De schrik van elke dictator

| 09 maart 2015

De Amerikaanse activist Gene Sharp (86) is het gezicht van de geweldloze revolutie. Zijn veertig jaar oude boek Van dictatuur tot democratie is een Bijbel voor activisten overal ter wereld en hij wordt regelmatig getipt voor de Nobelprijs voor de Vrede. De Argentijnse schrijver Martín Caparrós zocht hem op in Boston.

3 juni 2007 was een warme dag vol conflict; op de staatstelevisie ging de president van Venezuela, comandante Chávez, tekeer tegen de demonstrerende studenten: hij noemde hen ‘pionnen van de supermacht’ en zei voor de zoveelste keer dat ze probeerden een ‘zachte coup’ te plegen, zoals in Oekraïne en Georgië gebeurd was, geïnspireerd door een Amerikaanse samenzweerder die op de loonlijst van de CIA stond: Gene Sharp.

Zeven jaar later zijn er op deze dag 35.000 sporters op de been die in de winterse lentezon door de straten rennen en worden toegejuicht door een miljoen supporters. De marathon van Boston wordt gelopen. Vorig jaar legden twee gestoorden bij dit evenement een bom die drie toeschouwers doodde, op deze dag willen de aanwezige Amerikanen laten zien dat ze zich niet uit het veld laten brengen door dat soort dingen. Terwijl buiten duizenden mensen aan het rennen zijn, heeft Gene Sharp hierbinnen nog meer haast.

© Mary Knox Merrill / The Christian Science Monitor / Getty Images
© Mary Knox Merrill / The Christian Science Monitor / Getty Images

Klein, ineengedoken, zit hij in zijn rolstoel. Gene Sharp is 86 en ziek: kwalen ondermijnen hem, slopen zijn lichaam. Later zal ik hem angstig en beschaamd vragen hoe hij over vijftig jaar herinnerd wil worden: mijn lafheid schuilt in de woorden ‘vijftig jaar’.

‘Daar hoef ik niet over te denken,’ luidt zijn antwoord, met die stem die hem lijkt te ontsnappen.

‘Maar het is mogelijk dat er mensen zijn die dan nog steeds gebruikmaken van uw ideeën.’

‘Of ik herinnerd word of niet kan me niets schelen. Waar het mij om gaat is dat die ideeën eraan kunnen bijdragen dat sommige dingen veranderen. Als onderdrukte mensen leren dat ze repressie niet hoeven te vrezen en, zoals zo vaak is gebeurd, in opstand komen, niet langer bang zijn, dan verandert alles. Belangrijk is niet wat ik heb gedaan, maar wat zij elke keer weer doen met die daad.’

Gene Sharp draagt een grijs overhemd en een grijze broek waar hij wel twee of drie keer in past. Hij heeft kleine handen waarmee hij een verfrommelde zakdoek voor zijn mond houdt. Om de zo veel tijd veegt hij zijn mond ermee af. Hij zit voorovergebogen als om de woorden eruit te duwen die in hem vast blijven zitten. Gene Sharps intens blauwe ogen zijn vochtig, maar opvallend scherp en levendig.

‘En hoe stelt u zich de wereld over vijftig jaar voor?’

‘Geen idee. Daarover nadenken is zonde van mijn tijd. Ik geloof niet dat mijn verbeelding van zo veel belang is. Waar ik me op heb gericht is mensen vertellen dat ze niet zwak zijn, dat ze niet machteloos zijn, dat ze wel degelijk macht hebben; dat als ze leren hoe ze hun macht kunnen inzetten, hun leven zal veranderen. Dat zij herinnerd zullen worden, niet ik, doordat ze het juk van onderdrukking hebben afgeschud zonder iemand te doden, omdat doden niet alleen niet nodig was, maar zelfs schadelijk zou zijn geweest voor hun strijd,’ zegt Sharp met de vastberadenheid van iemand wiens missie nog niet volbracht is.

