• 14ymedio
  • Politiek
  • Wij Cubanen willen eindelijk een normaal leven

Wij Cubanen willen eindelijk een normaal leven

14ymedio | Yoani Sánchez | 16 november 2016

De Cubaanse blogger Yoani Sánchez beschrijft aan de hand van haar 
eigen familiegeschiedenis de opkomst en het failliet van het communisme in haar land. ‘Fidel is negentig. De jongeren hebben de tijd mee.’

Dit wordt een reis waarin drie perioden die mijn land heeft doorgemaakt de revue zullen passeren: een waarin jongeren hoop koesterden, een waarin ze gefrustreerd raakten en een waarin ze slim laveren tussen de vele hobbels op hun weg. Zonder hun veerkracht en moed 
zouden we nog minder rechten hebben en nog meer in de gaten gehouden en gecontroleerd worden. Zij deden het raam naar de vrijheid open toen de deur dicht was. Het zou past echt mooi zijn geweest als ze de drempel naar 
de vrijheid over waren gestapt zonder dat ze hun ideeën en politieke overtuigingen hoefden te verloochenen.

De eerste generatie is die van mijn vader. Hij was treinmachinist, lid van de Communistische Partij, onderdeel van de politieke orde die het in Cuba 
in 1959 voor het zeggen kreeg. Hij had geen keuze, hij kon alleen het pad 
volgen dat anderen voor hem hadden uitgetekend, de bebaarde jongens onder leiding van Fidel Castro en 
Che Guevara die in een heftige en gedenkwaardige periode hoopvol de bergen afdaalden en zich verscholen achter hun ‘historische opdracht’.

Mijn vader was nog een kind. Hij 
zag hoe zijn land veranderde. Er was euforie, er klonken strijdliederen en 
op de foto’s van toen kijken zijn landgenoten glimlachend en hoopvol naar de urenlang achter zijn spreekgestoelte orerende Grote Leider die zijn gestrekte wijsvinger demonstratief de lucht in steekt. Aan mijn vaders generatie de heroïsche taak om met alfabetiseringscampagnes en vrijwilligerswerk een rijk en ontwikkeld land van Cuba te maken. Kenmerkend voor die periode was het gevoel dat men aan de dag van morgen werkte, dat alle inspanningen, inzet en offers een betere toekomst zouden brengen voor de volgende generaties. Mijn vaders generatiegenoten waren jong, wilden plezier maken en de wereld ontdekken, maar namen genoegen met hun soldatenrol, want de volgende generaties zouden in een vrijer en welvarender Cuba leven.

Fidel Castro en Che Guevara, 1959. – © Camera Press / PR / Lat.
Fidel Castro en Che Guevara, 1959. – © Camera Press / PR / Lat.

Om die droom te laten uitkomen 
sloegen de leden van mijn vaders 
generatie de puberteit over, omarmden ze een doctrine die ver van hun bed stond – het marxisme-leninisme – 
en offerden ze hun beste jaren op het altaar van de geschiedenis op. Het was nooit genoeg, de regering vroeg steeds meer onbaatzuchtigheid en liet steeds minder ruimte voor zelfbeschikking. En klagen was uit den boze. Hun namen waren de eerste die op het zogeheten bonnenboekje werden genoteerd dat elke Cubaan recht gaf 
op dezelfde hoeveelheid producten. 
Zo voorkwam men sociale ongelijkheid en de wedergeboorte van de duivelse middenklasse die het Castro-regime door onteigening, stigmatisering en verbanning de nek had omgedraaid.

Mijn vader kon niet anders dan 
atheïst worden. De Cubaanse gezinnen verstopten hun schilderijen van het Heilig Hart van Jezus achter in de woonkamer, vermeden uitdrukkingen als ‘godzijdank’ en Kerstmis werd jarenlang uitgesteld. Voor de leiders was godsdienst niet alleen opium van het volk, het verschafte het individu een spirituele wereld waar zij geen toegang toe hadden. Wanneer Cubanen hun toevlucht namen tot het gebed of een smeekbede, raakten de partijambtenaren van het communistische systeem hun greep op hen kwijt. Op 
elk formulier dat ze moesten invullen voor een opleiding of een nieuwe baan stond die ene vraag over je geloofs-overtuiging. Velen stopten hun kruisje onder hun shirt, zeiden dat ze ‘trouwe kameraden’ waren en vinkten ‘nee’ aan. Nee, ze waren niet gelovig, en ja, met hun hand op het hart, ze geloofden alleen in de Revolutie, de Grote Leider en de Partij. Zo werd de basis gelegd voor de dubbele moraal waarvan de Cubaanse maatschappij doordrenkt is.

