• Places Journal
  • Reader
  • 1. Een stad is geen computer

1. Een stad is geen computer

Places Journal | New York | Shannon Mattern | 31 augustus 2017

In Silicon Valley wordt gedroomd van splinternieuwe steden waar alles wordt geregeld door technologie. Dom en gevaarlijk, meent Shannon Mattern.

‘Waarin moet een stad naar perfectie streven?’ Zelfs in een tijd dat Silicon Valley op zijn hoogtepunt is, blijft het moeilijk om die vraag serieus te nemen. (Grappenmakers op Twitter hadden wel een paar ideeën, zoals ‘vistaco’s’.) Maar kijk voorbij het sarcasme en je ziet een ideologie in opkomst.

De vraag werd afgelopen zomer gesteld door Y Combinator – de reusachtige tech-investeerder die zeker duizend start-ups heeft gefinancierd, van airbnb en dropbox tot robotkassen en een bezorgdienst van wijn per glas. Het gebeurde bij de presentatie van een nieuwe onderzoeksagenda onder de naam New Cities, oftewel: splinternieuwe steden bouwen. Het oordeel van het blad Wired: ‘Niet helemaal gestoord.’

Wat niet wil zeggen dat het een verstandig idee is. Tegenover elke zinnige vraag die Y Combinator stelde – Hoe kunnen steden ertoe bijdragen dat meer inwoners gelukkig zijn en het beste uit zichzelf halen? – stond een onzinnige: Hoe moeten we de effectiviteit van een stad meten; Wat zijn de KPI’s van een stad? (Voor wie niet zo thuis is in het managementjargon: KPI’s, ofwel Key Performance Indicators, zijn indicatoren waaraan de prestaties van een organisatie worden afgemeten.) Er was nauwelijks aandacht voor de stedenbouwkundig ontwerpers, stadsplanners en wetenschappers die al eeuwenlang de grote vragen stellen: hoe functioneren steden en hoe kunnen ze beter functioneren?

Natuurlijk, het kan best zijn dat geen stad iets zal merken van dit onderzoek. Toch verdient de retoriek de aandacht, al was het maar omdat alle retoriek in dit nieuwe politieke tijdperk nader bekeken moet worden. Luister naar de eerste die is ingehuurd door New Cities: Ben Huh, oprichter van het tech-imperium Cheezburger, van de grappige kattenfilmpjes. ‘Er is alle ruimte om nieuwe steden te bouwen’, juichte hij in een post waarin hij toelichtte waarom hij zich aan het Y Combinator-project had verbonden. ‘Technologie kan vruchtbare startomstandigheden creëren in allerlei staten en gebieden.’ Het doel dat hij zich voor de komende zes maanden heeft gesteld: ‘Een open en herhaalbaar systeem voor snelle cityforming opzetten, dat het beste uit het menselijk potentieel haalt.’

Welja.

Sidewalk Labs

Ondertussen is Googledochter Alphabet bezig met plannen om haar eigen perfecte steden te bouwen. De urban tech-divisie van het bedrijf, Sidewalk Labs, heeft al openbare wifi-kiosks op de straten van New York geïnstalleerd: infrastructurele knooppunten (links) die ooit data zullen uitwisselen met zelfrijdende voertuigen, openbaar vervoer en andere stedelijke systemen. Het bedrijf werkt ook, samen met het Amerikaanse ministerie van Verkeer, aan experimenten als de ‘Smart City Challenge’, dat een subsidie van vijftig miljoen dollar toekende aan de stad Columbus in Ohio. Afgelopen juni, op dezelfde dag dat Y Combinator zijn New Cities-project lanceerde, publiceerde The Guardian informatie over ‘Flow’, de cloudsoftware van Alphabet achter de mobiliteitsexperimenten in Columbus. Binnen enkele maanden werden in zestien andere steden ook partnerschappen opgericht.

