• Nieuw Amsterdam
  • Selectie van de week
  • De laatste prinses van Tibet. Een voorpublicatie

De laatste prinses van Tibet. Een voorpublicatie

@ Will Pagel / Unsplash
Nieuw Amsterdam | Amsterdam | Barbara Demick | 03 juni 2021

1958, Ngawa, Tibet: Als de zevenjarige Gonpo, kroonprinses van de Mei-Dynastie, terugreist naar haar stad, ziet ze vanuit de verte bij hun paleis tenten van het Chinese Volksbevrijdingsleger staan. De Chinese invasie betekent het einde van de wereld zoals ze die heeft gekend.

Voorpublicatie

Dit is een voorpublicatie uit De laatste prinses van bekroond auteur Barbara Demick. In dit boek reconstrueert Demick de ongelofelijke levensverhalen van de inwoners van Ngawa, Tibet. Met oog voor detail beschrijft ze hoe de Tibetanen pogen hun cultuur, geloof en taal te behouden – in weerwil van de onderdrukking door een niets en niemand ontziende supermacht.

The New York Times, The Washington Post en The Economist riepen het uit tot een van de beste boeken van 2020. ‘Je kunt China niet begrijpen zonder dit boek over Tibet te lezen’, schreef The New Yorker. Wij publiceren hoofdstuk 1 van deel 1, dat speelt tussen 1958 en 1976, genaamd ‘De laatste prinses’.

Gonpo voelde de rook in haar neus prikken voordat ze zag wat er aan de hand was. Hoewel ze pas zeven was en weinig tot niets van politiek begreep, bevestigde dit het knagende gevoel van de laatste weken. Er was iets mis. Samen met haar moeder, zus, tante en een escorte van dienaren was ze nu onderweg naar huis. Ze waren weg geweest om de begrafenisrituelen voor haar overleden oom bij te wonen. Toen ze vertrokken naar het dorp van haar oom was het nog zomer. In totaal waren ze negenenveertig dagen gebleven, de traditionele boeddhistische rouwperiode tussen de dood en de wedergeboorte. Nu was het begin herfst en de avondkoelte fluisterde al van de sneeuw die weldra van de bergtoppen naar beneden zou kruipen. Gonpo droeg een dik, met bont afgezet gewaad van schapenvacht. Toch huiverde ze van de wind die van onder haar paard naar boven zwiepte. Het hele gezelschap zat te paard: zoals gebruikelijk voor Tibetanen was Gonpo al op jonge leeftijd een ervaren ruiter. Ze volgden een onlangs door Chinese militairen aangelegde, maar nog niet bestrate weg naar het westen, naar daar waar de zon onderging. Hun route splitste zich af bij een beek die noordwaarts leidde, richting Gonpo’s huis. Toen ze voorbij wat struikgewas reden, zag Gonpo waar de rook vandaan kwam. Vanaf haar paard had ze vrij zicht op zes kampvuren en evenzoveel tenten. Naarmate ze dichterbij kwamen, zag ze ook dat dit niet de door de Tibetanen gebruikte, van zwarte jakharen gemaakte tenten waren, maar de kleine witte tenten van het Volksbevrijdingsleger.

In 1958 was het negen jaar geleden dat Mao Zedong de Volksrepubliek China had uitgeroepen, dus op het platteland stuitte je wel vaker op kampen van het Rode Leger. Maar dit kamp bevond zich óp het land van de familie – en juist dat maakte het zo vreemd. Tijdens de laatste etappe van hun tweedaagse tocht had Gonpo tegen de slaap zitten vechten, maar nu was ze klaarwakker, uit nieuwsgierigheid en ook door een vleugje angst. Als een van de eersten steeg ze af. Zonder op hulp van een dienaar te wachten, gleed ze van haar paard. Terwijl ze naar de poort rende, vroeg ze zich verbaasd af waarom niemand de terugkerende escorte kwam begroeten. Ze bonsde hard op de houten poort – die was twee keer zo hoog als een volwassen man en had bovenin een latei. Omdat een reactie uitbleef, schreeuwde ze zo hard ze kon: ‘Hallo, hallo! Waar is iedereen?’

