• 360 Magazine
  • Cultuur
  • Wat Canada ons kan leren over de multiculturele samenleving

Wat Canada ons kan leren over de multiculturele samenleving

360 Magazine | Amsterdam | 01 oktober 2016

Hoe kan het dat Canadezen de multiculturele samenleving – in tegenstelling tot de inwoners van veel andere westerse landen – wél als een succes beschouwen? Volgens Jonathan Tepperman, hoofdredacteur van het blad Foreign Affairs en auteur van het boek De oplossing (The Fix), is dat het resultaat van uitgekiend beleid, waarvan wij veel kunnen opsteken.

Halverwege de vorige eeuw was de wereld in de greep van een ongekende onrust. De verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog en de chaos na de dekolonisatie brachten miljoenen mensen op de been, die op zoek gingen naar een veiliger en welvarender thuisland. Hoe graag je je oude leven in de oude wereld ook wilde inruilen voor een beter bestaan in de nieuwe, je dacht waarschijnlijk niet aan Canada – vooral niet als je een kleurtje had. In de oorlogsjaren liet Canada weinig immigranten toe (precies 7500 in 1942) en in de daaropvolgende tien jaar namen de aantallen toe, maar de mensen die werden toegelaten waren opvallend wit. Door het ‘blank Canada’-beleid mochten alleen Europeanen en Amerikanen zich er vestigen, en men vond alle andere mensen een beetje griezelig.

Tegenwoordig gaat het anders, en op de ochtend van 10 december 2015 was dat goed te zien. Op dat moment woedde er onder politici in de Verenigde Staten en in Europa een heftig debat over de vraag of er meer Syrische vluchtelingen moesten worden opgenomen, en veel landen begonnen hekken te bouwen aan hun grenzen. Maar in Toronto stond Justin Trudeau, de kersverse jonge premier van Canada, in de aankomsthal van het vliegveld winterjassen uit te delen aan de eerste groep van de 25.000 Syrische asielzoekers die de komende maanden naar Canada mochten komen, het dubbele van het aantal dat de VS in het hele jaar zou toelaten. ‘Hier vind je een veilig thuis,’ heette Trudeau hen welkom.

Trudeaus gebaar mag wat theatraal zijn, het is niet uitzonderlijk voor het huidige Canada. Tegenwoordig hoeven aspirant-immigranten niet lang te aarzelen over Canada. Canada zoekt hen op, vooral als ze jong zijn en hoogopgeleid. De Canadese minister van Immigratie reist de wereld af om te promoten hoe goed het is om in zijn land te leven en werken. De regering maakt zelfs reclame in het buitenland, in 2013 bijvoorbeeld betaalde ze voor een billboard in Silicon Valley, gericht op jonge buitenlandse computernerds die in de VS geen werkvergunning kregen, met de slogan ‘H-1B een probleem? Kom naar Canada.’ Met andere woorden: waar je ook vandaan komt, de Canadese regering zit op je te wachten.

Nieuwkomers

De burgers ook. Canada heeft nu een van de hoogste aantallen immigranten per hoofd van de bevolking, ruim het dubbele van de Verenigde Staten. In de afgelopen twintig jaar werden er jaarlijks ongeveer 250.000 nieuwkomers toegelaten, bijna 1 procent van de bevolking, en de overheid gaat ervan uit dat de jaarlijkse instroom in 2018 337.000 personen zal bedragen. Al meer dan 20 procent van de Canadese bevolking is elders geboren – wederom twee keer zoveel als in de VS, zelfs als je de illegale inwoners meerekent – en de verwachting is dat dit in 2031 zal zijn opgelopen tot een kwart van de bevolking. De laatste jaren waren de Filipijnen, China en India de top drie van herkomstlanden van nieuwe Canadezen. Het Angelsaksische ideaal is achterhaald.

Gewone Canadezen zijn hier heel tevreden over. Peilingen wijzen uit dat twee derde van de bevolking vindt dat immigratie een van Canada’s sterkste punten is, en hetzelfde aantal is er voor om het huidige niveau aan te houden of zelfs op te hogen. Slechts een kwart van de Canadezen beschouwt immigratie als een probleem, en dat is het laagste cijfer in de geïndustrialiseerde landen. Jeffrey Reitz, socioloog aan de Universiteit van Toronto, wijst erop dat Canadezen zo enthousiast zijn over immigratie dat zelfs de critici van het beleid hier grotere aantallen bepleiten dan de voorstanders in andere rijke landen.