Gekleed in uniform, met militair kapsel en hoopvol over de toekomst kregen deze jonge mensen zelf kinderen, die ze grootbrachten in de overtuiging dat ze in een paradijs zouden leven waar iedereen gelijk en gelukkig zou zijn

Zij waren de Cubanen die vijftien jaar later, adolescenten inmiddels, deel 
uitmaakten van de troepen die naar 
de oorlogen in het verre Afrika werden gestuurd. Ze hadden geen flauw idee waarom. Ze waren niet meer dan dan kanonnenvlees, speelgoedsoldaatjes die door de Sovjet-Unie naar believen werden ingezet op het heftige strijdtoneel van de Koude Oorlog. Duizenden stierven, verloren hun verstand of vroegen zich huilend af wat de Cubanen in die oorlog te zoeken hadden.

Het was ook de generatie die afscheid moest nemen van familieleden die door het regime gedwongen werden 
te emigreren. In Camarioca en de haven van Mariel werden ze, groentjes zonder baardgroei nog, ingezet om tegen hun eigen familie ‘Laat het tuig maar opdonderen!’ te schreeuwen. Gekleed in uniform, met militair kapsel en hoopvol over de toekomst kregen deze jonge mensen zelf kinderen, die ze grootbrachten in de overtuiging dat ze in een paradijs zouden leven waar iedereen gelijk en gelukkig zou zijn.

Watervoorzieining in Oud-Havana, 1986.
Watervoorzieining in Oud-Havana, 1986.

Mijn generatie werd geboren in een land waar alles was voorgeprogrammeerd en waar voor jou werd beslist. 
Ik kwam ter wereld in een volkomen gesovjetiseerd Cuba.

Wij waren de ‘nieuwe mens’ voor wie het kapitalisme, de uitbuiting van de ene mens door de andere, de vrije markt van vraag en aanbod, respect voor privacy, en, uiteraard, vrijheid, niet bestonden. In het Cuba van de jaren zestig en zeventig wisten we wat onze collega aanhad en wat hij at in de kantine, want dat was exact hetzelfde als wat wij aten en wat wij droegen. Spreken in de eerste persoon enkelvoud werd een probleem. We spraken altijd in de wij-vorm, noemden elkaar ‘kameraden’ en hadden dezelfde dromen en angsten.

Vanuit het idee dat de 
massa van bovenaf moest worden 
aangestuurd werd mijn generatie naar de zogeheten plattelandsscholen gestuurd. Een sociaal en educatief laboratorium waar ze Cubanen van 
ons maakten die nog meer bij de 
Goede Zaak betrokken waren, die 
hun neus ophaalden voor bezit en 
die op elk moment bereid waren om hun schoolboeken in te ruilen voor 
een geweer als het vaderland – of de machthebbers die zich daarmee 
vereenzelvigden – daarom vroeg.

Als een mens in een door indoctrinatie gedomineerde omgeving zit, zal hij altijd iets voor zichzelf reserveren, een plek waar het gebazel van de macht niet te horen is en waarin geen enkele ideologie doordringt. Achter maskers van gezeglijkheid hielden we dit 
toevluchtsoord verborgen voor onze collega’s, familieleden of buren die 
ons wilden aangeven bij het systeem.

