• The New Yorker
  • Cultuur
  • Waren we maar nooit geboren

Waren we maar nooit geboren

The New Yorker | New York | Joshua Rothman | 31 maart 2018

In tegenstelling tot wat veel mensen denken is het leven, volgens antinatalist professor David Benatar, nogal afschuwelijk. Elk verweer pareert hij behendig. Het is alleen de moeite waard om te blijven leven omdat de dood een groter kwaad is.

David Benatar is misschien wel de meest pessimistische filosoof ter wereld. Volgens deze ‘antinatalist’ is het leven zo’n lijdensweg dat mensen uit mededogen zouden moeten besluiten geen nageslacht meer te verwekken. ‘Goede mensen doen er alles aan om hun kinderen voor leed te behoeden, maar lijken slechts zelden te beseffen dat er maar één gegarandeerde manier is om te voorkomen dat je kinderen leed te verduren krijgen: geen kinderen ter wereld brengen’, schrijft hij in zijn boek Better Never to Have Been: The Harm of Coming Into Existence (2006). Jezelf voortplanten is volgens Benatar intrinsiek wreed en onverantwoord. Niet alleen omdat iedereen iets vreselijks kan overkomen, maar omdat het leven op zichzelf ‘doordesemd is van leed’. Mede daarom vindt hij dat de wereld beter af zou zijn zonder bewuste levensvormen.

Better Never to Have Been heeft voor zo’n theoretisch filosofieboek een opvallend breed publiek bereikt. Het krijgt een waardering van 3,9 sterren op GoodReads, waar één lezer het betitelt als ‘verplichte kost voor mensen die voortplanting gerechtvaardigd vinden’.

Nic Pizzolatto, bedenker van de HBO-serie True Detective, las het boek enkele jaren geleden en maakte een nihilistische antinatalist van het personage Rust Cohle, gespeeld door Matthew McConaughey. (‘In mijn ogen is het menselijk bewustzijn een tragische fout in de evolutie,’ zegt Cohle in de serie.) Nadat Pizzolatto in de pers had laten vallen waar hij zijn inspiratie vandaan had, begon de doorgaans publiciteitsschuwe Benatar in interviews tekst en uitleg te geven over zijn opvattingen, die hij doordachter en humaner vindt dan die van Cohle. En nu heeft hij een nieuw boek geschreven, The Human Predicament: A Candid Guide to Life’s Biggest Questions, waarin hij zijn antinatalistische ideeën verder aanscherpt, uitbouwt en in een bredere context plaatst. Het boek opent met een motto uit T.S. Eliots Four Quartets, ‘Humankind cannot bear very much reality’, en de belofte om ‘nietsontziende’ antwoorden te geven op vragen als ‘Heeft ons leven zin?’ en ‘Zouden we beter af zijn als we het eeuwige leven hadden?’

Man met honkbalpetje

Benatar is in 1966 geboren in Zuid-Afrika. Hij is hoofd van de vakgroep Filosofie aan de Universiteit van Kaapstad, waar hij ook leidinggeeft aan het Bioethics Centre, opgericht door zijn vader Salomon, een volksgezondheidsdeskundige. (Better Never to have Been is opgedragen ‘aan mijn ouders, ook al hebben zij me op de wereld gezet’.) Buiten deze kale feiten is op internet weinig informatie over hem te vinden. Er staan geen foto’s van hem online en op YouTube-films van zijn colleges zijn alleen PowerPoint-afbeeldingen te zien. Er staat één filmpje op YouTube met de titel ‘What Does David Benatar Look Like?’ Daarin wordt ingezoomd op een korrelige foto van enkele mensen in een collegezaal, tot er uiteindelijk een pijl verschijnt bij het vage, pixelige hoofd van een man met een honkbalpetje.

Toen ik The Human Predicament had gelezen, schreef ik Benatar of ik hem eens mocht interviewen. Hij stemde meteen toe, maar stuurde nog een mail toen hij een paar van mijn artikelen had gelezen. ‘Ik zie dat je graag een portret geeft van de geïnterviewde, en niet alleen van zijn of haar werk’, schreef hij. ‘Nu is het zo dat ik erg op mijn privacy gesteld ben en het vreselijk zou vinden om mezelf zo gedetailleerd beschreven te zien als de mensen in je andere interviews. Ik zal dus niet ingaan op vragen die ik te persoonlijk vind. (En ik vind het ook niet prettig als er een foto van mij bij het artikel wordt geplaatst.) Ik begrijp het volledig als je onder die voorwaarden liever afziet van een interview. Maar als je een interview wilt afnemen waarin je daarmee rekening houdt, dan heel graag.’

