• Cultuur
  • De reiziger

De reiziger

| Ulrich Alexander Boschwitz | 25 juli 2018

De Joodse Otto Silbermann weet in 1938 te ontsnappen aan de nazipogroms, maar verliest daardoor alles: zijn bezittingen, zijn waardigheid en uiteindelijk ook zijn verstand. Zelfs wanneer hij, gek geworden van angst, opgesloten wordt in een inrichting, blijft hij geloven in het goede van de mens.

Hoofdstuk een

Becker stond op, drukte zijn sigaar uit in de asbak, knoopte zijn jasje dicht en legde zijn rechterhand beschermend op Silbermanns schouder. ‘Het beste, Otto. Ik denk dat ik morgen alweer in Berlijn ben. Als er iets is, kun je me gewoon in Hamburg bellen.’

Silbermann knikte. ‘Doe me een plezier,’ zei hij, ‘en ga niet gokken, je hebt te veel geluk in de liefde. Bovendien is het… ons geld dat je verliest.’

Becker lachte zuur. ‘Waarom zeg je niet jóúw geld?’ zei hij. ‘Heb ik soms ooit…?’

‘Dat niet,’ onderbrak Silbermann hem snel, ‘ik maakte maar een grapje, dat weet je, maar toch: je bent echt roekeloos. Als je eenmaal begint te gokken weet je van geen ophouden, en helemaal als je eerst die cheque hebt geïncasseerd…’

Silbermann brak zijn zin af en ging op rustige toon verder. ‘Ik heb het volste vertrouwen in je. Tenslotte ben je een verstandig mens. Maar ondanks dat is het zonde van elke mark die je op de speeltafel achterlaat. En omdat we compagnons zijn, maakt het voor mij geen verschil of je jouw geld verliest of het mijne.’

Beckers brede, goedmoedige gezicht vertrok even van ergernis, maar het klaarde meteen weer op.

‘We hoeven elkaar niets wijs te maken, Otto,’ zei hij luchtig. ‘Als ik verlies, verlies ik uiteraard jouw geld, want ik heb nu eenmaal niets.’ Hij onderdrukte een lachje.

‘We zijn partners,’ herhaalde Silbermann nadrukkelijk. ‘Natuurlijk,’ zei Becker, nu weer serieus, ‘maar waarom praat je dan tegen me alsof ik nog steeds je ondergeschikte ben?’

‘Heb ik je gekwetst?’ vroeg Silbermann met een ondertoon van subtiele ironie en lichte schrik.

‘Nee hoor,’ antwoordde Becker trouwhartig, ‘oude vrienden zoals wij! Drie jaar westelijk front, twintig jaar samenwerking en verbondenheid. Kerel, kwetsen kun je me niet, hooguit een beetje irriteren.’

Hij legde zijn hand opnieuw op Silbermanns schouder. ‘Otto,’ zei hij met krachtige stem, ‘in deze onzekere tijden, in deze duistere wereld, is er maar één ding dat telt, en dat is vriendschap, echte mannenvriendschap! Laat dat je gezegd zijn, ouwe jongen, voor mij ben je een man. Een Duitser, geen Jood.’

‘Jawel, ik ben wel een Jood,’ zei Silbermann; hij kende Beckers voorliefde voor ontactisch en kernachtig taalgebruik, en vreesde dat Becker zijn trein zou missen als hij op zijn onbehouwen maar goedbedoelde wijze begon te oreren. Maar Becker had een van zijn sentimentele buien en liet zich daar geen seconde van afpakken.

‘Ik wil nog iets zeggen,’ riep hij uit, zonder acht te slaan op de nervositeit van zijn vriend, bij wie hij al zo vaak zijn hart had gelucht. ‘Ik ben nationaalsocialist. God weet dat ik je nooit iets anders heb voorgespiegeld. Als je een Jood was als de andere Joden, gewoon een echte Jood, was ik waarschijnlijk altijd je procuratiehouder gebleven en nooit je compagnon geworden. Ik ben geen excuusgoj, maar jij bent een gemankeerde ariër, dat weet ik zeker. Marne, IJzer, Somme, wij met zijn tweeën, man! Je moet van goeden huize komen om mij te vertellen…’

Silbermann keek of hij de kelner ergens zag. ‘Gustav, je mist je trein nog,’ onderbrak hij Becker.

‘Dat kan me niks schelen.’ Becker ging weer zitten. ‘Ik wil nog een glas bier met je drinken,’ verklaarde hij geëmotioneerd.

Silbermann sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Voor mijn part ga je in de restauratiewagen door met drinken,’ antwoordde hij geprikkeld. ‘Ik heb nu een bespreking.’

Becker snoof verongelijkt. ‘Zoals je wilt, Otto,’ antwoordde hij toegeeflijk. ‘Als ik antisemiet was zou ik dat commandotoontje niet zo makkelijk accepteren. Wat zeg ik, ik accepteer het nooit! Van niemand. Behalve van jou.’

Hij stond weer op, pakte zijn aktetas van tafel en zei lachend: ‘En dat beweert dat hij een Jood is.’ Met gespeelde verbazing schudde hij zijn hoofd, knikte Silbermann nogmaals toe en verliet de Wachtkamer Eerste Klasse.

