haar geen uitingsmogelijkheid meer wordt geboden. Dus zelfs zeggen dat ‘mannen zijn mannen en vrouwen zijn vrouwen’ is ingekapseld in de ideologische categorie van haatzaaiende taal. Normale, algemeen verbreide ideeën worden achteloos omgedoopt tot ‘haat’.

Geef te scherpe kritiek op religie en je wordt beschuldigd van religieuze haat. Geef uiting aan bezwaren tegen het homohuwelijk en je bent homofoob. Twijfel aan het gevoel van onbehagen van mensen over hun geslachtsbepaling en je bent ‘transfoob’.

‘Dat is haat’ schreeuwen is het favoriete middel geworden om overtuigingen te onderdrukken die we moeilijk of ongemakkelijk vinden. Dat is te danken aan wetten tegen haatzaaiende taal. Die hebben de tendens aangewakkerd om overtuigingen om te dopen tot haat en ze de kop in te drukken. Als je eenmaal accepteert dat sommige ideeën onaanvaardbaar zijn, als je die grens bent overgestoken, dan is uiteindelijk geen enkel idee nog veilig, want elk idee kan, op een bepaald niveau, beschouwd worden als kwetsend of ervaren worden als haatzaaiend.

We moeten altijd onthouden dat de haatzaaiende taal van de een de oprechte, waarachtige, morele of religieuze overtuiging van de ander is

Om te zien hoe grondig ideeën worden onderdrukt door ze te categoriseren als ‘haatzaaiend’, moeten we een paar Europese voorbeelden bekijken. Een Zweedse dominee kreeg een maand voorwaardelijke gevangenisstraf omdat hij zei dat homoseksualiteit een gezwel in de maatschappij is. Maar dat gelooft hij echt. Hij werd gestraft voor zijn overtuigingen. Brigitte Bardot heeft een boete van 30.000 euro gekregen omdat ze ritueel islamitisch slachten als ‘barbaars’ beschreef. Dat gelooft ze echt. Germaine Greer is belaagd door studenten omdat ze zei dat een man geen vrouw kan worden. Maar dat is haar diepgewortelde overtuiging. Ze is belaagd op grond van haar overtuigingen.

Morele overtuigingen

Om haatzaaiende taal aan te pakken worden mensen gestraft wegens hun morele overtuigingen. We moeten altijd onthouden dat de haatzaaiende taal van de een de oprechte, waarachtige, morele of religieuze overtuiging van de ander is. Wat de staat of de maatschappij of studentenleiders betitelen als ‘haatzaaiende taal’ is voor iemand anders een aanvaardbare manier van denken. We zouden vandaag de dag even kwaad moeten worden over van bovenaf opgelegde beperkingen op ‘haatzaaiende taal’ als we veertig jaar geleden geweest zouden zijn over het opsluiten van politieke dissidenten in de Sovjet-Unie. Want in beide gevallen gebeurt precies hetzelfde: mensen worden gestraft, niet voor iets dat ze hebben gedaan, maar om wat ze denken.

Haat is een emotie. Misschien niet de meest nobele emotie, maar niettemin een emotie. En als we toestaan dat gezagsdragers emotie controleren, mensen beboeten voor hun emoties, mensen gevangenzetten om hun emoties, dan betreden we het rijk van de tirannie. Het completeert de controle van de staat op het individu. Het breidt de staatsmacht uit van de openbare sfeer van discussie tot de psychische sfeer van gedachten en gevoelens. Het lokt niet alleen toezicht uit op politieke sentimenten, maar ook op diepe gevoelens. Het is een vergaande aanval op de vrijheid van het individu.

Het is tijd om de vrijheid van meningsuiting serieus te nemen. Het is onaanvaardbaar om de uiting van ideeën te onderdrukken. Het is onaanvaardbaar om de uiting van haat te onderdrukken. ‘Haatzaaiende taal behoort niet tot de vrijheid van meningsuiting!’ zeggen mensen. Maar dat is wél zo. Volgens de definitie moet vrije meningsuiting juist ook ‘haatzaaiende taal’ omvatten.

Dat is het grootste kwaad van de censuur: men infantiliseert ons

Uitspraken moeten altijd vrij zijn, om twee redenen: iedereen moet vrij zijn om te zeggen wat hij of zij voelt, en alle anderen moeten het recht hebben om zelf te beslissen of die uitspraken goed of slecht zijn. Als de Europese Unie, de sociale media en anderen die beslissing voor ons willen maken, en ideeën de kop in willen drukken die wij volgens hen schokkend zullen vinden, reduceren ze ons tot kinderen.

Dat is het grootste kwaad van de censuur: men infantiliseert ons. Laten we nu onze volwassenheid bevestigen, onze autonomie, en zeggen: ‘Probeer niet om ook maar iets te censureren omwille van ons. Wij kunnen voor onszelf denken.’

Auteur: Brendan O’Neill
Vertaler: Tineke Funhoff

O’Neill is hoofdredacteur van de Britse website Spiked.

Spiked
Verenigd Koninkrijk | webmagazine | spiked-online.com

Het libertijnse Britse webmagazine Spiked werd in 2000 gelanceerd na de ophe ng van zijn voor- ganger Living Marxism (LM), dat ten gronde ging aan een rechtszaak wegens smaad, aangespannen door ITV. LM werd veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van een miljoen pond. Spiked is tegen elke vorm van censuur en voor volledige vrijheid van meningsuiting, ook als die mening ongewenst of onfatsoenlijk is. De site schaarde zich achter Brexit onder het motto:
‘Vóór Europa, tegen de EU’. De site karakteriseert zichzelf als ‘een metaforische raket tegen mensen- haat’ en hangt de overtuiging aan van de Franse filosoof Saint-Simon: ‘De gouden eeuw, die uit blinde traditie altijd in het verleden wordt gesitu- eerd, ligt in werkelijkheid voor ons.’

