• Mosaic Science
  • Cultuur
  • Werken in de vuurlinie: de ambulancechauffeurs van Karachi

Werken in de vuurlinie: de ambulancechauffeurs van Karachi

Mosaic Science | Samira Shackle | 14 juni 2017

In de Pakistaanse miljoenenstad Karachi bekommert een groep idealistische ambulancechauffeurs zich met gevaar voor eigen leven om de slachtoffers van branden, vuurgevechten en terroristische aanslagen.

Door de klap van de explosie werd Muhammad Safdar achteruit geblazen. Toen hij opkeek van de plek waar hij was neergekomen, zag hij dat de ruiten van zijn geparkeerde ambulance aan diggelen waren. Hij probeerde overeind te krabbelen en andere chauffeurs van de Edhi ambulancedienst, ook vrijwilligers, kwamen naar hem toe; ze dachten dat Safdar bloedde. Maar hij had geen externe verwondingen opgelopen. ‘Het was menselijk vlees dat aan me kleefde,’ vertelt hij achteraf, op de meldpost van de ambulancedienst in het centrum van Karachi. ‘Mijn vrienden onderzochten me om te kijken of ik gewond was, maar het waren allemaal stukjes van andere mensen. Ik trilde vreselijk en kon mijn eigen stem niet eens horen. Alles schudde. Ik hoorde alleen maar gefluit in mijn oren.’

Het was 5 februari 2010 en Safdar had die dag al eerder met de gevolgen van een explosie te maken gehad: een uur daarvoor was een motorfiets volgepakt met explosieven tegen een bus geknald waarin sjiitische moslims zaten die op weg waren naar een religieuze processie. Safdar was erheen geracet om de doden en gewonden in zijn ambulance te laden en naar het Jinnah-ziekenhuis in de buurt te brengen. Er waren twaalf doden en meer dan dertig gewonden, en de eerste hulpafdeling was een en al chaos, gehuil en gegil, terwijl de artsen deden wat ze konden. Hij was nog in het ziekenhuis toen de tweede bom ontplofte, vlak voor de ingang.

Pas later besefte Safdar dat hij gewond was geraakt aan zijn hoofd. Op het moment zelf deed hij wat zijn instinct hem ingaf, namelijk opstaan en doorgaan met hulpverlenen. Er waren bij deze tweede explosie nog eens dertien mensen gedood, en nog veel meer gewond geraakt. ‘Het was één grote puinhoop, overal lag bloed,’ vertelt hij.

De ziekenhuisingang was zwaar beschadigd en men vreesde voor een derde bom. Ambulancechauffeurs brachten de mensen die het zwaarst gewond waren naar andere ziekenhuizen in de omgeving zodat ze daar behandeld konden worden. Drie ambulances waren verwoest door de explosie, dus moesten ze het doen met wat ze nog hadden.

Over de vele slachtoffers heen keek Safdar telkens naar zijn baas, Abdul Sattar Edhi, de oprichter van de ambulancedienst, die hier ook was met een van zijn eigen ambulances. Als hoofd van een grote liefdadigheidsorganisatie die zich inzette voor de armen, vond Edhi het belangrijk om zelf in de voorste linies mee te doen bij het reddingswerk. Ook nu was hij samen met zijn medewerkers bezig doden en gewonden op te halen. Safdar rende naar hem toe. ‘Ik wilde hem meenemen, voor het geval er een derde ontploffing kwam, maar hij zei: “Ik ga niet weg. Waar ik ben, is geen ontploffing, dus ik blijf waar ik ben.”’ Safdar droeg lichamen naar de ambulances die buiten stonden te wachten. Toen zag hij te midden van het vuil en het bloed iets verdachts: op het parkeerterrein stond een erg schoon uitziende motorfiets met een tv-toestel op de bagagedrager gebonden. Safdar rende terug naar Edhi om hem te vertellen wat hij had gezien. Edhi waarschuwde de politie en bleef op zijn post, terwijl explosievenexperts hun werk deden: het bleek inderdaad een derde bom te zijn, die ze wisten te ontmantelen.

“Wat denk je dat dit is?” zei hij. “Het is een mens. Wat ben jij? Een mens. Waarom gedraag je je zo?” En Safdar tilde het lijk op

Hoeveel reddingsmissies hij al heeft uitgevoerd? Safdar is de tel kwijtgeraakt in de dertien jaar dat hij nu als Edhi-ambulancechauffeur werkt. Hij is brandende gebouwen binnengegaan, in het water gedoken na schipbreuken, heeft overlevenden van terreuraanslagen en bedrijfsongelukken opgehaald en zich een weg gezocht door vuurgevechten.

