• Nature
  • Reader
  • We zijn meer dan ons DNA

We zijn meer dan ons DNA

Nature | Londen | Nathaniel Comfort | 27 november 2019

Door ontwikkelingen in de natuurwetenschappen is ons denken over identiteit herhaaldelijk veranderd, schrijft Nature-redacteur Nathaniel Comfort. Wie wij zijn wordt niet slechts bepaald door onze DNA-code, maar is een samenspel van verschillende invloeden, waaronder de bacteriën en schimmels in ons lichaam.

De gedachte dat een samenleving gebaseerd moet zijn op rationaliteit, feiten en universele waarheden is in de moderne tijd een leidend principe geworden. Wat in veel opzichten geweldig is. (Ik heb de laatste tijd genoeg feitenvrije politiek gezien voor een heel mensenleven.) Maar de waarden van de Verlichting hebben in de loop der tijd ruimte geboden aan de meest tegenstrijdige opvattingen: dat alle mensen gelijk zijn, dat de adel moet worden onthoofd, dat je mensen kunt verhandelen als vee. Ik zou willen stellen dat de zwartste bladzijden in deze geschiedenis een gevolg zijn van sciëntisme: het geloof dat de natuurwetenschappen de enige juiste bron zijn van kennis over de wereld en oplossingen voor maatschappelijke problemen. Waar de wetenschap ons zelfbewustzijn vaak verruimd en bevrijd heeft, heeft het sciëntisme het juist ingeperkt.

In de afgelopen honderdvijftig jaar heeft zowel de wetenschap als het sciëntisme op verschillende manieren gestalte gegeven aan de menselijke identiteit. De ontwikkelingspsychologie richtte zich vooral op het intellect, waarbij het IQ (het intelligentiequotiënt) stilaan veranderde van onderwijshulpmiddel in maatschappelijk machtsmiddel. In de immunologie werd identiteit vooral gedefinieerd als het verschil tussen eigen en niet eigen (lichaamsvreemd).

De informatietheorie werd een bron van nieuwe metaforen voor onze identiteit als tekst of bedradingsschema. Recent onderzoek naar de moleculaire structuur van cellen heeft de grenzen van het ik verder doen vervagen. De voortplantingsgeneeskunde, genetische modificatie en de synthetische biologie hebben de menselijke natuur kneedbaarder gemaakt. De epigenetica en de microbiologie compliceren ons beeld van individualiteit en autonomie. En de biotechnologie en informatietechnologie bieden doorkijkjes naar een wereld waarin het ik wordt verspreid, verbrokkeld, geatomiseerd.

Onze in de biologie gewortelde individuele identiteit speelt misschien een grotere rol in het maatschappelijk leven dan ooit tevoren, maar de grenzen en parameters van die identiteit worden steeds vager.

‘In het hele onderwijs moeten methoden van wetenschappelijke precisie worden ingevoerd, om overal het licht van de rede te verspreiden,’ schreef de Franse psycholoog Alfred Binet in 1907. Zo’n tien jaar eerder hadden hij en Théodore Simon een reeks intelligentietests ontwikkeld om de ‘mentale leeftijd’ van Franse schoolkinderen te bepalen. Als de mentale leeftijd van een leerling lager was dan haar chronologische leeftijd, kon ze bijles krijgen om die achterstand in te halen. De Duitse psycholoog William Stern bedacht de naam IQ voor die verhouding tussen de mentale en chronologische leeftijd, en meende dat die een onafhankelijke maatstaf kon zijn voor het vergelijken van verschillende groepen kinderen.

Charles Spearman, een Britse statisticus en eugeneticus uit de school van Francis Galton, vond een verband tussen de scores die kinderen haalden op verschillende soorten intelligentietests. Die correlatie verklaarde hij met de hypothese dat hier sprake was van een onderliggende aangeboren algemene intelligentie (door hem de g-factor gedoopt, van general intelligence). Vervolgens beweerde de Amerikaanse psycholoog Henry Goddard, die sterk was beïnvloed door de eugeneticus Charles Davenport, dat een laag IQ simpelweg een Mendeliaanse erfelijke eigenschap is.

