• The New York Times
  • Reader
  • Wetenschappers prefereren honden

Wetenschappers prefereren honden

The New York Times | New York | James Gorman | 10 mei 2018

Er blijkt veel meer wetenschappelijk onderzoek te worden gedaan naar honden dan naar katten. Hoe komt dat?

Iemand (mijn baas) merkte laatst op dat ik vaker artikelen over honden schrijf dan over katten, en vroeg me hoe dat kwam.

Ik wist natuurlijk meteen dat het absoluut niets te maken kan hebben met het feit dat ik al ettelijke honden en nog nooit een kat heb gehad: het moet een afspiegeling zijn van het aantal wetenschappelijke studies naar beide dieren. Ik schrijf immers over elk onderzoek dat boeiende bevindingen oplevert en ik heb niets tegen katten, ook al ben ik zelf geen kattenmens. Twee van mijn volwassen kinderen hebben katten, en laten die vooral niet denken dat ik ze links laat liggen. (Hallo, Bailey! Hallo, Tawney! Dat zijn de katten, niet mijn kinderen.)

Maar het leek me wel goed om hier eens in te duiken, dus mailde ik Elinor Karlsson van het Broad Institute en de University of Massachusetts. Zij is geneticus en ze heeft drie katten, maar haar onderzoek gaat vooral over honden: een onbevooroordeelde blik dus. Ze doet trouwens onderzoek naar het genoom van verschillende honden. Ze verzamelt DNA door hondenbezitters op te roepen wat speeksel van hun viervoeter op te sturen.

Het soort onderzoek dat mij vooral boeit en waarover ik dus schrijf, gaat over evolutie, domesticatie, genetica en diergedrag. Plus vragen van het type: “Wat is eigenlijk een hond?”

Het soort onderzoek dat mij vooral boeit en waarover ik dus schrijf, gaat over evolutie, domesticatie, genetica en diergedrag. Plus vragen van het type: ‘Wat is eigenlijk een hond?’ Honden en katten worden ook als proefdieren in laboratoria gebruikt, maar ik heb niet gevraagd welke van de twee voor zulke experimenten het populairst zijn.

Karlsson leerde ik kennen toen ik over haar onderzoek naar wolven schreef. Ik mailde haar met de vraag of er inderdaad meer onderzoek naar honden dan naar katten wordt gedaan, en zo ja, waarom.

‘Ooo, wat een interessante vraag!’ schreef ze terug. ‘Veel leuker dan al die mails over beursaanvragen in mijn mailbox. Er wordt inderdaad minder onderzoek naar katten gedaan. Ik denk dat ze minder serieus worden genomen dan honden, dat heeft waarschijnlijk met maatschappelijke vooroordelen te maken. In mijn vakgroep zit een dierenarts die denkt dat veel kankersoorten die bij katten voorkomen een beter model kunnen bieden voor menselijke kankersoorten, maar daar wordt bijna geen onderzoek naar gedaan.’ Een beter model dan kanker bij honden, bedoelt ze. Honden krijgen veel soorten kanker die ook bij de mens voorkomen, maar bij honden verschilt de frequentie per ras, zodat je gerichter naar oorzaken kunt zoeken.

Verder staat kattengedrag volgens Karlsson laag in aanzien. ‘Mensen die niets met katten hebben, vinden het een belachelijk idee om hun gedragsgenetica te bestuderen, en in de wereld van de dressuur wordt geklaagd dat men er klakkeloos van uitgaat dat katten niet te dresseren zijn.’ Katten zijn natuurlijk net zo goed te dresseren als elk ander dier. Zo heeft Karlsson zonder het te beseffen haar kat geleerd op het aanrecht te springen zodra ze het kastje met kattensnoepgoed opent. De commercie is er ook al op ingesprongen. Er zijn verschillende pakketten te koop om je kat te leren zijn behoefte op de wc te doen. Als er al zoiets voor honden bestaat, heb ik het niet kunnen vinden. Zelfs niet voor bichon frisés.