Haar moeder kwam achter haar aan en begon ook te roepen.

Uiteindelijk verscheen Gonpo’s kinderjuffrouw om de poort te openen. Maar in plaats van een hartelijke begroeting boog ze zich over Gonpo heen alsof ze er niet was. Ze bracht haar gezicht zo dicht bij het oor van Gonpo’s moeder dat ze haar iets kon influisteren. Gonpo verstond niet wat ze zei, maar uit haar moeders reactie begreep ze wel dat het weinig goeds kon zijn. De laatste tijd had ze haar moeder veel zien huilen. De overleden oom was haar lievelingsbroer geweest en Gonpo dacht dat haar moeder nu weer huilde omdat ze nog steeds verdrietig was over diens dood. Dat was althans wat Gonpo graag wilde geloven, ook al wezen de rook, de tenten en het bloedserieuze gezicht van de kinderjuffrouw op het tegendeel. Intuïtief begreep ze dat dit het begin van het einde was van de wereld zoals ze die kende.

Niet echt een meisjesachtige prinses

Gonpo werd opgevoed als een prinses. Haar vader, Palgon Tinley Rapten [veel Tibetanen hebben geen achternamen zoals we die in het Westen kennen, maar meestal hebben ze wel meerdere voornamen], een naam die je kunt vertalen als ‘Achtenswaardig Verlichting Standvastig’, was de veertiende koning uit een geslacht van heersers van het zogeheten Mei-koninkrijk. De koninklijke hoofdstad was Ngawa, dat nu in de provincie Szechuan ligt. Toen Gonpo in 1950 werd geboren, was Ngawa een onbeduidend marktstadje waar handelaren hun zout en thee kwamen verkopen en herders hun boter, huiden en wol. De hele regio was een lappendeken aan kleine leengoederen die werden bestuurd door verschillende stamhoofden en koningen, prinsen, khans en warlords. De Chinezen verwezen met de term tusi, die vaak wordt vertaald als ‘grootgrondbezitter’, naar lokale heersers zoals Gonpo’s vader. Maar de Tibetanen noemden hem gyalpo, oftewel ‘koning’. In de Engelstalige kronieken uit begin twintigste eeuw wordt trouwens ook naar hem verwezen als iemand van koninklijken bloede. Dat was hoe dan ook zoals Gonpo de maatschappelijke status van haar familie zag.

© Yu Wang / Unsplash

Als kind droeg Gonpo zogenaamde chuba’s, gewaden die tot aan de enkels vallen en bij de taille worden aangehaald. Bijna alle Tibetanen droegen dezelfde kleding, waarbij je iemands status aan de kwaliteit kon aflezen. Gonpo’s chuba’s werden afgezet met otterbont. Rond haar nek droeg ze touwtjes met kralen zo dik als druiven – van koraal, barnsteen en het uiterst kostbare dzi, een Tibetaanse gestreepte agaat die haar moest beschermen tegen het boze oog. In andere opzichten was ze niet echt een meisjesachtige prinses. Ze was eerder schattig dan knap, met spleetjes tussen haar tanden en een stomp wipneusje dat haar op een ondeugend jongetje deed lijken. Zoals veel jonge meisjes in Ngawa had Gonpo kortgeschoren haar, wat aangaf dat ze niet van huwbare leeftijd was. Haar moeder en de andere volwassen vrouwen uit de koninklijke familie droegen lange vlechten, die door kwastjes en koraalsnoeren op hun plek werden gehouden en zo doorwrocht waren dat hun dienaressen soms wel twee dagen zoet waren met vlechten.