Obsessie voor eugenetici

En zo werd het IQ door sciëntisten stapje voor stapje omgetoverd van een graadmeter voor geleverde prestaties tot een methode om de toekomstige prestaties van een kind te voorspellen. Het IQ was geen maatstaf meer voor wat je doet, maar voor wie je bent – een cijfer dat jouw inherente waarde als persoon uitdrukt. Een lage intelligentie werd in de eerste twee decennia van de vorige eeuw een ware obsessie voor eugenetici: zij zagen er de wortel in van alle misdaad, armoede, zedeloosheid en ziekte in de maatschappij. Toen Hitler de eugenetica uitbreidde om af te rekenen met hele bevolkingsgroepen, hadden eugenetici wereldwijd al tienduizenden mensen uit de genenpool gehaald door ze te steriliseren of in een instelling op te sluiten.

Immunologen keken er anders tegen aan. Voor hen was het lichaam de zetel van onze identiteit, die ze niet in absolute maar in relatieve termen definieerden: eigen en niet-eigen. Allergieën, auto-immuunreacties en de afstoting van getransplanteerd weefsel kun je beschrijven als een oorlog, maar ook als een identiteitscrisis. Dat is nogal filosofisch terrein. De historicus Warwick Anderson schrijft dan ook dat biologie en filosofie in de immunologie ‘wellustig in elkaar lagen verstrengeld in de tropische hitte, onder de palmbomen’.

De Plato van de immunologie was de Australiër Frank Macfarlane Burnet. Dat hij de immunologie beschreef als een wetenschap over de grenzen van het individu was een directe reactie op wat hij bij de filosoof Alfred North Whitehead had gelezen. Op hun beurt hebben veel sociologen en filosofen, van Jacques Derrida tot Bruno Latour en Donna Haraway, metaforen en begrippen aan de immunologie ontleend om hun ideeën over het individu in de samenleving te verhelderen. Ik bedoel dus maar dat het wetenschappelijk denken en het filosofisch denken diep met elkaar verweven zijn en zich in voortdurende wisselwerking met elkaar ontwikkelen. Als je ze los van elkaar ziet, kun je ze niet volledig doorgronden.

Het IQ werd zo een maatstaf voor wie je bent – een cijfer dat jouw inherente waarde als persoon uitdrukt

Later greep Burnet naar nieuwe beeldspraak, ontleend aan de cybernetica en de informatica. ‘Het is geheel in de geest van onze tijd,’ schreef hij in 1954, om te denken dat er spoedig sprake zou zijn van ‘een “communicatietheorie” van het levende organisme’. En zo geschiedde. In diezelfde tijd raakten ook moleculair biologen verliefd op de informatiebeeldspraak. Toen de genetica zich na de ontdekking van de dubbele helix in 1953 ging richten op het ontrafelen van de genetische code, bleek de vergelijking met informatie, tekst en communicatie onweerstaanbaar.

Genetici ontleenden daar dan ook volop woorden aan, zoals ‘transcriptie’, ‘vertaling’, ‘boodschappers’, ‘overdracht’ en ‘signaal’. Het genoom is ‘geschreven’ in een ‘alfabet’ van vier letters en wordt bijna altijd besproken alsof het een tekst is: een boek, een handleiding of een inventaris. Het is geen toeval dat de opkomst van dit vakgebied gelijk opging met die van de informatica en de computerindustrie.

Zo werd het naoorlogse individu een boodschap in geheimschrift die gedecodeerd moest worden. DNA-sequenties konden gedigitaliseerd worden. De boodschappen daarvan konden – althans in theorie – worden onderschept, gedecodeerd en geprogrammeerd. Al snel werd het moeilijk om de menselijke identiteit niet als een kwestie van informatie te beschouwen. DNA stond vanaf de jaren zestig bekend als ‘het geheim van het leven’.

Genetische manipulatie

Eind jaren zestig en zeventig groeide de zorg onder critici (onder wie ook wetenschappers) dat de nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen zouden veranderen wat het betekent om mens te zijn. De ethische en maatschappelijke vragen die dat opriep, waren ‘veel te belangrijk om alleen aan de wetenschappelijke en medische gemeenschap over te laten’, schreef James Watson (de befaamde en later ook beruchte DNA-wetenschapper) in 1971. In 1978 pasten Patrick Steptoe en Robert Edwards voor het eerst met succes ivf toe, resulterend in de geboorte van Louise Brown, de eerste ‘reageerbuisbaby’. In 1996 leken menselijke klonen binnen handbereik, toen Ian Wilmut met zijn team het schaap Dolly kloonde. Kloontechnieken en genetische manipulatie maakten veel vragen los, maar bieden tot nu toe weinig antwoorden.