Stadsvervoer is het eerste doelwit om op de schop te nemen, maar daarmee zal het niet eindigen. Dan Doctoroff, partner bij Michael Bloomberg, die Sidewalk Labs oprichtte, vraagt zich af: ‘Hoe zou een stad eruitzien in het internettijdperk, als je vanuit het niets begon – als je een stad opbouwde, “vanaf het internet”?’ In oktober zette het bedrijf een nieuwe stap in die richting met de lancering van vier nieuwe ‘labs’ die zich bezig gaan houden met de betaalbare huisvesting, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening, gemeentelijke procedures en wijkparticipatie. Het bedrijf wil pilotprojecten opzetten in een paar stedelijke gebieden en die dan uitbreiden. Bij de aankondiging hiervan verwees Doctoroff naar vroegere ‘revoluties’ op het gebied van stedelijke technologie.

‘Als je naar de geschiedenis kijkt, zie je dat de belangrijkste perioden van economische groei en productiviteit altijd zijn begonnen met innovaties in de fysieke omgeving, met name in steden. De stoommachine, het elektriciteitsnet en de automobiliteit hebben allemaal gezorgd voor wezenlijke verandering in het stadsleven, maar sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog hebben we niet veel echte verandering gezien in onze steden. Vergelijk je foto’s van steden in 1870 met foto’s van steden in 1940, dan is er een verschil van dag en nacht. Maak je dezelfde vergelijking tussen 1940 en nu, dan is er nauwelijks iets is veranderd. Daarom is het geen wonder dat ondanks de opkomst van computers en internet de groei traag is en de verhoging van de productiviteit zo langzaam gaat… Misschien is het dus onze missie om het proces van stedelijke innovatie te versnellen.’

We weten niet hoe het deze stedelijke experimenten zal vergaan. Ze verkeren in een voortdurende staat van ontwikkeling, waarbij telkens weer een ‘nieuwe versie’ wordt uitgebracht in de richting van het optimale model dat ergens in het verschiet ligt, en dat maakt het lastig om ze te bespreken of beoordelen. Maar als je de marketinghype mag geloven staan we aan de vooravond van een stedelijke toekomst met een ongekende efficiency, samenhang en sociale harmonie, dankzij ingebouwde sensoren, alomtegenwoordige camera’s en signalen, genetwerkte smartphones en de besturingssystemen die dit allemaal aan elkaar knopen.

Programmeur en tech-publicist Paul McFedries verklaart deze denkwijze zo: ‘De stad is een computer, het stratenplan is de interface, jij bent de cursor en de input komt via je smartphone. Dit is de user based, bottom-up-versie van het idee van de stad als computer, maar er is ook een top-down-versie, die systems based is. Die kijkt naar stedelijke systemen zoals vervoer, vuilnis en water en vraagt zich af of de stad efficiënter en beter georganiseerd zou kunnen zijn als die systemen “smart” waren.’

Moderniteit is altijd sterk in het vernieuwen van metaforen, van de stad als machine, de stad als organisme of ecosysteem tot de stad als cyborgachtige versmelting van technologie en het organische. Ons huidige paradigma, de stad als computer, klinkt aantrekkelijk omdat het doet alsof de rommeligheid van het stedelijk leven programmeerbaar en rationeel te ordenen is. En je kunt er ook echo’s uit de premoderne tijd in horen. De computerstad ontleent kracht aan een idee over stedelijkheid dat millennia teruggaat, naar de stad als instrument voor het opslaan van gegevens en het managen van informatie.

We hebben onze steden lang gezien als bewaarders van kennis en verwerkers van data, en zo hebben ze ook altijd gefunctioneerd. Historicus Lewis Mumford merkte op dat toen de rondtrekkende heersers van de Europese middeleeuwen zich in hoofdsteden gingen vestigen, ze een ‘regiment van klerken en permanente ambtenaren’ installeerden en allerlei soorten papierwerk en beleidsmaatregelen invoerden (aktes, belastinggegevens, paspoorten, boetes, regels), die een nieuw stedelijk instrument noodzakelijk maakten: het kantoorgebouw, waarin de bureaus en bureaucratie onderdak vonden. Het klassieke voorbeeld is de Uffizi (kantoren) in Florence, halverwege de zestiende eeuw ontworpen door Giorgio Vasari – een architectonisch model dat in steden over de hele wereld is gekopieerd. ‘De herhalingen en strakke indeling van het bureaucratisch systeem’ – de arbeid van het verwerken, ordenen en opslaan van data – liet ‘diepe sporen na’, zoals Mumford het formuleerde, op de vroegmoderne stad.

