• The New Yorker
  • Reader
  • ‘Vijf jaar geleden ben ik gestopt met douchen’

‘Vijf jaar geleden ben ik gestopt met douchen’

The New Yorker | New York | 11 november 2020

Heeft al dat schrobben en inzepen, hydrateren, deodoriseren en aanbrengen van peperdure serums wel zin, of helpt het vooral om de marktwaarde van de cosmetica-industrie nog meer te laten stijgen? Zie de huid, schrijft Brooke Jarvis, als een ecosysteem, dat in constante verbinding staat met de gezondheid van ons lichaam en met de wereld daarbuiten. Dat raadselachtige orgaan beschermt ons en wordt bewoond door ontelbaar veel kleine beestjes – en dat moet vooral zo blijven.

Toen we klein waren, zetten mijn zus en ik als we thuiskwamen van school graag Guiding Light aan, een soap op CBS. We kregen alleen het laatste kwartier van de een uur durende show mee, maar omdat het verhaal niet bijzonder subtiel was, was dit genoeg om zelfs de ingewikkeldste verhaallijnen te volgen – zoals dat van Reva Shayne, een negen keer getrouwd personage dat presentator van een talkshow was, helderziende en prinses op een fictief eiland, en als tijdreiziger terugkeerde naar de [Amerikaanse] Burgeroorlog en nazi-Duitsland, en de strijd met Dolly, een slinkse kloon van haarzelf, gemaakt door haar meest recente echtgenoot om de kinderen te behoeden voor het verdriet om haar meest recente (vermoedelijke) dood.

Guiding Light begon in 1937 als een radioprogramma ter promotie van een zeep met de naam Duz. (‘Duz does everything.’) Toen het programma in 2009 uit de lucht ging, was het de langstlopende show in de tv-geschiedenis. En het was niet door CBS geproduceerd maar door Procter & Gamble, dat begon als zeepbedrijf en zich ontpopte tot de uitvinder van de moderne reclame in de VS. Behalve dat het bedrijf zijn merken promootte via afbeeldingen op bussen en billboards, produceerde het meer dan twintig radio- en televisiedrama’s. De eerste, Oxydol’s Own Ma Perkins, ging in 1933 in première. De laatste, As the World Turns, verliet de ether in 2010, toen de term soapopera inmiddels een begrip was, zonder dat kijkers enig idee hadden dat de term ooit daadwerkelijk verbonden was geweest met een zeepbedrijf.

Tot de covid-19-uitbraak hadden de meesten van ons niet vaak of langdurig nagedacht over zeep. Aan het begin van de pandemie kwam hier verandering in. We leerden welke popnummers een refrein van 20 seconden hadden, zodat we ze tijdens het handen wassen konden zingen. We kwamen erachter dat, in ieder geval voor de lockdown, de rijen voor de herentoiletten plotseling langer werden – waarschijnlijk omdat (volgens een onderzoek) slechts 31 procent van de mannen daarvoor de gewoonte had gehad om na gebruik van het toilet de handen te wassen.

Terwijl distilleerderijen en brouwerijen zich toelegden op het produceren van desinfecterende handgel, publiceerde Times een stuk waarin werd uitgelegd waarom ouderwetse zeep eigenlijk beter geschikt was om het coronavirus te vernietigen: de hydrofobe staarten van zeepmoleculen binden zich met het lipidemembraan dat het virus beschermt en scheuren het letterlijk uit elkaar, terwijl de hydrofiele koppen zich hechten aan het water dat het dode virus wegspoelt. Zoals veel mensen ontwikkelde ik een nieuwe waardering voor zeep en stelde me elke keer dat ik mijn handen waste met wrede voldoening een scène voor van een vernieling op microniveau.

Het was dan ook een vreemd moment om een boek te lezen van een arts die nogal kritisch aankijkt tegen de zeepindustrie, een boek dat begint met de zin ‘Vijf jaar geleden ben ik gestopt met douchen.’