Pragmaticus

Gene Elmer Sharp is geboren in 1928 in Baltimore, Ohio, als zoon van een dominee en een huisvrouw. Toen hij achttien was verliet hij zijn geboortestad, hij ging naar de universiteit, werd socioloog en dreigde naar de oorlog te worden gestuurd. In 1953 werd Sharp tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens zijn weigering in Korea te gaan vechten. Na negen maanden en tien dagen kwam hij vrij. Zestig jaar later vertelt hij dat hij elke nacht afstreepte in die cel in Danbury, Connecticut, en dat hij nu denkt dat zijn actie nergens toe diende – behalve dan dat hij er zijn integriteit door behield, dat hij zijn zelfrespect niet verloor.

Toen hij weer vrij man was wilde Sharp de wereld in trekken: hij werkte als arbeider, blindengeleider, strijder voor sociale gerechtigheid, secretaris van een pacifistische vakbondsleider, en dat tijdens de Koude Oorlog toen veel Amerikanen pacifisme als een radicale vorm van anti-patriottisme beschouwden. Vervolgens vertrok hij: hij woonde een paar jaar in Noorwegen en in het Verenigd Koninkrijk, hij bleef activistisch en nam zijn studie weer op. Hij schreef zijn eerste boek, over Mahatma Gandhi’s tactieken. Geleidelijk aan verloren zijn eigen ideeën over geweldloosheid hun idealistische karakter en veranderde hij in een pragmaticus. Dat leek hem de beste manier om het op te nemen tegen degenen die het monopolie op geweld hebben: dictators.

‘Ik bestudeerde de aard van dictaturen en probeerde te begrijpen wat maakt dat ze bestaan. En ik begon in te zien dat geweldloze alternatieven niet krankzinnig waren, maar een verzameling opties die soms zinniger, realistischer waren dan andere. Maar er moest eerst goed over nagedacht worden, ze moesten geanalyseerd worden; wie denkt dat geweldloosheid een kwestie is van elkaars hand vasthouden en lachen naar je medemens, heeft geen idee waar het om gaat.’

Zijn eurekamoment – zal hij vele jaren later zegen – was toen hij eind jaren zestig in Oxford bezig was aan zijn proefschrift over ‘politieke opties van geweldloosheid’. In die tijd bevrijdde seks zich van het huwelijk, rookten langharigen stickies, liep een man op de maan, doodden de Amerikanen hun helden, gingen de Beatles uit elkaar, eisten jongeren het onmogelijke en woedde de sociale revolutie om de hoek van de straat. Toen begreep Sharp dat de zwakte van dictators daarin ligt dat ze alleen macht hebben voor zover hun volk dat accepteert, hun bevelen opvolgt, doet wat het wordt opgedragen; zodra het volk zich daarvan bewust wordt en ermee ophoudt, komen er zo veel scheuren in die macht dat er uiteindelijk niets meer van overblijft. Maar dat alles vereist voorbereiding, een zorgvuldige strategie.
Dictators hebben alleen macht voor zover hun volk dat accepteert

Buiten lopen duizenden en duizenden mensen de marathon; binnen zitten wij te praten, in ademnood maar met geestdrift. Het huis van Gene Sharp ligt in een arbeiderswijk van Boston en bestaat uit twee houten verdiepingen; hij kocht het 45 jaar geleden voor 150 dollar en een belastingschuld. Sindsdien woont hij hier en gedurende lange tijd was ook de Albert Einstein Institution, die hij in 1983 oprichtte ter verbreiding van de geweldloze strijd, werkzaam vanuit dit kleine, met boeken volgestouwde vertrek: aan de wanden met streepjesbehang twee Japanse prenten, een tafel bedolven onder nog meer boeken en een computer en een raam met uitzicht op straat.

Hier voltooide Sharp de drie delen van zijn meest ambitieuze boek, The Politics of Nonviolent Action, verschenen in 1973 toen hij politieke wetenschappen doceerde aan de universiteit van Massachusetts. Hier studeerde hij, schreef hij, dacht hij na en hier ontving hij in 1993 een verzoek dat zijn leven zou veranderen.