Canadese moslims verwelkomen Syriërs. – © Getty
Canadese moslims verwelkomen Syriërs. – © Getty

Wat is het geheim van het Hoge Noorden? Waarom vinden moderne Canadezen, anders dan hun grootouders en de rest van de moderne wereld, het prima om de deuren van hun land wijd open te zetten? Dat Canada altijd een immigratieland was is geen afdoende verklaring; het is waar, maar dat geldt ook voor de meer xenofobe Verenigde Staten. De huidige instelling van de Canadezen is ook geen vreemde genetische afwijking, ook al worden Canadezen vaak geprezen (of bespot) omdat ze zulke ongelooflijk beleefde do-gooders zijn (ze zeggen zelfs sorry als ze tegen een stoel opbotsen.) Maar hun opvallende openheid is geen aangeboren trekje. Het is het product van buitengewoon goed leiderschap. De Canadese leiders creëerden een beleid dat er op een briljante wijze in slaagde om de burgers ervan te overtuigen dat immigratie noodzakelijk en goed is. De Canadese overheid ontwikkelde dit beleid niet uit altruïsme of nobele principes. Canada omarmde immigratie omdat het moest. De Canadese deugdzaamheid ontstond uit noodzaak.

Niemand is een beter voorbeeld van de Canadese evolutie dan de vader van de huidige leider, Pierre Elliott Trudeau, die met één korte onderbreking van 1968 tot 1984 premier was.

Tegenwoordig denkt men terug aan Trudeau als een toonbeeld van een ontwikkelde intellectueel die staatsman werd, een flitsende, kosmopolitische filosoof-koning met grote bakkebaarden, die Plato citeerde, danste op muziek van de Beatles, aan yoga deed en die de wereld liet zien dat als de woorden ‘sexy’ en ‘Canadees’ in één zin worden genoemd het niet per se een grap hoeft te zijn.

Maar Trudeau begon niet als een verlichte premier, en daar gaat het om in dit verhaal, want het is een belangrijk punt in de ommezwaai over immigratie die hij en zijn land later maakten. Trudeau werd geboren in Montreal in een rijk gezin. Zijn vader, Charles-Emile, was een boerenzoon die hield van drank en gokken, en die een fortuin had verdiend met benzinestations. Trudeau begon zijn politieke carrière, net als veel andere leden van de onderdrukte francofone minderheid, als een reactionaire katholiek, een Franse nationalist en een blanke chauvinist. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar Canada volgens hem buiten moest blijven, hield hij een toespraak voor een menigte waarin hij verkondigde dat ‘hij banger was voor de vreedzame invasie van immigranten dan voor een gewapende vijandelijke invasie van de vijand.’

Toen Trudeau zijn rechtenstudie had afgemaakt aan de universiteit van Montreal verliet hij het benepen Quebec. In 1944 vertrok hij naar Harvard, waar hij een bordje met de tekst ‘Pierre Trudeau, wereldburger’ op de deur van zijn studentenkamer hing en een master haalde in de economie. Hij verhuisde naar Frankrijk en daarna naar Engeland, waar hij aan de London School of Economics studeerde. Zijn studie en een jaar als backpacker de wereld rondreizen hadden de jonge Franse Canadees helemaal genezen van zijn chauvinisme; Trudeau kwam in 1949 terug naar huis met een baard en een nieuwe manier van denken. Hij werd journalist, mensenrechtenadvocaat en hoogleraar rechten, en toen hij in 1965 de politiek inging was hij een weldenkende linkse intellectueel en een overtuigde Canadese federalist. Bij zijn aantreden als premier in 1968 had hij zich ontwikkeld tot een scherpzinnige, pragmatische politicus die ‘Verstand boven gevoel’ als motto voerde.