Havana, 1975. Twee vrouwen kletsen op straat. Op het bord staat: Lang leve de vriendschap tussen de Sovjet-Unie en Cuba. – © AP Photo / Charles Tasnadi
Havana, 1975. Twee vrouwen kletsen op straat. Op het bord staat: Lang leve de vriendschap tussen de Sovjet-Unie en Cuba. – © AP Photo / Charles Tasnadi

De machthebbers beloofden dat Cuba het paradijs op aarde zou worden, maar wij wilden nu van het leven genieten. We deden ons voor als makke schapen terwijl we steeds opstandiger werden. Routinematig scandeerden we leuzen die we een minuut later alweer vergeten waren. We leerden liegen, een masker 
opzetten, lauwtjes applaudisseren 
en eeuwige trouw 
zweren terwijl er diep van binnen alleen maar twijfel en apathie was. Leven was overleven geworden.

Toen we pubers waren viel de Berlijnse Muur. Al sloegen we zelf niet met hamers en beitels op dit symbool 
van een tijdperk, elke hamerklap resoneerde in ons hoofd. Mijn vader moest huilen om het communistische Duitsland dat hij ooit als ‘voorbeeldige arbeider’ had leren kennen en waar hij met eigen ogen had kunnen zien hoe de toekomst eruit zou zien. Maar ons hart maakte een vreugdesprongetje, ons gordijn – niet van ijzer maar van suiker – kon ook verdwijnen.

Honger

Nadat het congres van de Communistische Partij in 1991 had besloten dat gelovigen lid konden zijn van ’s lands enige politieke partij, haalden onze ouders hun oude, weggeborgen religieuze relikwieën weer tevoorschijn. Maar op datzelfde moment deed de honger zijn intrede, dat brandende gevoel in je maagstreek waardoor je aan niets anders meer kunt denken. Met het uiteenvallen 
van de Sovjet-Unie en het verdwijnen van het socialisme raakte Cuba zijn subsidies en de ‘rechtvaardige handel tussen de volken’ kwijt waarmee het decennialang het hoofd boven water had gehouden. Het wisselgeld dat ons afhankelijk maakte van het Kremlin was er niet meer.
We werden hard met onze neus op 
de feiten gedrukt. De werkelijkheid was wreed, droevig en uitzichtloos. Een wereld van verschil met de toekomstdromen waarmee mijn vader me in slaap had gesust toen ik klein was. 
Zijn generatie liet ons een zieltogende doctrine na; aan ons de zware taak haar te begraven.

De crisis rond de bootvluchtelingen 
die in augustus 1994 uitbrak, was een van de talloze manieren van mijn generatiegenoten om onze illusies 
ten grave te dragen. We trokken niet protesterend naar de pleinen, we haalden geen muren neer. Veel Cubanen gaven er de voorkeur aan om in wrakke bootjes de zee en de golven te trotseren.

Op de Malecón-boulevard in 
Havana zag je gedesillusioneerde 
mannen van mijn vaders leeftijd maar ook gefrustreerde jongeren in de kracht van hun leven vlotten in elkaar timmeren. Zij gingen weg, wij zwaaiden hen uit. Met hun vertrek begon 
het cynisme, het niets, de apathie, 
de desillusie, een periode waarin we nergens meer in geloofden maar ons ook niet verzetten. We hadden in onze vaderlandse geschiedenis het punt bereikt waarop je alleen het vege lijf probeerde te redden.

Een muurschildering van Che Guevara in Havana, 2016. – © AP Photo / Desmond Boylan
Een muurschildering van Che Guevara in Havana, 2016. – © AP Photo / Desmond Boylan

Terwijl de vluchtelingenbootjes met ruisende roeispanen richting Florida koersten en de stijfkoppige regering opriep om vol te houden in deze woelige economische tijden, zette mijn generatie zich aan de moeilijke taak van het ouderschap. De baby’s die werden 
geboren waren de kinderen van de 
ontgoocheling: de kleinkinderen van een generatie die brieste dat ze hun beste jaren aan een mislukt project 
hadden gegeven en de kinderen van 
een generatie die de ‘nieuwe mens’ had moeten voortbrengen maar die niet eens de ‘goede mens’ had voorgebracht.