Laat ik meteen duidelijk maken dat James Hamblin, vast auteur voor The Atlantic en de schrijver van Clean: The New Science of Skin, nog altijd voorstander is van regelmatig handen wassen, wat onbetwistbaar een wereldveranderende innovatie is in de volksgezondheid en van cruciaal belang op dit moment in de geschiedenis. (Hamblin schrijft ook dat hij ‘nooit twee dagen achter elkaar een witte jas zou dragen zonder hem te reinigen’.) Maar hij twijfelt aan het nut van al het schrobben en inzepen – om nog maar te zwijgen van het hydrateren, deodoriseren en het aanbrengen van serums – waaraan we het grootste orgaan van ons lichaam onderwerpen, evenals aan de bedrijven die veel geld uitgeven om ons ervan te overtuigen dat we dat moeten doen om schoon te blijven.

De huid van één persoon herbergt duizend soorten bacteriën, om nog maar te zwijgen van schimmels, virussen en mijten
Zeepadvertenties uit de jaren 50 waarin actrices en beroemdheden laten zien hoe Lux voor een stralende, fluweelzachte huid zorgt. - © Vintage ads en Unsplash
Zeepadvertenties uit de jaren 50 waarin actrices en beroemdheden laten zien hoe Lux voor een stralende, fluweelzachte huid zorgt. – © Vintage ads en Unsplash

Duizend jaar zonder bad

Zeep is een oude uitvinding, zo oud dat we alleen maar kunnen aannemen dat het het gelukkige resultaat was van het morsen van dierlijk vet in vuuras, waarbij enkele aanwezigen alert genoeg waren om de reinigende kracht van het schuim dat ontstond op te merken. Vroege versies, gemaakt met loog, konden de huid verbranden en werden vaker voor wasgoed toegepast dan voor mensen. Bij baden werden meestal water, zand, puimsteen, schrapers en oliën of parfums gebruikt – hoewel ze op sommige plaatsen het hele idee van douchen nogal gevaarlijk vonden.

Ook nieuw was het creëren van en vervolgens voorzien in behoeften waarvan mensen niet wisten dat ze die hadden

Sommige historische gegevens suggereren dat wassen relatief zeldzaam was in de westerse wereld: Marco Polo merkte met verbazing op hoe vaak mensen in India en China baadden, en Ahmad ibn Fadlan, die aan het begin van de tiende eeuw van het hof van Bagdad naar de Wolga reisde, vertelde dat de mensen die hij op zijn reis ontmoette zich niet wasten na het eten, poepen, plassen of na de seks, en dat ze ‘de smerigste schepselen van Allah’ waren. De Franse historicus Jules Michelet beschreef de Europese Middeleeuwen als ‘duizend jaar zonder bad’.

In de VS werd zeep voor de huid pas in de negentiende eeuw openbaar verkocht, voornamelijk als een manier om geld te verdienen aan de restanten van de vleesverpakkingsindustrie, die grote hoeveelheden ongebruikt dierlijk vet produceerde. Ondernemers voegden potas toe [een mengsel van zouten dat hoofdzakelijk uit kaliumcarbonaat bestaat] en maakten zo zeep, waar ze vervolgens vraag naar moesten creëren.

Tot deze vroege soapers behoorden William Procter en James Gamble, die nadat ze met twee zussen waren getrouwd begonnen samen te werken, een ander familiepaar, dat hun bedrijfsnaam uiteindelijk veranderde van Lever Brothers in Unilever en een man genaamd William Wrigley Jr., die kauwgom weggaf als promotie voor zijn zeep, waarna hij ontdekte dat er vooral vraag naar kauwgom bleek te bestaan.

Vorig jaar werd de schoonheids- en persoonlijke-verzorgingsmarkt in de VS geschat op bijna 100 miljard dollar, wat het moeilijk maakt om je een tijd voor te stellen waarin mensen moesten worden overgehaald om zeep te gebruiken. Maar de zeep-industrie, zo stelt Hamblin in zijn boek, leent zich goed als introductie tot de geschiedenis van de Amerikaanse marketing.