Om ervoor te zorgen dat Canada de juiste inwoners zou krijgen onderscheidde Ottawa drie soorten vreemdelingen: “met voorkeur”, “zonder voorkeur” en “uitgesloten”

Trudeau had zich ontwikkeld, maar de meesten van zijn landgenoten waren nog niet zover. Het boegbeeld van Frans Canada werd een machtig man, precies op het moment dat de onvrede onder zijn francofone achterban, toen ongeveer een derde van de bevolking, het kookpunt bereikte. De inwoners van Quebec hadden in die tijd redenen te over om zich achtergesteld te voelen. Na de Canadese onafhankelijkheid in 1867 werden zij het slachtoffer van gedwongen assimilatie, van officiële en van alledaagse discriminatie. De elite, die zijn wortels had in Engeland, zag de Franstaligen als een minderwaardig en ondergeschikt volk. Hun situatie was zo beroerd dat er tussen 1840 en 1930 ongeveer een miljoen Franse Canadezen het land ontvluchtten en naar de VS vertrokken.

Toen Trudeau aan de macht kwam, waren de ergste vormen van onderdrukking inmiddels voorbij, maar het gemiddelde inkomen in Quebec lag nog twee derde onder het landelijk gemiddelde en de Franstaligen waren ondervertegenwoordigd in de hogere echelons van het federaal bestuur en van het bedrijfsleven. Dit betekende dat Trudeau bij zijn aantreden in 1968 twee dreigende, onderling verweven problemen het hoofd moest bieden, en dat bracht hem ertoe het immigratiebeleid om te gooien.

Probleem één was hoe hij de woede van zijn achterban in Quebec in goede banen kon leiden en de broze en losse federatie Canada bij elkaar kon houden. Trudeau was pas de derde Franstalige premier en hij zag dit als een persoonlijke uitdaging. Zijn eerste stappen waren echter verre van succesvol.

In 1969 voerde Trudeau de Official Languages Act (OLA) in. Door deze wet werd het Frans voor het eerst in de geschiedenis van Canada een officiële taal, gelijkwaardig aan het Engels, en de overheid werd verplicht om in het hele land te communiceren in beide talen en overal tweetalig onderwijs mogelijk te maken.

Door de OLA verminderden de spanningen niet, integendeel: ze namen juist toe. De wet was uiteraard populair bij de francofonen, maar zeker niet bij de Engelssprekende elite. En er kwam groot verzet van de ándere minderheden in Canada, met name in westelijke provincies. Onder leiding van senator Paul Yuzyk, zoon van immigranten uit Oekraïne, begonnen deze vergeten groepen zichzelf de ‘Derde macht’ te noemen. Het waren voornamelijk Oost-Europeanen, maar ook Italianen, Armeniërs, Portugezen, Grieken en Joden. Toentertijd vormden zij 26 procent van de bevolking en ze waren een belangrijk deel van de achterban van Trudeaus liberale partij. Voor hen was noch Engels noch Frans de moedertaal, en ze wilden beslist niet dat een van beide de dominante taal zou worden. Bij monde van Yuzyk wezen ze de ola en de bedenker van de wet af.

Multicultureel land

Hierdoor zag Trudeau zich genoodzaakt om een bredere strategie te ontwikkelen. In plaats van weer een kleine stap te zetten, besloot hij een waagstuk te proberen: hij ging de Canadese identiteit veranderen. Eén land met twee culturen moest een multicultureel land worden.

Op 8 oktober 1971 besteeg Trudeau het spreekgestoelte in het neogotische parlementsgebouw en stak een speech af als een donderslag: ‘Cultureel pluralisme is de essentie van de Canadese identiteit.’ Hij legde uit dat het beleid van tweetaligheid hieraan weinig bijdroeg. ‘Er kan geen apart cultuurbeleid zijn voor Canadezen van Britse en van Franse komaf, een ander voor de inheemse bevolking en weer een ander voor de overige groepen. Hoewel we twee officiële talen hebben, hebben we geen officiële cultuur en is niet één etnische groep belangrijker dan de andere. Geen enkele burger of groep burgers is iets anders dan Canadees, en iedereen moet gelijk behandeld worden.’

Om dit zeker te stellen stelde de premier een nieuw ministerie van Multiculturalisme in, het eerste ter wereld, en de Canadese adviesraad voor Multiculturalisme. In de periode dat hij aan de macht was verhoogde Trudeau het budget van deze instellingen van 3 miljoen dollar tot 23 miljoen in 1984. In 1978 stelde hij een commissie voor mensenrechten in, die moest zorgen voor antidiscriminatiecampagnes van de federale overheid in het onderwijs en klachten over ongelijke behandeling in het bedrijfsleven moest onderzoeken.