‘Ik woonde hier, maar ging om de zo veel tijd naar Birma. En ik werkte met Birmese ballingen. Een van hen, een democraat die U Tin Maung Win heette, startte in Bangkok een exil-tijdschrift, Khit Pyaing – De Nieuwe Tijd – en hij verzocht me er een stuk voor te schrijven. Ik vroeg hem wat hij wilde en het antwoord was: dat mag je helemaal zelf weten, onderwerp, lengte, het maakt niet uit. In die tijd had ik een kantoor met twee assistenten, dus ik vond het heel vreemd… Maar ik produceerde dat geschrift. Ik dacht niet dat men er buiten Birma iets aan zou hebben. Ik hoopte wel dat de mensen daar er iets aan zouden hebben, maar ik geloof dat dat niet het geval was. Zij kenden alle antwoorden. Zij kenden niet de vragen maar wel alle antwoorden.’

Het stuk was bijna honderd bladzijden lang, en heette ‘Van dictatuur naar democratie’.

‘Het werd gepubliceerd als een apart boekje, in het Birmees en in het Engels, later werd het vertaald in andere talen die in Birma worden gesproken: Mon, Karen, Jingpaw, Chin. Na een paar jaar dacht ik: Goed, dat was het dan. Maar het bleef circuleren. Mensen die het bij zich hadden werden zelfs gevangengenomen. En het werd in nog meer talen vertaald…’

‘Had u dat niet verwacht?’

‘Nee, op geen enkele manier.’

‘En waarom gebeurde het dan toch?’

‘Ik weet het niet, er kwamen steeds meer mensen bij me die zeiden: Hé, het is net of dit boekje voor ons is geschreven.’

‘En wat deed dat u?’

Gene Sharp kijkt me aan, bijna geamuseerd: ironisch. Hij krijgt een hoestaanval; zijn krachtsinspanning is aangrijpend: ‘Het gaf me een gevoel van grote tevredenheid. Niet voor mezelf, voor mijn ego. Maar in de zin van aha, het heeft dus toch zin gehad: de ideeën klopten.’

© Orjan F. Ellingvag / Dagens Naringsliv / Corbis
© Orjan F. Ellingvag / Dagens Naringsliv / Corbis

Gene Sharp denkt dat het verzet tegen dictaturen, wil dat werken, niet gebaseerd moet zijn op een goede ingeving, de reactie op manoeuvres van de vijand, voldoende gebruik van geweld, genoeg steun van mensen, de intuïtie van een leider, maar op een zorgvuldige analyse, een stap voor stap georganiseerde strategie; Van dictatuur naar democratie biedt stof om daarover na te denken. In de kern gaat het erom uit te maken op welke instituties de macht van de dictator steunt en te pogen het functioneren ervan onmogelijk te maken, ze uit te hollen, te ontwapenen: dan zal uiteindelijk de macht vallen of verdwijnen. Maar daarvoor moeten verschillende tactieken worden toegepast; het boek biedt een hele lijst.

Niemand weet precies hoe het is gegaan. Wat men wel weet is dat het geen vooropgezet plan was, dat Van dictatuur tot democratie zich steeds verder verspreidde, dat activisten uit verschillende landen het boek ontdekten, vertaalden, bespraken – en dat degenen die er ten slotte grote bekendheid aan gaven waarschijnlijk de mensen van Otpor waren, de mensen die een beslissende rol speelde bij de val in oktober 2000 van Slobodan Milošević. Ze hadden Sharps methoden gevolgd; na hun overwinning stuurden ze het boek naar of bevalen ze het aan tientallen groepen die overal ter wereld bezig waren met een vergelijkbare strijd.

Al in 2003 kon je het boek, beschikbaar in dertig talen, gratis downloaden via de website van de Albert Einstein Institution. In datzelfde jaar pasten groepen activisten de ideeën met succes toe in Georgië; het jaar daarop in Oekraïne. Tijdens de rellen in Iran in 2008 werd Sharp op de staatstelevisie ervan beschuldigd dat hij de mensen had opgehitst en – opnieuw – dat hij voor de CIA werkte. Toen de Arabische Lente uitbrak hadden Tunesiërs en Egyptenaren het over het belang van de tactieken die in het boekje aan de orde werden gesteld, over hoeveel ze eraan hadden gehad.