De eerste zeepfabrikanten waren pioniers op het gebied van technieken die we vandaag de dag nog steeds tegenkomen: één enkel bedrijf dat concurrerende merken bezit met bijna identieke producten, om het gevoel van keuze en loyaliteit bij de consument op te wekken; en het gebruik van ‘gesponsorde content’, zoals de soapseries of How to Bring Up a Baby van Procter & Gamble, dat deels een gezondheidspamflet was en deels een advertentie. De advertentiecampagnes creëerden een gevoel van op de loer liggend gevaar door te beweren dat hun eigen producten veiliger en zuiverder waren dan die van de concurrent, of ze promootten het product aan de hand van obscure, jargonachtige termen (‘triple milled soap’) die de consument belangrijk toeschenen, simpelweg omdat ze op de verpakking stonden.

De bedrijven speelden voor de verkoop van hun producten bovendien weinig subtiel in op racisme en klassisme. Ze maakten zelfs gebruik van mensen die nu ‘influencers’ zouden worden genoemd, zoals de filmsterren die verschenen in advertenties met als slogan ‘9 van de 10 filmsterren gebruiken Lux Toilet Soap’. ‘Lever heeft die acteurs nooit betaald’, schrijft Hamblin, ‘en omdat de industrie zo nieuw was, kwam het blijkbaar niet bij hen op om om geld te vragen.’

Ook nieuw was het creëren van en vervolgens voorzien in behoeften waarvan mensen niet wisten dat ze die hadden. Hamblin merkt op dat veel zepen die werden geadverteerd als ‘antimicrobieel’ en ‘antibacterieel’ minder veilig waren dan standaardzeep en gevaarlijke verbindingen op de huid achterlieten. (Veel producten die we nu als zeep beschouwen, zijn eigenlijk schoonmaakmiddelen op basis van synthetische verbindingen.)

‘Het is geen verrassing dat de financiële crisis van 2008 een piek kende in psoriasis- en eczeemconsultaties’

Ondertussen moesten zeepbedrijven, om hun productlijn uit te breiden, ‘het idee verkopen dat zeep op zichzelf onvoldoende was – of dat de effecten ervan ongedaan moesten worden gemaakt door weer andere producten’, schrijft Hamblin. Je had aparte zeep nodig voor je haar, je lichaam, je gezicht en zelfs voor verschillende gezinsleden. (Albert Einstein zou op de vraag waarom hij geen scheerzeep gebruikte, dat toen net was uitgevonden, naar verluidt hebben geantwoord: ‘Twee zepen? Veel te ingewikkeld!’) Om de uitdrogende effecten van zeep te compenseren, had je andere producten nodig: conditioners, vocht-inbrengende crèmes, toners. Hamblin wijst de introductie van Dove in 1957, waarvan de reinigingskracht wordt verminderd omdat het wordt vermengd met een vochtinbrengende crème, aan als het moment waarop de industrie begon met het verkopen van een geheel effectloos product.

Hamblins beslissing om te stoppen met douchen – hij spoelt zich zo nu en dan af – begon als een experiment, toen hij zichzelf de vraag stelde wat de essentie van zijn leven was. Hij verkocht zijn auto, ontbond zich van het internet en overwoog om in een busje te gaan wonen – waar zijn vriendin bezwaar tegen maakte. Maar zijn beslissing had ook te maken met nieuw inzicht in de manier waarop onze huid functioneert: als een levende, doorlatende ‘dynamische interface’ die ons verbindt met de wereld om ons heen – ‘een complex, divers ecosysteem’ in plaats van een barrière die steriel en ongerept zou moeten zijn. Zeep, redeneerde hij, wast niet alleen natuurlijke oliën weg, maar ook veel van de micro-organismen die onze huid bewonen, waardoor het natuurlijke evenwicht dat deze veroorzaken, wordt verstoord.