Trudeaus motieven waren voor een deel idealistisch van aard, zoals hij graag onderstreepte voor het publiek. ‘Als Canada blijft bestaan, kan het alleen voortbestaan door wederzijds respect, liefde en begrip voor elkaar,’ zei hij later. Conservatieven dreven de spot met zijn poging om het Canadese etnische zelfbeeld om te vormen; het was een feelgoodactie die zou blijven steken in overheidssubsidies voor ‘volksdansen, festivals en zangfeesten’. Dit was niet helemaal juist; de overheid verhoogde inderdaad de uitgaven voor cultureel erfgoed, maar bevorderde ook de integratie door de media van de verschillende bevolkingsgroepen en andere initiatieven te financieren. In Quebec echter vreesde men dat het multiculturalisme ertoe zou leiden dat, in de woorden van Jeffrey Reitz, socioloog aan de Universiteit van Toronto, ‘de Franse cultuur slechts een van de vele zou zijn’.

Bovendien kreeg de multiculturele samenleving al snel een slechte reputatie in andere landen, en die is de laatste jaren voortdurend toegenomen. De laatste jaren hebben politici als de Britse premier David Cameron en de Duitse bondskanselier Angela Merkel het multiculturele beleid doodverklaard. Ook in 1971 leidde Trudeaus nieuwe beleid al tot bezorgdheid; de Toronto Star schreef dat het immigranten aanspoorde om Canada te zien als een onsamenhangende ‘keten van etnische enclaves’.


Trudeau had hierop geanticipeerd, hij had erover nagedacht hoe hij zijn nieuwe plannen vorm kon geven en hoe hij ze kon verkopen. John English, de toonaangevende biograaf van de premier, vertelde me dat Trudeau besefte dat er ‘etnische getto’s’ konden ontstaan en daar voerde hij van meet af aan strijd tegen. In de speech waarin hij het beleid van steun voor alle culturen aankondigde, ‘niet minder voor de kleine en zwakke groepen dan voor de sterke en goed georganiseerde’, noemde hij ook de voorwaarde voor deze steun: deze groepen moesten eerst laten zien dat ‘ze zich inspanden en graag een bijdrage aan Canada wilden leveren’. De onderliggende boodschap was helder: het hoofddoel was integratie. De vernieuwing was dat volgens Trudeau integratie en behoud van de eigen cultuur elkaar niet uitsloten.

Trudeaus nieuwe koers leek utopisch, maar hij was vooral pragmatisch. Hij zei het niet in zijn grote toespraak en ook in volgende redevoeringen vermeed hij het onderwerp, maar zijn grootste prioriteit bij het instellen van het multiculturalisme was puur praktisch van aard: hij wilde zijn pas ingestelde politiek van tweetaligheid behouden, die hij had ingevoerd om de dreiging van een afscheiding door Quebec af te remmen en om Canada bij elkaar te houden.

De federatie bijeenhouden was maar een deel van het verhaal. Zoals gezegd had Trudeau twéé grote problemen bij zijn aantreden. De culturele kloof was één probleem. Het tweede was zeker zo dringend: dat was de vraag hoe men de vloedgolf van immigranten die op dat moment het land binnenstroomde het beste kon assimileren. Dit tweede probleem was des te urgenter omdat, voor het eerst in de Canadese geschiedenis, een groot deel van deze nieuwkomers niet blank was.

Om deze grote, plotselinge verandering te begrijpen, moet je weten dat Canada in de jaren vijftig en zestig een merkwaardig land was, ‘een land opgebouwd tegen ieder gevoel voor geografie, geschiedenis, cultuur of gezond verstand in’, zoals Trudeau het ooit verwoordde.
Aan de ene kant was het gigantisch groot, in omvang is het het op twee na grootste land van de wereld. Aan de andere kant was het zeer dunbevolkt: in 1960 woonden er minder dan achttien miljoen mensen, een tiende van wat toen de bevolking van de VS was. Jarenlang leidde dit gegeven tot grote bezorgdheid in de hoofdstad. Er waren twee redenen voor dit gevoel van urgentie. Ten eerste maakte de dunbevolktheid het moeilijk voor de federale overheid om het uitgestrekte gebied te controleren. Dat kwam vooral doordat het gros van de inwoners toen, net als nu, woont aan de smalle strook land aan de vierduizend mijl lange grens met de VS. Ten tweede maakte de Canadese economie een groeispurt door – tussen 1939 en 1962 schoot het bnp omhoog van 5,7 miljard dollar naar 36 miljard – en als er niet meer arbeidskrachten bij kwamen dreigde afvlakking en achteruitgang.