Van de jongeren van tegenwoordig kun je niet veel verwachten, en toch doen ze het beter dan wij. De generatie van mijn zoon – hij is 21 – is grootgebracht met onze scepsis; ze hebben ons horen fulmineren bij de staatstelevisie, ons inkopen zien doen op de zwarte markt, ons heimelijk weg zien sluipen van 
de optochten en ons zachtjes horen mompelen dat we hoopten dat onze toekomst niet zou zijn waar onze ouders van hadden gedroomd. Inmiddels hadden we wel begrepen dat het paradijs een gouden kooi was waarin anderen ons wilden opsluiten.

Schouderophalend – dat typisch Cubaanse gebaar waarmee we willen zeggen: ‘kan mij wat schelen’ – 
ontmantelt de jongste generatie wat 
er nog over is van het communistische systeem. Dit doen ze zonder zichzelf 
op de borst te kloppen, misschien niet helemaal van harte en een tikkeltje gedesinteresseerd. Niets van wat er vanaf het spreekgestoelte klinkt raakt hen of maakt hen bang. Anders dan 
de Cubanen die hen voorgingen, kent de generatie die nu jonger is dan 25 
de rantsoenbonnen niet waarmee je per jaar slechts een broek of shirt kon kopen. Of ze ooit een toespraak van Fidel Castro hebben gehoord, herinneren ze zich niet en ze hebben nooit punten voor goed gedrag op het werk of voor de partij hoeven verzamelen 
om een huishoudelijk apparaat te mogen kopen.

De generatie van mijn zoon zoekt het niet in de revolutie, want ze weten wat daarvan komt

Op het eiland waar zij wonen kun je apparaten zoals een 
ijskast nu alleen krijgen met echt geld. De zwarte markt heeft zich in alle uithoeken van de maatschappij genesteld. Zo ongeveer vanaf hun peutertijd 
zitten deze Cubaanse millenniumkinderen vastgeplakt aan het toetsenbord van hun computer. Hun ouders kochten de eerste computers en laptops 
op de illegale markt. Via alternatieve distributiekanalen kregen ze hun 
eerste kilobytes en videospelletjes, 
die niets te maken hebben met de 
ideologie die ze op school leren.

Met hun op Japanse manga’s, de internationale showbizz of tegendraadsheid geïnspireerde kapsels bepalen zij het straatbeeld. De generatie van mijn zoon zoekt het niet in de revolutie, want ze weten wat daarvan komt. Ze hebben geleerd om toespraken te wantrouwen van de Robin Hoods die geld van de 
rijken afpakken dat ze daarna eerlijk onder de armen verdelen, maar die niet geleerd hebben hoe je rijkdom creëert, hoe je een welvarend land vol mogelijkheden opbouwt zoals de in een olijfkleurig uniform gestoken man met baard uit de bergen ooit beloofde. Ze hebben hetzelfde uiterlijk en dezelfde dromen als jongeren uit Duitsland, Engeland of Guatemala. Ze kijken met de nodige minachting achterom en 
met een zeker vertrouwen naar een 
toekomst die niet zal zijn zoals de 
sciencefictionboeken uit de vorige eeuw voorspelden, maar ook niet zoals de totalitaire regimes predikten. Ze 
denken dat de toekomst in elk geval menselijker, pluriformer en vrijer zal zijn.

‘Jongeren van nu’ in een kapperszaak in Havana. – © HH
‘Jongeren van nu’ in een kapperszaak in Havana. – © HH

Als iemand tegen hen zegt dat het 
castroïsme nooit zal verdwijnen en 
dat Cuba nooit meer een democratie zal worden met alle imperfecties en risico’s die daarbij horen, glimlachen de jonge Cubanen en herinneren ze ons eraan dat er gedreven jongeren aan de basis stonden van de omwentelingen in het verre Rusland. Net als die jongeren zeggen ze tegen zichzelf dat het niet uitmaakt dat de mannen met hun ‘historische opdracht’ de scepter zwaaien; zij – fris en kritisch – hebben de tijd mee. Net als elders in de wereld groeien ze op, gaan ze naar de sportschool, luisteren ze naar illegaal gedownloade muziek, maken selfies 
en proberen hun leven via internet 
met anderen te delen, ook al leven ze in een land waar de overheid beducht is voor informatie. Het zijn twintigers, 
en Fidel is negentig. Ze horen bij de eenentwintigste eeuw, en de caudillo zit gevangen in de twintigste eeuw.