Deze hulpverleners in hun rode T-shirts waarop met grote witte letters ‘edhi’ staat, zijn een vertrouwd beeld op veel rampplekken in Pakistan. Hier in Karachi, een megapool met meer dan 20 miljoen inwoners, is geen overheidsdienst voor ambulancevervoer. Karachi is al tientallen jaren een stad vol geweld. Al sinds de jaren vijftig gisten er etnische spanningen, en die worden steeds heviger naarmate meer mensen naar de stad trekken als gevolg van conflicten en natuurrampen elders in Pakistan.

Jarenlang was de sloppenwijk Lyiari het toneel van bendeoorlogen, maar na de aanslagen van 9/11 en het uitroepen van de ‘war on terror’ in 2001 nam in Pakistan het terrorisme toe en werd Karachi een belangrijk werkterrein voor militante groeperingen. Sinds 2014 heerst er dankzij hardhandig optreden door het leger een schijnbare rust, maar onder het oppervlak smeult nog steeds het geweld.

Safdar heeft met zijn primitieve ambulance de verschillende conflicten die zijn stad teisteren van dichtbij meegemaakt, en zich vaak in groot gevaar begeven, voor weinig geld.

Eerste dag

De eerste keer dat Safdar het hoofdgebouw van de Stichting Edhi binnenstormde, in 2003, schreeuwde hij dat zijn broer te lang op een ambulance had moeten wachten. Safdar was toen rond de 22 jaar oud (veel mensen in Pakistan kennen hun precieze geboortedatum niet), en zijn broer Adil ongeveer 20. De dienstdoende ambulancechauffeur, Muhammad Liaqat, weet het nog goed: ‘We hebben niet agressief teruggedaan. Hij heeft een goed hart, maar hij is een driftkop.’

Adil had als kind polio opgelopen en was door de ziekte – die in Pakistan nog steeds heerst – invalide geworden. Hij had een reeks pijnlijke operaties aan zijn been nodig. Het gezin had weinig geld en geen auto en was dus afhankelijk van de Edhi-ambulances. Ondanks Safdars woede was hij wel onder de indruk van de dienst. ‘Ik zag hoe andere mensen in het ziekenhuis uren moesten wachten op vervoer,’ vertelt hij. ‘Alleen Edhi Sahib (een aanspreektitel die eerbied uitdrukt) probeerde te helpen.’ Safdar had ervan gedroomd om het leger in te gaan, maar moest thuisblijven vanwege Adils ziekte. Dus haalde hij zijn rijbewijs en ging bij de ambulancedienst werken. ‘Nu komt hij ons elke dag last bezorgen,’ zegt Liaqat.

Op zijn eerste dag ging Safdar met een andere chauffeur op pad om een van de vele anonieme lijken op te halen die in Karachi op straat worden gevonden. Hij kon er niet naar kijken. De andere chauffeur gaf hem een klap in zijn gezicht. ‘Wat denk je dat dit is?’ zei hij. ‘Het is een mens. Wat ben jij? Een mens. Waarom gedraag je je zo?’ En Safdar tilde het lijk op.

‘Het kost tijd om aan dit werk te wennen,’ zegt hij. ‘Veel mensen gaan al na een week weer weg, omdat ze er niet tegen kunnen. Ze hebben angst in zich.’

Safdar is een magere man met zorgvuldig geknipt haar, die snel lacht en al even snel in woede kan uitbarsten. Zijn chef, Anwar Kazmi, stelt hem aan nieuwkomers ironisch voor als ‘onze beleefdste chauffeur’. Safdar kauwt continu op betelnoot, wat een stimulerende werking heeft, iets wat veel chauffeurs in Pakistan doen. Hij heeft duidelijke meningen en praat honderduit, terwijl zijn beweeglijke handen allerlei emoties uitdrukken. Hij weigert om ooit nog een bepaald staatsziekenhuis binnen te gaan omdat de directeur daarvan hem een keer heeft beledigd. Maar hij kan geen lijden aanzien, raakt soms in de problemen omdat hij zijn sirene gebruikt op niet-spoedritten en houdt stil om te helpen als hij iemand op straat ziet die gewond of verdwaald is.

Zijn vaste uitvalsbasis is de grootste hulppost van de Edhi ambulancedienst, het Kharadargebouw in de levendige oude stad van Karachi. De deur naar de straat staat open, en voorin is een kraampje waar mensen hun donaties kunnen brengen. In een stad waar voor elk mediabedrijf en elk ziekenhuis gewapende bewakers staan, is deze toegankelijkheid ongewoon. Binnen zitten de chauffeurs tussen de ritten door te kletsen, terwijl de ventilator boven hun hoofd zoemt, zodat het zwakke elektrische licht in flitsen over hun gezicht danst. Een normale dienst duurt hier achttien, vierentwintig of zesendertig uur. ’s Avonds doen sommige chauffeurs een dutje op hun brancard. Aan de afbladderende muur hangen foto’s van acht chauffeurs die tijdens de dienst zijn omgekomen. De twee chefs zitten ook in deze ruimte, elk achter een groot bureau. Kazmi, de bedrijfsleider en woordvoerder van de stichting zit altijd achter het bureau aan de rechterkant, met een mobiele en twee vaste telefoons voor zich.

