• Stern
  • Politiek
  • 71 levens

71 levens

Stern | Felix Hutt | 30 maart 2017

Eind augustus 2015 werd een vrachtwagen aangetroffen op een parkeerplaats in Oostenrijk. In de laadruimte vond de politie de lichamen van 71 vluchtelingen. Hun dood werd het symbool van de mislukte Europese vluchtelingenpolitiek. Felix Hutt vroeg zich af: wie waren deze mensen?

Als de beide agenten van de verkeerspolitie Potzneusiedl/Burgenland op de ochtend van 27 augustus 2015 tegen elven op de vrachtwagen af lopen, worden ze vanaf de rechterachterdeur aangestaard door een kip. ‘Ik smaak zo goed omdat ik zulk goed voer krijg’, staat op de reclamefoto boven de kop van het dier te lezen. Via de kieren van de laadruimte drupt roodachtig vocht op het asfalt. De stank slaat de agenten tegemoet. Wanneer de bergers later wordt gevraagd deze geur te beschrijven, schudden zij het hoofd en maken daarbij afwerende gebaren. Onmogelijk, zeggen ze, zoiets roken ze nog nooit.

De koelwagen van het type Volvo FL 180 met het Hongaarse kenteken Z-12198 heeft jarenlang met slachtkippen door Slowakije gereden, tot de firma Hyza hem afdankte en naar Hongarije verkocht. Hij staat al langer dan een dag op de parkeerstrook langs de A4 richting Wenen, vlak bij de afrit Parndorf. Aangezien deze autosnelweg van Wenen naar Hongarije en Servië loopt, staat hij ook wel bekend als de Balkanroute. Er worden wel vaker oude auto’s achtergelaten. Prioriteit heeft zoiets niet. Het is ruim 30 graden, vakantietijd, een superzomer. Naar de Neusiedler See is het niet ver en in het Outlet Center naast de weg zal die avond het populaire late-night-shopping plaatsvinden. Met Furla-damestassen van € 353 voor maar € 70.

Nahed Asker met haar dochter Tala en haar zoon Said in hun woning in Wenen. Asker verloor haar man in de koelwagen. – © Philipp Horak
Nahed Asker met haar dochter Tala en haar zoon Said in hun woning in Wenen. Asker verloor haar man in de koelwagen. – © Philipp Horak

Maar deze vrachtwagen kan niet langer worden genegeerd. Een onderhoudsmedewerker aan de snelweg, die in de omgeving de berm maait, heeft vanwege de stank de politie gebeld. De agenten openen de laadruimte. Deinzen achteruit. Ze zien lichamen die in staat van ontbinding verkeren, tegen elkaar leunen en in elkaar verzonken zijn, alsof ze in een overvolle metro staand in slaap gevallen zijn. De voeten steken tot aan de enkels in een mengsel van poep, urine en lijkvocht. De agenten roepen naar binnen. Er komt geen antwoord. Ze stellen de arts van dienst en het bureau op de hoogte en maken voor hun collega’s een foto die de situatie moet verduidelijken. De volgende dag zal die foto opduiken in de Kronen Zeitung. Ze sluiten de deur. Het is te veel. Om 11.25 uur sturen ze via politiesysteem SMS Pro een bericht: ‘Vrachtwagen met ca. 20 doden aangetroffen op A4 Parndorf’.

Het zijn er 71. Eenentwintig Afghanen, negenentwintig Irakezen, vijftien Syriërs, vijf Iraniërs en één man wiens identiteit niet vastgesteld kan worden.

Negenenvijftig mannen, acht vrouwen, vier kinderen. De jongste, Lida uit Kunduz/Afghanistan, is elf maanden. Vervolgde of vertwijfelde mensen, soennieten, sjiieten, christenen, onderwijzers, advocaten, handelaren, politieagenten, tieners, drie families, fans van Barcelona, posters op Facebook, een caleidoscoop van de mensheid. 71 doden die ons niet het plezier hebben gedaan om ergens ver weg te verdrinken in zee. 71 levens die zich door mensensmokkelaars in een veel te kleine laadruimte door Hongarije en Oostenrijk hebben laten rijden, omdat aan het einde van hun odyssee Duitsland lonkte, het beloofde land. 71 lichamen die ons hebben beroofd van de illusie dat oorlogen en problemen van anderen ons niet aangaan. Enkele dagen voordat via de Oostenrijks-Hongaarse grens bij Nickelsdorf, op nog geen 25 kilometer van de parkeerstrook bij Parndorf, vluchtelingen massaal te voet over de snelweg naar Wenen beginnen te lopen. Wir schaffen das, zegt Angela Merkel. Ze zet de deur open.