De familie woonde aan de oostkant van Ngawa, net buiten het centrum in een imposant landhuis – strikt genomen was het een paleis, al leek het meer op een solide en sterk fort dat in de eerste plaats was neergezet om stand te houden. Het huis was in traditionele Tibetaanse stijl opgetrokken uit aangestampte aarde. Tijdens het droge seizoen, wanneer er geen gras op de hoogvlakte groeide, ging het donkere, grijsbruine huis volledig op in het om- liggende landschap. De massieve, onderaan bijna drie meter dikke muren liepen bovenin taps toe en boden zo extra stabiliteit in het geval van aardbevingen; ook de smalle, met houten latwerk omkaderde raamopeningen hadden zo’n toelopende vorm. De muren waren kaal, afgezien van twee uitstekende houten balkons. Die bevonden zich aan weerszijden: eentje aan de oostkant, eentje aan de westkant. Hoe elegant die balkons er ook uitzagen, daar bevonden zich wel de toiletten. De menselijke uitwerpselen vielen naar beneden, werden daar met as vermengd en vervolgens als mest over de velden verspreid.

Het dagelijkse leven in het paleis werd gedicteerd door boeddhistische rituelen

Het gebrek aan moderne gemakken werd gecompenseerd door de enorme omvang van het huis. De meer dan 850 ruimtes waren verspreid over 7400 vierkante meter. Van de kerkers, stallen en voorraadkamers beneden tot de hogergelegen kamers die eleganter waren en een hogere functie hadden. Daar waren de slaapkamers voor de kinderen en hun moeder. En ook die van de hele schare aan medewerkers en persoonlijke functionarissen van de koning. De vertrekken op de bovenste verdiepingen waren voorzien van houten panelen die de gedroogde modder van de buitenmuren aan het oog onttrokken.

Volgens deze logica paste het dat de bovenste verdieping was bestemd voor spirituele doeleinden. Die kamers werden verlevendigd met fresco’s en thangka’s, Tibetaanse banieren, met stuk voor stuk felle gouachekleuren die de ogen deden knipperen. Aangezien boeddhistische personages telkens opnieuw reïncarneren, komen ze voor in talloze verschijningsvormen: mannelijk of vrouwelijk en vertrouwd of juist vol verbeeldingskracht. Zo was er de vroegere en toekomstige Boeddha. En waren er vele bodhisattva’s, de verlichte wezens die de toestand van nirwana uitstellen om opnieuw geboren te worden en zo anderen te kunnen helpen. Het meest gekoesterde beeld was dat van Avalokitesvara of Chenrezig, de bodhisattva van compassie en de beschermheilige van de Tibetanen. Dit beeld, dat door de veertiende Dalai Lama aan de koning was geschonken, had een centrale plek in de kapel.

De koning was een toegewijd bibliofiel en bezat een uitgebreide verzameling boeken en heilige geschriften, waarvan sommige in goud en zilver waren gedrukt. De ontvangstzaal onder de bibliotheek was ruim genoeg om duizenden monniken te ontvangen. Op boeddhistische feestdagen weergalmde het in het hele paleis van de kakofonie die werd voortgebracht door chants en klankbekkens, hoorns en schelpen. En natuurlijk door de onvertaalbare mantra die Tibetanen uiten om hun beschermheilige, de bodhisattva van compassie, aan te roepen:

Om mani padme hum

Het dagelijkse leven in het paleis werd gedicteerd door boeddhistische rituelen. De koning begon elke ochtend met meerdere prosternaties voor een altaar. Hij ging rechtop staan en vouwde in gebed zijn handen ineen boven zijn hoofd, om vervolgens in één beweging door zijn lichaam languit op de vloer uit te strekken en weer op te staan. Met dit ritueel hield hij zijn lichaam slank en zijn geest helder.