‘Het staat vol goede tips. Een voorbeeld: als iemand je slaat, moet je niet terugslaan. Moet je geen geweld gebruiken. Maak foto’s en zet ze op internet. Daar bereik je veel meer mee,’ zei destijds Mohammed Adel, een van de leiders van het Tahrirplein. In 2011 vertelde de documentaire Hoe begin je een revolutie het verhaal. Daarin zegt een leider van de Oekraïense opstand dat de ideeën van Gene Sharp alleen bekend waren bij zo’n tienduizend mensen, maar dat ze in praktijk werden gebracht door honderdduizenden mensen die nooit hebben geweten dat ze van hem afkomstig waren.

‘Bewegingen zoeken altijd leiders. Maar leiders zijn niet nodig’

Er zijn mensen die zeggen dat de verbreiding van ideeën, het gebruik dat ervan wordt gemaakt, bewijst dat ze machtiger kunnen zijn dan machthebbers: een oude man denkt in een kamertje in een wijk van Boston dingen uit die zaken in gang zetten in Noord-Afrika, in Oost-Europa, in West-Azië, in Zuid-Amerika. Maar Sharp benadrukt telkens weer dat revoluties teweeg worden gebracht door het volk zelf, dat zijn werk slechts een steuntje in de rug is en dat zij die zeggen dat hij er verantwoordelijk voor is eigenlijk zeggen dat Serviërs of Egyptenaren het niet op eigen kracht kunnen, dat een Amerikaans oudje achter zijn bureau van groter belang is dan duizenden burgers die de straat op gaan in de steden waar ze wonen, en dat is kwetsend, op het racistische af.

Gebruik je hoofd

Sally is een dikkertje met een donkere bronskleur. Ze komt bij me zitten, legt haar kop op mijn schoot. ‘Het is duidelijk dat ze je mag,’ zegt Sharp, en hij lacht naar me. Ik ben goedgekeurd. ‘Ze blaft nooit,’ zegt hij, ‘maar als haar iets niet bevalt, dan is er niets meer aan te doen.’ Ik durf hem niet te vragen of hij het echt over Sally heeft.

‘Bewegingen zoeken altijd leiders. Maar leiders zijn niet nodig. Als er een opstaat, goed, oké, maar pas op. Wat gebeurt er als een charismatische leiders wordt vermoord of zich laat inpalmen of bezwijkt voor corruptie, of zich vergist? Gandhi was daar erg streng in: jullie moeten mij niet volgen. Als jullie redelijk vinden wat ik zeg, handel daar dan naar. Maar volg mij niet. Geen leider hebben maakt een beweging machtiger, want de tegenstanders kunnen die dan niet tegenhouden door een paar personen te arresteren of te doden,’ zegt Sharp. Hij kan bijna niet meer maar gaat toch verder: ‘Als je vijand je probeert te provoceren met de bedoeling je te bewegen tot het gebruiken van geweld, dan moet je dat juist niet doen. Gebruik je hoofd. Waarom willen ze dat je je gewelddadig gedraagt? Omdat dat hen helpt het van jou te winnen. Waar onderdrukkers het beste in zijn, waar ze in het voordeel zijn ten opzichte van jou, is in het gebruik van geweld. Jij moet niet geweldloos zijn om moreel superieur te zijn, o nee. Jij moet niet geweldloos zijn omdat dat “goed” is, maar omdat de techniek dat vereist.’

‘Waarom denkt u dat geweld vaak zinloos is of averechts werkt?’

‘Omdat de geweldloze strijd en de gewelddadige strijd uiteenlopende behoeften hebben, en het toepassen van geweld het proces op zijn kop zet dat in de geweldloze strijd macht oplevert. Het gebruik van geweld verzwakt de geweldloze discipline, kan leiden tot het ineenstorten van de beweging. Daarbij ontstaan uit een gewelddadige oppositie, als die aan de macht komt, vaak net zulke, of nog ergere, dictatoriale regimes als die welke erdoor ten onder zijn gegaan.’