Zijn vriend keek hem na. Bezorgd constateerde Silbermann dat Becker nogal onvast op zijn benen stond, tegen de tafeltjes stootte en krampachtig rechtop liep, zoals altijd wanneer hij erg dronken was.

Dat hij compagnon is geworden heeft hem geen goed gedaan, dacht Silbermann, hij had procuratiehouder moeten blijven. Als procuratiehouder was hij betrouwbaar, zwijgzaam en beleefd, een prima medewerker. Maar zijn geluk doet hem geen goed. Als hij maar niet alles op het laatste moment verknoeit. En hopelijk gaat hij niet gokken.

Silbermann fronste zijn voorhoofd. ‘Zijn geluk heeft hem incompetent gemaakt,’ mompelde hij ontstemd.

Nu pas kwam de kelner waar hij eerder tevergeefs naar had uitgekeken.

‘Zit je hier eigenlijk om op de kelner of om op de trein wachten?’ informeerde hij op scherpe toon, want hij had een afkeer van iedere vorm van nonchalance en was in een slecht humeur.

‘Mijn verontschuldigingen,’ antwoordde de kelner, ‘in de Tweede Klasse dacht een heer dat er een Jood tegenover hem zat en daar beklaagde hij zich over. Maar het was helemaal geen Jood, het was een Zuid-Amerikaan, en omdat ik een beetje Spaans spreek werd ik erbij gehaald.’

‘Het is al goed.’ Silbermann stond op. Zijn mond versmalde tot een streep, en de kelner werd getroffen door de strenge blik in zijn grijze ogen.

Hij probeerde Silbermann wat te kalmeren. ‘Het was echt geen Jood,’ verzekerde hij. Kennelijk hield hij zijn gast voor een bijzonder rechtlijnig partijlid.

‘Het kan me niet schelen. Is de trein naar Hamburg al vertrokken?’

De kelner keek op de klok boven de uitgang naar de perrons. ‘Twintig over zeven,’ dacht hij hardop, ‘de trein naar Maagdenburg vertrekt nu. De trein naar Hamburg gaat om vierentwintig. Als u opschiet, haalt u hem nog. Ik wou dat ik ook eens achter een trein aan kon rennen, maar ons soort mensen…’

Hij veegde met zijn servet een paar kruimels van het tafellaken. ‘Het beste zou zijn,’ bedacht hij, het vorige onderwerp weer oppakkend, ‘als Joden een gele band om hun arm moesten dragen. Dan kon je je in elk geval niet vergissen.’

Silbermann keek hem aan. ‘Bent u echt zo wreed?’ vroeg hij zachtjes, en voordat hij was uitgesproken had hij al spijt van zijn woorden.

De kelner keek of hij hem niet goed had verstaan. Hij was zichtbaar verbaasd maar kreeg geen argwaan, omdat Silbermann over geen van de kenmerken beschikte waaraan je volgens de leer van de rassenkundigen een Jood kon herkennen.

‘Mij maakt het allemaal niet uit,’ zei de kelner voorzichtig, ‘maar anderen zou het goed uitkomen. Mijn zwager ziet er bijvoorbeeld een beetje Joods uit, hoewel hij echt een ariër is, maar tegenwoordig moet hij dat overal uitleggen en aantonen. Dat kun je iemand op de duur niet aandoen.’

‘Nee, dat zal wel niet,’ zei Silbermann instemmend. Hij betaalde en vertrok.

Ongelooflijk, dacht hij, gewoon ongelooflijk… Hij liep het station uit, stapte in een taxi en ging naar huis. Het was druk op straat en hij zag opmerkelijk veel uniformen. Krantenverkopers brachten luid schreeuwend hun bladen aan de man en Silbermann had de indruk dat ze gretig aftrek vonden. Even overwoog hij ook een krant te kopen, maar hij zag ervan af want hij had geen zin in het vermoedelijk slechte en in elk geval voor hem vijandige nieuws dat hij vroeg genoeg te horen zou krijgen.

Mijn hele bestaan berust alleen op het slechte geheugen van de mensen die mijn bestaan als zodanig willen vernietigen. Ze zijn me vergeten, ik ben al gedegradeerd

Na een korte rit arriveerde hij bij het gebouw waar hij woonde. Mevrouw Friedrichs, de vrouw van de portier, stond op de trap. Ze groette hem beleefd en ergens was Silbermann blij dat haar gedrag niet was veranderd. Terwijl hij de met een rode pluchen loper bedekte marmeren trap op liep, werd hij zich weer eens bewust van de kennelijke halfslachtigheid van zijn bestaan; hij was de laatste tijd gewend geraakt aan zulke gedachten.

Ik leef alsof ik geen Jood ben, dacht hij verbaasd. Op dit moment ben ik weliswaar een bedreigde, maar welgestelde burger en tot nu toe heeft niemand ook maar een vinger naar me uitgestoken. Hoe komt dat eigenlijk? Ik woon in een modern zeskamerappartement. De mensen praten met me en behandelen me normaal, alsof ik erbij hoor. Je zou er haast een slecht geweten van krijgen, en tegelijk zou ik de leugenaars die doen alsof ik nog steeds ben wat ik geweest ben namelijk een Jood en sinds gisteren iets anders eens goed de waarheid willen zeggen. Wat was ik? Nee, wat ben ik? Wat ben ik eigenlijk? Een scheldwoord op twee benen dat je niet voor een scheldwoord aanziet!