Voor het kankeronderzoek verwees Karlsson me door naar Kate Megquier, een dierenarts aan het Broad Institute die daar promotieonderzoek naar doet. Ook zij vindt dat katten meer aandacht verdienen. ‘Ik bestudeer vooral veel kankersoorten bij honden,’ zegt ze, maar er zijn goede redenen om ook meer studie te maken van kanker bij katten. Ze zegt dat katten veel lymfomen krijgen ‘en daar kunnen we beslist iets van leren’. Ook krijgen ze vormen van mondkanker die lijken op die bij de mens, en volgens haar worden die mogelijk veroorzaakt door gifstoffen in onze leefomgeving, die katten binnenkrijgen als ze zich wassen. Onderzoek daarnaar ‘kan ons inzicht in die aandoeningen vergroten’, zegt ze, en zowel kat als mens ten goede komen. Kate Megquier vindt honden leuk, maar is naar eigen zeggen ‘absoluut een kattenmens’.

Volgens Karlsson zijn er goede redenen waarom er zo veel onderzoek naar honden wordt gedaan. Zo zijn er veel meer hondenrassen: wel vierhonderd, tegen circa veertig kattenrassen. Dat betekent meer genetische diversiteit en dus meer mogelijkheden om het genoom te bestuderen. Maar ze zegt erbij dat het nieuwe modelgenoom voor katten veel gedetailleerder is dan het laatste modelgenoom voor honden. ‘We zijn daar allemaal razend jaloers op en werden er op een conferentie vorige week flink mee gepest door de kattenonderzoekers.’ En ze wijst erop dat culturele vooroordelen over huisdieren zelfs een rol spelen bij de opzet van zulke conferenties. Dat honden en katten samen het thema van een wetenschappelijke bijeenkomst zijn, heeft immers meer met hun imago als archetypische huisdieren te maken dan met hun biologische overeenkomsten.

Mijn volgende e-mail was gericht aan Elaine Ostrander van de National Institutes of Health. Zij heeft zelf honden en doet onderzoek naar de genetica van honden. Haar lab heeft acht genen geïdentificeerd die zeer bepalend zijn voor de grootte van een hond. Het eerste daarvan zorgt er vooral voor dat honden klein blijven. Ook heeft haar lab kankergenen gevonden die honden gemeen hebben met de mens, met name de genetische oorzaak van een soort nierkanker die veel voorkomt bij Duitse herders. Datzelfde gen blijkt hetzelfde type kanker ook bij de mens te veroorzaken.

Ostrander wijst erop dat vooral de grote verscheidenheid aan hondenrassen in alle soorten en maten aantrekkelijk is voor wetenschappers. Sommige genen die bepalend zijn voor de groei van een hond hebben ook invloed ‘op aandoeningen van op hol geslagen groei, zoals kanker’. Bovendien, schrijft ze, ‘ondergingen honden een heel geprononceerde populatieflessenhals tijdens hun domesticatie’ toen een klein aantal wolven de oerouders werden van alle tamme honden. Daarna zijn in de negentiende eeuw tal van rassen gefokt met nog veel nauwere genetische flessenhalzen, en bijgevolg veel inteelt. De domesticatie heeft volgens haar ‘in een ongelooflijk kort tijdsbestek plaatsgevonden en we hebben er nog steeds niet alle genetische finesses van doorgrond. Het blijft een van de interessantste en lastigste kwesties in de biologie.’ De gedragsproblemen van sommige honden vertonen trekken van wat we bij mensen een obsessief-compulsieve gedragsstoornis noemen. Zulke overeenkomsten bieden volgens Ostrander ‘een mooie kans om meer over onszelf te leren’.