Door de gelijktijdige groei in de VS was het voor Canada lastig om mensen te werven. Daarom had Ottawa een dringende behoefte aan meer Canadezen. De vraag was hoe ze die konden werven.

Deze vraag was jarenlang niet gesteld. Vanaf de oprichting van de confederatie in 1867 hield de Canadese overheid er een expliciet discriminatoire immigratiepolitiek op na. (Om eerlijk te zijn deden de meeste landen dat toen.) Om ervoor te zorgen dat Canada de juiste inwoners zou krijgen onderscheidde Ottawa drie soorten vreemdelingen: ‘met voorkeur’, ‘zonder voorkeur’ en ‘uitgesloten’. De eerste groep was afkomstig uit Engeland of Noord-Europa en werd actief benaderd. De tweede groep bestond uit Zuid- of Oost-Europeanen en werd schoorvoetend toegelaten in tijden van een nijpend gebrek aan arbeidskrachten. De derde groep bestond uit de rest van de wereld en zoals de naam zegt moest ze worden geweerd.

De Tweede Wereldoorlog, de Holocaust, de dekolonisatie en Canada’s enthousiaste deelname aan de beginnende beweging voor de mensenrechten maakten het vreemd om door te gaan met zulke openlijke discriminatie. Daarnaast begon in de jaren zestig de bron van immigranten die Canada het liefste had op te drogen, omdat Europa zich herstelde van de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. Vooral vaklui waren steeds moeilijker te vinden.

De multiculturele samenleving bleek voor de Canadezen, die zich altijd een beetje onzeker voelden over de Canadese identiteit, een mooie manier om zich te onderscheiden van hun grote zuiderbuur

Dus moest Ottawa zijn koers verleggen – dit keer meer uit noodzaak dan uit principe. Canada was in 1962 het eerste land dat etniciteit als selectieprincipe afschafte. In plaats daarvan werden de aanvragers beoordeeld op opleidings-, beroeps- en technische kwalificaties, een beleidswijziging die later de succesfactor zou worden van de Canadese immigratiepolitiek. Minister van Immigratie Ellen Fairclough legde uit dat met de nieuwe regels ‘iedereen met geschikte kwalificaties uit ieder deel van de wereld’ voortaan in aanmerking kwam voor toelating en dat de regering uitsluitend zou kijken naar ‘persoonlijke verdienste, zonder aanzien van ras, kleur of land van herkomst’.

Vijf jaar later schrapte het liberale kabinet van premier Lester Pears alle resterende etnische criteria uit het immigratiesysteem. Pearson introduceerde een vernieuwend beleid, dat in grote lijnen nog steeds bestaat. Vanaf dat moment werden alle aanvragers, ongeacht geboorteland of ras, beoordeeld volgens een puntensysteem met negen criteria, zoals opleiding, leeftijd, beheersing van het Engels of het Frans, en de vraag of hun vaardigheden aansloten bij de behoeften van de Canadese economie. Wie genoeg punten scoorde kwam erin. Dat was het enige dat telde.

Dit beleid leidde meteen tot grote veranderingen. Tussen 1946 en 1953 was 96 procent van de immigranten in Canada afkomstig uit Europa. Dat aantal daalde tussen 1968 en 1988 naar 38 procent. In 1977 bestond meer dan de helft van de jaarlijks toegelaten immigranten uit Aziaten, mensen uit het Caribisch gebied, Latijns-Amerika en Afrika, die tot 1962 werden buitengesloten.

Zoals te verwachten viel riep deze verandering groot verzet op, met name in Quebec. Het politieke establishment had zich uit noodzaak bekeerd tot het idee van kleurenblinde immigratie, maar de meeste Canadezen niet. Aan de vooravond van Trudeaus premierschap bleek uit een enquête dat meer dan de helft van de Canadezen tegen het kleurenblinde immigratiesysteem was.

Dit was dus het tweede probleem dat Trudeau erfde van zijn voorgangers. Volgens zijn biograaf was dit een andere belangrijke reden om in 1971 de nieuwe multiculturele politiek te lanceren.