In hoeverre iets religie was en in hoeverre traditie of gewoonte viel onmogelijk te bepalen. Wanneer Gonpo bijvoorbeeld op gejok werd betrapt, moest ze verschillende rondjes om een nabijgelegen klooster lopen en talloze gebedsmolens laten draaien, grote verticale cilinders van metaal en hout, en al zwoegend de daarop geschreven gebeden lezen. Elke keer dat je een gebedsmolen op zijn spoel draaide, was het alsof je hardop een gebed opzei. Voor een kind waren ze best zwaar. De straf dwong haar na te denken over wat ze verkeerd had gedaan.

@ Thomas Pilke / Unsplash

De kinderen – Gonpo en haar zes jaar oudere zus – woonden met hun moeder in afzonderlijke vertrekken aan één kant van het huis. Wanneer ze wakker werden, nam hun moeder de meisjes mee naar de kamers van hun vader om hem goedemorgen te wen- sen. Tegen bedtijd herhaalden ze dit ritueel om hem welterusten te zeggen. Het gezin at de meeste maaltijden gezamenlijk. Daarbij zag hun vader streng toe op hun manieren. Vóór de maaltijd zei- den ze gebeden op. Vervolgens aten de ouderen eerst terwijl de kinderen wachtten. Hun vader at zijn bord altijd leeg tot op de laatste rijstkorrel, om zijn dochters eraan te herinneren hoe hard de boeren voor hun voedsel werkten. Ook stond hij erop dat zijn personeel dezelfde porties kreeg als hij – al aten zij vaak later, waar- door hun maaltijden al koud waren geworden. De koning was een scrupuleus man die wilde voorkomen dat zijn dochters, koninklij- ke afkomst of niet, werden verwend. Ook al wemelde het in huis van de dienaren, toch maakte de koning zijn eigen bed op.

Om mani padme hum

Het dagelijkse leven in het paleis werd gedicteerd door boeddhis- tische rituelen. De koning begon elke ochtend met meerdere prosternaties voor een altaar. Hij ging rechtop staan en vouwde in gebed zijn handen ineen boven zijn hoofd, om vervolgens in één beweging door zijn lichaam languit op de vloer uit te strek- ken en weer op te staan. Met dit ritueel hield hij zijn lichaam slank en zijn geest helder.

In hoeverre iets religie was en in hoeverre traditie of gewoonte viel onmogelijk te bepalen. Wanneer Gonpo bijvoorbeeld op ge- jok werd betrapt, moest ze verschillende rondjes om een nabijge- legen klooster lopen en talloze gebedsmolens laten draaien, grote verticale cilinders van metaal en hout, en al zwoegend de daarop geschreven gebeden lezen. Elke keer dat je een gebedsmolen op zijn spoel draaide, was het alsof je hardop een gebed opzei. Voor een kind waren ze best zwaar. De straf dwong haar na te denken over wat ze verkeerd had gedaan.

De kinderen – Gonpo en haar zes jaar oudere zus – woonden met hun moeder in afzonderlijke vertrekken aan één kant van het huis. Wanneer ze wakker werden, nam hun moeder de meisjes mee naar de kamers van hun vader om hem goedemorgen te wensen. Tegen bedtijd herhaalden ze dit ritueel om hem welterusten te zeggen. Het gezin at de meeste maaltijden gezamenlijk. Daarbij zag hun vader streng toe op hun manieren. Vóór de maaltijd zeiden ze gebeden op. Vervolgens aten de ouderen eerst terwijl de kinderen wachtten. Hun vader at zijn bord altijd leeg tot op de laatste rijstkorrel, om zijn dochters eraan te herinneren hoe hard de boeren voor hun voedsel werkten. Ook stond hij erop dat zijn personeel dezelfde porties kreeg als hij – al aten zij vaak later, waardoor hun maaltijden al koud waren geworden. De koning was een scrupuleus man die wilde voorkomen dat zijn dochters, koninklijke afkomst of niet, werden verwend. Ook al wemelde het in huis van de dienaren, toch maakte de koning zijn eigen bed op.