‘Spiked’ is een term die in de journalistiek wordt gebruikt voor nieuwsberichten die niet geschikt worden geacht voor publicatie en daarom op een pin worden gestoken.

Nick Gillespie, hoofdredacteur van het Amerikaanse politieke maandblad Reason:

‘Wat is haatzaaiende taal nou precies? Net als andere valse, plooibare concepten – obsceniteit bijvoorbeeld – is het gewoon een politieke categorie die machtigen de macht geeft te bepalen wat mindere stervelingen mogen lezen, denken en bespreken (in de VS hebben wetten tegen obsceniteit tientallen jaren verhinderd dat Lady Chatterley’s Lover werd gepubliceerd, dus dat was ten minste wat).

Bovendien is haat – net als afgunst – de grootste duurzame energiebron ter aarde die mensen motiveert om betere, rijkere, vrijere levens te leiden (mijn grootouders zijn niet in 1910 uit Europa vertrokken omdat ze het daar zo fijn vonden). In de VS is smaad, wat per definitie onbetrouwbaar is, al voor de wet strafbaar. Net als “vechtwoorden” en plannen en acties om lichamelijk letsel toe te brengen. Maar laat taal verder hekelen, zoals King Lear huilde op de hei.’

Ira Glasser, voormalig directeur van de American Civil Liberties Union, nu voorzitter van de Raad van Bestuur van de Drug Policy Alliance:

‘Wat is de definitie van haatzaaiende taal en wie beslist wat onder die definitie valt? Meestal zijn wij dat niet. In de jaren negentig van de vorige eeuw waren zwarte studenten tegen het verbod op haatzaaiende taal omdat ze dachten dat racisten daardoor niet op campussen zouden mogen spreken. Maar de beslissers waren blank. Als de codes die de zwarte studenten wilden in de jaren zestig van die eeuw van kracht waren geweest, was Malcolm X hun meest frequente slachtoffer geweest. In Engeland steunden Joodse studenten een verbod op racistische taal. Later werden zionistische sprekers geweerd omdat zionisme een vorm van racisme zou zijn. Een verbod op taalgebruik is net als gifgas: het lijkt een goed idee als je je doel in zicht hebt – maar de wind draait en blaast het terug in ons gezicht.’

Frank Furedi, hoogleraar sociologie aan de University of Kent en schrijver van Power of Reading: From Socrates to Twitter.

‘Haatzaaiende taal is het seculiere equivalent van blasfemie. Blasfemie richtte zich op “kwaad spreken”, maar in een niet-religieuze wereld doen censors niet aan moraliteit. Dus wordt haatzaaiende taal gedefinieerd als vooroordeel gericht tegen individuen en groepen op basis van hun identiteit – of dat nu raciaal, cultureel of qua levensstijl is.

In onze tijd van identiteitspolitiek kan kritiek op een culturele gewoonte geïnterpreteerd worden als een voorbeeld van “haat” jegens een groep. Lever bijvoorbeeld kritiek op zogeheten geslachtsneutrale toiletten en je kunt beschuldigd worden van haatzaaiende taal: transfobie. Die aandacht voor vooroordelen is belangrijk. Omdat alle mensen tot op zekere hoogte bevooroordeeld zijn, moet haatzaaiende taal onderscheid maken tussen goedgekeurde vooroordelen en verboden vooroordelen, in feite tussen aanvaardbare haat en onaanvaardbare haat. Daarom is het wel geoorloofd om christenen te bespotten, maar niet om de islam belachelijk te maken.

Het verbieden van opmerkingen die als bevooroordeeld of haatdragend worden beschouwd, is een uitdrukkelijke ontkenning van de vrije meningsuiting. Een tolerante maatschappij censureert de taal niet, ze staat haar burgers toe om hun vooroordelen en haat te uiten. Vanuit het standpunt van een verlichte democratie is het censureren van haat een veel erger kwaad dan het uiten van haat. Waarom? Omdat het mensen verhindert zelf te beoordelen en te taxeren hoe ze willen reageren op de standpunten – hoe bevooroordeeld die ook mogen zijn – van hun medeburgers.’

Sarah Haider, directeur van de hulporganisatie Ex-Muslims of North America:

‘Vooruitgang hangt af van onze vrijheid om gevaarlijke ideeën te uiten – een vrijheid die steunt op een strikt onderscheid tussen taal en fysieke handelingen. Door maatregelen tegen haatzaaiende taal vervaagt die lijn; die maatregelen beschouwen beledigende taal als een vorm van geweld op zich, waardoor ze onopzettelijk geweld rechtvaardigen als een reactie op beledigende taal. Ooit waren woorden strafbaar als ze de waardigheid van god beledigden, nu kunnen woorden worden gecensureerd die de waardigheid van diens volgelingen beledigen.

Het is een moderne blasfemie, die niet onderbouwd wordt in de Schrift, maar in het drijfzand van de gevoelens van individuen. Haatzaaiende taal censureren zorgt er slechts voor dat de haat ondergronds gaat, waar het op de loer ligt onder de vermomming van beleefdheid, onzichtbaar maar niet uitgeroeid, zodat de dreiging almaar krachtiger wordt. Oprechte actievoerders tegen vooroordelen hebben nu een schaduw als vijand: onmogelijk in het vizier te krijgen, en dus onmogelijk te vernietigen.’

Dit artikel van Brendan O’Neill verscheen eerder in Spiked.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.