Stern wist van de meeste mensen in de koelwagen een foto te achterhalen.

Vlnr: Mohammed Ihsan Baba (Irak); Mohamad Tamin en Zahra (huwelijksakte); Hasan Al-Damen (Syrië); Khaled Hammadi Abd Elhabib; Hasan Ali Sabah (I); Aqueel Salem Ali Mohammed (I); Hussein Khalil Mustafa (S).
Vlnr: Mohammed Ihsan Baba (Irak); Mohamad Tamin en Zahra (huwelijksakte); Hasan Al-Damen (Syrië); Khaled Hammadi Abd Elhabib; Hasan Ali Sabah (I); Aqueel Salem Ali Mohammed (I); Hussein Khalil Mustafa (S).

Er zijn zo veel verliezers in dit verhaal. Nahed Asker (31) heeft haar man verloren. Farah Alshaikh (31) haar familie. Twee verhalen uit de vele die in de koelwagen langs de A4 samenkomen. Na de tragedie is Asker met haar kinderen haar dode man achterna gereisd, in een vluchtelingenverblijf in Oostenrijk wachten ze nu op asiel. Alshaikh woont allang in Duitsland. Ze had bij haar familie in Syrië aangedrongen om te vluchten en ook naar Duitsland te komen. Nu is iedereen dood.

Voor de ramp kenden de twee vrouwen elkaar niet, hoewel ze beiden uit het Oost-Syrische Deir ez-Zor komen. De Eufraat stroomt door deze stad, waar de jasmijn bloeit, de aardolie borrelt, granaatappel en katoen groeien. Al vijf jaar heerst er nu oorlog. Asker en Alshaikh hebben elkaar nog niet ontmoet. Ze whatsappen en bellen. Na die 27e augustus delen beiden hun lot, maar niet hun rouw. Die laat zich niet delen. ‘Ze hebben mijn familie behandeld als kippen,’ zegt Alshaikh. ‘Mijn ziel is stuk,’ zegt Asker.

Asker woont met haar zoon Zaid (11) en haar dochter Tala (5) in Wiener Neustadt op een kamertje in een vluchtelingenverblijf. Ze heeft drie matrassen zo naast elkaar gelegd dat ze met elkaar één groot bed vormen. Ze gaan samen slapen en worden samen wakker. Asker kijkt graag muziekvideo’s van Beyoncé, post veel op Facebook, draagt een legging en gebruikt lippenstift en mascara. Ze kookt samen met de andere Syriërs. Ze weet welke medicijnen haar kinderen nodig hebben wanneer ze ziek zijn, omdat ze in Syrië in een apotheek werkte. In Oostenrijk mag ze niet werken. Ze spreekt geen Duits en heeft asiel aangevraagd voor de gezinsleden die ze nu nog heeft. ‘Toen we elkaar voor de laatste keer zagen, zei mijn man: wat er ook met mij gebeurt, zorg altijd goed voor onze kinderen. Die wens van hem ga ik vervullen,’ zegt Asker.

Alshaikh woont met haar man Fateh Alhamad (41) en hun zoon Omar (1) in een ruim huis in Noord-Duitsland. Ze spreken bijna accentloos Duits en hebben de Duitse nationaliteit. Zij is gynaecoloog en heeft op dit moment ouderschapsverlof. Hij werkt als internist in het ziekenhuis. Tijdens de ramadan eten en drinken ze pas na zonsondergang. Alshaikh draagt een hoofddoek, niet omdat ze dit moet, maar omdat ze dit wil. Omar heeft bruin haar en bruine ogen, hij leert net lopen en belandt daarbij meestal op zijn billen. Soms moet zijn moeder dan glimlachen. Vaak loopt ze met hem naar een speelplaatsje aan het eind van de straat en doet ze boodschappen, verder blijft ze thuis. De buren kennen haar verhaal niet.