De koning was zijn tijd vooruit en hechtte er groot belang aan dat meisjes hetzelfde onderwijs kregen als jongens. Hij had geen zonen en ging ervan uit dat een van zijn dochters de nieuwe monarch zou worden. Gonpo had een leraar die haar elke ochtend het Tibetaanse alfabet onderwees. Daarvoor gebruikte ze een traditionele methode. Ze spreidde as uit op een leistenen bordje en gaf Gonpo een ganzenveer om de letters na te trekken. Tibetaans leren schrijven is nog niet zo gemakkelijk. Het schrift is in aangepaste vorm overgenomen uit Noord-India en de medeklinkers worden boven op elkaar geschreven. Gonpo zat urenlang met glazige blik naar de dwarrelende letters te staren.

Het Drekong-klooster in Tibet. – © Unsplash

Als kind was ze rusteloos. Ze ergerde zich aan de strikt afgeba-kende grenzen van haar leven binnen de paleismuren. Toen ze een peuter was, bond haar kinderjuffrouw een bel rond Gonpo’s middel zodat ze het direct hoorde als Gonpo naar buiten probeerde te gaan. Pas veel later besefte Gonpo hoezeer deze afgezonderde periode van haar vroege kinderjaren van voorbijgaande aard was geweest. Ze had geen speelkameraadjes van haar eigen leeftijd. Haar oudere zus, die bleek zag en vlijtig studeerde, ging niet mee in Gonpo’s neiging om kattenkwaad uit te halen. Gonpo was het gelukkigst wanneer de monniken op bezoek kwamen, aangezien sommige monniken gewoon nog jongens van haar leeftijd waren. Een van hen was haar favoriet. Het toeval wilde dat hij was geïdentificeerd als een gereïncarneerde lama, een tulku. Terwijl de volwassenen deze jongen aanbeden, trok Gonpo aan zijn mouw en eiste ze dat ze in de ontvangstzaal samen een balletje gingen trappen. Ook glipte Gonpo regelmatig het paleis uit om met de kinderen in een van de naburige huizen te gaan spelen. En dan gedroeg ze zich allerminst als een prinses. Zo herinnerde een van die kinderen zich later hoe ze erop stond om bij hem thuis mee te helpen met huishoudelijke klusjes. Omdat ze het ongemakkelijk vond dat ze meer had dan andere kinderen probeerde ze kledingstukken weg te geven. Eenmaal sloop ze met de kinderen uit de buurt de privétuinen van het paleis in om bonen te pikken. Gonpo besefte niet dat de gepikte bonen eigenlijk van haarzelf waren.

Toen ze ouder werd, maakte haar vader zich zorgen omdat ze zich niet als een prinses gedroeg. Hij probeerde te verhinderen dat ze omging met de buurtkinderen, het kroost van zijn onderdanen. Vanaf dat moment moest ze genoegen nemen met uit het raam staren naar de ommuurde binnenplaats en verder, naar de rollende heuvels die in het noorden overgingen in besneeuwde bergtoppen. Alles wat ze zag behoorde tot haar vaders koninkrijk.

Het Mei-koninkrijk strekte zich in ieder geval uit tot Dzorge (Zoige in het Chinees), bijna 150 kilometer naar het noordoosten. Het was niet helemaal duidelijk hoeveel land er precies onder het koninkrijk viel, aangezien in deze samenleving de macht niet in gebied, maar in onderdanen werd uitgedrukt. Grenzen waren minder belangrijk dan loyaliteit. En weinig banden van loyaliteit waren zo sterk als familiebanden. Volgens Tibetaanse bronnen regeerde de Mei-koning over 12 stammen en 1900 huishoudens. Chinese documenten stellen dat 50.000 mensen rechtstreeks onder zijn gezag vielen. De rijkdom werd op overeenkomstige wijze gemeten, namelijk op basis van het aantal dieren dat een familie bezat. En dus staan die in de kronieken nauwgezet geboekstaafd: het koninkrijk bezat 450 paarden en 800 stuks vee, waaronder jaks, die soms met koeien werden gekruist.