Ik heb geen rechten meer, alleen doen veel mensen uit beleefdheid of gewoonte alsof dat nog wel zo is. Mijn hele bestaan berust alleen op het slechte geheugen van de mensen die mijn bestaan als zodanig willen vernietigen. Ze zijn me vergeten, ik ben al gedegradeerd, alleen is mijn degradatie nog niet officieel voltrokken.

Toen hij de weduwe van geheimraad Zänkel haar deur uit zag komen nam Silbermann zijn hoed af en groette haar met een ’Goedendag, mevrouw.’

‘Hoe maakt u het?’ vroeg ze vriendelijk.

‘Het gaat. En hoe gaat het met u?’ ‘Dank u. Niet slecht. Zoals het gaat met een oude vrouw.’ Ze gaf hem ten afscheid een hand. ‘Het zullen wel moeilijke tijden voor u zijn,’ zei ze enigszins bedrukt, ‘verschrikkelijke tijden…’

Silbermann reageerde met een voorkomend glimlachje, tegelijk voorzichtig en nadenkend, niet instemmend maar ook niet afwijzend.

‘Eigenlijk is ons een merkwaardige rol toebedeeld…’ zei hij ten slotte.

‘Maar het zijn ook grote tijden,’ zei ze troostend. ‘Weliswaar wordt u onrecht aangedaan, maar u moet de billijkheid daarvan inzien en er begrip voor tonen.’

‘Is dat niet wat veel gevraagd, mevrouw?’ vroeg Silbermann. ‘Overigens denk ik helemaal niet meer. Dat heb ik mezelf afgeleerd. Dan is alles makkelijker te verdragen.’

‘U zullen ze nooit iets doen,’ verzekerde ze, waarbij ze resoluut op de traptrede tikte met de paraplu die ze stevig in haar rechterhand hield, alsof ze wilde beklemtonen dat ze niet zou toestaan dat iemand hem te na kwam. Daarop knikte ze hem bemoedigend toe en liep langs hem heen.

Eenmaal binnen vroeg Silbermann aan het meisje of de heer Findler al was gearriveerd. Toen ze bevestigend antwoordde gaf hij haar snel zijn jas en hoed en liep naar de herenkamer waar zijn bezoeker op hem wachtte.

Theo Findler stond met norse blik een schilderij te bekijken. Toen hij de deur hoorde opengaan, draaide hij zich vlug om en glimlachte naar Silbermann.

‘Nou?’ vroeg hij, en zoals altijd wanneer hij sprak, fronste hij diep en naar hij zelf meende veelbetekenend. ‘Hoe gaat het, mijn beste? Ik was al bang dat u iets was overkomen. Je kunt immers niet weten… Hebt u nog nagedacht over mijn laatste bod? Hoe gaat het met uw vrouw? Ik heb haar vandaag nog helemaal niet gezien. Dus Becker is naar Hamburg.’

Findler haalde diep adem, want hij was pas aan het begin van zijn monoloog.

‘U bent allebei vaklui. Daar kunnen wij nog iets van leren. Becker heeft een Joods koppie. Haha, die komt er wel. Ik had graag meegedaan aan die laatste zaak, maar te laat is te laat, nou… Waar hebt u overigens deze verschrikkelijke schilderijen opgedoken? Ik begrijp niet dat iemand zoiets aan de muur wil hebben. Er zit toch totaal geen structuur in, oude cultuurbarbaar. En denkt u maar niet dat ik mijn laatste bod ook maar met één duizendje verhoog. Nooit van mijn leven, kan ik helemaal niet.

U denkt dat ik rijk ben. Dat denkt iedereen. Wist ik maar hoe de mensen op het idee zijn gekomen. Zelfs bij de belasting sta ik in het krijt. À propos belasting: kunt u me niet een bekwame accountant bezorgen of aanraden? Ik begrijp er wel iets van, maar ik heb geen tijd me er echt in te verdiepen. Die belastingen, die verdomde belastingen. Moet ik soms in mijn eentje het hele Duitse Rijk overeind houden? Wat zegt u ervan? Nou?

U zegt helemaal niets. Wat is er? Hebt u erover nagedacht? Accepteert u mijn bod? Dus uw vrouw heeft iets tegen me. Ze laat zich helemaal niet zien. Daar begrijp ik niets van. Neemt ze me kwalijk dat we haar onlangs ’s avonds niet hebben gegroet? Mensenkinderen, dat kon toch niet! Het restaurant zat vol met nazi’s! Mijn vrouw is me achteraf aan mijn hoofd blijven zeuren dat we haar goedendag hadden moeten zeggen. Maar ik heb haar verteld dat die Silbermann veel te verstandig is. Die begrijpt heus wel dat ik me niet om zijnentwille kan compromitteren. Nou?

Vooruit Silbermann, zeg eens wat. Wilt u uw huis nu verkopen of niet?’

Findler leek uitgepraat te zijn, in elk geval keek hij Silbermann vol verwachting aan. Ze gingen aan het rooktafeltje zitten, maar Findler liet zich waarschijnlijk een beetje te abrupt in de fauteuil vallen, want hij wreef met een pijnlijk en buitengewoon geconcentreerd gezicht over zijn linkerheup.