In november 2014 was ze in Saarbrücken tweemaal in het bureau van de vreemdelingendienst geweest. Ze woonden toen in het Saarland, werkten daar in het ziekenhuis, hadden een auto en een huis in een voorstad van Saarbrücken. Het huis had een tuin en was meer dan groot genoeg voor henzelf. Ze informeerde bij de vrouw van de vreemdelingendienst naar de aanvraag voor familiehereniging die ze een half jaar eerder had ingediend. Ze wilde haar moeder Fadila (53), haar vader Abdel (57), haar broer Almuthanna (23) en haar zus Hend (17) naar Duitsland halen, omdat er in Deir ez-Zor niet meer gewoon te leven viel. IS en regeringstroepen vochten om de stad, de situatie was onoverzichtelijk. Haar broer Almuthanna studeerde rechten. Omdat hij had gerookt, werd hij door IS gearresteerd. Haar zus Hend mocht – vlak voor haar eindexamen – niet meer naar school. De zaken van haar vader, handelaar in auto-onderdelen, werden geplunderd, de huizen van de familie verwoest. Elke dag telefoneerde Farah Alshaikh met haar moeder Fadila. Ze merkte dat haar moeder bang was, ook al sprak ze dat niet uit.

Destijds was Alshaikh acht maanden zwanger. Ze wilde haar familie op eigen kosten laten overkomen. Maar de vrouw van de vreemdelingendienst zei: ‘Bij ouderschapsverlof ontvangt u maar 60 procent van uw salaris. Dat is te weinig om uw kind en uw familie te kunnen onderhouden.’

‘Dat lukt ons wel. In ons huis is plaats genoeg. We willen geen geld, echt niet,’ had Alshaikh gezegd. De ambtenaar informeerde bij haar chef. De aanvraag werd afgewezen. Een week later was ze nog eens naar de vreemdelingendienst gegaan. Om te vragen of ze dan in elk geval haar zus kon laten overkomen. Vanwege haar astma. Afgewezen.

Ayman Muhalal (S); Shwan Jamal Hussein (I); Hend Alshaikh en haar oom Youssef; vader Abdel Alshaikh; Alan Hamad Amin Ahmad (I); Jihab Abd Elkader Hasan (S) en Youssef Massud Cherif (S); Guli Ali (I); Ali Aland Hazim Kali (I).
Ayman Muhalal (S); Shwan Jamal Hussein (I); Hend Alshaikh en haar oom Youssef; vader Abdel Alshaikh; Alan Hamad Amin Ahmad (I); Jihab Abd Elkader Hasan (S) en Youssef Massud Cherif (S); Guli Ali (I); Ali Aland Hazim Kali (I).

‘Mijn vader wilde niet vluchten. Hij was bang vanwege zijn gezin en vreesde de mensensmokkelaars. Hij wilde Syrië alleen verlaten als ze ergens legaal naartoe konden,’ vertelt Alshaikh. Ze bood hem de kamers in hun huis aan. Als het niet langer uit te houden viel, moesten ze komen, hoe dan ook. ‘Ik heb aangedrongen. Misschien heb ik wel te veel aangedrongen.’

‘We kunnen niet meer,’ zegt haar vader begin juli 2015 aan de telefoon. Met zijn gezin en 20.000 dollar op zak verlaat hij Deir ez-Zor. Met hun Toyota rijden ze via Raqqa naar de Syrisch-Turkse grens. Daar laten ze de auto achter. Ze betalen een smokkelaar die hen door een bos brengt. Ze bereiken de Turkse stad Urfa. Daar woont een andere zus van Alshaikh. Ze blijven er een paar dagen. Alshaikhs vader Abdel wint inlichtingen in bij kennissen. Hij zoekt een smokkelaar. Hem wordt een zekere Abules aanbevolen. Een Syriër die vanuit Urfa smokkelroutes organiseert en hiervoor zowel van smokkelaars als vluchtelingen provisie opstrijkt. Abules informeert Abdel Alshaikh over route en prijs.