Trudeaus nadruk op pluralisme en de overgang naar een systeem van immigratie dat kleurenblind was en gericht op economisch voordeel, begon de manier waarop gewone Canadezen hierover dachten te veranderen. Het bleek al snel dat de twee beleidslijnen elkaar versterkten. De selectie van immigranten op basis van hun mogelijke economische bijdrage in plaats van hun uiterlijk of de vraag of ze al familie hadden in Canada, wierp zo veel financiële vruchten af dat de nog twijfelende Canadezen ervan overtuigd raakten dat iedereen profiteerde van de opendeurpolitiek, en vooral zijzelf. De riante overheidssteun voor multicultureel beleid en integratie van nieuwkomers heeft de autochtone Canadezen langzamerhand doen inzien dat de verbreding van de etnische diversiteit hun land juist méér Canadees maakt, en niet minder.

De kabinetten na Trudeau hebben zijn beleid op beide fronten aangepast, maar meestal om de positieve impact te versterken. De laatste jaren heeft Ottawa bijvoorbeeld meer nadruk gelegd op opleiding en is het vestigingsbeleid voor ondernemers die nieuwe banen creëren makkelijker gemaakt. In 2013 werd een start-upvisaprogramma ontwikkeld dat entrepreneurs moet aantrekken door hun een onmiddellijke verblijfsvergunning te geven als ze durfkapitaal van Canadese investeerders kunnen krijgen. Ook nam de overheidssteun voor multicultureel beleid voortdurend toe. In 1982 zorgde Trudeau ervoor dat het Handvest voor Vrijheid en Recht werd aangenomen: een progressieve wet met een grote draagwijdte, die discriminatie formeel verbiedt, gelijke kansen op de arbeidsmarkt verplicht maakt en rechters instrueert om rekening te houden met multiculturele achtergronden bij de interpretatie van nationale wetgeving. De overheid gaf steeds meer geld uit aan de bevordering van pluralisme en besteedt tegenwoordig meer dan één miljard per jaar aan een breed scala van daarbij behorende programma’s. Deze lopen uiteen van pro-migratiedocumentaires op tv en leermiddelen voor het basis- en voortgezet onderwijs tot gemeentelijke integratieprogramma’s.

Alles bij elkaar genomen bieden deze maatregelen een verklaring voor wat wetenschappers ‘de Canadese uitzondering’ noemen: het feit dat men in Canada de protesten tegen immigratie heeft kunnen voorkomen die in vrijwel alle geïndustrialiseerde landen zijn losgebarsten. Ze verklaren waarom de Index voor Integratiebeleid (een mondiaal vergelijkend onderzoek) Canada’s immigratiesysteem bij de beste van de wereld indeelt en waarom de Canadezen zelf het waarschijnlijk nog hoger inschatten. Het is geen toeval dat tegelijk met de gestage groei van de immigratie van de laatste twintig jaar ook de steun van de Canadezen voor het ruime immigratiebeleid is toegenomen.

De economische toelatingscriteria – 65 procent van de nieuwkomers in 2015 kwam via deze weg – zijn verantwoordelijk voor een van de succesvolste immigrantenpopulaties ter wereld. De buiten Canada geboren inwoners zijn hoger opgeleid dan die in enig ander land: de helft van de nieuwe Canadezen arriveert met een universitaire opleiding, tegen 27 procent in de VS, en tweedegeneratie-Canadezen gaan vaker naar de universiteit dan hun autochtone leeftijdgenoten. Immigranten vormen 21 procent van de bevolking, maar ze leveren 35 procent van de universitaire docenten. Canadese immigranten werken hard en maken weinig gebruik van uitkeringen, de economische immigranten maken hier zelfs minder gebruik van dan autochtone Canadezen. Het aantal werkenden onder hen is het hoogste in de OESO-landen en zonder hen zou de Canadese beroepsbevolking krimpen en vergrijzen. Niet vreemd dus dat 70 procent van de Canadezen vindt dat immigratie van belang is voor de economie. Zelfs de meeste Canadese werklozen denken er zo over.