Hamblin begint aan een nogal onsamenhangende en soms onbevredigende reeks experimenten die zijn bedoeld om erachter te komen wat schoon zijn nu eigenlijk inhoudt. Hij bezoekt de Dr. Bronner’s Magic Soaps-fabriek, krijgt een reinigende gezichtsbehandeling en woont de opening van een Glossier-winkel en verschillende productdemonstraties bij. Een verkoper schenkt mannenzeep in borrelglaasjes uit wat lijkt op een whiskyfles; een ander probeert hem een ‘fontein van jeugdstamcel-vochtinbrengende crème’ aan te smeren, waarin de stamcellen afkomstig zijn van pompoenen.

In een poging te laten zien hoe laks we de ingrediënten in cosmetica reguleren – in producten voor persoonlijke verzorging in de EU zijn vijftienhonderd chemicaliën verboden of aan regels gebonden, tegenover slechts elf in de VS – begint hij zijn eigen huidverzorgingsbedrijf. Het heet Brunson + Sterling (de slogan luidt: ‘Menscare for fucking perfect skin’) en biedt een mix van willekeurige ingrediënten in potjes van 200 gram voor 200 dollar per stuk. Het product verkoopt niet, maar het is legaal.

Het interessantst is dat Hamblin mensen ontmoet die een heel andere kijk op huidverzorging hebben. Een vrouw met acné probeerde alles, van schrobben tot antibiotica, Accutane [een medicijn met de ontstekingsremmende stof isotretinoïne] en hormonale anticonceptie. (Acné wordt gedeeltelijk veroorzaakt door de Cutibacterium acnes en is een van de meest voorkomende redenen voor het voorschrijven van antibiotica.) Het werd alleen maar erger, totdat ze het opgaf, overal mee stopte en merkte dat haar huid opklaarde.

Sandy Skotnicki, een Canadese dermatoloog, moet elke winter weer mannen met jeuk op het hart drukken te stoppen met het gebruik van douchegel en vraagt zich af of de tweeledige toename van overwassen en eczeem toeval is. (Omdat Skotnicki’s patiënten iets voorgeschreven willen krijgen, schrijft Hamblin, heeft ze ‘een manier gevonden om iets in niets te veranderen’, door te pleiten voor gereglementeerde reinigingen – waarmee ze gewoon tijdelijke onthouding van reinigingsproducten bedoelt.)

Sommige wetenschappers menen dat de symptomen van eczeem – die vaak gepaard gaan met een overvloed aan Staphylococcus aureus – kunnen worden behandeld met de toepassing van een andere bacterie.

Hamblin interviewt experts in immunologie en microbiologie die zich er zorgen over maken dat, voor sommigen van ons, de al lange tijd problematische relatie tussen de mens en hygiëne nu is omgekeerd: in plaats van te weinig hebben we nu misschien een overschot eraan. Deze experts willen dat we hygiëne wat breder bezien – als een kwestie van gezondheid en evenwicht, in plaats van een van steriliteit en zuiverheid. Met al onze zeep, ontsmettingsmiddelen en antibiotica, plus nog eens alle tijd die we binnen doorbrengen, afgesloten van vuil, dieren en frisse lucht, hebben we nieuwe problemen gecreëerd voor ons immuunsysteem, dat niet langer in aanraking komt met goedaardige triggers en dus overdreven reageert op zogenaamde bedreigingen. Overmatige hygiëne kan ook een probleem zijn voor het microbioom van de huid, waarvan we de ecologie pas net beginnen te begrijpen.

Mark Holbreich, een allergoloog uit Indiana, ontdekte dat in de amishgemeenschap allergieën, eczeem en andere huidproblemen opmerkelijk weinig voorkomen, zelfs in vergelijking met genetisch en cultureel verwante groepen zoals de hutterieten in South Dakota, wier kinderen over het algemeen verder van de boerderij opgroeien.