‘Soms is het moeilijk vast te blijven houden aan geweldloosheid als jijzelf wordt aangevallen.’

‘Natuurlijk. Maar het is nodig om effect te kunnen hebben,’ zegt Sharp moeizaam fluisterend, met in zijn helblauwe ogen de schittering van iemand die zich nooit zal overgeven.

© Orjan F. Ellingvag / Dagens Naringsliv / Corbis
© Orjan F. Ellingvag / Dagens Naringsliv / Corbis

Jarenlang bestond de Albert Einstein Institution uit Gene Sharp en Jamila Raqib, die hier werkten, in dit kamertje van de arbeiderswoning, manoeuvrerend tussen stapels boeken, papieren, een paar kopjes, een affiche aan de muur, een paar aftandse computers. Maar sinds de Arabische Lente kreeg het instituut grotere bekendheid, werd erover bericht in de pers en kwamen er donaties binnen – in de meeste gevallen bescheiden bedragen van individuele gevers; een aanzienlijk bedrag van de Noorse regering. Het is vreemd – zelfs wreed soms – hoezeer het succes van dit soort initiatieven afhangt van de grillen van de media.

Dankzij het verkregen geld kon het instituut verhuizen naar een schoon, onpersoonlijk kantoor waar thans vier medewerkers werken. Gene Sharp heeft er weinig van mee kunnen profiteren: de verhuizing viel samen met de verslechtering van zijn gezondheid, die hem aan zijn proletarische huis gekluisterd houdt. Het kantoor is het domein van Jamila.

Iedereen krijgt hetzelfde antwoord

Jamila is klein, een stralende verschijning, mooi met de schoonheid van haar plek in de wereld. Ze is 33 jaar geleden geboren in Afghanistan als dochter van een in de VS opgeleide militair. Wat ze zich herinnert van wat destijds haar land was is de vlucht – een lange geheime tocht vol angst – om te ontsnappen aan het geweld van de taliban. Jamila groeide op in de buurt van Boston; ze ging naar een business school – omdat ze een nuttig vak wilde leren – maar toen ze klaar was met haar studie besloot ze eerst een jaar iets anders te gaan doen. Ze wist dat een pacifistisch instituut een medewerker zocht; tijdens het sollicitatiegesprek zei ze dat geweld soms noodzakelijk, onvermijdelijk is: de geschiedenis van haar land bewees dat. Tot haar verrassing nam Gene Sharp haar aan en dat ene jaar zijn er inmiddels twaalf geworden. Jamila leidt nu het instituut en is tegelijkertijd als de dochter van Gene Sharp die hij nooit heeft gehad. ‘Hier doen we een heleboel dingen. We maken artikelen, verzamelen en publiceren materiaal, verstrekken informatie, geven antwoord als om advies wordt gevraagd.’

Vaak komen die verzoeken van personen of groepen die willen weten wat ze in bepaalde omstandigheden moeten doen in hun strijd tegen hun regering. Maar de regels van het instituut verbieden haar zich te bemoeien met de beslissingen van groepen activisten en met de planning ervan: haar medewerking beperkt zich tot het aanreiken van de theoretische tools, die iedereen ter beschikking staan. Het antwoord bestaat nooit uit precieze aanwijzingen, laat Jamila weten: ‘Wat we bieden zijn bibliografieën, geschiedenissen, gevallen die als voorbeeld kunnen dienen.’

‘Stel dat er een vraag komt of het opwerpen van barricaden een goed idee is. Wij zeggen dan niet ja of nee, dat zouden we niet kunnen, dat willen we ook niet, maar we sturen materiaal zodat men kan zien hoe en wanneer er barricaden gebruikt zijn, wie er iets aan heeft gehad en wie niet.’

‘En waar komen op dit moment de meeste verzoeken om advies vandaan?’

