• Die Zeit
  • Cultuur
  • Weimar aan de Westkust

Weimar aan de Westkust

Die Zeit | Hamburg | Moritz Aisslinger en Stephan Lebert | 02 september 2020

Componist en muziekcriticus Walter Arlen werd geboren in 1920 in een joodse familie in Oostenrijk en vluchtte in 1939 naar de VS. In Californië ontmoette hij andere bannelingen, zoals Thomas Mann, Arnold Schönberg, Lion Feuchtwanger… Die Zeit sprak met Arlen over zijn monumentale verleden.

Hoe gaat het met u?

‘Het zou een beetje overdreven zijn als een man van mijn leeftijd [Arlen was ten tijde van het interview 99 en is eind juli 100 geworden] zei dat het uitstekend ging. Ik ben tevreden.’

Arlen en zijn tantes Gretl en Rosl voor het warenhuis van de familie, 1928.
Arlen en zijn tantes Gretl en Rosl voor het warenhuis van de familie, 1928.

Een honderdjarig leven: geboren in Wenen, op uw achttiende naar de Verenigde Staten gevlucht, aan de Holocaust ontsnapt. Na de oorlog bent u in de VS gebleven en een succesvol muziekcriticus geworden. U componeerde ook zelf. Wat beschouwt u als uw vaderland, de Verenigde Staten of toch Oostenrijk?

‘Mijn vaderland? Laat ik het zo zeggen: ik zal nooit kunnen vergeten wat ik in Wenen heb gezien, wat ik in Wenen heb meegemaakt.’

Uw familie exploiteerde het Warenhaus Leopold Dichter, een van de grootste warenhuizen van Wenen.

‘Mijn opa is het in 1890 begonnen.’

‘Howard!’ roept Walter Arlen langs het beeldscherm. Omdat we vanwege het inreisverbod niet naar de VS kunnen, bellen we via FaceTime. De mobiele telefoon ligt voor hem, het is de iPhone van Howard Myers, geboren in 1932. Al ruim zestig jaar wijkt hij niet van Walter Arlens zijde. Ze wonen in een huis in Santa Monica, op vijf minuten rijden van de zee. In totaal zullen we vijf gesprekken voeren met Walter Arlen, die elk twee à drie uur duren. ‘Howard, can you bring me the postcard, please?’

Arlen (houdt de ansichtkaart met het warenhuis voor de camera): ‘Dit was onze zaak aan de Brunnenmarkt. Het warenhuis was van acht uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds geopend. 85 werknemers hadden we, en er waren 48 etalages. Stelt u zich dat eens voor! Twee etaleurs richtten de etalages elke week opnieuw in. Voortdurend bleven voorbijgangers staan om onze uitgestalde artikelen te bekijken. We verkochten van alles: parfum, serviesgoed, dameskleding, herenkleding, schoenen, stoffen per meter, speelgoed.’

Walter Arlen verkleed als Franz Schubert in 1928.
Walter Arlen verkleed als Franz Schubert in 1928.

Het waren de jaren twintig, in Wenen woonden grote geesten en kunstenaars als Sigmund Freud, Karl Kraus, Arnold Schönberg, Trude Fleischmann en Joseph Roth.

‘Wenen had destijds tegen de twee miljoen inwoners, van wie er bijna tweehonderdduizend joods waren. Zij drukten een stempel op het intellectuele leven van de stad. Er waren daar zo veel belangrijke joodse schrijvers, schilders, toneelregisseurs. En musici. Musici!’ 

Hoe bent u in de muziek terechtgekomen?

‘Mijn opa had een voor die tijd ultramodern geluidssysteem in het warenhuis laten installeren. In een achterkamertje zat juffrouw Mizzi de hele dag platen te draaien op een platenspeler. Meestal schlagers. Ik mocht graag meezingen.’ (Hij begint te zingen:) ‘Wenn die letzte Blaue fährt…’

U kent het nog?

‘Alleen het begin. De “letzte Blaue”, zo werd de laatste tram genoemd die ’s avonds reed. Op een dag, ik was misschien vier of vijf, plantten werknemers me op een toonbank en spoorden me aan te gaan zingen. Dus dat deed ik. De klanten bleven staan, ze waren helemaal verrukt. Toen mijn opa dat hoorde, stuurde hij me naar de beroemde Schubert-onderzoeker Otto Erich Deutsch. Die kwam tot de conclusie dat ik een absoluut gehoor had.’

Werd u door uw familie gestimuleerd in uw talent?