Er blijft een griezelige fascinatie uitgaan van de gedachte aan een kunstmatig gefabriceerde mens die misschien net niet helemaal mens is. Zou een gekloond mens dezelfde rechten krijgen als een natuurlijk geboren mens? Als een kind verwekt of ontworpen is om als weefseldonor te dienen, is die baby dan niet ontmenselijkt? Hebben wij het recht om de genen van een ongeboren vrucht aan te passen? Of is dat zelfs onze plicht, zoals sommige provocateurs poneren? De recente ontwikkeling van krachtige genbewerkingsinstrumenten als CRISPR verhoogt de noodzaak van een bredere discussie over zulke kwesties.

Argumenten voor en tegen de genetische manipulatie van mensen leunen vaak op een al te deterministisch begrip van genetische identiteit. Het mes van het sciëntisme snijdt aan twee kanten. Met een ver doorgevoerd reductionisme werd de menselijke identiteit vroeger in de celkern gesitueerd. De Engelse arts Archibald Garrod schreef in 1902 al over een genetisch bepaalde ‘chemische individualiteit’.

Toen de wetenschap in de jaren negentig de eerste stortvloed aan genoomdata over zich heen kreeg, werd wel duidelijk dat de genetische variatie bij mensen veel groter was dan men ooit had beseft. Garrod werd de mascotte van het genoomtijdperk.

Illustratie uit  The evolution of man: a popular exposition of the principal points of human ontogeny and phylogeny (1896) van Ernst Haeckel. – © Wikipedia
Illustratie uit The evolution of man: a popular exposition of the principal points of human ontogeny and phylogeny (1896) van Ernst Haeckel. – © Wikipedia

Tegen het eind van de vorige eeuw predikten visionaire geesten de komst van een ‘gepersonaliseerde geneeskunde’ op basis van je genoom. Weg met de confectiegeneeskunde was de leus. De hele diagnostiek en behandeling zouden worden toegespitst op jou persoonlijk, dat wil zeggen op je DNA. Sinds de voltooiing van het Human Genome Project is het uitlezen van DNA spectaculair veel goedkoper geworden, zodat ‘je genoom laten lezen’ nu een alledaags begrip is. Sommige geavanceerde universiteiten bieden eerstejaarsstudenten hun genoomprofiel aan. Hippe bedrijven beweren op basis van je genoom speciaal op jou toegesneden wijnen, voedingssupplementen, huidcrèmes, smoothies of lippenbalsem te kunnen leveren. Je DNA is je identiteit geworden. Zoals de tekst op de DNA-testkit van het bedrijf 23andMe luidt: ‘Welkom bij jezelf.’

Maar jij bent niet helemaal jezelf – verre van. Het idee van DNA als blauwdruk is achterhaald, is al bijna antiek. Om te beginnen hebben niet alle cellen in een lichaam dezelfde chromosomen. Cisgender-vrouwen zijn een mozaïek: door de willekeurige uitschakeling van een van de twee X-chromosomen in elke cel is in de ene (willekeurige) helft van haar cellen het X-chromosoom van haar moeder actief en in de andere helft dat van haar vader. Moeders zijn ook chimeren [organismen met cellen uit twee verschillende embryo’s], omdat ze via de placenta cellen uitwisselen met de foetus. Chimerisme kan ook optreden tussen verschillende soorten. In het laboratorium zijn embryo’s gemaakt met cellen van mensen en chimpansees. En er wordt hard gezocht naar manieren om menselijke organen in varkens te kweken. Genen, eiwitten en micro-organismen
stromen continu door alle verschillende levensvormen die naast elkaar op aarde bestaan. Zoals John Lennon zong: I am he as you are he as you are me and we are all together.