Het lijdt geen twijfel dat Benatar niet van publiciteit houdt. Maar zijn anonimiteit dient ook een doel: die moet verhinderen dat lezers psychologische verklaringen gaan zoeken voor zijn opvattingen, dat ze die toeschrijven aan depressie, trauma’s of andere aspecten van zijn persoonlijkheid. Hij wil dat zijn argumenten op hun eigen merites worden beoordeeld.

‘Mensen vragen weleens of ik kinderen heb,’ zegt hij tijdens ons gesprek. (Hij heeft een kalme, evenwichtige manier van praten en een Zuid-Afrikaans accent.) ‘Dan zeg ik: ik zie niet in wat dat ertoe doet. Als ik kinderen heb, dan is dat hypocriet – maar dan kunnen mijn argumenten nog wel kloppen.’

Als hij vertelt dat hij al ‘heel jong’ antinatalistische opvattingen had, vraag ik hoe jong dan precies. ‘Als kind al,’ zegt hij na een korte stilte, met een ongemakkelijke glimlach. Dit is precies het soort persoonlijke vragen dat hij liever niet beantwoordt.


We hebben afgesproken in het World Trade Center, waar The New Yorker kantoor houdt. Hij heeft een klein, sportief postuur en een spits gezicht en draagt een blauwe trui op een keurige pantalon. Ik herken hem aan zijn honkbalpetje. We installeren ons in een stel gemakkelijke stoelen op de 64ste verdieping, bij een raam met een prachtig uitzicht over de stad: links de Hudson, rechts de East River en recht voor ons de wolkenkrabbers van Midtown Manhattan.

Sociale wetenschappers vragen mensen of ze gelukkig zijn. Mensen moeten hun leven dan een cijfer geven van één (‘slechter kan niet’) tot tien (‘beter kan niet’). Volgens het World Happiness Report van 2017 gaven Amerikanen van 2014 tot 2016 hun leven gemiddeld een 6,99 – lager dan Canadezen (7,32), maar hoger dan Soedanezen (4,14). In een andere enquête luidt de vraag: ‘Hoe zou u zichzelf al met al omschrijven: (i) heel gelukkig, (ii) redelijk gelukkig, (iii) niet erg gelukkig of (iv) helemaal niet gelukkig?’ In landen als India, Rusland en Zimbabwe wordt deze vraag de laatste jaren steeds positiever beantwoord. In 1998 vond 93 procent van de Amerikanen zichzelf nog heel gelukkig of redelijk gelukkig. In 2014, na de grote recessie, was dat percentage slechts licht gedaald, tot 91 procent.

Als je de mensen mag geloven, deugt het leven dus wel. Maar volgens Benatar hebben ze ongelijk. ‘In tegenstelling tot wat veel mensen denken is het leven in feite nogal afschuwelijk’, schrijft hij in The Human Predicament. En met een lange opsomming van rampspoed probeert hij aan te tonen dat zelfs gelukkige mensen een veel slechter leven leiden dan ze zelf denken. We hebben bijna altijd honger of dorst, schrijft hij, en anders moeten we wel naar de wc. Vaak lijden we aan ‘thermisch ongemak’ – we hebben het te koud of te warm – of we zijn moe of kunnen niet in slaap komen. We worden geplaagd door jeuk, allergieën, verkoudheid, menstruatiepijn en opvliegers. Het leven is één lange opeenvolging van ‘frustratie en irritatie’: in de file staan, in de rij staan, formulieren invullen. We moeten werken voor de kost en dat werk put ons vaak uit. Zelfs ‘mensen die plezier hebben in hun werk, kunnen daarin ambities hebben die nooit worden vervuld’. Veel eenzame mensen blijven single, en getrouwde mensen maken ruzie of scheiden. ‘Mensen willen jonger zijn, er jonger uitzien en zich jonger voelen, maar worden onverbiddelijk alleen maar ouder.’

Ze hopen het beste voor hun kinderen, maar worden vaak door die kinderen teleurgesteld. Als onze dierbaren lijden, lijden wij met ze mee. Als ze sterven, zijn wij in de rouw.

Benatars observaties ontlokken je automatisch de vraag: “Als het leven zo erg is, waarom maak je jezelf dan niet van kant?”