‘Ik kreeg pianoles, maar de lerares was een ramp. Ze was een oude vrijster en heel streng. Ze gaf me huiswerk en als ik niet genoeg had geoefend, begon ze te schelden. Ik moest dan honderd keer schrijven: ik moet meer oefenen. Soms moest ik ook op mijn knieën op een zak erwten zitten. Het was een slechte start van mijn muzikale carrière.’

De Vulcania in 1948.
De Vulcania in 1948.

Hoe kwam het dat u uiteindelijk bent gaan componeren?

‘In de vijfde kwam Paul Hamburger bij mij in de klas, die later in Londen een gevierd pianist zou worden. Dat heeft mijn leven totaal veranderd. We gingen telkens weer naar de opera, altijd met z’n tweeën, bovenin op de goedkope staanplaatsen, waar je weliswaar niks zag maar alles kon horen. Beneden dirigeerden autoriteiten als Bruno Walter, een geweldige dirigent, die ik later nog persoonlijk heb leren kennen. Elke keer als we uit de opera kwamen, legde Paul de muziek aan me uit. Hij ratelde aan één stuk door. Hij heeft me alles geleerd.’

Was uw familie geïnteresseerd in kunst?

‘Heel erg! Mijn vader, die een heel goede vader is geweest, schilderde bijvoorbeeld. Hij was bij Schiele in de leer geweest. Egon Schiele gaf destijds tekencursussen en mijn vader had zich ingeschreven. Maar in 1918 waarde die griep door Wenen, de Spaanse griep. En toen was het afgelopen met Schiele. Ontelbare anderen vonden ook de dood. Het was afschuwelijk.’

Welke rol speelde het jodendom in uw familie?

‘Iedere vrijdag staken we kaarsen aan, we aten koosjer. Maar we waren niet orthodox.’

Op 22 februari 1938 – drie weken voor de intocht van de nazi’s in Oostenrijk – schreef Sigmund Freud, die in Wenen praktijk hield, aan zijn zoon: ‘Ik denk niet dat Oostenrijk, aan zichzelf overgelaten, tot het nazisme zou vervallen.’ Had u voordat de Duitsers kwamen een vermoeden van de terreur die ook Oostenrijk in zijn greep zou krijgen?

‘Ja, driedubbel ja! In Wenen waren de hakenkruisen tot de intocht van Hitler verboden. Maar de Oostenrijkse nazi’s verstopten die gewoon achter hun revers. In 1937 ging ik met kerst met mijn tante Gretl met de trein naar Tirol om te gaan skiën. Zodra de trein was vertrokken, haalden alle andere passagiers in onze wagon hun hakenkruis voor de dag. De hele trein zat vol met nazi’s. Dat was een uitermate onprettige ervaring. Gelukkig zagen ze niet dat wij joden waren.’

Walter Arlen in New York, 1939.
Walter Arlen in New York, 1939.

Op vrijdag 11 maart 1938 gaf Adolf Hitler het bevel voor de intocht in Oostenrijk. Kunt u zich die dag herinneren?

‘’s Ochtends ben ik nog heel gewoon naar school gegaan. Ik zat vlak voor mijn eindexamen. ’s Avonds zaten we met de familie bij mijn opa te eten. De radio stond aan. Even voor achten was er opeens een toespraak van Kurt Schuschnigg, de bondskanselier. Hij zei dat Hitler hem een ultimatum had gesteld en dat hij moest aftreden als kanselier. Aan het einde nam hij afscheid van het Oostenrijkse volk. Die dag was mijn laatste schooldag en het was de laatste keer dat wij als familie gezamenlijk hebben gegeten.’

Wat is er die nacht gebeurd?

‘Die mevrouw Frank van de lederwarenafdeling had haar nazitrawanten de sleutels van het warenhuis gegeven, die ze eerder had gestolen. Om twee uur ’s nachts werd er plotseling vreselijk hard op onze deur gebonkt. [De familie woonde op de derde verdieping van het warenhuis.] Ik ben opgestaan en heb open-gedaan. Er stonden acht SA’ers. Ze hadden met hun geweerkolven tegen de deur geslagen.

Ze stormden de slaapkamer van mijn ouders in en trokken mijn vader uit bed. Ze doorzochten de kasten, smeten alles op de vloer. Het geld en de sieraden staken ze bij zich, de enorme postzegelverzameling van mijn vader namen ze ook mee. Ik werd mijn kamer in gekwakt en kreeg een aframmeling. Toen ze weggingen, draaiden ze zich nog een keer om en vroegen: “Moeten we die kleine jood ook meenemen?” Mij hebben ze toen achtergelaten, maar mijn vader hebben ze meegenomen. Ik weet niet waarom. Op dat moment stortte mijn hele wereld in.’