Het lichaam van de Afghaanse diplomaat Mohammad Zaki Uro wordt opgehaald door de ambulancedienst. – © Asianet-Pakistan / Barcroft Images / Barcroft Media via Getty Images
Het lichaam van de Afghaanse diplomaat Mohammad Zaki Uro wordt opgehaald door de ambulancedienst. – © Asianet-Pakistan / Barcroft Images / Barcroft Media via Getty Images

Abdul Sattar Edhi kwam in 1947 als arme man uit een dorp in India naar Karachi. Hij begon een kraampje met medicijnen, maar zijn werk breidde zich snel uit, dankzij giften van gewone burgers. Samen met zijn vrouw Bilquis zette hij een zwangerschapskliniek en een centrum voor verlaten kinderen op. Dankzij een grote schenking kon Edhi een tweedehands vrachtwagen kopen, en die nam hij in gebruik als zijn eerste ambulance.

Pakistan kan een wrede omgeving zijn, waar veel bewoners klem zitten onder de dubbele druk van armoede en geweld. Toch is het ook een plek van grote vriendelijkheid, waar liefdadigheid een belangrijke plaats inneemt. Nog steeds drijft de stichting op giften van ‘de gewone man’, zoals Edhi die noemde. De organisatie weigert geld van de overheid te accepteren en heeft donaties van zakenlieden die niet ethisch te werk gaan beleefd afgewimpeld. De stichting springt in veel ‘gaten’ die de overheid laat vallen, met een duizelingwekkende verscheidenheid aan diensten, waaronder opvanghuizen voor slachtoffers van huiselijk geweld, voedselbanken en een asiel voor zwerfdieren.

Kazmi heeft een hardnekkige hoest en citeert geregeld Karl Marx. Ondanks de hitte draagt hij een wollen muts en een vest over zijn salwar kameez [de traditionele kledij in India en Pakistan]. ‘Ik ben links georiënteerd. Dat was Edhi Sahib ook,’ vertelt hij. ‘Een jaar of veertig geleden zei hij tegen me: “Je weet niet wanneer de revolutie komt, maar dit is een manier om de gewone man te dienen. Kom bij mij werken.” Dus ben ik bij de organisatie gegaan.’

Pakistan is een conservatief, religieus land. De Edhi Stichting maakt geen onderscheid naar kaste, afkomst, religie of sekte, en dat is ongebruikelijk

Pakistan is een conservatief, religieus land. De Edhi Stichting maakt geen onderscheid naar kaste, afkomst, religie of sekte, en dat is ongebruikelijk. Dit strikte beleid heeft de stichting kritiek opgeleverd vanuit religieuze groeperingen. Edhi zelf leidde een nederig, ascetisch leven, ook toen zijn liefdadigheidsorganisatie een miljoenenonderneming werd. Hij weigerde om zijn stijgende roem te misbruiken voor persoonlijk gewin, betaalde zichzelf nooit salaris en ging soms zelfs met een bedelnap voor het gebouw zitten.

Toen Edhi op 8 juli 2016 stierf, kondigde Pakistan een periode van nationale rouw af. Hij werd internationaal bejubeld als ‘de grootste filantroop ter wereld’. De leiding van de organisatie ging over op zijn oudste zoon, Faisal. De kritiek van religieuze conservatieven op de overtuigingen van de familie nam echter toe. Er kwamen minder giften. Pakistan kijkt nu toe of Edhi’s erfenis kan blijven bestaan.

Net als andere ambulancechauffeurs van de Stichting Edhi is Safdar officieel vrijwilliger en werkt hij voor een basisloon van 4300 Pakistaanse roepies (zo’n 40 euro) per maand. Als privéchauffeur zou hij 10.000 tot 15.000 roepies kunnen verdienen. Dit basissalaris is voor het riskante reddingswerk; het gemakkelijker werk voor de ‘patiëntendienst’ – mensen van het ene ziekenhuis naar het andere brengen en lijken vervoeren – levert een klein extra honorarium voor de dienst op en daarvan krijgen chauffeurs nog rond de 100 roepies (90 eurocent) per rit. Soms krijgen ze een fooi van een patiënt. Maar geld is duidelijk niet wat hen drijft.