Julie Segre, die de bacteriële en schimmeldiversiteit van de menselijke huid als eerste in kaart bracht, merkt op dat de recente fascinatie voor probiotica in voedsel ons denken over de gezondheid van de huid niet lijkt te hebben beïnvloed: ‘Iedereen wil Activia-yoghurt eten en zichzelf met bacteriën koloniseren, om vervolgens antibacteriële zeep te gebruiken.’

En microbioloog Jack Gilbert vertrouwt Hamblin toe: ‘Ja, ik douche. Ik douche wel, hoewel ik de gevolgen ervan ken. Niet elke dag, en ik gebruik meestal niet veel zeep.’

Medische misvatting

Medische leerboeken worden vaak geïllustreerd met zogenaamde écorché-figuren – menselijke anatomieën van het type dat Leonardo da Vinci tekende, waarbij de huid is verwijderd om de spieren en het bot eronder te kunnen tonen. Volgens dermatoloog Monty Lyman duidt dit op een misvatting binnen de medische wereld: steeds weer wordt het medisch belang van de huid, die als muur en raam dient tussen ons mensen en de buitenwereld, over het hoofd gezien. Hij kent specialisten in meer glamoureuze disciplines die spotten met dermatologie. (Een vriend van een chirurg noemt de huid schertsend ‘het inpakpapier om de cadeautjes’.)

Met zijn boek The Remarkable Life of the Skin wil Lyman dit rechtzetten; hij wil lezers het belang doen inzien van een orgaan dat vaak ‘aanwezig en toch onzichtbaar’ is. De huid is een vreemd, klein wonder. Als uw huid zou worden verwijderd, zou u al snel het water in uw lichaam verliezen en sterven aan uitdroging. De huid beschermt tegen dodelijke straling en ziekteverwekkers en helpt het lichaam binnen het kleine temperatuurspectrum te blijven dat het kan verdragen, terwijl het orgaan op de dunste plekken slechts half zo dik is als een cent. De cellen die aan de wereld worden blootgesteld zijn in feite al dood en zullen over het algemeen niet langer dan een maand meegaan – elke dag vergaan er ongeveer een miljoen, die zich vervormen tot stof in uw huis. Als deze huidcellen verloren gaan, worden ze vervangen door nieuwe, die zich op hun beurt gewillig opofferen om de triljoenen andere cellen waarvan je bent gemaakt te beschermen. ‘Nooit waren zo velen aan zo weinig zo veel verschuldigd’, schrijft Lyman.

Zoals vaak het geval is in de geneeskunde, wordt het belang van de huid vooral duidelijk wanneer er iets in de werking misgaat. Lyman schrijft over pellagra, een pijnlijke uitslag die in het begin van de twintigste eeuw veel voorkwam in South Carolina en leidde tot ‘onophoudelijke diarree’ en uiteindelijk psychose, totdat de ziekte uiteindelijk werd genezen door de introductie van een uitgebalanceerd dieet; het is de reden dat verpakt brood nu niacine bevat.

Kinderen kunnen xeroderma pigmentosum hebben, een genetische aandoening die het natuurlijke herstelsysteem saboteert dat uv-schade aan dna opspoort; vanwege hun onvermogen de zon in te gaan worden ze wel ‘middernachtkinderen’ genoemd, en ze hebben een gruwelijk grote aanleg om huidkanker te ontwikkelen.

Bij epidermolysis bullosa, een andere genetische aandoening, zijn er geen eiwitten die de epidermis met de dermis verbindt, wat betekent dat de huid al kan loskomen als deze langs een deurknop schuurt. Een jonge patiënt met de aandoening, Hassan, had nauwelijks huid over toen hij een baanbrekende behandeling kreeg: dokters oogsten enkele van zijn huidcellen, stelden ze bloot aan een virus dat een gezonde versie van het gemuteerde gen droeg en gebruikten deze vervolgens om in een laboratorium 9 vierkante meter nieuwe huid te laten groeien, die ze met succes op het lichaam van Hassan aanbrachten.