De schrijver Carl Zuckmayer schreef later in zijn autobiografie over die eerste dagen van nationaalsocialistisch bewind in Wenen: ‘Wat hier werd ontketend, was de opstand van de jaloezie, de afgunst, de verbittering, de blinde, boosaardige wraakzucht – en alle andere stemmen waren veroordeeld tot zwijgen.’

‘Ik denk dat het ook dat weekend is geweest dat ik door de Josefstädter Straβe ben gelopen. Om de paar meter waren er mensen samengedromd. Voor hen zaten joden op hun knieën. De nazi’s hadden ze gedwongen hun zondagse kleren aan te trekken en lieten ze vervolgens met tandenborstels het trottoir schrobben. Verderop in de straat ontdekte ik mijn tante Gretl, ook op haar knieën en met een tandenborstel in haar hand.’

De families Dichter, Aptowitzer (Walter Arlen nam de achternaam Arlen aan in de VS) en Pritzker op vakantie in Bad Sauerbrunn, eind jaren twintig.
De families Dichter, Aptowitzer (Walter Arlen nam de achternaam Arlen aan in de VS) en Pritzker op vakantie in Bad Sauerbrunn, eind jaren twintig.

Wat gebeurde er met het warenhuis van uw familie?

‘Op maandagochtend stond er een mensenmenigte voor onze zaak. De mensen schreeuwden: “Vuile joden!” Ik was boven in de woning. Toen verscheen er ene Edmund Topolansky, die een particuliere bank in Wenen had. Hij zei: “Ik ben jullie Ariseur.” Weet u wat dat is, een Ariseur?’

Zegt u het maar.

‘Dat was degene die de winkels van de joden onteigende en overnam. Topolansky was een handlanger van Adolf Eichmann, ze spanden met elkaar samen. Deden zaken met elkaar. Topolansky eigende zich ons warenhuis toe. Hij pikte echter niet alleen onze zaak in, maar gooide ons later ook onze woningen uit. We mochten alleen een paar spullen verzamelen en moesten vervolgens vertrekken. We verkasten naar een pension. Ik deelde een kamer met mijn opa, mijn zusje zat met onze moeder in een andere kamer.’

Hoe ging het ondertussen met uw vader?

‘Een week na zijn arrestatie ben ik op bezoek gegaan in de Karajangasse. De gedetineerden zaten als haringen in een ton, er waren geen bedden, de mensen moesten op het kale beton slapen. Het stonk er afschuwelijk. Ik vond mijn vader, hij was ongeschoren. Toen hij me zag, begon hij te huilen.’

Hebt u geprobeerd hem eruit te krijgen?

‘Ja, maar aanvankelijk tevergeefs. Na een paar weken heeft een van mijn tantes veel geld betaald en toen hebben ze hem vrijgelaten. Maar hij bleef niet lang op vrije voeten. Hij werd opgepakt bij een van die razzia’s waarbij de nazi’s willekeurig joden van straat haalden en met vrachtauto’s afvoerden.’

Walter Arlen en zijn grootvader Leopold Dichter in Bad Gastein, 1933.
Walter Arlen en zijn grootvader Leopold Dichter in Bad Gastein, 1933.

Waar brachten ze hem naartoe?

‘Naar Dachau. Maar dat hoorden we pas een maand later, toen we een brief van hem kregen. Na een paar maanden hebben ze hem naar Buchenwald gedeporteerd. Daar moest hij in de steengroeve werken.’

Intussen moest u ook nog uw vlucht plannen.

‘Het was mijn geluk dat de zus van mijn opa aan het einde van de negentiende eeuw naar Chicago was geëmigreerd. Dankzij haar kon ik een affidavit krijgen, een verklaring dat ik familie in de VS had die mij kon onderhouden. Zonder affidavit was het niet mogelijk om de VS binnen te komen.’

Wanneer hebt u Wenen verlaten?

‘Op 14 maart 1939, een jaar nadat Hitler op de Heldenplatz had gesproken, stapte ik ’s middags om vier uur in een D-trein op het Weense Südbahnhof. Op het perron stonden mijn moeder, mijn oma en mijn zus Edith. Ze gingen niet mee omdat ze op mijn vader wilden wachten. Toen de trein vertrok, biggelden de tranen over mijn wangen.’