En zelfs in strikt wetenschappelijke termen ben ‘jij’ meer dan de optelsom van je chromosomen. Het menselijk lichaam bevat minstens evenveel niet-menselijke als menselijke cellen – vooral bacteriën, archaea [eencellige micro-organismen] en schimmels. Er krioelen tienduizenden microbiële soorten in ons lichaam rond, die van groot belang zijn voor onze spijsvertering, onze teint, onze weerstand, ons gezichtsvermogen en onze stemming. Zonder die organismen voel je je niet jezelf – sterker nog: ben je niet echt jezelf. Onze biologische identiteit wordt inmiddels beschouwd als een cluster van gemeenschappen die allemaal op elkaar inwerken. En ook die laten hun lusten de vrije loop onder de palmbomen. Aan de hand van iemands microbioom kunnen wetenschappers met 86 procent zekerheid vaststellen wie zijn of haar seksuele partner is. Bij samenwonende partners bleek het microbioom vooral op de voeten sterk overeen te komen. Het microbioom op de dijen hangt weer nauwer samen met je sekse dan met de identiteit van je partner.

‘Postmenselijke’ toekomst

Een lichaamsdeel, een beerput, een treincoupé, een klaslokaal: elke plek met een karakteristieke populatie kun je beschouwen als een plek met een genetische identiteit. In zo’n gemeenschap stroomt de genetische informatie in en tussen de individuele organismen, door middel van seks, consumptie, infecties en horizontale genoverdracht. Het afgelopen jaar is uit onderzoek gebleken dat de gemeenschappen van symbiotische microben in mosselen mettertijd genetisch geïsoleerd raken, als een diersoort. Bij schimmels kunnen zogenaamde Spok-genen van soort op soort overspringen en een soort versnelde genetische verandering bewerkstelligen om zich aan een snel veranderende omgeving aan te passen. Zoals de geneticus Barbara McClintock lang geleden al zei: het genoom is een gevoelig orgaan van de cel.

In de epigenetica worden de grenzen van het ik nog vager. De in het DNA gecodeerde informatie kan op allerlei manieren worden gewijzigd: door stukjes DNA door elkaar te husselen, af te dekken of te verbergen zodat ze niet kunnen worden gelezen, of door de boodschap te veranderen nadat die is gelezen, de informatie anders te vertalen. DNA werd ooit voorgesteld als een heilige schrift die van generatie op generatie zorgvuldig is overgeleverd. Inmiddels zijn er steeds meer aanwijzingen dat het nucleaire genoom eerder een allegaartje is van tips en suggesties, toeristische frasen, losse kreten en wartaal, die je naar behoefte gebruikt en verandert. Het genoom lijkt niet zozeer de zetel van onze identiteit als een gereedschapskist om die identiteit mee vorm te geven. En wie is dan de vormgever?

Met gebruikersinterfaces, hersenimplantaten en andere neurotechnische apparatuur betreedt onze individualiteit het ‘universe of things’. Elon Musks bedrijf Neuralink in San Francisco streeft naar iets wat we kennen van sciencefiction: een directe interface tussen brein en computer. Natuurlijke intelligentie en artificiële intelligentie raken elkaar nu al: het is niet zo vergezocht om te denken dat ze op een dag ooit met elkaar zullen versmelten. En kan het ik niet alleen worden uitgebreid, maar ook verder verspreid?

Het menselijk lichaam bevat minstens evenveel niet-menselijke als menselijke cellen – vooral bacteriën, archaea en schimmels

Philip Ball, schrijver en oud-redacteur bij Nature, liet huidcellen afnemen en daaruit stamcellen isoleren (die in principe tot elk orgaan kunnen uitgroeien), waarmee onderzoekers vervolgens een ‘minibrein’ kweekten: hersenweefsel in een petrischaaltje met elektrische patronen die kenmerkend zijn voor hersenen. Andere sciencefictionideeën, zoals een compleet reageerbuisbrein, of mensenorganen gekweekt in varkens, zijn nog verre toekomstmuziek. Maar er wordt aan gewerkt.

Er schuilt alleen een addertje onder het gras. De meeste van deze rationele ideeën over identiteit zijn, net als de meeste sciencefictionscenario’s voor een ‘postmenselijke’ toekomst, ontwikkeld door universitair geschoolde mannen zonder fysieke handicaps die afkomstig zijn uit de bovenlaag van rijke samenlevingen op het noordelijk halfrond. Hun ideeën zijn niet alleen een afspiegeling van de wetenschappelijke feiten, maar ook van de normen en waarden van figuren die het wetenschappelijk denken al veel te lang domineren: positivistisch, reductionistisch en gespitst op het bedwingen van de natuur. Zij die de sequentieproductiemiddelen bezitten, schrijven het verhaal.