‘Nu vooral uit Venezuela,’ zeg Jamila. Ze vertelt dat ze vaak niet weten wie om advies vraagt en dat hun dat ook niet kan schelen: iedereen krijgt hetzelfde antwoord, wat ze antwoorden is geen enkel geheim, het is algemene kennis die de hele wereld toebehoort. ‘De technieken van geweldloos handelen kan men uiteraard inzetten tegen dictaturen, maar kunnen ook gebruikt worden om ervoor te zorgen dat onze regeringen, al zijn het geen dictaturen, bepaalde dingen verbeteren.’

‘Dus ze zouden ook hier in de Verenigde Staten toegepast kunnen worden?’

‘Natuurlijk. Ook hier zijn een heleboel problemen: mensen zijn erg ontevreden over de instellingen die ons zouden moeten beschermen. Denk bijvoorbeeld maar aan de grootschalige gaswinning, hoezeer het milieu daardoor bedreigd wordt…’

‘En als agenten van een bepaalde regering om advies vragen?’

‘Maakt niet uit. Dan zeggen we hetzelfde. Als ze de mogelijkheden van de mensen kennen, krijgen ze misschien meer respect en zullen ze hen minder onderdrukken of minder gewelddadig optreden, wie weet. En trouwens, al zouden we die informatie niet met hen willen delen, dan zouden ze toch wel een manier vinden om erachter te komen wat onze ideeën zijn, denk je niet?’

‘Hoe zou u zich politiek willen definiëren?’

‘Ik pas in geen enkel hokje van het gevestigde politieke establishment, conservatief, liberaal of wat dan ook. Ik denk dat alle richtingen ontoereikend zijn hoewel ze allemaal ook wel iets positiefs in zich hebben. Maar ik geloof dat we verder moeten gaan. Dat betekent niet dat men de waardevolle aspecten ervan moet afwijzen, maar wat ontbreekt is bespiegeling, beschouwing. Ze zijn erg incompleet.’

Een Nobelprijs zou meer deuren openen, en oren, misschien ook een hart, maar het zou niet echt veel veranderen

Voor zover bekend is Gene Sharp niet getrouwd en heeft hij geen relatie; de mensen die hem het meest na staan weten niet of zeggen niet te weten of dat ooit anders is geweest. Hoe dan ook is hij nu moe en alleen – een beetje alleen. Sharp heeft nooit veel erkenning gekregen. Misschien, zoals hij vaak zegt, wilde hij het niet – of misschien ook wel. Het is waar dat hij de laatste jaren is genomineerd voor Nobelprijs voor de Vrede; in 2012 en 2013 was hij een sterke kandidaat, maar hij verloor van de Europese Unie en daarna van de OPCW, een internationale organisatie, zetelend in Den Haag, die probeert chemische wapens uit de wereld te bannen.

‘U bent al jaren kandidaat voor de Nobelprijs. Doet u dat wat?’

‘Nou ja, het is een eer. Maar het comité maakte een andere keus; dat mogen ze, daar hebben ze het volste recht toe.’

‘Zou u hem graag willen krijgen?’

Sharp kijkt me aan, met ogen als zwaarden: hij lacht met zijn blik. ‘Nou ja, het zou aardig zijn, maar…’

‘Zou het iets veranderen?’

‘Het zou meer deuren openen, en oren, misschien ook een hart, maar het zou niet echt veel veranderen.’

En het is waar dat hij jarenlang met heel weinig middelen moest werken, in het kamertje. En ook is het waar dat er elke dag weer post komt van activisten uit verre oorden die zeggen dat ze zonder zijn boek en zonder zijn ideeën niet hadden kunnen bereiken wat ze hebben bereikt.

‘Weet u waar de mensen de kracht vandaan halen om te besluiten alles op het spel te zetten, inclusief hun leven, om de maatschappij te veranderen?’

‘Ik weet het niet zeker. Ik weet dat ze het kunnen omdat het is gedaan. Als ze erover denken, zeggen velen dat het onmogelijk is, maar het gebeurt voortdurend, op zoveel plaatsen. Kenneth Boulding noemde het de eerste wet van Boulding: wat bestaat is mogelijk. Als het eens is gebeurd, kan het opnieuw gebeuren.’