De Canadese premier Justin Trudeau en zijn vrouw met Syrische vluchtelingen in Vancouver. – © Jonathan Hayward / Reuters
De Canadese premier Justin Trudeau en zijn vrouw met Syrische vluchtelingen in Vancouver. – © Jonathan Hayward / Reuters

Dankzij de multiculturele samenleving zien Canadezen immigratie als een belangrijke manier om hun nationale identiteit te versterken. Na Trudeaus lancering van het beleid is dit gevoel gestaag gegroeid. Bij een enquête uit 1985, waarin Canadezen werd gevraagd wat hen trots maakte op hun land, eindigde de multiculturele samenleving op de tiende plaats. In 2006 stond ze op de tweede plaats. Uit peilingen blijkt dat tegenwoordig 85 procent van de Canadezen de multiculturele samenleving beschouwt als enigszins tot zeer belangrijk voor de nationale identiteit. Dat verklaart waarom de meest patriottische Canadezen ook het meest voor immigratie zijn – anders dan Amerikanen, waar het precies andersom is. Dit betekent niet dat Canadezen vinden dat immigranten zich niet hoeven aan te passen. Het is meer zo dat, zoals Reitz stelt, het beleid van Trudeau heeft geleid tot een ‘open en tolerante’ visie – en tot meer geduld – op hoe integratie moet plaatsvinden en wat integratie inhoudt.

De multiculturele samenleving bleek voor de Canadezen, die zich altijd een beetje onzeker voelden over de Canadese identiteit, een mooie manier om zich te onderscheiden van hun grote zuiderbuur. Volgens Reitz maakt pluralisme deel uit van typisch Canadees politiek beleid, zoals toegankelijke gezondheidszorg, strenge controle op vuurwapens, en rechten voor homoseksuelen, die Canadezen trots maakt op wat ze zijn en op wat ze niet zijn.

Wetenschappers denken dat ook andere factoren hebben bijgedragen aan de bijzondere openheid van Canada. Een van die factoren is dat Canada, anders dan de Verenigde Staten, Duitsland, Japan en andere geïndustrialiseerde landen, geen regelingen had voor gastarbeid. Uit overheidsstatistieken blijkt dat Canada de grootste mate van naturalisatie kent: 85 procent van de mensen die er permanent verblijven wordt Canadees burger. Dat is een belangrijk gegeven, omdat burgers meer dan gasten geneigd zijn om in hun nieuwe thuisland te investeren en ook meer worden uitgenodigd om dat te doen.

Nog belangrijker is dat Canada geen illegale immigratie kent. Dankzij zijn geïsoleerde ligging met oceanen aan beide zijden, een ijsvlakte in het noorden en de grens met de Verenigde Staten in het zuiden, bestaat illegale immigratie, in de woorden van een wetenschapper, ‘slechts uit een kabbeling aan de Canadese kust en niet uit grote golven’. Dit verklaart zeker een deel van de opvallende openheid van de Canadezen, maar niet alles. Het Verenigd Koninkrijk ligt ook geïsoleerd en heeft ongeveer hetzelfde aantal illegale immigranten als Canada, maar de Britten staan veel vijandiger tegenover immigratie.

Stephen Harper

De laatste jaren kreeg dit verhaal een staartje, dat ik vermeld omdat het mijn argumentatie ondersteunt (het lijkt erop dat Canada bij zijn pragmatische aanpak blijft) en omdat het benadrukt waarom Canada een goed voorbeeld is voor landen die met hun immigratiebeleid worstelen.

In 2006 werd de conservatief Stephen Harper gekozen tot premier. Hij was veel rechtser dan zijn conservatieve voorgangers en qua stijl veel meer een Amerikaanse republikein dan een ouderwetse Canadese tory. Harper was hard en arrogant. Hij was bekend geworden door de Reform-partij, een populistische protestbeweging uit het olierijke, linkse westen van Canada, die sceptisch stond tegenover immigratie en de multiculturele samenleving. Het partijprogramma van 1988 verklaarde dat immigratie niet ‘ingezet moet worden voor een plotselinge en radicale verandering van de etnische samenstelling van Canada, zoals dat steeds meer het geval lijkt te zijn’, en een herziene versie uit 1991 riep op tot verzet tegen ‘het huidige concept van de import-Canadees’ en wilde het ministerie van Multiculturalisme opheffen.