Op 17 augustus 2015 zit de familie in een hotel in Izmir te wachten. Vanaf de Turkse westkust willen ze via Samos, Athene en Macedonië naar Belgrado. Daar zullen ze een zekere Afghani treffen. Hij zal de tocht via Hongarije en Oostenrijk naar Duitsland organiseren.

De familie Alshaikh is niet alleen, hun groep bestaat uit twaalf personen, onder wie Alshaikhs oom Youssef (39), een broer van haar vader, en Hasan Al-Damen (36), de man van Nahed Asker. Hij moest dienst nemen in het Syrische leger en vechten voor Assad, die hij veracht. Als onderwijzer kan hij niet meer aan de slag. Hij wil naar Duitsland en zijn gezin later laten overkomen. Asker en de kinderen zijn in Damascus achtergebleven.

‘Geef jullie bagage maar aan ons. Die past niet in de rubberboot,’ zeggen de smokkelaars in Izmir. Alshaikhs zus Hend schrikt daarvan. Nu heeft ze alleen nog maar haar mobieltje en de broek en het T-shirt die ze draagt. Op de foto die ze haar zus in Duitsland via WhatsApp stuurt, waait de wind door haar zwarte krullen. Ze staat bij het water en probeert vrolijk te kijken. Maar dat gaat haar niet goed af. Ze is een echt stadsmeisje, dat met haar zeventien jaar graag op haar smartphone naar romantische Arabische popmuziek luistert en medicijnen wil studeren. Voor de zee is ze bang. Aan haar rechterhand draagt ze een zilveren trouwring van haar moeder. Die moet haar beschermen.

Voor de overtocht naar Samos incasseren de smokkelaars € 1200 per persoon. Twee pogingen mislukken. De eerste keer worden ze gesnapt door de Turkse kustwacht die hen op het strand weer uit laat stappen en de boot tot zinken brengt. Bij de tweede poging komt er, als ze op het punt staan af te varen, een politiepatrouille langs. Pas de derde poging is raak. In de vroege ochtend van 19 augustus wordt de boot een kilometer buiten de kust van Samos opgebracht door de Griekse kustwacht.

Moeder Fadila is blij. Ze heeft de hele nacht over moeten geven. Als ze in de EU aan land gaan, komt de zon op.

Vlnr: Sine Amer Gailani (I) en broer Ali en Sines man Mahmoud en haar zus Seineb; de familie Alshaikh; Kesra Mikail Khalou (S); Saad Joumaa Majid Almawsi (I); Muhannad Mustafa en Lefana Ali (S); Imad Khalaf Jassem (I); Raman Khalil Mustafa (S); Elin Hazim
Vlnr: Sine Amer Gailani (I) en broer Ali en Sines man Mahmoud en haar zus Seineb; de familie Alshaikh; Kesra Mikail Khalou (S); Saad Joumaa Majid Almawsi (I); Muhannad Mustafa en Lefana Ali (S); Imad Khalaf Jassem (I); Raman Khalil Mustafa (S); Elin Hazim

In de haven van Samos krijgen ze provisorische reisdocumenten. Daarmee kunnen ze tickets kopen voor de veerboot naar Athene. In Samos slapen ze één nacht op de grond. Ze hebben er weinig te eten. De volgende dag nemen ze de veerboot naar Athene. Van daaruit bellen ze met Farah Alshaikh in Duitsland. Haar vader Abdel klinkt vermoeid, toch zegt hij: ‘We zijn oké. We gaan door.’ Haar zus Hend huilt: ‘Ik ben op, ik kan niet meer.’ Haar moeder Fadila zou het liefst teruggaan naar Syrië.

In Athene komen weer ze op krachten. Ze gaan er Arabisch eten. Sommigen in hun groep zouden graag wat langer blijven, maar Hasan Al-Damen, de man van Nahed Asker, dringt aan om verder te reizen. Hij denkt dat de grenzen binnenkort dichtgaan. Na een dag in Athene vertrekken ze per bus naar de Macedonische grens. Daar deelt de groep zich op. Ze proberen op verschillende plaatsen over het hek te komen. De grenspolitie slaat met stokken en sproeit de vluchtelingen traangas in het gezicht. Ze krijgen Almuthanna te pakken. Hij weet te ontsnappen en heeft alleen wat kneuzingen. Moeders worden gescheiden van kinderen, er wordt geschreeuwd, gehuild. Een uur later is de groep aan de Macedonische kant van de grens weer compleet. Het regent, hun kleren zijn kletsnat, ze rillen van de kou. Met een bus rijden ze vier uur lang door Macedonië naar de Servische grens. Ze kijken uit het raam. En hadden zich Europa heel anders voorgesteld.