Wat was uw bestemming?

‘Triëst. Daar ging ik aan boord van de Vulcania. Een paar weken later kwam ik in New York aan. Ik ben toen met de bus verder gereisd naar Chicago, waar mijn familie woonde. Toen ik daar aankwam, schoten woorden mij tekort om mijn teleurstelling uit te drukken. In de stad stonden overal metalen skeletten van half voltooide wolkenkrabbers. Ik kon alleen maar denken: vanuit het mooie Wenen ben je hiernaartoe gekomen. Dat is dus emigreren.’

Arlen met v.l.n.r. zijn oom Salomon Dichter, zijn opa Leopold en zijn overgrootvader Isidor, begin jaren twintig.
Arlen met v.l.n.r. zijn oom Salomon Dichter, zijn opa Leopold en zijn overgrootvader Isidor, begin jaren twintig.

Hoe verging het u in Chicago?

‘Fanny heeft me meteen na aankomst naar haar bonthandelaar gebracht, bij wie ik voor twaalf dollar in de week kon gaan werken. Ik moest mantels reinigen, ophangen, inpakken. Toen Amerika in 1941 verwikkeld raakte in de oorlog plaatsten ze me in een chemische fabriek voor zogenaamde “strategische tewerkstelling”. Maar ik kon niet meer, na alles wat er was gebeurd. Ik raakte depressief. Opeens viel mijn haar uit, hele plukken. De psychische stress. Ik wist immers niet hoe het met mijn familie ging.’

Hoe ging het met hen?

‘Mijn vader was er na mijn vlucht op een of andere manier in geslaagd om uit Buchenwald weg te komen. Samen met mijn moeder en mijn zus is hij naar Londen gevlucht. Mijn oma had Wenen niet uit weten te komen. Ze werd naar Theresienstadt gebracht en is in 1942 vermoord. Dat wist ik allemaal niet toen ik in Chicago zat. Ik had geen idee of mijn familie nog leefde. Mijn hart leek wel bekrast door een ijzeren hand.’

Wat deed u tegen uw depressie?

‘In de fabriek had ik een collega die Bill heette. Een engel. Hij keek liefdevol naar me om. Zijn zus zorgde ervoor dat ik in therapie kwam bij een zekere dokter König, een orthodoxe freudiaan. Hij deed het precies zoals Freud. En Freud was geen idioot, zelfs geen halve idioot, maar een vrij groot genie. König heeft me genezen. Na tweeënhalf jaar therapie heb ik vier liederen geschreven. Tot dan toe had ik niets meer kunnen componeren sinds mijn vlucht. Toen ik die had geschreven, ontsloeg hij me.’

Met die liederen won u meteen een muziekwedstrijd.

‘Dat klopt. Zo trok ik de aandacht van componist Roy Harris. Hij wilde dat ik voor hem ging werken. Nadat mijn ouders en mijn zus na afloop van de oorlog op de Gripsholm naar Amerika waren gekomen, werd ik assistent van Harris. Toen ben ik in Santa Monica terechtgekomen.’

Mina (née Dichter) en Michael Aptowitzer, Arlens ouders.
Mina (née Dichter) en Michael Aptowitzer, Arlens ouders.

Santa Monica is een voorstad van Los Angeles die aan de Stille Oceaan ligt. Tijdens het nazibewind in Europa vestigden zich daar en in de omgeving enkele van de grootste Duitstalige kunstenaars van de twintigste eeuw: de schrijvers Thomas en Heinrich Mann, Bertolt Brecht, Alfred Döblin, Vicki Baum, Lion Feuchtwanger, Franz Werfel en zijn vrouw, de musicienne Alma Mahler-Werfel. De theaterintendanten Max Reinhardt en Leopold Jessner. De filosofen Theodor W. Adorno, Max Horkheimer en Ludwig Marcuse. De regisseurs Fritz Lang en Max Ophüls. De componisten Arnold Schönberg, Hanns Eisler en Bruno Walter. 

Hoe hebt u die kunstenaars leren kennen?

‘Nadat ik bij Harris was gestopt, had ik me ingeschreven op de muziekfaculteit van de University of California in Los Angeles. Er werd daar een college muziekkritiek gegeven. De docent was criticus bij de L.A. Times, die destijds een van de hoogste oplages ter wereld had. We moesten recensies schrijven. Wat ik schreef leek hem te bevallen, want hij vroeg of ik niet voor hem wilde werken. Zo werd ik muziekcriticus van de L.A. Times. Dat was mijn entreekaartje tot de wereld van de ballingen.’