‘Negentigduizend,’ zei Silbermann, zonder in te gaan op de vragen en opmerkingen die Findler, zoals hij heel goed wist, er voornamelijk tussendoor had gestrooid om hem van zijn stuk te brengen. ‘Dertigduizend contant, voor het restant geef ik u een hypotheek.’ Findler schoot overeind alsof hij een elektrische schok had gekregen.

‘Praat toch geen onzin,’ riep hij bijna beledigd uit, ‘houdt u eindelijk eens op met die grappenmakerij. Vijftienduizend in het handje, hoort u! Dertigduizend mark, welja! Als ik dertigduizend mark had liggen, wist ik wel iets beters dan uw huis te kopen. Dertigduizend mark!’

‘Maar rekent u eens uit wat er aan huur binnenkomt. Omdat de koopprijs toch al belachelijk laag is, wil ik in elk geval een fatsoenlijke aanbetaling hebben. Het huis is tweehonderdduizend mark waard, u koopt het…’

‘Waard, waard, waard,’ onderbrak Findler hem, ‘hoeveel denkt u dat ik waard ben? Alleen geeft niemand daar iets voor. Geen mens kan mij betalen, en tegelijk komt niemand op het idee ook maar een duizendje voor me op tafel te leggen. Ik ben onverkoopbaar. Net als uw huis.

Hahaha, Silbermann, vrienden onder elkaar. Ik help u van die keet af, want als ik het niet doe doet de staat het. Dan krijgt u geen cent.’

In de aangrenzende kamer rinkelde de telefoon. Silbermann overwoog even of hij zelf moest opnemen, sprong toen op, excuseerde zich tegenover Findler en liep de kamer uit.

Ik zal het wel moeten accepteren, dacht hij, terwijl hij de hoorn van de haak nam. In wezen is Findler nog een betrekkelijk fatsoenlijke vent.

‘Hallo, met wie spreek ik?’ De centrale meldde zich. ‘Blijft u alstublieft aan de lijn, een gesprek uit Parijs,’ klonk de koele stem van de telefoniste.

Opgewonden stak Silbermann een sigaret op. ‘Elfriede,’ riep hij met gedempte stem.

Zijn vrouw, die zoals hij al vermoedde in de salon zat, kwam binnen en deed zachtjes de deur achter zich dicht.

‘Dag Elfriede,’ begroette hij haar, terwijl hij de microfoon met zijn hand afdekte, ‘ik ben net vijf minuten binnen. Findler is er. Wil je niet even met hem praten?’

Ze was naast hem komen staan en ze kusten elkaar vluchtig. ‘Het is Eduard,’ fluisterde hij, ‘zijn telefoontje komt echt heel ongelegen. Ga even naar Findler, anders luistert hij mee. Het is tegenwoordig al haast een misdaad om met Parijs te telefoneren.’

‘Doe Eduard de groeten,’ zei ze, ‘ik wil hem ook graag even spreken.’

‘Onmogelijk,’ zei hij. ‘Alle lijnen worden afgeluisterd. En jij bent te onvoorzichtig, je zou je mond voorbij kunnen praten.’

‘Maar ik mag mijn zoon toch wel gedag zeggen?’ ‘Dat mag juist niet. Begrijp dat nou toch.’ Ze keek hem smekend aan. ‘Even maar,’ zei ze, ‘ik zal echt goed opletten.’

‘Het kan niet,’ zei hij vastberaden, ‘Hallo? Hallo… Eduard? Dag, Eduard…’ Hij wees bezwerend naar de deur van de herenkamer.

Ze liep weg. ‘Luister eens,’ vervolgde Silbermann, ‘heb je al groen licht gekregen?’ Hij zei het heel langzaam en overdacht ieder woord voor hij het uitsprak.

‘Nee,’ antwoordde Eduard aan de andere kant, ‘het is ontzettend moeilijk. U kunt er niet van uitgaan dat u een vergunning krijgt. Ik doe er alles aan, maar…’

Silbermann schraapte zijn keel. Hij moest het wat steviger aanpakken.

‘Zo gaat het niet,’ zei hij, ‘of je doet je best of je doet niets. Dat het een zaak van het grootste belang is hoef ik je niet te vertellen. Aan zulke slappe praatjes heb ik niets.’

‘U overschat wat ik doen kan, vader,’ antwoordde Eduard gepikeerd. ‘Een halfjaar geleden zou het veel makkelijker zijn geweest. Maar toen wilde u niet. Dat is niet mijn schuld.’

‘Gaat het erom wie de schuld heeft?’ vroeg Silbermann kwaad. ‘Je moet een vergunning regelen. Voor mooie praatjes koop ik niets.’

‘Luister nou toch eens, vader,’ zei Eduard verontwaardigd. ‘U vraagt me het onmogelijke te doen en snauwt me af omdat ik dat nog niet voor elkaar heb! … Maar hoe gaat het met u? En met moeder? Ik zou haar graag even spreken.’

‘Zorg zo snel mogelijk voor die vergunning,’ zei Silbermann nog een keer met nadruk, ‘meer vraag ik niet. Je moeder doet je de hartelijke groeten. Ze kan nu helaas niet zelf aan de telefoon komen.’

