• Kompas
  • Economie
  • Verdedig onze palmolie

Verdedig onze palmolie

Kompas | Posman Sibuea | 03 mei 2016

In Indonesië leven ruim 25 miljoen mensen van 
de productie van palmolie. Maar Europa weert het goedje vanwege de milieueffecten. Volgens een Indonesische expert moet zijn regering de industrie beschermen én de uitwassen aanpakken.

Onze diplomatieke diensten staan voor een nieuwe uitdaging: de palmolie beschermen nu er een nieuwe commerciële oorlog voor de deur staat. Niet alleen gaat Frankrijk een progressieve belasting heffen op de import van ruwe palmolie [de ‘Nutella’-belasting werd op 17 maart 2016 door het parlement goedgekeurd], maar er is zelfs een campagne gestart om levensmiddelen in de Europese Unie voortaan van het etiket palm oil free (POF) te voorzien.

De Indonesische regering heeft alle reden om dit POF-etiket af te wijzen 
en protest aan te tekenen tegen deze Franse wet voor een progressieve importheffing op palmolie. De twee maatregelen zijn in strijd met de regels van de Wereldhandelsorganisatie en het GATT-akkoord uit 1994, dat de douane- en handelstarieven regelt. De regering zal ook met strenge regelgeving moeten komen om kleine lokale producenten van palmolie – die 45 procent van de Indonesische oliepalmplantages bezitten – te beschermen.

Europese landen gaan onverminderd door met hun negatieve en agressieve campagne tegen palmolie, onder het voorwendsel dat deze slecht zou zijn voor het milieu [de Franse importheffing komt als amendement op de wet op 
de biodiversiteit en is ingediend door parlementsleden van een ecologische partij]. De werkelijke reden voor deze campagne lijkt echter te zijn dat de Europese landen graag hun eigen 
productie van zonnebloem-, soja- en koolzaadolie willen beschermen.

Om het imago van Indonesië op de wereldmarkt te verbeteren zou de regering plannen moeten maken om andere industrieën te stimuleren

Toch is het zeker geen loze bewering dat het milieu te lijden heeft onder de productie van palmolie, wanneer er sprake is van brandlandbouw. Elk jaar weer wordt er voor de uitbreiding van plantages bos verbrand. In de provincie Riau op Sumatra woedden er bijvoorbeeld ook in 2016 bosbranden. Deze branden leveren naar wordt gedacht een flinke bijdrage aan de wereldwijde CO2-uitstoot. Ook zijn ze niet goed 
voor de ozonlaag en vernietigen ze 
het leefgebied van orang-oetans en olifanten. Ontbossing is sinds jaar en dag het beste argument van het Westen om de import van palmolie aan banden te leggen. De Indonesische regering moet brandlandbouw dus zo snel mogelijk verbieden en veel strenger optreden tegen grote plantages en bosbedrijven die verdacht worden van het stichten van bosbranden. Hun vergunningen moeten worden ingetrokken en zij moeten voor het gerecht worden gedaagd.

In 2006 haalde Indonesië de doelstelling om ’s werelds grootste producent van ruwe palmolie te worden. Daarmee ontnam het Maleisië de eerste plek, maar er werd een dure prijs voor betaald: de vernietiging van grote stukken oerwoud en de schending van de rechten van talloze lokale gemeenschappen [zie kadertekst].

‘Groene’ palmolie

Om het imago van Indonesië op de wereldmarkt te verbeteren zou de regering plannen moeten maken om andere industrieën te stimuleren. Biobrandstoffen, glycerine en vetalcohols zijn basisproducten voor de olieverwerkende industrie waarvan de prijzen al een tijdlang aan het stijgen zijn. Ze worden onder andere toegepast in bestrijdingsmiddelen, plastics en producten van de farmaceutische industrie. Zowel in ons eigen land als in het buitenland kunnen ze een afzetmarkt vinden. De stimulering van alternatieven voor de palmolieproductie heeft als bijkomend voordeel dat er arbeidsplaatsen mee gecreëerd worden.