De emigranten probeerden een nieuw leven op te bouwen rondom Los Angeles. De een verging dat beter dan de ander. Lion Feuchtwanger genoot van de ballingschap, hij zwom elke dag een rondje in zee en deed daarna gymnastische oefeningen op zijn terras. Bertolt Brecht mopperde daarentegen over de ‘ordinaire kleinburgerlijke villa’s’. Heinrich Mann werd geplaagd door geldzorgen, terwijl zijn broer Thomas de ongekroonde koning van de ballingen was. The New Yorker noemde hem ‘Goethe in Hollywood’.

V.l.n.r. Aaron Copland, Irving Mills, Arlen, Anne Mahler en Lukas Foss.
V.l.n.r. Aaron Copland, Irving Mills, Arlen, Anne Mahler en Lukas Foss.

Waar kende Thomas Mann u van?

‘Hij wist dat ik criticus was en kende mijn naam uit de krant. Zo nu en dan zei hij dat hij weer iets van me had gelezen en gaf me daar een compliment voor. Op een gegeven moment vroeg hij of ik hem eens de eer wilde doen om bij hem op bezoek te komen. Ik zei: “De eer is geheel mijnerzijds, meneer Mann.”’

Niet alle ballingen konden goed met elkaar opschieten. Zo had Arnold Schönberg problemen met Thomas Mann.

‘Dat was een schandaal met Schönberg! En wie had dat veroorzaakt? Alma Mahler. Wie anders!’

Wat was er gebeurd?

‘Mann had een boek geschreven, Doctor Faustus. Daarin komt het personage Leverkühn voor, een geniale componist – en een syfilislijder. Alma Mahler kocht het boek en had bij het lezen meteen door dat Mann met zijn Leverkühn Arnold Schönberg had geportretteerd. Alma, die een loeder kon zijn, pakte meteen de telefoon om Schönberg te bellen: “Weet je eigenlijk wel dat Mann jou heeft geportretteerd in zijn nieuwe boek?” Schönberg was daar natuurlijk erg boos over.’

Arnold Schönberg is in 1951 overleden.

‘Ik ben op zijn begrafenis geweest. De rabbijn die de uitvaart leidde, was jammer genoeg een idioot. Hij hield een toespraak over Schönberg, dat hij een groot componist was geweest en zo. Maar aan het einde zei hij dat Schönberg nu in de hemel zou komen en dat de poorten van de hemel op zijn prachtige klanken zouden opengaan. Als Schönberg dat had gehoord, dan had hij zich omgedraaid in zijn graf. Hij was immers de bedenker van het atonale. Niet van de “prachtige klanken”. Mijn goede vriendin Anna Mahler heeft Schönbergs dodenmasker gemaakt.’

Arlen (linksboven) met Roger Wagner, Ernest Kanitz, John Vincent, Miklós Rózsa, Lillian Steuber, Heitor Villa-Lobos, Mina Coe, Nan Merriman en Vera Jean Vary.
Arlen (linksboven) met Roger Wagner, Ernest Kanitz, John Vincent, Miklós Rózsa, Lillian Steuber, Heitor Villa-Lobos, Mina Coe, Nan Merriman en Vera Jean Vary.

Anna Mahler, de dochter van Gustav en Alma Mahler?

‘Inderdaad. Ze was beeldhouwster. Elke keer als hier iemand stierf, werd zij gebeld om het dodenmasker te maken. Ze kon geen nee zeggen, want het was tenslotte haar werk. Maar tegen mij zat ze altijd te klagen: “Ik kan nooit eens doen wat ik zelf wil. Ik moet óf kunst op bestelling maken óf doden.” Het dodenmasker van Feuchtwanger is ook van haar hand.’

Alma Mahler-Werfel was berucht.

‘Ze was een indrukwekkende vrouw. En een oogverblindende schoonheid. Niet voor niets zijn zo veel mannen verliefd op haar geworden, Gustav Klimt, Oskar Kokoschka, Mahler en Werfel, Walter Gropius. Op een keer organiseerde Anna hier een feest voor haar moeder. Ze had een echte troon voor haar neergezet, waarop Alma natuurlijk ging zitten. Het was een enorm feest. Je kon je nauwelijks bewegen. Anna pakte me op een gegeven moment bij de arm en zei: “Kom, ik zal je voorstellen aan m’n moeder.” Alma zei tegen me: ‘Ga daar staan. Naast de troon.’ Toen pakte ze mijn oorlel tussen haar vingers en heeft die drie kwartier niet meer losgelaten. Waarom weet ik ook niet.’