‘Het zal wel lukken,’ antwoordde Eduard, ‘ik doe er in elk geval alles aan.’

Silbermann hing op. Dit is de eerste keer in mijn leven dat ik iets van mijn zoon vraag, dacht hij geïrriteerd en teleurgesteld. Het lukt hem vast niet! Als ik een zakenvriend in Parijs had, zou die binnen een paar dagen een visum voor me regelen, maar Eduard… Van hem kan ik dat niet vragen. Hij is gewoon niet gewend iets voor ons te doen. Als je zo lang voor iemand hebt klaargestaan, is het voor diegene lastig om te schakelen. Eduard is gewend dat ik hem help, en nu vraag ik hem mij te helpen. Die rol ligt hem niet.

Beschaamd over deze gedachten schudde Silbermann zijn hoofd. Ik ben onrechtvaardig, dacht hij, en, erger nog, sentimenteel.

Hij liep weer naar de herenkamer. ‘Ik heb uw vrouw net uitgelegd,’ zei Findler ter begroeting, ‘dat het erg onvoorzichtig van u is om de oude gelegenheden nog te bezoeken. Als u een bekende treft die u niet goed gezind is, kunt u de grootst mogelijke problemen krijgen. Uw vrouw is arisch, zij kan overal naartoe, maar u… God weet dat ik dit zeg in uw eigen belang en zonder dat ik de situatie goedkeur waardoor dit soort adviezen noodzakelijk is. U kunt beter thuisblijven, of bij kennissen. Al ziet geen mens dat u Joods bent, de vraag is of de duivel dat ook weet. Hoe gaat het trouwens met zoonlief? Hij heeft net op tijd de benen genomen, hè? Hahaha, het zijn rare tijden. Nou?’

‘Luister Findler,’ begon Silbermann, ‘ik stel het volgende voor: u krijgt het huis tegen een aanbetaling van twintigduizend mark.’

‘Dat slaat toch nergens op. Waarom probeert u uw oude Findler voor de gek houden? Aan de grens pakken ze u het geld toch af. Om u een plezier te doen wil ik best een paar mark meer betalen dan de tent eigenlijk waard is, maar niet om de Pruisische staat een dienst te bewijzen, nee.’

‘Voorlopig ben ik niet van plan uit Duitsland weg te gaan.’ ‘Lieve hemel, doe wat jullie willen. Ik gun jullie echt wat beters dan deze toestand nu. Het Duitse volk wordt met Jodenbloed aan elkaar gelijmd. En waarom zou nu juist mijn vriend Silbermann die lijm moeten zijn? Dat zie ik niet in. Redde wie zich redden kan. Begrijp ik helemaal.’

‘Wordt er geen verschrikkelijke misdaad tegen de Joden begaan?’ vroeg mevrouw Silbermann, die door het zinnetje ‘Het Duitse volk wordt met Jodenbloed aan elkaar gelijmd’ met afgrijzen vervuld was en nog niet had verleerd naar de moraal van de gebeurtenissen te zoeken.

‘Zeker,’ zei Findler droogjes, ‘er is veel ellende in de wereld. En ook veel goeds. Soms voor de een, soms voor de ander. De een is teringlijder, de ander Joods, en de grootste pechvogels zijn het allebei tegelijk. Zo gaat het nou eenmaal. Hoeveel pech denkt u dat ik in mijn leven heb gehad? Daar kun je niets aan doen.’

‘Dat u niet al te tactvol bent, wist ik al, meneer Findler,’ zei mevrouw Silbermann verontwaardigd, ‘maar dat u vanbinnen zo koud bent en zo…’ ze kon het woord ‘meedogenloos’ nog net inslikken, ‘…zo onverschillig, is nieuw voor me.’

Findler glimlachte onaangedaan. ‘Ik hou van mijn vrouw en van mijn dochtertje. Met de rest van de mensheid heb ik een zakelijke verhouding. Zo sta ik, kort gezegd, tegenover de wereld. Ik hou niet van Joden, ik haat Joden niet. Ze laten me koud, ik bewonder ze alleen als goede zakenlui. Als hun onrecht wordt aangedaan, betreur ik dat, maar het verbaast me ook niet. Zo gaat dat in het leven. Wie aan de beurt is gaat failliet en een ander heeft succes.’

‘En als u nou eens Jood was?’

‘Maar dat ben ik niet! Ik heb afgeleerd me het hoofd te breken over die “wat als” vragen. Ik heb genoeg aan wat er is.’

‘Denkt u altijd alleen aan uzelf? Hebt u geen begrip voor andermans ellende?’

‘En wie bekommert zich om mij als ik pech heb? Geen hond! Theo Findler heeft niemand behalve Theo Findler. Die twee moeten elkaar bijstaan, twee handen op één buik. Haha.’

‘En u beweert dat u van uw vrouw en uw dochtertje houdt.’ Mevrouw Silbermann werd steeds bozer. ‘Iemand die zo beestachtig onverschillig is kan niet ook…’

‘Hoor eens, mevrouw, dit gaat te ver. Ik mag een dikke huid hebben en kan een hoop flauwekul verdragen, maar ik laat me niet graag beledigen!’

Mevrouw Silbermann stond op. ‘Verontschuldigt u me,’ zei ze ijzig tegen Findler en ze verliet de kamer.