Als Safdar over zijn medische kennis praat, licht zijn gezicht op. Edhi-chauffeurs krijgen een basiscursus van een paar dagen en degenen die er goed in blijken te zijn, kunnen later, als de gelegenheid zich voordoet, af en toe een meer gespecialiseerde training volgen. Safdar dreunt zo het juiste protocol op in het geval van een hartaanval, elektrocutie, botbreuken, brand, bommen. Hij kent speciale trucs om mensen op te tillen, en legt het groezelige kussen in zijn ambulance onder het hoofd van iemand die bewusteloos is, om diens luchtwegen open te houden. ‘Artsen die me zo’n training gaven, vroegen me vaak hoe lang ik had gestudeerd, en dan liet ik ze mijn duim zien,’ zegt hij trots. Dat is het gebaar van ongeletterdheid: wie geen handtekening kan zetten, gebruikt een duimafdruk voor officiële documenten. ‘Dan zeiden ze: “Het lijkt toch of je lang hebt gestudeerd, want je weet precies welke vragen je moet stellen.”’

Safdar en zijn collega’s willen niets liever dan de erfenis van Abdul Sattar Edhi voortzetten. Edhi was wars van hiërarchie en had zelfs met de minst ervaren medewerkers een persoonlijke band. Safdar bewaart in zijn ambulance een verkreukeld krantenknipsel over Edhi’s dood, met een citaat van hemzelf waarin hij zegt dat Edhi ‘als een vader’ was.

‘Hé, moslim! Opschieten!’

Tussen twee ritten door is Safdar meestal te vinden in een van de winkeltjes vlak bij het Kharadargebouw. Het biryani-kraampje serveert borden vol stomende rijst met vlees aan de chauffeurs tijdens hun pauze. Een sapbar, met witte muren en feloranje plastic stoeltjes verkoopt kip en blikjes limonade. Bij het theehuis worden vaten traditionele masala chai gebrouwen: een melkige, zoete kruidige thee die de medewerkers van het Kharadargebouw door hun lange diensten sleept.

In het theehuis giet Safdar wat thee uit in zijn schoteltje, om hem sneller te laten afkoelen. Hij slurpt hem zo op. ‘Ik heb altijd dienst, ook al heb ik nu even vrij,’ zegt hij. Er klinkt een oproep. In een oogwenk zit Safdar in zijn ambulance. Er is een explosie geweest bij de Defense Housing Authority, een dure voorstad van Karachi, speciaal gebouwd voor militair personeel.

Safdar rijdt met angstwekkende snelheid, schiet links en rechts tussen het verkeer op de verschillende banen door en spurt door steegjes, met loeiende sirene. Edhi-ambulances – kleine Suzuki Bolan-minibusjes uitgerust met een brancard en een zuurstofcilinder – zijn niet ingericht op echte medische hulpverlening. Maar omdat ze zo klein zijn kunnen ze zich op hoge snelheid door het stadverkeer bewegen, dat vaak in vijf files naast elkaar vaststaat. Safdar schreeuwt mensen uit de weg via zijn luidspreker. ‘Hé, moslim! Opschieten!’ roept hij tegen een man met een lange baard en een gebedsmutsje op. ‘Riksja-rijder, uit de weg!’ ‘Oud vrouwtje, opzij!,’ ‘Klootzak, ben je soms dronken!’ Met gillende banden komt hij tot stilstand voor het flatgebouw waar de ontploffing heeft plaatsgevonden.

De Stichting Edhi heeft zo’n vijfhonderd ambulances in Karachi, en een vloot van meer dan 1500 in heel Pakistan. Daarmee is het de grootste vrijwillige ambulancedienst ter wereld. Er is nog een ambulancedienst actief, Chhipa, die ook als liefdadigheidsorganisatie wordt gerund, op eenzelfde manier als Edhi. Deze is in 2007 opgericht en heeft de op een na grootste ambulancevloot in Karachi. Safdar beschouwt Chhipa als een concurrent voor Edhi. ‘Voor mij zijn dat geen ambulances,’ moppert hij. ‘Als het om ambulancewerk gaat, zijn wij de experts en zij een stel kleuters.’ Hij is een keer in gevecht geraakt met een paar Chhipa-chauffeurs. Dat gebeurde in de tijd dat Edhi nog leefde en die zorgde ervoor dat Safdar werd gearresteerd. ‘Hij wilde me een lesje leren,’ zegt Safdar.