Hoewel er weilanden rondom het paleis lagen, werden de meeste dieren gehouden nabij Meruma, een dorp zo’n twintig kilometer naar het oosten dat speciaal was gebouwd voor de kuddes van het koninkrijk. In Meruma had de koning ook een zomerpaleis. Weer een ander, kleiner paleis bevond zich een aantal kilometer verder naar het westen. Dat stond op het terrein van het Kirti-klooster, dat ooit was gesticht door de voorouders van de koning. Dit paleis werd gebruikt tijdens bedevaarten en op boeddhistische feestdagen.

Tientallen jaren later speurde ze de speelgoedwinkels van Azië af naar het soort speelgoedappel dat ze destijds had moeten achterlaten

Gonpo wist niet beter dan dat haar vader de onbetwiste heerser van dit gebied was. Hij besloot op welke uren de markten open waren, wat er verkocht mocht worden en op welke dieren er mocht worden gejaagd. Hij was een vroom boeddhist en dus verbood hij de jacht op vogels, vissen, marmotten en andere kleine dieren. Aangezien men geloofde dat in elk dier een gereïncarneerde ziel huisde, was het beter om een groot dier zoals een jak of schaap te doden. Daarmee konden immers vele monden worden gevoed. Ook de verkoop van opium was streng verboden.

Vanaf het ontbijt ontving de koning een stroom bezoekers die een beroep op hem deden om iets te doen met hun klachten of ge- schillen te beslechten. Iemand die met zijn buurman ruziede over een stuk land of juist een bedrijfje wilde beginnen, verzocht de ko- ning om een oordeel. Dergelijke verzoeken waren zo talrijk dat er altijd wel mensen in afwachting van hun audiëntie kampeerden op het veld voor het paleis. Er kwamen trouwens niet alleen Tibetanen om raad vragen. De streek herbergde mensen uit tientallen etnische groepen, waaronder de Mongolen, die in de dertiende eeuw op de hoogvlakte waren neergestreken, en de Qiang, die uiterlijk sterk leken op de Tibetanen maar wel hun eigen taal en cultuur hadden. En dan had je nog de Chinese moslims, de Hui (spreek uit: Hwee). Zij waren etnisch gezien Chinees, maar zagen er zeer opvallend uit. De mannen hadden pluizige baarden en vaak witte kalotjes, de vrouwen droegen hoofddoeken.

Langzamerhand kwamen er ook steeds meer Han-Chinezen in het gebied wonen. De Han vormden de meerderheid in China. En de meeste Han-Chinezen die Gonpo tegenkwam, waren op de een of andere manier verbonden aan de Chinese regering. Maar ook zij leken haar vader met eerbied te behandelen. Gonpo had dan ook niets tegen hen. Verrukt maakte ze mee hoe Chinese ingenieurs en bouwvakkers evenwijdig aan de rivier een nieuwe weg aanlegden – dezelfde weg waarover ze na de begrafenisrituelen naar huis waren gereisd. In een van Gonpo’s vroegste herinneringen nam ze deel aan de ceremonie ter ere van de ingebruikname van de weg die Ngawa met Chengdu verbond en vlak langs hun paleis liep. Gekleed in hun mooiste Tibetaanse gewaden en getooid met kralen overhandigden ze bosjes bloemen aan de Chinese functionarissen die het lintjes knippen kwamen bijwonen. Tijdens die gelegenheid zagen de jonge meisjes voor het eerst motorvoertuigen. Na afloop maakte haar moeder het grapje dat de meisjes hadden geprobeerd de trucks gras te voeren, omdat ze dachten dat het paarden waren.