Bij Harpers ambtsaanvaarding in 2006 vreesden veel Canadezen dat hij dit soort gevoelens in beleid ging omzetten, maar deze veronderstellingen werden niet bewaarheid. Harper paste het systeem hier en daar iets aan, maar hij zorgde er over het algemeen voor dat de structuur niet werd aangetast. In 2015 werd hij terecht bekritiseerd dat hij steun uit de nationalistische hoek probeerde te krijgen door een verbod voor moslima’s om een nikab te dragen bij de burgerschapsceremonie (dat onmiddellijk werd afgewezen door de rechter), maar zijn kabinet nam ook veel verrassend progressieve maatregelen op het gebied van immigratie en multiculturalisme, zoals het verlagen van de prijs voor visa, het instellen van herdenkingen van de Armeense en Oekraïense genocides en van een ‘programma voor de historische erkenning van gemeenschappen’ met een budget van 13,5 miljoen dollar dat de geschiedenis van etnische Canadezen moest vastleggen. Harper maakte zelfs excuses en stelde compensatie in voor de slachtoffers van de beruchte ‘hoofdelijke belasting’ die de Canadese regering tussen 1885 en 1923 had ingesteld om immigratie uit China tegen te gaan.

Rekening houdend met Harpers stijl en achtergrond is er alle reden om aan te nemen dat dit meer calculerend gedrag was dan dat hij opeens het licht had gezien. Een paar jaar voor hij werd gekozen had Jason Kenney, een jonge conservatieve activist die onder Harper minister van Immigratie en Multiculturalisme werd, hem er in stilte van overtuigd dat hij populairder moest worden onder de immigranten, wilde hij ooit een meerderheid behalen. Volgens Kenney was dat niet moeilijk, aangezien zij doorgaans uit traditionele culturen komen, wat hen tot de natuurlijke achterban van een conservatieve partij maakt. Harper nam het advies ter harte en tussen 2006 en 2011 bezocht Kenney, met de zegen van Harper, een eindeloze reeks moskeeën, sikhtempels en centra voor immigranten, waar hij de menigte in het Punjabi of Mandarijn begroette.

Zoals Trudeau veertig jaar eerder had laten zien is het goede doen niet minder goed als het ingegeven wordt door noodzaak

Dit betaalde zich royaal terug. In de verkiezingscampagne van 2011 zetten de conservatieven meer kandidaten uit minderheden in dan de liberale of zelfs de uiterst linkse Nieuwe Democratische Partij. Ze plaatsten advertenties in een veelheid van vreemde talen. Toen de stemmen werden geteld, hadden de conservatieven voor het eerst meer kiezers onder nieuwe Canadezen dan de oude partij van Trudeau, een historische verschuiving.

Was hun campagnestrategie een cynische truc? Misschien wel, maar dat doet er niet toe. Want zelfs als het cynisme was, dan nog hielden Harper en Kenney zich aan wat een Canadese traditie is geworden: het omarmen van doelmatig en vooruitstrevend beleid vanuit puur zakelijke motieven. Zoals Trudeau veertig jaar eerder had laten zien is het goede doen niet minder goed als het ingegeven wordt door noodzaak. Het gaat om het resultaat. En de Canadese resultaten zijn spectaculair: een klein, gesloten, etnisch homogeen land is veranderd in een levendig mondiaal power house en in een van de meest open en succesvolle multiculturele landen ter wereld. Dat is een topprestatie waar politici uit alle landen, en vooral uit de Verenigde Staten, veel van zouden kunnen leren.

Auteur: Jonathan Tepperman
Vertaling: Mieke de Vos en Albert Witteveen

Jonathan Tepperman is sinds 2011 hoofdredacteur van Foreign Affairs, waar hij in 1998 begon als junior redacteur. In de tussentijd werkte hij bij Newsweek, waar hij leiding gaf aan de correspondenten in het Midden-Oosten, Azië en Latijns-Amerika.

Dit is een voorpublicatie uit het boek De oplossing (The Fix) van Jonathan Tepperman dat op 20 oktober verschijnt bij Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum.

Beeld bovenaan: Spanning in Vancouver tijdens een wedstrijd van het nationale ijshockeyteam. – © Chris Helgren / Reuters

In zijn boek De oplossing geeft Jonathan Tepperman oplossingen voor de tien grootste problemen waarmee overheden wereldwijd worden geconfronteerd.

Tepperman neemt de lezer mee naar Mexico om aan te tonen dat politieke patstellingen te doorbreken zijn. Hij reist naar Botswana om te laten zien hoe verantwoorde grondstoffenpolitiek mogelijk is. Hij toont hoe Singapore de corruptie bestrijdt. En Indonesië is volgens hem een gidsland als het gaat om het tegengaan van extremisme.

Dit artikel werd samengesteld door Jonathan Tepperman.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.