De explosie in de Defense Housing Authority blijkt veroorzaakt door een gasinstallatie in een huis, en vier mensen zijn ernstig gewond. Het aantal doden en gewonden als gevolg van gebrekkige veiligheidsnormen is extra zichtbaar geworden in Karachi, nu door de verscherpte bewaking de geweldsmisdrijven zijn afgenomen. Die verscherpte bewaking is het gevolg van twee ernstige incidenten in 2014. De schokkendste daarvan was een aanslag op 16 december door de taliban op een school in de stad Pesjawar, in het noorden van het land. Daarbij werden meer dan honderdvijftig mensen, vooral kinderen, gedood. Het andere incident vond zes maanden daarvoor plaats, op 8 juni. Het was een brute aanval op Jinnah International Airport in Karachi. Rond 11 uur ’s ochtends kwamen tien zwaarbewapende strijders de luchthaven binnen en gingen in de aanval. Ze raakten in zwaar gevecht gewikkeld met de luchthavenbeveiliging. Een groep Edhi-medewerkers kwam kort na de eerste explosie aan en verleende medische bijstand aan de veiligheidstroepen. Gekleed in kogelvrije vesten waren Safdar en zijn collega’s zestien uur aanwezig op de luchthaven, terwijl het vuurgevecht om hen heen doorging. ‘Tijdens het gevecht zaten wij in een hoek de gewonden te verzorgen en op te letten of er iemand werd neergeschoten,’ zegt Safdar. Raakte er iemand gewond, dan schoten ambulancemensen toe met hun brancard om hem op te halen. Er vielen achtentwintig doden, van wie veertien beveiligingsagenten.

De repressie die hierop volgde levert ook geregeld doden op. Soms worden ambulances opgeroepen om de rotzooi op te ruimen. Daarover is Safdar voor zijn doen ongewoon terughoudend. ‘Of het nu een grote inval is of een kleine, er is ondersteuning nodig. Soms vinden we politiemensen die nog een masker op hebben. Dan is het onze taak om te kijken of iemand nog leeft, niet om vragen te stellen.’

De mensen van Edhi hebben niet altijd een warme relatie met de politie gehad. In april 2012 werd er op de straten van Lyari een nieuwe opleving van een oude bendeoorlog uitgevochten. De politie wilde daar een eind aan maken en sloot in de hele wijk elektriciteit en water af. De politie en de gangsters vochten in de straten. Duizenden mensen zaten opgesloten in hun huis zonder basisvoorzieningen, dus kondigde Abdul Sattar Edhi aan dat zijn ambulances water, rijst en poedermelk langs de deuren gingen brengen. De politie was hier kwaad over en het leidde tot complottheorieën en ongefundeerde beschuldigingen dat ambulancechauffeurs wapens leverden aan de gangsters. ‘Ik moest etenswaren naar huizen brengen,’ zegt Safdar. ‘Voor de gewonden konden we niet veel doen, omdat de overheid erbij betrokken was. Maar bij veel gezinnen waren andere spoedgevallen – hartaanvallen, bevallingen. Daar reden we wel voor, ondanks de politieoperatie.’

Op een bepaald moment, vertelt Safdar, werden hij en een collega aangehouden door Chaudhry Aslam, die toen hoofcommissaris van politie was. Hij sneed de zakken rijst open, op zoek naar wapens, en arresteerde de twee chauffeurs. Het incident bewijst wel hoe gevaarlijk het kan zijn om voor een ideologisch onafhankelijke organisatie te werken in een corrupt en onvoorspelbaar land. Safdar maakt zich daar niet druk om. ‘Ik vind het alleen jammer dat ik Chaudhry Aslam geen klap in zijn gezicht kon geven toen hij ons arresteerde.’

Mortuarium

De oproep komt aan het begin van de middag binnen. Mensen hebben een lijk zien drijven in de zee, vlak bij de haven. Loeiende sirene. Safdar die links en recht auto’s passeert. ‘We krijgen zelf niet vaak een ongeluk, en als het wel gebeurt is het meestal de schuld van het publiek,’ zegt hij. Een grote vrachtwagen geeft hem geen voorrang. ‘Ben je doof of zo?’ schreeuwt Safdar met een woedende blik op de chauffeur.

Bij de haven pakt Safdar het laken van zijn brancard. Een lichaam dat lang in het water heeft gelegen, is moeilijker op te tillen: de botten breken snel en er kunnen stukken loskomen. Als de houten reddingsboot arriveert klauteren hij en een collega handig de rotsen af en de boot op. Ze rollen het lijk op het laken en leggen het op de wachtende brancard. Het is nog vers, maar een paar uur oud, en er hangt nog geen stank omheen. Het is een man van in de zestig.

Als er een lijk wordt gevonden, moet er een strikt protocol worden gevolgd. De ambulance brengt het naar een overheidsziekenhuis, waar de dood wordt vastgesteld en, zo mogelijk, contact wordt opgenomen met familieleden. Is er geen identiteitsbewijs, dan gaat het lichaam naar een politiebureau. Vandaar wordt het naar een Edhi-mortuarium gebracht, waar men verdere pogingen doet om achter de identiteit van de dode te komen. Blijkt dat onmogelijk, dan komt het lichaam uiteindelijk op de Edhi-begraafplaats terecht.