© Roman Vishniac Estate
© Roman Vishniac Estate

‘God, wat zijn jullie gevoelig,’ lachte Findler, ‘mijn hemel! Nou, een eerlijk iemand als ik moet zich heel wat laten aanleunen. Terug naar de zaken. Nou, hoe staat het ermee?’

Opnieuw rinkelde de telefoon. ‘Twintigduizend,’ eiste Silbermann, ‘de rest onder hypotheek.’ De deur ging open en een zeer opgewonden mevrouw Silbermann vroeg haar man naar de zijkamer te komen. Silbermann was niet erg te spreken over deze nieuwe onderbreking. ‘Denk er even over na,’ zei hij tegen Findler terwijl hij de kamer verliet.

‘Wat is er, Elfriede?’ vroeg hij aan zijn vrouw. Ze wees naar de telefoon. ‘Je zus. Luister maar. Ze zal je alles vertellen…’

Hij pakte de hoorn. ‘Hilde?’

‘Ja, ja?’ stamelde zijn zus opgewonden. ‘Günther is opgepakt.’

Van verbazing wist hij niet meteen wat hij moest zeggen. ‘Hoezo?’ vroeg hij ten slotte. ‘Wat is er dan gebeurd?’

‘Alle Joden worden opgepakt.’ Hij trok een stoel naar zich toe en ging zitten. ‘Rustig nou maar, Hilde, alsjeblieft,’ zei hij. ‘Dat moet een vergissing zijn. Vertel alles eens van voor…’

‘Daar heb ik geen tijd voor. Ik heb je alleen gebeld om je te waarschuwen. In ons gebouw zijn vier mannen opgepakt. O, wist ik maar wat er met Günther gebeurt.’

‘Maar dat kan toch niet! Ze halen toch geen onschuldige mensen uit hun huizen! Dat kunnen ze toch niet doen!’

Hij zweeg. Jawel, dat kunnen ze wel, dacht hij toen, zeker kunnen ze dat.

‘Zal ik naar je toekomen?’ vroeg hij na een korte stilte, ‘Of kom je naar ons?’

‘Nee, ik ga de deur niet uit, ik blijf hier. En jij hoeft ook niet te komen, dat is nergens goed voor. Tot ziens, Otto.’ Ze hing op.

Ontdaan keek Silbermann zijn vrouw aan. ‘Godallemachtig,’ fluisterde hij, ‘ze pakken alle Joden op! Misschien is het maar een tijdelijke maatregel om ons te laten schrikken. Günther is in elk geval opgepakt, maar dat wist je al.’

Silbermann zweeg even. ‘Wat moeten we doen? Wat denk jij, Elfriede? Moet ik hier blijven? Misschien vergeten ze me. Ik ben nog nooit serieus lastiggevallen. Was Becker er maar. Hij heeft allerlei relaties in de partij en zou in geval van nood kunnen ingrijpen. Maar als de arrestaties van bovenaf worden bevolen, kan hij ook niets doen. En eer hij uit Hamburg terug is, kan ik al per ongeluk zijn doodgeslagen. Ach, onzin. Mij zal niets overkomen. In het ergste geval bel je Becker op en vraag je hem meteen terug te komen.’

‘Een halfjaar geleden hadden we nog uit Duitsland weg gekund,’ zei zijn vrouw langzaam. ‘Maar we zijn gebleven, omdat ik geen afscheid kon nemen. Als jou nu iets overkomt, is het mijn schuld. Jij wilde weg, maar ik…’

‘Welnee.’ Hij wuifde haar zelfbeklag weg. ‘Niemand heeft schuld. Is een mens die vergeten is een kogelvrij vest aan te trekken soms schuldig als hij neergeschoten wordt? Dat is toch onzin. Bovendien wilde jij liever vertrekken dan ik. Als jij je zin had gekregen waren we allang weg geweest. Jij kon makkelijker afscheid nemen van je familie dan ik van mijn zaken. Maar zo is het niet gegaan. Hoe en waarom maakt nu ook niets meer uit.’

Hij gaf haar een zoen en ging terug naar Findler. Hij probeerde niets te laten merken, maar iets in zijn gelaatsuitdrukking, een zekere spanning, een krampachtig glimlachje, wekte Findlers achterdocht.

‘Nou, wat is er voor nieuws?’ informeerde Findler. ‘Een slecht bericht?’

‘Familiezaken,’ antwoordde Silbermann terwijl hij weer bij hem ging zitten.

‘Zo, zo,’ zei Findler langzaam, en hij fronste zijn voorhoofd nog nadrukkelijker dan gewoonlijk. ‘Nou, slecht nieuws zeker? Familieberichten zijn altijd slecht. Ik ken dat.’

Silbermann opende het doosje sigaretten dat op tafel stond. ‘Zullen we ter zake komen?’ vroeg hij zo rustig mogelijk.

‘Nou,’ antwoordde Findler, ‘eigenlijk trekt het me niet zo. Ik weet niet eens of je nog onroerend goed van Joden mag kopen. Geen idee, als het ze uitkomt luizen ze me erin voor ik tot drie kan tellen. Nou?’

Dat eeuwige zelfvoldane, laatdunkende ‘Nou’ bracht Silbermann zo langzamerhand tot wanhoop.