Benatars observaties ontlokken je automatisch de vraag: ‘Als het leven zo erg is, waarom maak je jezelf dan niet van kant?’ Maar hij trekt 43 pagina’s uit, een heel hoofdstuk, om aan te tonen dat de dood onze problemen nog verergert. ‘Het leven is ellendig, maar de dood ook’, besluit hij. ‘Het leven is natuurlijk niet in alle opzichten slecht. De dood ook niet. Maar in belangrijke opzichten zijn zowel het leven als de dood verschrikkelijk. Samen vormen ze een existentiële tang – de bankschroef waarin ons bestaan gevangen zit.’ Volgens hem is het beter om helemaal niet in die bankschroef te belanden. Mensen vragen zich weleens af of het leven de moeite waard is. Volgens Benatar kun je die vraag beter opdelen in deelvragen: is het de moeite waard om te blijven leven? (Ja, want de dood is een groter kwaad.) Is het de moeite waard om aan het leven te beginnen? (Nee.)

Benatar is lang niet de enige antinatalist. Boeken als Every Cradle Is a Grave van Sarah Perry en The Conspiracy Against the Human Race van Thomas Ligotti vinden ook aftrek. Er zijn veel ‘misantropische antinatalisten’. De Beweging ter Vrijwillig Uitsterven van de Mensheid telt bijvoorbeeld duizenden leden, die allemaal vinden dat de mens beter kan uitsterven ten behoeve van het milieu. In de ogen van misantropische antinatalisten is niet het leven het probleem, maar de mens. Benatar is dan weer een ‘barmhartige antinatalist’. Zijn ideeën lijken op die van de filosoof Thomas Metzinger, die zich bezighoudt met bewustzijn en kunstmatige intelligentie. Metzinger predikt het digitale antinatalisme: volgens hem is het onethisch om computerprogramma’s met een kunstmatig bewustzijn te creëren, omdat je dan een toename van het lijden in de wereld teweegbrengt. Hetzelfde argument kun je toepassen op mensen.

Als een bokser die op zijn tegenstoten heeft geoefend weet Benatar een hele reeks bezwaren behendig te pareren. Volgens velen wegen de mooiste ervaringen in het leven – liefde, schoonheid, nieuwe dingen ontdekken – ruimschoots op tegen de nare ervaringen. Maar Benatar beweert dat pijn meer kwaad doet dan genot ons goed doet. Pijn duurt langer. ‘Je hebt wel chronische pijn, maar er is niet zoiets als chronisch genot,’ zegt hij. En pijn is intenser: wie is bereid vijf minuten van de ergst denkbare pijn te ondergaan in ruil voor vijf minuten van het grootst denkbare genot?

Op een abstracter niveau is het missen van goede ervaringen bovendien niet zo erg als het hebben van slechte. ‘Voor een bestaand mens is de aanwezigheid van slechte zaken slecht en de aanwezigheid van goede zaken goed,’ legt Benatar uit. ‘Maar zet dat eens af tegen de situatie van een mens die niet bestaat: dan is de afwezigheid van slechte zaken goed, maar de afwezigheid van goede zaken niet slecht, want er is niemand die ze mist.’ Die asymmetrie ‘ondermijnt de goedheid van het bestaan’, vervolgt hij, want hieruit blijkt dat ‘alle onaangename dingen en alle ellende en al het leed zonder enig werkelijk verlies kunnen worden afgewend.’

Tegenstanders zeggen dat hij met al dat gepraat over pijn en genot de plank misslaat: of het leven nu goed is of niet, het is wel zinvol. Benatar werpt tegen dat het menselijk leven op kosmisch niveau zinloos is: we leven in een onverschillig universum, misschien zelfs een ‘multiversum’, waarin we aan doelloze, blinde natuurkrachten zijn onderworpen. Als we aan die kosmos geen zin kunnen ontlenen, resteert ons alleen ‘aardse’ zingeving. En volgens Benatar heeft het ‘iets van een cirkelredenering om te zeggen dat het doel van het menselijk bestaan erin ligt dat we elkaar moeten helpen’. Ook het argument dat strijd en lijden het bestaan zin kunnen geven, verwerpt hij. ‘Ik geloof niet dat lijden zinvol kan zijn,’ zegt hij. ‘Ik denk dat mensen proberen zin te geven aan hun lijden omdat het anders gratuit en ondraaglijk is.’ Het klopt wel, zegt hij, dat ‘Nelson Mandela zin aan zijn lijden gaf door wat hij ermee deed – maar dat rechtvaardigt niet wat hij heeft moeten ondergaan’.