Het Edhi-mortuarium staat in Sohrab Goth, een armoedig gebied dat tot voor kort een broedplaats voor stadsgeweld was. Het mortuarium ligt een eindje van de weg af, en heeft een grote open wachtruimte met banken, waar familieleden kunnen zitten. Links zijn ruimtes waar de lichamen worden gewassen. Rechts is de koelruimte om de lichamen te bewaren. Dit is het enige werkende mortuarium in Karachi, een stad met meer dan 27,5 miljoen inwoners.

Staatsziekenhuizen beschikken wel over koelruimtes om lichamen op te slaan, maar de meeste worden niet gebruikt. Fondsen die bedoeld zijn om ze te onderhouden worden vaak voor andere dingen gebruikt. Dit mortuarium ontfermt zich over ongeïdentificeerde lichamen en slachtoffers van rampen, maar een familie kan hier ook tegen betaling een overleden familielid laten bewaren tot zijn begrafenis, of het lichaam op traditioneel islamitische wijze laten wassen.

Ghulam Hussein, die er de leiding heeft, werkt al twaalf jaar bij het mortuarium. Na zijn eerste dag ging hij er weer weg. ‘Er waren zo veel lichamen, in alle mogelijke staten van ontbinding, soms helemaal verminkt, zodat er alleen maar stukken van waren. Toen ik dat zag, was het alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. Het is onmogelijk te vergeten. Het blijft me bij, die herinnering vervaagt nooit,’ zegt hij. Twee maanden later kwam hij terug, en bleef hij wel. ‘Heel langzaam raakte ik eraan gewend. Een mens leert om met dingen om te gaan.’ Hij vertelt dat er gemiddeld zo’n vier tot zes ongeïdentificeerde lichamen per dag binnenkomen, tot wel tien of twaalf in de zomer. Het is zwaar werk, en Hussain zoekt zijn toevlucht in systemen. Hij beschrijft de procedures die hij en zijn medewerkers volgen om de lichamen te behandelen en te identificeren. Tot een paar jaar geleden werden lichamen binnen drie dagen begraven, zoals de islamitische traditie voorschrijft. Tegenwoordig gebruikt Pakistan biometrische identiteitsbewijzen en daarom worden er nu vingerafdrukken van een lichaam genomen en opgestuurd naar de centrale autoriteit om te kijken of ze in de database staan. Dit kan 24 uur tot verscheidene weken duren.

Karachi is een sterk gepolariseerde stad. Na grote rampen is er altijd wel een belanghebbende partij die druk uitoefent om de lichamen snel vrij te geven

Er melden zich twee mannen die op zoek zijn naar een familielid dat al acht jaar is vermist. Hussain geeft hun de catalogus – een macaber fotoalbum. Als een anoniem lichaam aankomt, neemt het personeel drie foto’s van het gezicht: een van voren en twee van opzij. Deze worden opgeslagen onder een serienummer dat eerst de lijkkist aangeeft en vervolgens het graf, zodat familieleden hun dierbare ook na de begrafenis nog kunnen vinden.

De koelruimte waar de lichamen worden bewaard is een metalen ruimte met een eigen dieselgenerator die ervoor moet zorgen dat de temperatuur op het vriespunt blijft, ondanks de geregelde stroomstoringen in Karachi. De lichamen liggen op metalen roosters, op drie niveaus. Er zijn twee koelkamers. In allebei hangt een bedwelmende lucht van ontsmettingsmiddelen, al kan die de weke geur van ontbindende lichamen niet helemaal overstemmen. In de ene ruimte bevinden zich lichamen die door familieleden zijn binnengebracht, allemaal bedekt met een witte lijkwade, en elk met een label waarop naam, leeftijd en religie staan vermeld. In de tweede liggen de ongeïdentificeerde lichamen. Hun gezicht is onbedekt gelaten, om de identificatie te vergemakkelijken. Hier en daar steekt een verdwaalde hand of voet uit.

Bij een grote ramp – een terroristische aanslag, een brand, een overstroming of een hittegolf – kunnen niet altijd de juiste procedures worden gevolgd. Op 11 september 2012 was er een grote brand bij een textielfabriek in het Baldia Town-district. Het vuur brak vlak bij de afgesloten poorten van het complex uit: er was geen ontsnappen aan. Meer dan zeshonderd mensen raakten gewond, meer dan tweehonderd kwamen om.

Safdar en zijn collega-ambulancechauffeurs werkten vier dagen lang de klok rond om overlevenden te redden en de doden te bergen. ‘De lichamen waren zo ernstig verbrand dat ze gewoon verkruimelden als je ze probeerde op te pakken,’ vertelt hij.