Deze kleinkinderen van de offergeneratie en kinderen van de utopiegeneratie vormen een groot deel van de emigratiegolf in Midden-Amerika. Ze lijden, sterven en leggen hun lot in handen van mensensmokkelaars om te vluchten uit een land dat nu het paradijs 
op aarde had moeten zijn dat de oudere generatie hun had beloofd. Deze jongeren zijn de toekomst. Ze geven haar gestalte op hun eigen manier. Zonder naar de adviezen van hun ouders te luisteren. Ze zijn jonger dan dertig, waarom zouden ze dan de weg volgen die anderen voor hen hebben uitgestippeld? Vooral als die anderen zich 
zo enorm hebben vergist. Het zijn de kleinkinderen en de kinderen van een hersenschim. Ze zijn pragmatisch genoeg om te vergeten en meelevend genoeg om te kunnen vergeven. Zij zullen wonen in een Cuba waar we nooit op hadden durven rekenen. Een land waar voor iedereen plaats is.

Auteur: Yoani Sánchez
Vertaler: Henriëtte Aronds

14ymedio
Cuba | 14ymedio.com

Eerste onafhankelijk digitale medium in Cuba. Opgericht in 2014 door de Cubaanse activistische blogger Yoani Sánchez en de Cubaanse journalist Reinaldo Escobar. Omdat Cuba van alle landen in de wereld zo ongeveer de laagste internetconnectiviteit heeft, en de onlinecontent bovendien voortdurend door de overheid wordt gecheckt en gecensureerd, werkt de redactie niet online maar zet de content klaar en loadt die dan up in hotellobby’s. Van de 11,2 miljoen mensen in Cuba heeft iets meer dan een vijfde toegang tot het internet, en dan nog met name tot intranet, dat door de regering wordt beheerd.

De auteur

Yoani Sánchez is een journaliste die vanuit Cuba onafhankelijk en kritisch bericht over het Cubaanse regime. ‘Ik verdedig geen speciale zaak, ik verdedig de vrijheid en de vrijheid van informatie,’ verklaarde ze op 7 oktober tegenover de Guatemalaanse webkrant Soy502.

Vanaf de veertiende verdieping van een flatgebouw in Havana – vandaar de naam 14ymedio – leidt zij sinds 2014 haar webkrant met een redactie van een tiental medewerkers, van wie de meesten vrijwilligers. Om de publicatie te kunnen bekostigen ontvangt zij financiële bijdragen van privépersonen.

Voordien publiceerde zij vanaf 2007 een blog, Generación Y, waarmee ze naam maakte in het buitenland, maar dat niet in goede aarde viel bij de autoriteiten in eigen land. Ze werd tal van malen lastiggevallen vanwege haar artikelen over het dagelijkse leven in Cuba en het optreden van overheidsinstanties. Haar landgenoten kunnen niet rechtstreeks kennis nemen van haar publicaties, want de toegang tot 14ymedio wordt in Cuba geblokkeerd. Maar, zo zei ze tegen Soy502, de artikelen worden er als pdf en via e-mail toch verspreid.

BELANGRIJKE GEBEURTENISSEN IN CUBA

1959 1 januari Na twee jaar guerrilla maakt Fidel Castro een triomfantelijke intocht in Havana. In februari neemt hij de leiding van de regering op zich. Dictator Fulgencio Batista wijkt uit naar het buitenland.

1961 7 oktober Nederlaag van de anti-Castro-gezinden, die door de VS worden gesteund en een landing uitvoeren in Playa Girón (Varkensbaai).

1962 De Amerikaanse president John Kennedy vaardigt een volledig embargo tegen Cuba uit.

1990 De Cubaanse regering neemt een reeks bezuinigingsmaatregelen om na de val van de Sovjet-Unie de economische crisis de baas te worden. Deze maatregelen vormen het begin van de ‘Speciale Periode’.

2008 Fidel Castro treedt af en wordt opgevolgd door zijn broer Raúl.

2014 Begin van de diplomatieke toenadering tussen de VS en Cuba.

Dit artikel van Yoani Sánchez verscheen eerder in 14ymedio.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.