We moeten zien wie de menselijke, institutionele en technologische scheppers van data zijn, degenen die de data beheren, bewaren, bezitten of verhandelen, de ‘gebruikers’ ervan, de hackers en de critici

Toch begon de informatiefunctie van de stad nog eerder. In de antieke wereld ontwikkelden het schrijven en de verstedelijking zich naast elkaar en die vroege geschriften – op kleitabletten, lemen muren, en in de vorm van verschillende soorten landschapskenmerken – werden gebruikt om transacties vast te leggen, territoria af te bakenen, rituelen uit te voeren en inhoudelijke informatie in het landschap op te nemen. Mumford beschreef de stad als een fundamenteel communicatieve ruimte, rijk aan informatie: ‘Via zijn concentratie van fysieke en culturele macht verhoogde de stad het tempo van intermenselijke betrekkingen en vertaalde de stad de producten daarvan in vormen die konden worden opgeslagen en gereproduceerd. Via zijn monumenten, geschreven gegevens en ordelijke organisatiegewoonten vergrootte de stad de reikwijdte van alle menselijke activiteiten, door ze achteruit en vooruit in de tijd uit te breiden. Dankzij zijn opslagmogelijkheden (gebouwen, kluizen, archieven, monumenten, tabletten, boeken) kon de stad van generatie op generatie een complexe cultuur overdragen, omdat daarvoor niet alleen de fysieke middelen beschikbaar waren, maar ook de mensen die nodig waren om deze erfenis door te geven en te vergroten. Dat blijft het grootste geschenk van de stad. Vergeleken met de complexe menselijke orde van de stad zijn onze huidige slimme elektronische mechanismen voor het opslaan en overbrengen van informatie primitief en beperkt.’

Als hij vandaag leefde, zou Mumford het om zich heen grijpende idee dat de stad simpelweg een groot internetscript is, verwerpen. Hij zou ons eraan herinneren dat de processen die een stad maken tot wat hij is, gecompliceerder zijn dan het schrijven van parameters om snel tot het beste gebruik van ruimte te komen. Hij zou aankomen met geschiedenis en toeval. De stad is geen computer. Dit klinkt wel erg als een open deur, maar het wordt (voor de zoveelste keer) ter discussie gesteld door technologen (en politici) die praten alsof ze stadsplanning kunnen reduceren tot algoritmes.

Waarom zouden we nog moeite doen om te protesteren tegen duidelijk onjuiste metaforen? Omdat uit die metaforen technische modellen ontstaan, die weer de gegevens leveren voor ontwerpprocessen, die op hun beurt de kennis en beleid vormgeven, om het nog niet eens te hebben over de werkelijke steden.

Beschouwen wij data als ‘gegeven’ (wat ook eigenlijk de oorsprong van dat woord is), dan zien we dat als een abstractie, als een vaststaande stedelijke entiteit, zoals verkeer of mensenmassa‘s. We moeten onze blik anders richten en kijken naar data in hun context, naar de levenscyclus van stedelijke informatie, verspreid in een gevarieerd samenstelsel van stedelijke plekken en voorwerpen die er op veel manieren mee interacteren. We moeten zien wie de menselijke, institutionele en technologische scheppers van data zijn, degenen die de data beheren, bewaren, bezitten of verhandelen, de ‘gebruikers’ ervan, de hackers en critici. Zoals Mumford begreep gebeurt er meer dan alleen informatieverwerking. Stedelijke informatie wordt gemáákt, ingedeeld, geraadpleegd, geheim gemaakt, gepolitiseerd en aangewend.
Maar waar? Kunnen we de chips en drives, de kabels en magazijnen aanwijzen – de specifieke stedelijke architectuur en infrastructuur – waar dit uitgebreide samenstelsel van informatiemanagement zetelt en werkt? Ik heb eerder al geschreven over de uitdagingen van het reduceren van technische en intellectuele structuren tot hun materiële, geografische verschijningsvormen, oftewel het in kaart brengen ‘waar de data wonen’. Toch kunnen zulke oefeningen nuttig zijn om erachter te komen waar die data binnenkomen in het grotere systeem. Daarbij gaat het niet alleen om het infrastructurele object; ook personeel en papierwerk en protocollen, de machines en de managementactiviteiten, de verschillende kanalen en de culturele variabelen hebben hun eigen plek binnen het bredere samenstelsel van de stedelijke informatie.
Dus de volgende keer dat je opkijkt naar een Domain Awareness-camera [D.A. is een surveillancesysteem, ontwikkeld voor de politie van New York], vraag dan eens hoe die daar gekomen is, hoe hij data genereert – niet alleen hoe hij technisch werkt, maar ook welke informatie hij beweert te verzamelen en via welke methode – en wiens belangen hij dient. En laat het alomvattende idee van de stad als computer je niet blind maken voor de talloze andere datavormen en informatie genererende plekken in de stad: gemeentelijke diensten, universiteiten, ziekenhuizen, laboratoria, bedrijven. Allemaal hebben ze hun eigen benadering van stedelijke informatie. Laten we eens naar een paar van de meer openbare daarvan kijken.