Alma Mahler-Werfel was een antisemiet. Wist ze niet dat u joods was?

‘Ze had een heel wonderlijke verhouding met het jodendom. Aan de ene kant was ze een ontzettende antisemiet, aan de andere kant waren twee van haar drie echtgenoten joods: Mahler en Werfel. Alleen Gropius niet.’

Howard Meyers, 1958
Howard Meyers, 1958

U had een bijzondere relatie met Igor Strawinsky.

‘Hem heb ik als geen ander vereerd. Ik ben naar al zijn repetities geweest. Als criticus kon dat natuurlijk. Op een keer, het was begin jaren zestig, was er ’s avonds een repetitie en heb ik mijn vader meegenomen. In de pauze keek ik naast me. Mijn vader was weg. Ik keek om me heen en ontdekte hem in een hoekje – met Strawinsky! Ze praatten opgewonden en hielden hun handen op een rare manier voor zich. Ik ben ernaartoe geslopen om te horen waar ze het over hadden. Het ging over de ouderdomskwalen waarvan ze last hadden. Strawinsky had zijn pillen tevoorschijn gehaald en gezegd waar ze voor waren. Toen vroeg hij mijn vader ook zijn pillen voor de dag te halen. Mijn vader legde uit: deze is tegen maagzuur, die pil voor dit, die pil voor dat. Opeens vroeg Strawinsky geschrokken: “And where are your sleeping pills?” Zegt mijn vader: “I don’t take sleeping pills.” En Strawinsky ongelovig: “You don’t take sleeping pills? Only babies don’t take sleeping pills.”’

U hebt vele decennia te maken gehad met enkele van de grootste componisten ter wereld. Wat is er eigenlijk van uw eigen composities geworden?

‘Gedurende mijn hele periode als criticus, dus tot in de jaren tachtig, hebben mijn vroege composities in een la gelegen. Voor mij ging dat niet samen, het beroep van criticus en dat van componist. Ik was bang dat de mensen zouden zeggen: die zit iedereen te bekritiseren en schrijft zelf van die rommel.’

Waardoor bent u weer begonnen met componeren?

‘Op 11 mei 1958 leerde ik Howard kennen op een feest. Dat was de mooiste dag van mijn leven. Hij liet me vele jaren later, toen ik niet meer als criticus werkte, gedichten van Johannes van het Kruis lezen, een Spaanse mysticus. Die inspireerden me zo dat ik me weer aan eigen composities waagde.’

In uw muziek gaat het om verlangen, verlies en verdriet. Toen u Howard Myers leerde kennen, zei u tegen hem dat hij één ding moest weten, namelijk dat u nooit een gelukkig mens zou kunnen worden.

‘Ik zal nooit vergeten wat er is gebeurd. Sinds 1938 heb ik nooit meer echt kunnen lachen. Waar ik ook ga, er is altijd een zeker verdriet, een zeker verlies dat me vergezelt. Mijn moeder pleegde zelfmoord toen ik in Chicago zat. Ze kon de beelden en de gebeurtenissen gewoon niet meer uit haar hoofd krijgen. Ook een van mijn ooms en een neef hebben zelfmoord gepleegd. Mijn oma is in een concentratiekamp vermoord. Mijn vader is gelukkiger gestorven, hier bij ons voor de deur.’

Arlen met zijn zus Edith in Wenen, 2008.
Arlen met zijn zus Edith in Wenen, 2008.

In 2011 verscheen uw eerste cd. Uiteindelijk werd uw muziek voor het eerst uitgevoerd door de Wiener Symphoniker. Toen was u ver over de negentig. Was u trots?

‘Ik ben nooit trots geweest op iets wat ik heb gedaan. Maar ik was wel blij. Want er is geen stad die ik zo liefheb als Wenen.’

Wilt u er nog eens naartoe?

‘Nee. Op je honderdste ga je niet meer weg. Op je honderdste blijf je thuis.’

Auteur: Moritz Aisslinger en Stephan Lebert

Die Zeit
Duitsland | weekblad | oplage 505.000

De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen tegenover elkaar gezet. De krant heeft 50.000 digitale lezers.

Dit artikel van Moritz Aisslinger en Stephan Lebert verscheen eerder in Die Zeit.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.