De meeste dode lichamen gingen eerst naar het ziekenhuis en daarna, vaak te verkoold om op het oog geïdentificeerd te kunnen worden, naar het mortuarium. Voor Hussain was de brand bij de textielfabriek traumatisch – niet vanwege de overweldigende hoeveelheid lichamen die ze te verwerken, wassen en identificeren kregen, maar vanwege de druk die op het team werd uitgeoefend om snel te werken. Karachi is een sterk gepolariseerde stad. Na grote rampen is er altijd wel een belanghebbende partij die druk uitoefent om de lichamen snel vrij te geven. Dat gebeurde ook in dit geval. ‘We konden onze vaste procedures niet volgen,’ zegt Hussain. ‘We konden de lichamen niet testen.’ Hij weet zeker dat sommige daardoor naar de verkeerde families zijn gegaan, en bij die gedachte raakt hij nog steeds van streek.

De van oorsprong Indiase Abdul Sattar Edhi was filantroop, asceet en humanist en richtte in 1951 de Edhi Stichting op, die ziekenhuizen, rehabcentra, daklozenhuisvestingen, weeshuizen en een ambulancedienst beheert. – © Wikipedia
De van oorsprong Indiase Abdul Sattar Edhi was filantroop, asceet en humanist en richtte in 1951 de Edhi Stichting op, die ziekenhuizen, rehabcentra, daklozenhuisvestingen, weeshuizen en een ambulancedienst beheert. – © Wikipedia

Op 12 december 2016 staan rijen ambulances opgesteld voor de ambulancepost Kharadar. Vandaag is een nationale feestdag – de verjaardag van de profeet Mohammed – en een conservatieve soennitische organisatie houdt haar jaarlijkse processie. De nacht ervoor zijn blokkades opgeworpen langs de geplande route, waarbij paramilitaire agenten de wacht houden. De logistieke motor van de Stichting Edhi is gestart.

Safdar komt te laat op zijn werk: hij heeft vanochtend eerst thuis alles klaargemaakt voor het feest, eten besteld en een Koranlezing voor die avond geregeld. In plaats van zijn gewone werkbroek draagt hij een blauwe salwar kameez. Hij negeert het sarcastische commentaar van zijn chef over zijn geweldige punctualiteit, en trekt zijn rode Edhi-T-shirt aan over zijn feestkleding.

De voertuigen hebben elke een eigen plek langs de route van de optocht toegewezen gekregen en Safdar rijdt naar de zijne. Aan het begin van de middag stromen de deelnemers aan de optocht toe. Er staan vrachtwagens met luidsprekers die religieuze muziek en gebeden uitblèren en van waaruit gratis hapjes worden rondgedeeld. Safdar zit in zijn ambulance naar de menigte te kijken en vertelt over die keer dat hij bij hetzelfde evenement werkte, precies tien jaar geleden. Toen ontplofte er tegen de avond een enorme bom, met zo’n klap dat Safdar minutenlang niets meer kon horen. Met zijn ambulance vol gewonden probeerde hij naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis te rijden. ‘Bij zo’n explosie laten mensen alles achter, hun auto, hun fiets, hun tassen. Ik moest met mijn ambulance over alles heen rijden. Ik zat te trillen en er was iets heel erg mis met de auto. Alleen ik kan ooit weten hoe het me die dag lukte om mijn ambulance te rijden.’ In totaal kwamen 57 mensen om.

Zijn naarste herinnering bewaart Safdar aan de sjiitische processie op de heilige dag Asjoera in december 2009. Safdar en zijn collega Farrukh stonden toen op hun post vlak bij het begin van de processie. Ze hadden allebei hun ambulance even verlaten om iets te drinken te gaan kopen bij een kraampje op straat. Er kwam een man met een dik, zwaar vest aangelopen. Een paar meter van de ambulances bracht hij zijn bomvest tot ontploffing. Safdar was verbijsterd door de klap, maar niet gewond en kwam meteen in actie. Hij besefte snel dat de twee ambulances zwaar beschadigd waren, dus droeg hij de gewonden weg van de menigte, in afwachting van versterking. ‘Ondertussen zag ik de bovenste helft van Farrukh’s lichaam daar liggen.’ Meer dan dertig mensen kwamen om en tientallen waren gewond. De foto van Farrukh hangt aan de herdenkingsmuur voor dode ambulancechauffeurs in het Kharadargebouw.

Dit jaar verloopt de processie zonder incidenten. ‘Ik heb nog niet een keer een Eid-avond thuis kunnen vieren sinds ik dit werk doe,’ zegt Safdar. ‘Ik ben altijd aan het rijden, met mijn mooie kleren aan, in de hoop dat er niets gebeurt.’

Begraafplaats

Elke dag komt er een gestage stroom mensen het Kharadargebouw binnen om een kleine donatie te geven of hulp te vragen. Vandaag komt een man binnen met zijn vierjarige dochter. ‘Ze kan niet lopen,’ zegt hij. Het personeel haalt een stoffige kinderrolstoel tevoorschijn en daarmee gaat het gezin weer weg. Vervolgens komt een jonge vrouw binnen; ze heeft een blauw oog en verklaart dat ze van huis wil weglopen. Binnen een half uur heeft een ambulancechauffeur een hulpverleenster van een vrouwenopvanghuis geregeld.