In Belgrado treffen ze mensensmokkelaar Afghani. Een Afghaan die al een hele tijd in Europa woont. Een zwartharige, magere man met een schoudertas, gekleed in T-shirt en joggingbroek. ‘Geloof me, ik regel dat jullie rechtstreeks naar Duitsland kunnen, zonder dat jullie eerst in Hongarije of Oostenrijk geregistreerd worden en vingerafdrukken achter moeten laten,’ zegt hij tegen Hasan Al-Damen en Abdel Alshaikh, die de onderhandelingen voeren. Voor het transport vraagt hij € 1600 per persoon. In deze zomer voor deze tocht een gebruikelijke prijs. De mannen gaan akkoord. Een deel van hun geld hebben ze achtergelaten bij Abules in Urfa. Hij zal het geld pas aan de smokkelaars overmaken als ze goed in Duitsland aangekomen zijn. Zo hopen ze bedrog te voorkomen.

In de middag van maandag 24 augustus 2015 bellen de Alshaikhs vanuit een hotel in de buurt van Belgrado met Farah Alshaikh. De stemming is goed. Haar broer Almuthanna heeft uit Syrië een e-mail gekregen dat hij geslaagd is voor zijn examen. ‘Let voortaan maar goed op je woorden als je tegen me praat, ik ben nu advocaat,’ zegt hij tegen zijn zus. ‘We zijn weer wat uitgerust en hebben nieuwe kleren gekocht,’ vertelt haar moeder Fadila. ‘Ik heb een goed gevoel over de smokkelaar, hij lijkt me een man met ervaring,’ zegt haar vader Abdel. Aan haar zus belooft Alshaikh om binnenkort naar de dierentuin in Stuttgart te gaan, omdat Hend dat al heel lang wil. Het is de laatste keer dat ze haar familie spreekt.

Mensensmokkelaars gebruiken oude mobieltjes en prepaidkaarten om niet gelokaliseerd te kunnen worden. Vluchtelingen gebruiken smartphones omdat ze internet even hard nodig hebben als water. De telefoon is hun enige contact met de mensen die ze achter moesten laten

’s Avonds om zes uur komt de groep samen in het park naast het busstation in het centrum van Belgrado. Het wemelt er van vluchtelingen en smokkelaars. In die weken is Belgrado het knooppunt in de vluchtelingenroute via de Balkan. Afghani telefoneert de hele tijd, in een taal die ze niet verstaan. Zijn telefoon is oud. Mensensmokkelaars gebruiken oude mobieltjes en prepaidkaarten om niet gelokaliseerd te kunnen worden. Vluchtelingen gebruiken smartphones omdat ze internet even hard nodig hebben als water. De telefoon is hun enige contact met de mensen die ze achter moesten laten.

‘Wacht in het park tot het donker wordt. Er is veel politie, we moeten voorzichtig zijn,’ zegt Afghani. De meesten proberen wat te slapen. Rond middernacht worden ze door Afghani gewekt. Ze volgen hem door het duister langs de tramrails en komen via een brug over de Sava uit bij een parkeerplaats. Vanaf de oevers dreunen de bassen in de discotheken. De jeugd van Belgrado viert feest.

Afghani sommeert hen zich op te delen in drie groepen. In elke auto kunnen vier mensen mee. De eerste auto rijdt weg met moeder Fadila, broer Almuthanna en Al-Damen. In de tweede zit Youssef Alshaikh, als laatsten verlaten vader Abdel en zus Hend de parkeerplaats in de derde auto. ‘Jij rijdt met je moeder mee, let goed op haar,’ zegt Abdel Alshaikh tegen zijn zoon Almuthanna, die bij zijn oom Youssef wil instappen. Die beslissing kost Almuthanna het leven.