Ik vraag Benatar of zijn opvatting geen aansporing moet zijn om naar een betere wereld te streven. Hij zegt dat de mogelijkheid van een betere wereld in de toekomst geen rechtvaardiging kan zijn voor het lijden van de mensen in het heden. En een radicaal betere wereld zit er volgens hem ook niet in. ‘Dat gaat niet gebeuren. We lijken onze les nooit te leren. We leren het nooit. Misschien is er af en toe een enkeling die zijn les leert, maar die blijft toch al die waanzin om zich heen zien,’ zegt hij. ‘Je kunt wel roepen: zien jullie in godsnaam dan niet dat jullie steeds dezelfde fouten maken? Kunnen we het niet eens anders aanpakken? Maar dat gebeurt niet.’ Want uiteindelijk zijn ‘leed en ongemak te diep in het bestaan van bewuste levensvormen verankerd om te worden geëlimineerd’. Hij klinkt emotioneel, zijn ogen worden vochtig. ‘We zijn gedwongen te aanvaarden wat onaanvaardbaar is. Het is onaanvaardbaar dat mensen, en andere levende wezens, moeten doormaken wat ze moeten doormaken, en ze kunnen er praktisch niets tegen doen.’ In een gewoon gesprek zou ik iets troostends mompelen. Nu weet ik niet wat ik moest zeggen.

Benatar heeft een veganistisch restaurant uitgekozen om te gaan lunchen en daar lopen we naartoe, langs de Hudson. Aan het eind van Vesey Street komen we langs het Irish Hunger Memorial: een stukje Ierse grond van duizend vierkante meter, dat in 2001 naar New York is overgebracht als monument voor de miljoenen slachtoffers van de Ierse hongersnood van 1845. Benatar wil het even bekijken en de historische teksten bij de ingang lezen. Die hongersnood heeft zeven jaar geduurd. Eén man schreef later: ‘Het leeft in mijn herinnering als één lange nacht van smart.’

Het is warm. In Battery Park zitten moeders met hun kinderen op het gras te picknicken. Een groepje collega’s speelt tafeltennis. Stelletjes lopen hand in hand langs het water. Hardlopers rennen op de paden: gespierde kerels in hun blote bast, vrouwen in modieuze sportoutfits.

‘Wringen je opvattingen nooit met wat je om je heen ziet?’ vraag ik.

‘Ik heb er niets op tegen dat mensen plezier maken, en ik weet heus wel dat er ook leuke dingen in het leven zijn,’ lacht Benatar. Ik zie dat hij zijn trui heeft uitgetrokken en in hemdsmouwen loopt. Zijn honkbalpetje lijkt onwrikbaar op zijn hoofd te zitten. We passeren de plek waar acht weken later een negenentwintigjarige man met een pick-up zal inrijden op voetgangers, met acht doden en elf gewonden tot gevolg.

Benatar vindt zijn eigen ideeën net zo verontrustend als iedereen. Hij ventileert ze dan ook met gemengde gevoelens. Hij is niet het type dat een kerk inloopt om van de kansel te roepen dat God niet bestaat. Hij ziet het dus niet zitten om ambassadeur voor het antinatalisme te worden. Het leven is al vervelend genoeg, zegt hij. Hij houdt zichzelf voor dat zijn boeken, zware filosofische kost, alleen worden gelezen door mensen die al naar zulke ideeën op zoek zijn. Hij hoort van lezers dat ze blij zijn om hun eigen heimelijke gedachten eindelijk verwoord te zien. Een man met kinderen liet Benatar weten dat hij na het lezen van Better Never to Have Been inzag dat hij ze beter niet had kunnen krijgen. Mensen met ondraaglijke geestelijke en lichamelijke aandoeningen schrijven dat ze wensen dat ze nooit hadden bestaan. En hij hoort ook weleens dat mensen zijn ideeën overtuigend vinden, maar zich erdoor verlamd voelen.

‘Met die mensen heb ik zo te doen,’ zegt hij zacht. ‘Ze zien de realiteit onder ogen en betalen daar de tol voor.’ Ik vraag of zijn ideeën hem ook wel eens te veel worden. Hij glimlacht ongemakkelijk – weer zo’n persoonlijke vraag – en zegt: ‘Schrijven helpt.’