Onze palmolieproducenten zijn steeds afhankelijker van mondiale markten en kunnen niet langer 
uitsluitend rekenen op de export 
van ruwe palmolie, waarvan de toegevoegde waarde relatief klein is. Bovendien kan de prijs van ruwe palmolie op ieder moment instorten, als gevolg van de felle campagnes en de concurrentie van andere landen.

Er moet dus een diplomatiek offensief komen om nieuwe landen ervan te overtuigen palmolie te gaan importeren. Dat zou de importbeperkingen van sommige West-Europese landen kunnen compenseren.

Maar ook moet de regering negatieve campagnes de wind uit de zeilen nemen door ‘groene’ palmolieplantages te ontwikkelen. Het is niet moeilijk om te benadrukken dat palmolie, dat geen onverzadigde 
vetzuren bevat die de kans op hart- en vaatziekten verhogen, een plek verdient in een gezond dieet. Ook hier zijn Europese en Amerikaanse markten gevoelig voor.

Auteur: Posman Sibuea
Vertaler: Valentijn van Dijk

Posman Sibuea is hoogleraar Landbouwkunde aan de katholieke universiteit Santo Thomas te Medan (Sumatra).

Kompas
Indonesië | dagblad | oplage 450.000

Opgericht in1965 als reactie op de communistische pers. Geschreven in het Indonesisch. Kompas is de grootste landelijke krant met achtergrondverhalen over de door Java vaak ‘vergeten’ andere eilanden.

Landbouwgrond op Sumatra die is vrijgemaakt voor palmolieplantages. – © Ulet Ifansasti / Getty Images
Landbouwgrond op Sumatra die is vrijgemaakt voor palmolieplantages. – © Ulet Ifansasti / Getty Images

CONTEXT: Drie miljoen kleine planters

Palmolie is voor Indonesië na fossiele brandstoffen 
de tweede bron van deviezen: in 2014 leverde het het land in totaal 21 miljard dollar op, oftewel 13 procent 
van de totale export. De plantages beslaan momenteel
14 miljoen hectare, vooral op Kalimantan en Sumatra. De regering heeft als doelstelling om dit vóór 2020 uit
te breiden tot 20 miljoen hectare. De productie, die nu
op 33 miljoen ton ligt, moet tegen die tijd verdubbeld zijn. De brancheorganisatie van grote palmolieproducenten (Gapki) en de vakbond van kleine planters (SPKS) zijn het erover eens dat zo’n 40 procent van de
palmolieplantages in handen zijn van ongeveer drie miljoen kleine planters. Direct of indirect leven meer dan 25 miljoen Indonesiërs van palmolie.

Tussen 
augustus en november 2015 werd in totaal 2 miljoen hectare oerwoud verbrand, wat voor 1662 miljoen ton CO2-uitstoot zorgde. Zo’n veertig miljoen mensen ondervonden hinder van de rook van deze branden, in Indonesië, maar ook in Singapore en in Maleisië. De branden worden voor een belangrijk deel toegeschreven aan de houtwinning, de papierpulp- en de palmolie-industrie: de goedkoopste manier om bos 
te rooien is door het in brand te steken. Gandhi Sulistyo, directeur van de grote Indonesische palmolieproducent Sinar Mas, ontkent echter elke verantwoordelijkheid voor de branden.

‘Het heeft geen enkele zin om grondstoffen die wij zelf gebruiken in brand te steken,’ vertelde hij aan Tempo. Volgens de stichting Forest Watch Indonesia is er in de Indonesische archipel nog maar zo’n 82 miljoen hectare echt oerwoud over: 46 procent van het totale oppervlakte van het land. Het officiële cijfer ligt op 131 miljoen hectare, maar daarin wordt uitgedund of secundair bos meegerekend.

Dit artikel van Posman Sibuea verscheen eerder in Kompas.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.