Drie uur duurt de rit noordwaarts over de autosnelweg E75. Ze rijden door het vlakke land langs de Servisch-Hongaarse grens. Buiten vliegt het duister voorbij, alles is zwart. Verdwenen is het gevoel voor tijd en plaats.

Farah Alshaikh kijkt naar een foto van haar familie. Ze verloor haar ouders, broer en zus, en kon de foto eerst niet aanzien. Nu staat hij in haar woonkamer. – © Lars Berg
Farah Alshaikh kijkt naar een foto van haar familie. Ze verloor haar ouders, broer en zus, en kon de foto eerst niet aanzien. Nu staat hij in haar woonkamer. – © Lars Berg

De smokkelaars zetten hun passagiers af in een bos bij Domaszék aan de Hongaarse kant van de grens. Nadat de eerste auto is gearriveerd, komt even later de derde aangereden. ‘Hier wachten, we komen gauw terug,’ zeggen de smokkelaars. De Alshaikhs staan in het bos. Alleen oom Youssef ontbreekt. Hij zat in de tweede auto, die na twee uur rijden ineens was gestopt. De smokkelaar had een telefoontje gekregen waar hij erg opgewonden van was geraakt. Hij gooide de vluchtelingen langs de snelweg uit zijn auto. ‘Waiting, waiting,’ riep hij, terwijl hij wegreed. Youssef Alshaikh had in Servië geen simkaart gekocht en kon niemand bereiken.

Bij het ochtendgloren bereiken ze een dorp en rijden met een taxi terug naar Belgrado. Youssef koopt een simkaart en belt met zijn broer. Abdel Alshaikh vertelt dat ze met nog een andere groep vluchtelingen in een bos zitten te wachten. ‘We hebben honger en dorst, neem wat te eten en te drinken mee,’ zegt hij. ‘Ga niet verder mee,’ zegt Yousseff Alshaikh, ‘er klopt iets niet.’ Hij blijft in Belgrado. Zo redt hij zijn leven. De groep valt uiteen.

Op 25 augustus 2015 krijgt Farah Alshaikh een berichtje van haar vader: ‘Zitten in het bos te wachten tot het verdergaat.’ Ze wil antwoorden, maar ineens is hij weg. Op WhatsApp ziet ze dat hij om twaalf uur voor het laatst online was. Ook de rest van de familie kan ze niet meer bereiken. Om tien uur ’s avonds krijgt Nahed Asker in Damascus het laatste bericht van haar man Hasan Al-Damen: ‘Ik zit in het bos. De smokkelaars zeggen dat we wachten moeten vanwege politiecontroles. Ik heb honger en eet appels van de bomen. Geef de kinderen een kus van mij. Nog even en alles is achter de rug.’

De zaken gaan goed, elke dag rijden honderden wagens met vluchtelingen ongecontroleerd richting Oostenrijk

Een week daarvoor koopt een man de koelwagen bij een handelaar in tweedehandsauto’s in Keckskemét. Hij laat de vrachtwagen op zijn naam zetten en doet geen enkele moeite om zijn identiteit te verhullen. De zaken gaan goed, elke dag rijden honderden wagens met vluchtelingen ongecontroleerd richting Oostenrijk. De man maakt deel uit van een groep die ruim twintig smokkeltochten organiseerde en uitvoerde. Naast de Afghaan bestaat de groep uit vier Bulgaren. Ze zijn alle vijf betrokken bij de rit van 27 augustus 2015. De lading is kostbaar, 71 × 1600 euro. Zo’n vracht doen de bazen zelf.

Op woensdag 26 augustus 2015 rijden de smokkelaars tegen vier uur ’s ochtends de koelwagen vanuit Keckskemét naar het bos bij de grens. Keckskemét, een oude Hongaarse universiteitsstad, ligt een uurtje rijden ten noorden van Domaszék. De lucht is helder, het belooft opnieuw een mooie warme dag te worden in het zuiden van Hongarije, waar tomaten, paprika’s, aardbeien en abrikozen groeien. De 71 vluchtelingen zitten al meer dan een dag verstopt in het bos te wachten op voortzetting van hun reis.