‘Natuurlijk, maar misschien kunt u me wel vertellen waarom het gebeurt.’

‘Waarschijnlijk niet.’

Orchideeën

In 2008 publiceerden naar aanleiding van de golf van beschuldigingen tientallen Amerikaanse linkse academici en intellectuelen een open brief: ‘Doctor Sharp wordt in brede kring erkend als een van de mondiale autoriteiten op het gebied van strategische geweldloze actie. Hij is de oprichter van de Albert Einstein Institution, een kleine organisatie zonder winstoogmerk die zich wijdt aan het bestuderen van geweldloze conflicten ter verdediging van vrijheid, recht en democratie. (…) Het werk van Sharp is geen instrument van het imperialisme; integendeel, hij is de inspiratie geweest voor generaties van pacifisten, syndicalisten, feministen, verdedigers van mensenrechten en milieuactivisten in de VS en in de rest van de wereld. Hij noch zijn instituut heeft ooit geld ontvangen van welke regering ook, en evenmin heeft hij gewerkt voor de CIA of een andere door de overheid betaalde dienst.’

De brief werd medeondertekend door klinkende namen als Noam Chomsky en Howard Zinn.

Jarenlang kweekte Gene Sharp orchideeën op het dakterras van zijn arbeidershuis: een enorme hoeveelheid orchideeën. Hij vertelt dat hij zijn orchideeën nog heeft maar niet meer naar boven kan om ze te verzorgen, dat iemand anders dat nu voor hem doet, maar wat zou hij ze graag weer eens zien.

‘En waarom kweekt u ze?’

‘Om het genot van schoonheid te scheppen.’

‘Is het een gevoel van macht in staat te zijn schoonheid te scheppen?’

‘Misschien,’ zegt hij, maar het klinkt als: natuurlijk, wat anders? En zijn gezicht verkreukelt in een stille lach. Ik denk aan die vreemde, grillige bloemen die blijven bloeien in al hun pracht hoewel hij ze niet meer kan zien.

‘Ja, ik hield ervan om naar gregoriaans gezang te luisteren. Nu niet meer, al een tijd niet meer.’

Hij is moe, kucht. Ik weet dat ik moet gaan, maar voordat ik vertrek vraag ik of hij in een god gelooft, of hij nog gelovig is. Gene Sharp zegt dat hij het niet weet; soms wel, soms niet, en dat dat in het algemeen een onbeantwoordbare vraag is.

‘Maar ik vraag me wel af of mijn leven ergens goed voor is geweest. Ik heb altijd gedacht dat ik als het over is de wereld moet achterlaten in een betere toestand dan waarin ik hem aantrof.’

Er is een moment, geloof ik, waarop een mens niet meer de pretentie kan hebben meer antwoorden te hebben dan de twee of drie die hij in de loop van zijn leven heeft gevonden: als hij is opgehouden met veinzen en hopen.

‘En denkt u dat u dat heeft gedaan?’

‘Ik geloof het wel. Niet altijd, maar op een bepaalde manier wel.’

‘Dat moet een heel rustgevend gevoel zijn, niet?’

‘Het helpt,’ zegt hij, broos, met een uiterste krachtsinspanning, met die fonkeling.

Buiten, in de zonovergoten stad, de restanten van de marathon: lopers die klaar zijn passeren me vermoeid, uitgeput, vervuld van zichzelf; toeschouwers applaudisseren. Ze vochten tegen hun lichaam, zou je kunnen zeggen, en ze denken gewonnen te hebben. Ze zien er voldaan uit. Gene Sharp wekt niet die indruk: hij heeft nog een eindeloze strijd voor de boeg – en dat zal altijd zo blijven.

Auteur: Martín Caparrós
Vertaler: Adri Boon

El País
Spanje, dagblad, oplage 397.000
Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers. Martín Caparrós draagt er als Argentijnse journalist en auteur regelmatig aan bij.

Dit artikel van verscheen eerder in
Recent verschenen