‘Wilt u mijn huis kopen of alleen praten over huizen kopen? Wat wilt u?’

‘Ah,’ kreunde Findler en hij strekte zich uit in de fauteuil. ‘Ik ben zo-even verkeerd gaan zitten. Wat zegt u daarvan? Ja… Zullen we niet liever afwachten wat er voor nieuwe verordeningen komen? Het is me te riskant. Straks koop ik een huis en krijg ik het niet. Want de staat is nog lang niet klaar met jullie Joden.’

‘Vijftienduizend dus?’

‘Ik weet het niet, Silbermann, ik heb echt geen idee of ik het wel of niet moet doen. Als u het goed vindt, wachten we nog een paar weken. Als er niets tussenkomt kan ik het huis altijd nog kopen. En ik moet hoe dan ook eerst met mijn advocaat overleggen.’

‘Maar tien minuten geleden…’

‘Nou, ik heb me intussen bedacht. Ik wil ook niet dat u in de problemen komt omdat u uw huis hebt verkocht. En bovenal wil ik zelf geen problemen krijgen.’

‘Misschien kunnen we het zo doen: voor een aanbetaling van veertienduizend mark is het huis van u. Maar dan moet u nu beslissen.’

‘Zo? Ja… Laten we het er morgen nog eens over hebben. Veertienduizend mark is een hele hoop geld, dat is een feit. Ik ben de kwaadste niet, ik hoef het ook niet cadeau te krijgen. Maar de vraag is nu: is het huis me eigenlijk een aanbetaling van veertienduizend mark waard? Afgezien daarvan kan de betaling natuurlijk pas plaatsvinden na de notariële akte en de kadastrale overdracht. En in geval van overmacht is de overeenkomst vanzelfsprekend nietig. Veertienduizend mark… Bent u ermee akkoord als we het vanavond hier met een handdruk bezegelen?’

‘U bood aan om vijftienduizend aan te betalen en nu moet u nadenken over veertienduizend?’

‘Ik zit net te denken dat je met dat geld ook andere zaken kunt doen, misschien zelfs betere. Je moet altijd kijken waar je zelf staat in het leven. Nou!’ Hij zuchtte vergenoegd.

Silbermann sprong op. ‘Ik heb natuurlijk geen invloed op uw beslissing,’ zei hij boos, ‘maar omdat ik geen tijd meer heb, zou ik u dankbaar zijn als u die nu direct neemt. Zo niet, dan kunt u mijn aanbod als vervallen beschouwen. Want ik weet echt niet meer of u serieus geïnteresseerd bent.’

‘U moet niet zo vervelend doen,’ antwoordde Findler ontstemd, ‘ik heb het altijd geweten: jullie Joden deugen niet voor de handel, als jullie met de juiste mensen te maken zouden krijgen, nou…’

Silbermann zag hoe Findler genoot van zijn woekeraarstrots. Hij wilde scherp reageren, bijvoorbeeld dat hij, Silbermann, natuurlijk niet kon concurreren met afpersers en dat ook helemaal niet wilde, dat hij gewend was zijn zaken op beschaafde wijze af te handelen. Maar in bepaalde situaties was een fantasieloze schurk de intelligentste en beschaafdste mensen verreweg de baas.

Hij kwam er niet toe om Findler de grofheden die in hem opkwamen naar het hoofd te slingeren, noch, wat wellicht verstandiger was, hem op iets mildere toon te antwoorden, want op dat moment werd er plotseling hard aangebeld. Zonder op het verbaasde gezicht van zijn bezoeker te letten of zich zelfs maar te verontschuldigen, haastte Silbermann zich de kamer uit. Op de gang stond zijn vrouw.

‘Je moet weg,’ fluisterde ze zenuwachtig. ‘Nee, nee, ik kan jou toch niet alleen laten!’ Omdat hij niet wist wat hij moest doen, liep hij naar de deur. Ze hield hem tegen.

‘Als jij weg bent laten ze mij wel met rust,’ verzekerde ze hem, terwijl ze hem de weg versperde. ‘Neem vannacht een hotel. Maar schiet op… ga…’

Hij dacht na. Weer ging de bel en er werd op de deur gebonkt. ‘Doe open, Jood, doe open…’ brulden allerlei stemmen door elkaar.

Silbermanns mond viel open. Roerloos staarde hij naar de deur.

‘Ik pak mijn revolver,’ zei hij bijna onhoorbaar. ‘De eerste die mijn huis binnenkomt schiet ik overhoop! Niemand heeft het recht hier binnen te dringen!’

Hij probeerde langs zijn vrouw naar de slaapkamer te komen. ‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ zei hij, ‘dat zullen we zien…’ Opnieuw werd er met vuisten op de deur gebonkt en klonk het schrille geluid van de deurbel.

‘Nou?’ vroeg Findler die bij het horen van het lawaai naar de gang was gekomen. ‘Wat is er aan de hand? Mooie boel. Als die kerels me hier te pakken krijgen, zien ze mij in hun enthousiasme misschien ook voor een Jood aan en slaan ze mijn tanden eruit.’