De familie Alshaikh uit Deir ez-Zor, Syrië. De familie Rahm uit Kundus, Afghanistan. Vader Khuda, zijn vrouw, drie kinderen onder wie de kleine Lida, en een neef. In Afghanistan werkte Rahm als politieagent. De taliban bedreigden hem en zijn familie. Muhannad Ali en zijn vrouw Lefana uit Tall Abyad, Syrië. Ze zijn pas drie maanden getrouwd en willen in Duitsland een gezin stichten. De Irakees Mahmoud Abidi, die kort tevoren tot viersterrenofficier is bevorderd en met zijn vrouw Sine Gailani uit Bagdad is gevlucht. Sine wil naar haar broer in Duitsland, omdat die daar als ingenieur een goed leven heeft. Ze haalde niet alleen haar man over om mee te gaan, maar ook haar broer Ali en zus Seineb. De Koerd Saeed Othman uit Sulaimaniyya in Noord-Irak. Hij heeft maar één nier en hoopt op medische verzorging in Duitsland omdat hij veel pijn lijdt. Mohammed Baba uit Karkur, Irak, is werkeloos en droomt over een carrière als profvoetballer. Alles wijst erop dat ze vrijwillig zijn ingestapt.

Om vijf uur wordt de koelwagen door camera’s van het Hongaarse tolsysteem geregistreerd. Hij rijdt dan bij Domaszék op de autoweg M5 in noordwaartse richting. Ongeveer tien minuten voor de vrachtwagen uit rijdt een andere auto. Die moet de smokkelaars in de vrachtwagen waarschuwen als er onderweg politiecontrole is. En er met de chauffeurs vandoor kunnen gaan, mocht er iets misgaan.

Om 6.03 uur passeert de vrachtwagen Kecskemét, twee uur later is hij bij Boedapest en om 9.15 uur bij Nickelsdorf aan de Oostenrijkse grens. Ongeveer twintig minuten later laten de smokkelaars hem achter op de parkeerstrook bij Parndorf. Waarom? De smokkelaars zeggen geen woord. Die dag was er op de route geen politieblokkade. Op een of andere manier moeten ze zich hebben gerealiseerd dat hun lading verloren was.

De laadruimte van de 7,5-tonner kan van binnenuit niet worden geopend. Het koelaggregaat functioneert niet. Het heeft de lucht alleen laten circuleren, maar geen nieuwe zuurstof toegevoegd. De vluchtelingen moesten het doen met de zuurstof die aan het begin van de rit in de laadruimte aanwezig was. Om vast te stellen waar zij overleden zijn, of het een zaak is voor de Hongaarse dan wel de Oostenrijkse justitie, wordt na de vondst van de vrachtwagen een deskundigenrapport opgesteld. De inhoud van de laadruimte wordt berekend en gedeeld door het aantal personen. Op elke vierkante meter stonden ongeveer vijf vluchtelingen. Ze moeten nog voor achten in Hongarije zijn gestikt. In de laadruimte en op de lijken worden geen sporen van doodsstrijd aangetroffen. Het lijkt erop dat de slachtoffers flauw zijn gevallen als gevolg van zuurstofgebrek en op het moment van overlijden niet bij bewustzijn waren. Uit de positie van de lijken blijkt dat kinderen werden opgetild. De lichamen van een echtpaar lijken elkaar te hebben omarmd.

De smokkelaars worden kort na de vondst van de vrachtwagen in Kecskemét gearresteerd. Ze staan op het punt om te vluchten, maar het kenteken van de vrachtwagen en de diverse registraties op de snelwegcamera’s zorgen ervoor dat de politie hen snel weet te vinden. Ze zitten in Kecskemét in voorarrest en zwijgen in alle talen. In september worden ze in staat van beschuldiging gesteld, begin 2017 begint het proces.

Vlnr: Mohammad Tagik (Afghanistan); Dad Mohammad (A); Ahmed Bashir Yusaf (A); Sher Khan (A) en zijn neef Eid Mohammad; Abdul Wasil Hashemy (A); Hawkar Hama Aziz Saleh (I); Sarbaz Hamad (I).
Vlnr: Mohammad Tagik (Afghanistan); Dad Mohammad (A); Ahmed Bashir Yusaf (A); Sher Khan (A) en zijn neef Eid Mohammad; Abdul Wasil Hashemy (A); Hawkar Hama Aziz Saleh (I); Sarbaz Hamad (I).