Overtuigend pleidooi voor de honden, leek me. Daarna belde ik een van de mensen die een groot aandeel hebben gehad in de beschrijving van het modelgenoom voor katten waar Karlsson het over had: Leslie Lyons van de University of Missouri. Ook aan haar de vraag of er meer onderzoek werd gedaan naar honden dan naar katten.
‘Absoluut,’ zegt ze, ‘om verschillende redenen.’ Ze beaamt dat ‘honden ideaal zijn voor onderzoek naar kanker’ en dat ze langer gedomesticeerd zijn dan katten, zodat er meer hondenrassen zijn en dus meer mogelijkheden om onderzoek naar erfelijke ziekten te doen. Maar ze zegt ook dat maatschappelijke vooroordelen over katten hun weerslag hebben op het wetenschappelijk onderzoek. Kattenliefhebbers zijn nu bijvoorbeeld niet zo in gekke rassen geïnteresseerd als hondenliefhebbers, maar dat kan veranderen. Als er vraag naar was, zou je katten in net zo veel soorten en maten kunnen fokken als honden. ‘Dan krijg je misschien een chihuahua-kat en een kat zo groot als een Deense dog. Al lijkt me dat,’ voegt ze eraan toe, ‘een beetje gevaarlijk.’

Ze zegt dat het voor onderzoek naar katten veel moeilijker is om financiering te krijgen, ook al zijn katten voor onderzoek naar sommige aandoeningen, zoals polycystische nieren, geschikter. ‘Laten we er medicijnen op testen. Misschien dat kat én mens ermee geholpen zijn.’ Overigens heeft Lyons zelf katten en liet ze in ons gesprek terloops het antihondencliché ‘cats rule, dogs drool’ vallen.


Ik heb ook gebeld met Fiona Marshall, een bioarcheoloog aan Washington University in St. Louis. We hadden elkaar een tijdje geleden gesproken voor een artikel over ezels. De domesticatie van ezels is een van haar onderzoeksgebieden. Verder doet ze onderzoek naar Afrikaanse katten en hun domesticatie. Enkele jaren geleden schreef ze mee aan een artikel over het vroegste bewijs van gedomesticeerde katten ter wereld, aangetroffen op een 5300 jaar oude vindplaats in China.

Ze zegt dat je bij opgravingen minder sporen van katten dan van honden vindt. Deels omdat het solitaire dieren zijn, die door de vroege mens blijkbaar ook minder vaak werden opgegeten dan honden. ‘Als ze niet gegeten worden, vind je er geen spoor van terug in het afval.’

‘Ik denk dat het ook te maken heeft met hoe er in Europa vanaf de middeleeuwen tegen katten werd aangekeken,’ zegt ze. ‘Katten werden daar als slechte dieren beschouwd, omdat ze mensen niet gehoorzaamden.’ Tegenwoordig wordt die karaktertrek van katten juist sterk gewaardeerd. Marshall heeft zelf ook katten.

De cijfers

En dan nu de cijfers. Een zoekopdracht in Pub Med, een database van de meeste biomedische tijdschriften, levert 139.858 treffers op voor katten en 328.781 voor honden. Bij Google Scholar was het 1.670.000 voor katten en 2.850.000 voor honden. Dat is natuurlijk maar een simpele zoekopdracht die weinig zegt over het soort onderzoek dat werd uitgevoerd. Wat de journalistiek betreft: een zoekopdracht in de nieuwsdatabank Nexis levert meer dan drieduizend treffers op voor honden en katten, met de waarschuwing dat het lang gaat duren voordat die allemaal zijn opgehaald. Ik beperk me dus tot het zoeken naar ‘hondengenoom’ en ‘kattengenoom’. Resultaat: twintig voor honden, zes voor katten. Het genoom van honden is eerder in kaart gebracht dan dat van katten.

Uit deze willekeurige greep mogen vooral geen conclusies worden getrokken, behalve dat het de indruk van de wetenschappers bevestigt dat naar honden meer onderzoek wordt gedaan.

Daarnaast kwam een collega nog met een suggestie die bij geen van de geïnterviewde deskundigen was opgekomen – een teken dat toewijding aan de wetenschap soms ook je blik vernauwt. ‘Zou het kunnen,’ vroeg die collega, die zelf zowel katten als honden heeft gehad, ‘dat er meer studies over honden dan over katten zijn omdat katten er gewoon niet aan wensen mee te werken?’

Natuurlijk. Waarom had ik daar zelf niet aan gedacht?

Auteur: James Gorman
Vertaler: Frank Lekens

The New York Times
Verenigde Staten | dagblad | oplage 540.000

De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistiek prijzen dan enig ander medium.

Dit artikel van James Gorman verscheen eerder in The New York Times.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.