Dat begint te veranderen. We zijn er nog lang niet, maar de toegenomen aandacht voor gelijkheid, inclusie en diversiteit vindt al zijn weerslag in het denken over ziekte, gezondheid en wat het betekent om mens te zijn. De tumorcellen van Henrietta Lacks, die in laboratoria over de hele wereld voor onderzoek worden gebruikt, werden buiten haar medeweten in cultuur gebracht en verspreid, en het is daarbij van belang dat zij een arme Afro-Amerikaanse vrouw was.

Haar verhaal heeft allerlei debatten aangezwengeld over ongelijkheid en vooringenomenheid in de biogeneeskunde en heeft tot veranderingen geleid in het beleid van de grootste financier van biomedisch onderzoek in Amerika, de National Institute of Health. De socioloog Alondra Nelson schrijft over stamboomonderzoek vanuit Afro-Amerikaans perspectief en schetst daarbij verschillende complexe en emotioneel beladen pogingen om de afstamming te achterhalen van mensen wier voorouders slachtoffer waren van de slavenhandel. Wat betreft de inheemse bewoners van Amerika wijst de historicus Kim TallBear erop dat de genetische inheemse identiteit een gezamenlijk product is van de westerse wetenschap en de inheemse cultuur: er kleven grote bezwaren aan een louter op DNA-gebaseerde opvatting over etnische afkomst. Maar de drang om identiteitsbepalende technologieën toegankelijker en democratischer te maken – niet langer een instrument voor sociale dwang maar voor zelfbeschikking – is in de kern emancipatoir.

Bij samenwonende partners bleek het microbioom op de voeten sterk overeen te komen

Dat blijkt nergens duidelijker dan bij invalide mensen die door technologie worden geholpen. Die kunnen dankzij de technologie bepaalde zintuigen voor het eerst of opnieuw gebruiken, kunnen zich misschien op nieuwe manieren uitdrukken en communiceren en nieuwe relaties aangaan met het ‘universe of things’.

Lisa Park is een kunstenares die met deze ideeën speelt. Zij gebruikt biofeedback en medische sensoren om te komen tot wat zij een audiovisuele verbeelding van het ik noemt. Dat kan een schitterende boom van licht zijn die opbloeit als toeschouwers elkaar aanraken. Of schalen met water dat trilt als reactie op de signalen van een EEG. Of een ‘orkest’ van cyborgmuzikanten, mensen die mooie en mysterieuze klanken opwekken middels sensoren die hun hartslag en hersenactiviteit meten, terwijl Park ze als een dirigent aanstuurt met opdrachten: blinddoek afdoen, naar elkaar kijken, knipogen of lachen, elkaar aanraken of zoenen. Maar ook deze artistieke, subjectieve en interactieve vorm van zelfbewustzijn is gebonden aan een door onze biologie begrensde identiteit.

Sinds de Verlichting hebben we de neiging om de identiteit en de waarde van een mens uit te drukken in wetenschappelijke termen, alsof alleen de wetenschap ons kan vertellen wie we zijn. Een vreemde en bekrompen zienswijze. Gezien ons verleden van kolonialisme en slavernij en dreigende gevaren als de pijnstillerepidemie, milieuvervuiling en klimaatverandering is de gedachte niet langer houdbaar dat de westerse wetenschap en technologie de enige betrouwbare bron van kennis over onszelf zijn. Dat wil niet zeggen dat alle menselijk leed de schuld is van de wetenschap – verre van dat. Het probleem is het sciëntisme. Door de mens alleen in biologische termen te definiëren, beneem je het zicht op andere aspecten van identiteit, zoals iemands werk of maatschappelijke rol.

Auteur: Nathaniel Comfort

Nature
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 43.070

Sinds 1869 heeft dit natuurwetenschappelijke tijdschrift een enorm prestige opgebouwd. Nature ontwikkelde zich van een eenvoudige publicatie voor amateurwetenschappers tot een van de meest gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften.

Dit artikel van Nathaniel Comfort verscheen eerder in Nature.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.