Om te beginnen het gemeentearchief. De meeste steden hebben tegenwoordig een archief met gegevens over bestuurlijke activiteiten, financiën, landeigendom, belastingen, wetgeving en arbeid. De archieven van antieke Mesopotamische en Egyptische steden bevatten vergelijkbaar materiaal, al zijn historici het er nog niet over eens of de verslaglegging in die tijd dezelfde bewaarfunctie diende. Archieven maken financiële verantwoording mogelijk, geven symbolisch draagvlak aan bestuurslichamen en koloniale overheersers en wissen het erfgoed van vroegere regimes en overwonnen volken. Ze leggen het historische besef en de culturele rijkdom van een cultuur vast. In de moderne tijd ondersteunen ze ook wetenschappelijk onderzoek. Zo bevindt de ‘informatie’ van deze archieven zich niet alleen in de inhoud van de documenten, maar ook puur in het feit dat ze bestaan, in hun herkomst en de manier waarop ze zijn gedocumenteerd (er valt veel te leren over de idealen van een cultuur door te bestuderen hoe die zijn archieven heeft ingericht), en zelfs in wat er ontbreekt of vernietigd is.

Stadsarchieven hebben zich in hun manier van werken en hun beheers- en toegangsbeleid altijd onderscheiden van die andere belangrijke vindplaats van stedelijke informatie: bibliotheken. Terwijl stadsarchieven ongepubliceerd materiaal verzamelen en in de eerste plaats zorgen voor behoud en beveiliging daarvan, verzamelen bibliotheken gepubliceerd materiaal met als doel dat leesbaar en toegankelijk te maken voor hun doelgroepen. In de praktijk is dat onderscheid vaag en discutabel, zeker nu veel archieven juist naar meer openbaarheid streven. Niettemin vertegenwoordigen deze twee instellingen twee verschillende systemen en ideologieën rondom kennis.

Moderne bibliotheken en bibliothecarissen bouwen een kritisch raamwerk rond hun bronnen, vaak in samenwerking met scholen en universiteiten. Verder vervullen bibliotheken een belangrijke symbolische functie, omdat ze laten zien hoeveel belang de stad aan zijn intellectuele erfgoed hecht (ook als dat erfgoed is verworven via imperialistische activiteiten).

Zo tonen ook de musea van een stad het belang dat de stad hecht aan kennis in zijn beeldende vorm, aan zijn kunstvoorwerpen en materiële cultuur. Ook deze instellingen staan open voor ideologische beoordeling. Aankoopbeleid, manieren van tentoonstellen en toegangsregels zijn direct en tastbaar en weerspiegelen een bepaald cultureel en intellectueel beleid.

Net zo belangrijk als de opgeslagen data op de servers, in de archiefdozen, op de bibliotheekplanken en aan de museummuren van de stad, is de stedelijke kennis die niet gemakkelijk kan worden bewaard, ingelijst en gecatalogiseerd. We moeten ons afvragen: welke ‘informatie’ die bij een bepaalde plek hoort, past niet op een plank of in een database? Wat zijn de niet-tekstuele, niet vast te leggen culturele herinneringen? Deze vragen zijn vooral relevant voor gemarginaliseerde volken, inheemse culturen en zich ontwikkelende landen.