‘De ambulance is de ruggengraat van alles,’ zegt Faisal Edhi. ‘Opvanghuizen en adoptiecentra kunnen functioneren dankzij de ambulances. Wordt er een baby in de bosjes gevonden, dan gaat een ambulance het kindje ophalen. Ligt er iemand op straat, dan neemt een ambulance hem mee.’

De laatste rit van de reis die een lichaam kan maken gaat naar de begraafplaats. De dag na de processie rijdt Safdar naar de Edhi-begraafplaats, een groot, vlak terrein. De graven zijn gemarkeerd met in de grond gestoken houten paaltjes waarop een nummer staat. Dit nummer is met het lichaam meegekomen van het mortuarium naar zijn laatste rustplaats. Het komt overeen met het aantal lichamen dat hier begraven ligt. Op deze dag is het laatste nummer 83.390.

Al deze 83.390 lichamen hebben een complete begrafenisdienst gekregen, in aanwezigheid van vier of vijf Edhi-medewerkers. Volgens de islam moet je meedoen met begrafenisgebeden wanneer je kunt, want dat vergemakkelijkt iemands reis naar de volgende wereld. Soms komen andere rouwenden deelnemen aan de gebeden of zetten voorbijgangers hun motorfiets aan de kant om ook mee te doen. Safdar, die zo’n ceremonie vaak heeft geleid, herinnert zich keren dat er wel dertig of veertig mensen bij waren.

Sommige delen van de begraafplaats horen bij grote rampen; er is een heel gedeelte voor lichamen die nog steeds niet zijn geïdentificeerd na de Baldia-brand, en in een lange rij graven liggen slachtoffers van de hittegolf van 2015. Sommige graven zijn niet meer anoniem; dan heeft een familie een gestorven familielid opgespoord en een echte grafsteen gekocht, die opvalt te midden van de eindeloze rijen houten paaltjes.

“Toen mijn vader nog leefde en mensen kritiek op hem hadden, zei hij altijd: ‘We hoeven geen antwoord te geven, ons antwoord is ons werk.’”

Op de meeste begraafplaatsen in Pakistan zijn de religies strikt gescheiden. Hier liggen mensen van verschillende overtuigingen naast elkaar, omdat de identiteit van de lichamen bij hun begrafenis niet bekend was. Safdar wijst naar een graf waarop een houten kruis staat. ‘Voor Edhi Sahib waren alle mensen gelijk,’ zegt hij. ‘Kijk eens naar dat christelijke graf – de familieleden hebben het lichaam daar gelaten, ook al liggen hier voornamelijk moslims. Het is heel mooi om dat te zien in Pakistan.’

Hij stapt weer in zijn ambulance om terug te rijden naar de hulppost. Onderweg komt hij langs een plek waar een ongeluk is gebeurd. Een oude man is van zijn motorfiets gereden en Safdar stopt, verleent eerste hulp langs de kant van de weg en controleert de man vakkundig op gebroken botten. Bij zijn vertrek pakt de man Safdars hand. ‘Moge u altijd gelukkig zijn,’ zegt hij. Safdar stapt weer in zijn ambulance en rijdt verder. ‘Als je iemand ziet verdrinken en je kunt van nut zijn, waarom zou je dan niet helpen? Het gaat om helpen, niet om geld,’ zegt hij.

Sinds de dood van Abdul Sattar Edhi vragen veel mensen in Pakistan zich af of de organisatie wel kan doorgaan. Safdar weet zeker dat alles bij het oude zal blijven. Op een van zijn schaarse vrije dagen rijdt hij soms naar Edhi’s graf in Hyderabad, waar hij tegen zijn mentor praat en hem belooft dat hij zijn erfenis zal voortzetten.

Diens zoon Faisal geeft toe dat de schenkingen met dertig procent zijn gedaald sinds de dood van zijn vader, maar hij is vastbesloten om het werk van de stichting gaande te houden. ‘Toen mijn vader nog leefde en mensen kritiek op hem hadden, zei hij altijd: “We hoeven geen antwoord te geven, ons antwoord is ons werk.” Dus dat zeg ik nu ook. Ons antwoord is ons werk.’

Auteur: Samira Shackle
Vertaler: Annemie de Vries

Mosaic
VK | mosaicscience.com

Het onlinetijdschrift Mosaic publiceert wekelijks een achtergrondverhaal over mensen, ideeën of trends uit de biologie en geneeskunde die ‘van invloed zijn op ons leven, onze gezondheid en onze maatschappij’. Mosaic wordt uitgegeven door de Welcome Trust, een goededoelenstichting. De redactie is onafhankelijk.

Dit artikel van Samira Shackle verscheen eerder in Mosaic Science.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.