Hij denkt niet dat het antinatalisme ooit breed ingang zal vinden. ‘Het druist tegen te veel biologische drijfveren in.’ Toch put hij er troost uit. ‘De waanzin van de wereld als geheel – daar kunnen jij en ik toch niets tegen uitrichten?’ zegt hij onder het lopen. ‘Maar ieder stelletje, elk mens kan besluiten om geen kinderen te krijgen. Daarmee voorkom je al een immense hoeveelheid leed, en dat is mooi meegenomen.’

Tweestrijd

Als vrienden een kind krijgen, moet hij op zijn woorden letten. ‘Dan ben ik in tweestrijd,’ zei hij. Een kind voortbrengen ‘is vrij afschuwelijk, gezien de situatie waarin dat kind zal belanden’. Anderzijds: ‘optimisme maakt het leven draaglijker’. Toen een collega hem enkele jaren geleden vertelde dat ze zwanger was, reageerde hij terughoudend. Kom op, zei ze, je móét toch blij voor me zijn. Na enig gewetensonderzoek zei Benatar: ‘Ik vind het wel leuk… voor jou.’

In het restaurant zitten we naast een moeder en haar dochtertje. Een meisje van een jaar of acht, met een jurkje aan en een boek in haar hand.

‘Wil je die meenemen naar huis?’ vraagt de moeder, en ze wijst naar de frietjes.

‘Ja!’ zegt het meisje.

Benatar en ik zetten ons gesprek voort, maar ik vind het lastig om binnen gehoorsafstand van die moeder en haar kind over antinatalisme te praten. Onder het eten babbelen we dus vooral over onze werkgewoonten.

Daarna nemen we buiten afscheid. ‘Ik wandel nog wat rond,’ zegt Benatar. Hij wil nog even rondkijken in de West Village voordat hij naar het vliegveld gaat.

Ik loop terug naar het World Trade Center en daal daar af in de Oculus, de gigantische koopgoot plus metrohalte die hier na de aanslagen van elf september is gebouwd. Ik kijk op naar het gewelf, de witmarmeren ribben van het dak dat hoog boven de mensen uit torent – als een kruising tussen een skelet en een kathedraal. Onder aan de roltrap zie ik een vrouw met één arm in haar mouw staan worstelen om haar jas aan te trekken. Een corpulente zakenman met oordopjes in snelt langs mij heen de trap af en stoot met zijn koffertje tegen me aan. Onderaan houdt hij de jas van de vrouw even op, zodat ze haar arm in de mouw kan steken.

Auteur: Joshua Rothman
Vertaler: Frank Lekens

The New Yorker
Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

Gericht op New York zelf, maar ook daarbuiten gretig gelezen. Bekend om zijn karikaturen, commentaar op de popcultuur en vele korte verhalen.

CONTEXT: David Benatar

Het begrip ‘antinatalisme’ wordt toegeschreven aan de Belgische ‘activistische filosoof’ Théophile de Giraud (Namen,1968), die zich
onder meer afficheert als ‘halfgare performer’, aanhanger is van de beweging Childfree en oprichter van , het ‘collectief van hardnekkige
anti-geboortekabouters’. Zijn lijfspreuk: ‘Als u van kinderen houdt, verwek ze dan niet’.

De Franstalige Giraud is auteur van geschriften onder titels als De onbeschaamdheid van de voortplanting (2000) en in 2006 De kunst van het guillotineren van voortplanters. Antinatalistisch manifest. Hij riep in België de Niet-ouderdag in
het leven. In Frankrijk vindt Giraud navolging bij de schrijfster Corinne Maier (1963), econoom en psychoanalytica, die in 2004 de bestseller_ Bonjour Paresse_ schreef, met als ondertitel ‘De kunst en noodzaak van het zo weinig mogelijk
doen in grote organisaties’ (in het Nederlands vertaald als Liever lui), gevolgd in 2007 door een boek met de Engelse titel No Kid (dezelfde titel in Nederlandse vertaling). Maier behoorde in 2016 tot de 100 Women.

De oorsprong van het gedachtegoed van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) en diens pessimistische kijk op de positie en de willoze rol van de mens in de schepping. Sommige antinatalisten houden er stelregels op na zoals deze: ‘Wees eerlijk. Deel uw persoonlijke ervaringen in het leven zonder de problemen te verkleinen en de genietingen te overdrijven’.

Dit artikel van Joshua Rothman verscheen eerder in The New Yorker.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.