Voorzichtig streek hij met een hand over zijn mond. ‘Hebt u geen achterdeur?’ vroeg hij toen aan Silbermann, die was blijven staan en hem aankeek alsof hij hulp van hem verwachtte. ‘En dit ellendige huis van u mag u iemand anders aansmeren, verdomme,’ voegde hij eraan toe.

‘Ik pak mijn revolver,’ herhaalde Silbermann mechanisch, ‘en de eerste die mijn huis binnenkomt schiet ik overhoop!’

‘Nou nou,’ zei Findler geruststellend, ‘altijd kalm blijven. U kunt er beter vandoor gaan. Ik zal met ze praten. Zorgt u er maar voor dat u door de achterdeur wegkomt. En het huis neem ik voor tienduizend. Akkoord?’

‘U bent… Goed, ja, akkoord.’

‘Mooi, en nu wegwezen! Ik heb u nog levend nodig bij de notaris.’

‘Ga toch!’ smeekte zijn vrouw. De bel bleef maar gaan en Silbermann vroeg zich af waarom niemand de deur intrapte.

‘En wat moet er van mijn vrouw worden?’ stamelde hij. ‘Vertrouw maar op mij,’ zei Findler zelfverzekerd, ‘ik regel het wel. Maar maak nu dat u wegkomt!’

‘Als mijn vrouw iets overkomt… krijgt u het huis niet.’

‘Ja, ja, ja,’ suste Findler, ‘maar als u nu niet verdwijnt, brengt u uw vrouw in gevaar en mij ook.’

Hij trok zijn jasje recht, streek met zijn rechterhand over zijn stekeltjeshaar, haalde diep adem en liep naar de deur. ‘Nou?’ vroeg hij dreigend. ‘Wat is er aan de hand?’

‘Doe open, Jood!’

‘Hebt u wel eens een politiek functionaris gezien die Jood is?’ vroeg Findler korzelig.

‘Hou je bek, smeerlap. Doe open!’ Findler draaide zich om, vergewiste zich ervan dat Silbermann met jas en hoed de gang uit was, gaf mevrouw Silbermann een teken zich in een van de kamers te verstoppen en brulde toen: ‘Ik ben lid van de partij!’ Hij rukte de deur open. ‘Er is hier geen Jood,’ riep hij. Er stonden een stuk of zes jonge knapen voor de deur. Even waren ze onder de indruk van zijn imposante verschijning. Hij voelde in zijn borstzak naar zijn partijboekje.

‘Alle Joden zijn oplichters,’ zei een van hen, ‘Silbermann en partijgenoot, wat een Joodse brutaliteit!’

‘Maar ik ben Silbermann helemaal…’ Theo Findler zakte in elkaar en rolde op de grond. Een van de jongens had hem in zijn kruis getrapt.

Noot van redacteur Peter Graf, herontdekker van de roman

Het Duitse manuscript dat aan deze roman ten grondslag ligt, is geschreven onmiddellijk na de zogenoemde Kristallnacht in november 1938, een serie pogroms die het begin vormden van de systematische Jodenvervolging in Duitsland.

De toen pas 23-jarige schrijver was op dat moment al gevlucht. In een paar weken tijd schreef hij in Luxemburg en deels waarschijnlijk in Brussel zijn roman over de Joodse zakenman Otto Silbermann, die eerst have en goed, dan zijn waardigheid en ten slotte zijn verstand verliest.

Het originele typoscript kwam in de jaren zestig via omwegen in Frankfurt am Main terecht, waar het werd opgenomen in het Exilarchiv van de Deutsche Nationalbibliothek.

In de oorlogsjaren verscheen alleen een Engelse vertaling van Der Reisende, begin 2018 verschijnt het voor het eerst in het Duits. Omdat het Ulrich Alexander Boschwitz destijds niet mogelijk was het manuscript zoals gebruikelijk te laten redigeren, verschijnt het pas nu, bijna vijftig jaar na voltooiing, met toestemming van zijn familie en zorgvuldig geredigeerd. Deze aangrijpende roman heeft daarmee de vorm gekregen die hij verdient.

Meer informatie over het boek en de schrijver is te vinden in het nawoord.

Peter Graf Berlijn, herfst 2017

Auteur: Ulrich Alexander Boschwitz
Vertalers: Izaak Hilhorst en Irene Dirkes
Oorspronkelijke titel: Der Reisende
Uitgeverij: Lebowski
Verschijnt: 13-09-2018

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Over de auteur

Ulrich Alexander Boschwitz (1915-1942) werd geboren in Berlijn. Hij verliet Duitsland in 1935, na korte verblijven in Noorwegen, Frankrijk en Luxemburg vestigde hij zich in 1939 in Engeland. Hij werd kort geïnterneerd en per boot naar Australië gedeporteerd, op het roemruchte schip HMT Dunera. In 1942 mocht Boschwitz terugkeren naar Engeland, maar werd het schip M.V. Abosso getorpedeerd en kwam Boschwitz, met 41 anderen, om het leven, op 27-jarige leeftijd. Het manuscript van De reiziger lag jarenlang in een archief en verscheen pas in 2018 in Duitsland. Wel verscheen de roman, die werd geschreven in 1938, in 1940 in Amerika en in Frankrijk. De herontdekker, redacteur Peter Graf, schreef een nawoord bij De reiziger.

Dit artikel van Ulrich Alexander Boschwitz verscheen eerder in
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.