De vrachtwagen wordt overgebracht van de parkeerstrook naar een koelhuis in Nickelsdorf. Forensische lijkschouwers halen de lijken eruit. Ze worden gefotografeerd en in relatie gebracht met voorwerpen, zoals paspoorten die in borstzakken steken of geld dat ingenaaid zit in mouwen of ceinturen. Hasan Al-Damen, de man van Nahed Asker, heeft zijn onderwijzersdiploma bij zich. Hij heeft het in het Duits laten vertalen, om later werk te kunnen vinden.

Omdat de agenten die ochtend de laadruimte hebben opengemaakt, is er lucht bij de lijken gekomen. Daardoor verloopt de ontbinding sneller. Bij de berging is de huid van de slachtoffers al zwart. Aan rugzakken en jasjes kleven flarden van lichamen. De meeste mobieltjes lijken wel in een zuurbad te hebben gelegen. Zelfs de forensische experts kunnen er niets meer mee. Langs die weg kunnen ze niets te weten komen over wat zich de laatste momenten in de vrachtwagen heeft afgespeeld.

De lijkschouwers geven elke witte lijkzak een nummer. Naamloos liggen de doden daar. Anders dan bij een vliegtuigongeval is er geen passagierslijst die kan worden afgewerkt. De rechercheurs openen een hotline voor familieleden. Ze moeten hun DNA hebben om de doden te kunnen identificeren. Voor één man zal niemand zich melden en het duurt tot 10 december 2015 voordat alle anderen geïdentificeerd zijn.

Op de middag van 27 augustus ziet Nahed Asker op tv een nieuwsbericht over de vrachtwagen. Ze woont met haar kinderen bij haar moeder in Damascus. Asker zegt onmiddellijk te hebben geweten dat haar man dood was. Als de tolk van de politie Burgenland die voor de identificatie verantwoordelijk is, haar enkele weken later belt, huilt ze niet. Het lichaam van haar man kan niet worden overgebracht naar Syrië. Hij wordt bijgezet op de islamitische begraafplaats van Inzersdorf in Wenen. Asker wil afscheid van hem nemen. Met haar kinderen gaat ze op weg naar Wenen. De vluchtelingenroute is open.

Farah Alshaikh staat met Omar op haar arm bij het raam van haar huis in Saarbrücken naar de tuin te kijken, als de telefoon gaat. De paspoorten zijn gevonden. Ze laat Omar vallen.

Begin 2016 zijn ze verhuisd naar het noorden van Duitsland. Ze konden de vragen van vrienden in Saarbrücken niet langer verdragen, waren het medeleven zat. Sinds kort staat er een foto van haar familie op de plank boven de televisie in de woonkamer. Ook de Alshaikhs zijn begraven op het kerkhof van Inzersdorf. Bij de begrafenis op 7 oktober 2015 wil Farah Alshaikh per se het gezicht van haar moeder zien. Ze laat de kist openen. Sindsdien is ze niet meer op het kerkhof geweest. Ze kan het niet.

In het weekend na de catastrofe van Parndorf arriveren duizenden vluchtelingen op stations in Duitsland. Ze worden met applaus ontvangen, krijgen water en kleding toegestopt. De kinderen krijgen teddyberen en snoepgoed. Velen verlaten die weken de noodopvang in sportzalen. Zij beginnen een nieuw leven.

Auteur: Felix Hutt
Vertaler: Marten de Vries

Openingsbeeld: De koelwagen langs de A4 richting Wenen. – © Stern

Felix Hutt

Felix Hutt is redacteur van Stern.

Stern
Duitsland | weekblad | oplage 1.275.000

Het grootste actualiteitenblad van Duitsland, bekend om de rijk geïllustreerde reportages. Is sinds de publicatie van de vervalste dagboeken van Hitler een beetje verbleekt.

Dit artikel van Felix Hutt verscheen eerder in Stern.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.