Heel erg mis

Toen de koninklijke familie die avond in 1958 thuiskwam van de begrafenis, had Gonpo geen idee waarom de Chinezen vlak voor haar huis hun tenten hadden opgeslagen. Ze stoof naar binnen en rende naar de tweede verdieping. De dienaren keken al even strak als haar kinderjuffrouw. Sommigen hadden tranen in hun ogen. Er was iets mis, heel erg mis. Ze kon haar vader nergens vinden – iemand zei dat hij naar een bijeenkomst was gegaan, maar dat overtuigde haar niet. Op zoek naar hem, of naar iemand die haar kon vertellen wat er aan de hand was, rende ze van kamer naar kamer. Niemand gaf haar antwoorden. De dienaren bewogen zich met hun armen vol kleren en beddengoed tussen de vertrekken. Dat ergerde Gonpo alleen maar meer. Op de typische manier waarop heel kleine kinderen heel harde geluiden kunnen maken, dreunden haar voetstappen na op de houten vloeren – bons, bons – totdat de kinderjuffrouw haar inhaalde en bij de arm greep.

Ze moest stil zijn, waarschuwde de kinderjuffrouw haar. Begreep ze soms niet dat dit ernstig was? Nee, dat begreep ze niet. Helemaal niet zelfs. Maar aangezien iedereen aan het inpakken was, bedacht Gonpo dat ze dat ook maar moest gaan doen. Ze ging naar haar kamer en zocht haar speelgoed bij elkaar.

‘Die spullen zul je niet nodig hebben. Laat ze hier,’ snauwde haar kinderjuffrouw, die al voor Gonpo zorgde sinds ze een baby was en nooit eerder zo scherp tegen haar was uitgevallen.

En dus nam ze afscheid van haar dierbaarste bezit: een plastic appel uit India, die als je hem opende steeds kleinere plastic appels bevatte, net als een Russische matroesjka. Tientallen jaren later, toen ze al ver voorbij de middelbare leeftijd was, grijs werd en last had van jicht, speurde ze de speelgoedwinkels van Azië af naar het soort speelgoedappel dat ze destijds had moeten achterlaten.

Toen het de volgende ochtend licht werd, zag Gonpo dat het hele huis werd verzegeld. De soldaten bevestigden aanplakbiljetten met daarop grote handgeschreven Chinese karakters. Die leken een dringende politieke boodschap te verkondigen, maar Gonpo wist niet welke want ze las geen Chinees. Rond het kordon soldaten stonden de buren. Tranen stroomden over hun gezichten. Onder hen bevonden zich ook de kinderen met wie ze bonen was gaan stelen.

Nog altijd zag Gonpo de ernst van de situatie niet in. Ze had vooral oog voor de auto die klaarstond om hen mee te nemen. Dat was gewoon een jeep van Russische makelij, die zelfs naar de maatstaven van het China van de jaren vijftig weinig bijzonders had. Maar Gonpo had nooit eerder een ritje in een privéauto gemaakt, alleen in een bus. Dit vooruitzicht vond ze zo spannend dat ze even vergat welke tragedie er gaande was, naar de auto rende en van opwinding op en neer sprong.

Haar moeder riep haar met een felle tik op haar wang tot de orde – de enige keer dat een van haar ouders haar ooit heeft geslagen. Gonpo had een kernprincipe van de Tibetaanse gedragsregels overtreden door niet op eerbiedige wijze uit huis te vertrekken. Bedeesd voegde ze zich weer bij haar zus, twee nichtjes en tante. Als in gebed staken ze tegelijk hun handen in de lucht en wierpen ze zichzelf op de grond, om te laten zien dat ze dankbaar waren voor het huis dat hen al die jaren had geherbergd en beschermd. Vervolgens klommen ze in de jeep. De auto werd gstart en met hun koffers opgestapeld op het dak reden ze weg.

De laatste prinses (Eat the Buddha) van Barbara Demick verscheen eind mei bij uitgeverij Nieuw Amsterdam in een vertaling van Alexander van Kesteren en Dhr. Koos Mebius.

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.