Theaterwetenschapper Diana Taylor dringt aan op een erkenning van kortstondige, uitvoerende vormen van kennis, zoals dans, rituelen, koken, sport en spraak. Deze zijn niet terug te brengen tot ‘informatie’, en kunnen ook niet worden ‘verwerkt’, opgeslagen of via glasvezelkabel overgebracht. Toch zijn het levende stedelijke kennisbronnen die bestaan in lichamen, hoofden en gemeenschappen.

Omgevingsinformatie

Denk tot slot eens aan al die gegevens overal om ons heen die voortkomen uit de omgeving en bij een plek of object horen. Hoogleraar architectuur Malcolm McCullough heeft laten zien dat onze steden bestaan uit vaststaande architectuur, terreinelementen en omgevingspatronen, die de basis vormen voor alle ongestructureerde data en beeldenstromen die daar bovenop drijven. Wat kunnen we leren van de ‘niet-semantische informatie’ in schaduwen, in de wind, in roest, in de tekenen van slijtage op een veelbelopen trap, het kraken van een oude brug – al die typerende boodschappen van onze materiële omgeving? Ik zou zeggen dat de intellectuele waarde van deze inherente omgevingsinformatie groter is dan haar rol als vaste basis voor de digitale doorstroming van de stad. Data vanuit de omgeving zijn evenzeer vorm als basis. Ze herinneren ons aan noodzakelijke waarheden: dat stedelijke kennis verschillende vormen heeft, dat ze wordt geproduceerd binnen een omgevings- en culturele context, dat ze in de loop der tijd een nieuwe vorm krijgt door blootstelling aan de elementen en stedelijke ontwikkeling, dat ze verloren kan gaan of vergeten worden. Deze data herinneren ons eraan dat we moeten denken aan klimaat, aan geologie, en niet alleen aan financiële markten, vervoerspatronen en nieuwscycli.

Lees dit geologisch inzicht in het gedicht The Rock uit 1934 van T.S. Elliot:

Waar is het leven dat we verloren door te leven?
Waar is de wijsheid die we verloren in kennis?
Waar is de kennis die we verloren in de informatie?

Managementtheoreticus Russel Ackoff voerde het idee van Elliot nog een stap verder, met zijn inmiddels beroemde (en veelbesproken) hiërarchie: Data < Informatie < Kennis < Wijsheid. Elk niveau van verwerking gebruikt iets uit het niveau daaronder. Zo kunnen data in context of via patroonherkenning informatie genoemd worden.

Toch verwijst de term ‘informatieverwerking’, of die nu wordt gebruikt in de computerwetenschap, de cognitieve psychologie of in de stedenbouwkunde, meestal naar computertoepassingen. Zoals Riccardo Manzotti uitlegt: wanneer neurowetenschappers de metafoor van het brein als computer gebruiken, impliceren ze daarmee dat informatie ‘spul’ is dat geestelijk wordt ‘verwerkt’, terwijl ze weten dat dat niet werkelijk zo is. De metafoor overleeft omdat ze zo onweerstaanbaar laat zien ‘hoe schitterend complex wij zijn en hoe slim wetenschappers zijn geworden’.

Psycholoog Robert Epstein klaagt dat ‘enkele van de meest invloedrijke denkers ter wereld grote voorspellingen hebben gedaan over de toekomst van de mensheid, die afhankelijk zijn van de geldigheid van de metafoor’. Maar het is niets nieuws om een beroep te doen op het middel van de vergelijking. Het brein is (net als de stad) door de eeuwen heen altijd onderwerp geweest van ondeugdelijke metaforen, afgeleid uit de technologieën van die tijd. Volgens Epstein hebben we ons onszelf voorgesteld als klompen klei met geesten erin, als hydraulische of elektrochemische systemen, als automaten. ‘Het brein als computer’ is slechts de laatste schakel in een lange keten van metaforen die op krachtige wijze hun eigen beeld geven aan wetenschappelijke inspanningen.