Waar Hamblin zich concentreert op reinheid, probeert Lyman op een bredere manier naar de huid te kijken, waarbij hij hoofdstukken besteedt aan aanraking, pijn, de geschiedenis van tatoeages, de wetenschap van melanine, de visie van verschillende religies op naaktheid en de manier waarop de blootstelling van onze huid aan de zon onze algehele gezondheid beïnvloedt. (Wist u dat honden en katten, mogelijk omdat hun vacht het vermogen van hun huid blokkeert om zonlicht te absorberen en vitamine D te produceren, een olie afscheiden die in vitamine D wordt omgezet bij blootstelling aan zonlicht? Die moet vervolgens oraal worden ingenomen, wat een van de redenen is dat huisdieren zichzelf altijd likken.)

De zon kan de veroudering van de huid sterker beïnvloeden dan de tijd zelf, merkt Lyman op. Hij vertelt dat hij, toen hij in een kliniek werkte, een vrouw van in de zestig aanzag voor de dochter in plaats van de moeder van een zonaanbiddende patiënt van in de veertig.

Hoewel hij lezers meeneemt op een rondleiding langs de wildste huidbehandelingen, van de ‘vampier-gezichtsbehandelingen’ waar Kim Kardashian bij zwoer tot Cleopatra’s dagelijkse bad in ezelinnenmelk, zijn de enige schoonheidstrucs die Lyman onderschrijft bescherming tegen de zon, een gezond dieet, niet roken of overmatig drinken, en geen langdurige stress. ‘Het is geen verrassing dat de financiële crisis van 2008 een piek kende in psoriasis- en eczeem-consultaties’, schrijft Lyman. Aandoeningen zoals coeliakie, de ziekte van Crohn, rosacea en eczeem – die allemaal betrekking hebben op de huid, het immuunsysteem en de darmen – laten zien hoe verweven deze systemen zijn. Eczeem is bijvoorbeeld een voorspeller van de vraag of een baby voedselallergieën zal ontwikkelen, en het is gebleken dat acné toeneemt naarmate het dieet van een persoon verwestert.

Ecosysteem

Huidverzorging, waarvan de marktwaarde tussen 2014 en 2019 met zo’n 20 miljard dollar is gestegen, is uitgegroeid tot de winstgevendste sector van de cosmetica-industrie. Producten kunnen enorm duur zijn, vooral als ze met andere worden gecombineerd tot uitgebreide regimes. Maar de wetenschap van de gezondheid van de huid, zoals beschreven door Hamblin en Lyman, suggereert dat we het mis hebben als we de huid als statisch of losstaand beschouwen, als iets dat genoegen neemt met oppervlakkige behandelingen met verschillende reinigingsmiddelen en vochtinbrengende crèmes. (Hamblin spot met het idee de interne collageenproductie van de huid te bevorderen door collageen op te smeren of het in te nemen: ‘Alsof je, omdat je nieuwe banden nodig hebt, rubber in je benzinetank stopt.’) De huid is, letterlijk, een ecosysteem, dat in constante verbinding staat met de gezondheid van de rest van ons lichaam, evenals met de wereld daarbuiten.

In een hoofdstuk genaamd ‘Skin Safari’ leidt Lyman ons langs de bewoners van onze huid. Ze variëren van de microscopisch kleine mijten die ’s nachts al copulerend over onze gezichten zwerven, tot de zeer stabiele gemeenschappen van micro-organismen die op de verschillende delen van ons lichaam leven, elk met hun eigen unieke omstandigheden. ‘Op het eerste gezicht lijkt onze huid een kaal, onherbergzaam landschap’, schrijft Lyman. Maar voor beestjes die klein genoeg zijn is het orgaan bedekt met bergkammen, ravijnen, woestijnen en moerassen, ‘habitats vol wilde dieren waar je een natuurdocumentaire aan zou kunnen wijden’.