Misschien zouden kwantumverstrengeling en andere doorbraken in de computerwetenschap ook kunnen zorgen dat we op een andere manier gaan denken over stedelijke informatie

Zo conditioneert ook het model van ‘de stad als computer’ het ontwerp, de planning, de politiek en het bestuur van steden – en zelfs de dagelijkse ervaringen van hun inwoners – zodanig dat het de ontwikkeling van gezonde, rechtvaardige en veerkrachtige steden in de weg staat. Laten we de kritiek van Manzotti en Epstein eens toepassen op het niveau van de stad. We hebben gezien dat stedelijke omgevingen data ‘verwerken’ via middelen die niet strikt algoritmisch zijn en dat niet alle stedelijke kennis ‘informatie’ genoemd kan worden. Je kunt de plaatselijke culturele gevolgen van heersende weersomstandigheden niet ‘verwerken’ en je kunt geen inzichten halen uit de ontwikkeling van een wijk van de ene generatie op de andere, zonder een bepaalde mate van gevoeligheid die uitstijgt boven pure computerberekeningen. Bij dit soort stedelijke kennis hoort lokaal gebaseerde ervaring, observaties door betrokkenen, zintuigelijke waarneming. Voor het denken over steden hebben we nieuwe modellen nodig, die niet in de computer gaan, en we hebben een nieuwe terminologie nodig.

We moeten ons repertoire (om een term van Diana Taylor te lenen) aan stedelijke kennissoorten uitbreiden, om te kunnen putten uit de wijsheid van informatiewetenschappers, cognitief psychologen, filosofen en anderen die nadenken over het managen van informatie en de productie van kennis. Zij kunnen ons helpen beter te begrijpen hoeveel soorten inherente kennis er bestaan in onze steden, die heel veel armer zouden zijn als ze herbouwd of nieuw gebouwd zouden worden met computerlogica als overheersende kennisbron.

We zouden dan ook meer openstaan voor de levenscycli van stedelijke informatiebronnen – voor de schepping, het beheer, het beschikbaar stellen, het behoud en de afbraak daarvan – en voor de aanleg van stedelijke vindplaatsen en onderwerpen die het intellectuele landschap van onze steden vormen. ‘Als we de stad zien als een bouwwerk voor de lange termijn, met complexe gedragingen en processen voor vorming, feedback en verwerking,’ zegt architect Tom Verebes, dan kunnen we ons die stad voorstellen als een organisatie, of zelfs als een organisme dat kan leren. Stedenbouwkundigen en ontwerpers gebruiken nu al concepten en methoden uit het onderzoek naar kunstmatige intelligentie: neurale netwerken, cellulaire processen, evolutionaire algoritmes, mutatie en evolutie. Misschien zouden kwantumverstrengeling en andere doorbraken in de computerwetenschap ook kunnen zorgen dat we op een andere manier gaan denken over stedelijke informatie. Toch moeten we oppassen dat we deze interdisciplinaire wetenschap niet vertalen in een nieuw stedelijk formalisme.

We moeten ook de tekortkomingen herkennen in modellen die uitgaan van de objectiviteit van stedelijke gegevens en belangrijke, vaak ethische beslissingen voor het gemak overlaten aan de machine. Wij mensen máken stedelijke informatie met verschillende middelen: via zintuigelijke ervaring, door lang op een plek te verblijven, en ja, door systematisch gegevens te filteren. Het is noodzakelijk dat we in onze steden ruimte maken voor die diverse methoden van kennisproductie. En we moeten de politieke en ethische implicaties van onze methoden en modellen onder ogen zien, die ingebed zijn in alles wat we doen op het gebied van planning en ontwerp. Een stad máken is altijd tegelijkertijd een vorm van een stad kennen – en dat valt niet terug te brengen tot computerberekeningen.

Auteur: Shannon Mattern

Shannon Mattern doceert Media Studies aan The New School in New York.

De illustraties in dit dossier bestaan uit inzendingen van de Audi Urban Future Award, een tweejaarlijkse competitie waarbij architecten, urbanisten en anderen zich buigen over mobiliteit in steden van de toekomst. Deze inzending van Höweler+Yoon Architecture is gemaakt voor de regio Washington-Boston. – © Audi Urban Future Initiative

Lees ook onze dossierstukken uit editie 51 terug over de stad van de toekomst:
1. Masdar
2. Songo: https://blendle.com/item/bnl-360-20170907-320b9c0a02cc
3. Slimme steden in Afrika

Places Journal
VS | placesjournal.org

Betrouwbare bron voor wie geïnteresseerd is in de toekomst van architectuur, landschap en urbanisme.

Dit artikel van Shannon Mattern verscheen eerder in Places Journal.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.