Deze habitats worden op hun beurt beïnvloed door onze eigen omstandigheden. In één onderzoek konden wetenschappers, door simpelweg het microbioom van de huid van mensen te onderzoeken, zien in welke stad ze woonden en met wie ze samenwoonden.

Revolutie

Als je dit leest, wil je ongetwijfeld eerder meer dan minder zeep gebruiken. (En waarschijnlijk draagt de wetenschap dat al die kleine gezichtsmijten, omdat ze geen anus hebben, uiteindelijk sterven door de inname van alle huid en olie die ze op je gezicht hebben geconsumeerd, daar nog eens aan bij.) Maar onthoud dat we het huidmicrobioom altijd al met ons meedragen, en dat het minstens evenveel micro-organismen bevat als er cellen in je hele lichaam zijn – misschien wel drie keer zoveel. Jij bent het, in zekere, zeer reële zin, en het orgaan dient doeleinden die we pas net beginnen te begrijpen.

Microben, archaea genaamd, die in 2017 op de huid zijn ontdekt, beschermen onze huid bijvoorbeeld door stikstof om te zetten en ziekteverwekkers op afstand te houden; stinkende microben op onze voeten kunnen schimmelinfecties tegengaan; en zelfs die gezichtsmijten kunnen worden beschouwd als natuurlijke exfolianten.

De huid van één persoon herbergt ‘duizend soorten bacteriën, om nog maar te zwijgen van schimmels, virussen en mijten’, schrijft Lyman – een diversiteit aan personages en verhaallijnen waarbij elke soap-serie in het niet valt, en die grote gevolgen heeft voor onze gezondheid en ons welzijn. Hij vertelt over een stinkende persoon die, nadat hij was ingesmeerd met microben uit de oksels van zijn zoet geurende tweelingbroer, niet langer stonk, en over iemand die een sociaal verlammende genetische aandoening, met de suggestieve naam ‘visgeursyndroom’, bestreed door zijn dieet te veranderen.

Lyman verwacht dat de wetenschap binnenkort in staat zal zijn om ons unieke microbiële zelf te veranderen op manieren die veel geavanceerder zijn dan het gebruiken dan wel afzweren van zeep: ‘Het manipuleren en aanpassen van deze populaties kan een revolutie in de geneeskunde teweegbrengen.’

Ook Hamblin stelt dat zeep een kleine speler is in vergelijking met andere factoren die het microbioom beïnvloeden: bijvoorbeeld het gebruik van antibiotica, of de vroege levenservaringen die de initiële ontwikkeling van het orgaan beïnvloeden. Het heroverwegen van het gebruik van zeep, besluit hij, staat misschien vooral symbool voor de manier waarop we denken over schoonheid: als een strijd, of als een evenwichtsoefening? Hij besluit zijn boek met een ode aan openbare parken als belangrijk onderdeel van de stadshygiëne, waarbij hij wenst dat we het geld dat we aan zeep en huidverzorging uitgeven, zouden besteden aan het verbeteren van onze eigen leefgebieden – niet alleen die waarin we leven, maar ook die die we zelf vormen. ‘Als we onze wereld veranderen, veranderen we vanzelf ons lichaam’, schrijft hij. ‘De oude dualiteit tussen milieugezondheid en menselijke gezondheid is achterhaald.’

Al met al ziet Hamblin zijn persoonlijke experiment als een succes. Na een overgangsperiode, die zijn microbiële populaties vermoedelijk hebben aangegrepen voor een grondige zelfreorganisatie, omarmt de vriendin die het idee van het busje afwees zijn besluit om niet langer te douchen. Ze verklaart dat Hamblin niet zozeer lekker of vies ruikt, maar gewoon, ‘als een persoon’.

Brooke Jarvis

The New Yorker
Verenigde Staten | weekblad | 1.043.000 

Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht.

Dit artikel van verscheen eerder in The New Yorker.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.