• The Guardian
  • Amerika’s
  • Rocksterfilosoof Sandel: ‘We moeten af van de maatschappij van winnaars en verliezers’
">

Rocksterfilosoof Sandel: ‘We moeten af van de maatschappij van winnaars en verliezers’

The Guardian | Londen | Julian Coman | 22 december 2020

De enige uitweg uit de crisis is de maatschappij te ontdoen van ‘winnaars’ en ‘verliezers’. Dat zegt Michael Sandel, de ‘filosoof met de wereldwijde uitstraling van een rockster’.

Michael Sandel was achttien jaar toen hij zijn eerste belangrijke les kreeg in de kunst van het politiek bedrijven. 

De toekomstige filosoof was in 1971 voorzitter van de leerlingenvereniging van zijn highschool in de wijk Pacific Palisades in Los Angeles, op het moment dat Ronald Reagan, de toenmalige gouverneur van de staat California, in diezelfde stad woonde. Sandel, die over gebrek aan zelfvertrouwen nooit te klagen heeft gehad, daagde Reagan uit voor een debat ten overstaan van 2400 linkse tieners. Het was op het hoogtepunt van de oorlog in Vietnam, die had gezorgd voor de radicalisering van een hele generatie, en iedere studentencampus was vijandelijk gebied voor een conservatieve geest. Enigszins tot Sandels verbazing nam Reagan de handschoen op en kwam hij, geheel in stijl, in een zwarte limousine aan bij de universiteit. Het gesprek dat volgde voldeed allerminst aan de verwachtingen van de jeugdige gesprekspartner van de gouverneur.

‘Ik had een lange lijst voorbereid met in mijn ogen erg lastige vragen,’ vertelt de inmiddels 67-jarige Sandel via een videoverbinding vanuit zijn werkkamer in Boston. ‘Over Vietnam, over het stemrecht voor achttienjarigen – waar Reagan tegen was, over de Verenigde Naties, over sociale zekerheid. Ik dacht dat ik hem met zo’n publiek makkelijk de baas zou zijn. Hij reageerde vriendelijk, aimabel en respectvol. Na een uur realiseerde ik me dat ik niet de winnaar van dit debat was, maar de verliezer. Reagan pakte ons in, zonder ons te overtuigen met zijn argumenten. Negen jaar later wist hij op diezelfde manier in het Witte Huis te komen.’

Sandel liet zich niet afschrikken door deze vroege nederlaag, maar ontwikkelde zich tot een van de beroemdste intellectuelen en debaters in de Engelstalige wereld, met een leerstoel aan de Harvard-universiteit. Hij is wel omschreven als een ‘filosoof met de wereldwijde uitstraling van een rockster’ die vanaf zijn basis op Harvard online een miljoenenpubliek bereikt. Luisteraars van zijn serie The Public Philosopher op BBC Radio 4 zullen vertrouwd zijn met zijn socratische manier van vragen stellen, waarbij hij de aannames van zijn publiek op een spitsvondige manier op de proef stelt. Miljoenen mensen die zijn lezingen over gerechtigheid gratis volgen via YouTube, zullen vertrouwd zijn met het hoge, ernstige voorhoofd en de vriendelijke, zachte manier van spreken.

Politiek is Sandel ontegenzeglijk links georiënteerd. In 2012 zette hij Ed Milibands vernieuwingsplannen voor de Britse Labourpartij intellectuele luister bij, door op het partijcongres van dat jaar een lezing te houden over de morele grenzen van de markt. 

Die toespraak, en zijn in datzelfde jaar verschenen boek What Money Can’t Buy, inspireerden Miliband tot zijn kritiek op het ‘roofdierkapitalisme’, waarmee de Labourleider na de financiële crisis een belangrijke bijdrage leverde aan het Britse politieke debat.

What Money Can’t Buy bezegelde Sandels status als wellicht de meest geduchte criticus van het vrijemarktdenken in de Engelstalige wereld. Maar in een tijd waarin de politiek steeds gepolariseerder en giftiger wordt, moet hij steeds vaker terugdenken aan die vroege ontmoeting met Reagan. ‘Die heeft me veel geleerd over het belang van aandachtig luisteren,’ zegt hij,  ‘dat evenveel gewicht in de schaal legt als de kracht van argumenten. Voor mij was het een les in wederzijds respect en inclusiviteit in het publieke debat.’

Twee studenten klappen tijdens een gastcollege van de beroemde Amerikaanse filosoof Michael Sandel. – © Bert Spiertz / Hollandse Hoogte

De vraag hoe je deze burgerdeugden nieuw leven kunt inblazen, vormt 
de kern van Sandels nieuwe boek The Tyranny of Merit, dat afgelopen september verscheen. Hoe kan het – getuige de recente presidentsverkiezingen – diep verdeelde Amerika terugkeren naar een minder rancuneus, genereuzer openbaar leven? Het beginpunt blijkt ongemakkelijk genoeg een afrekening te zijn met de zelfgenoegzaamheid waarin een hele progressieve generatie zich heeft gewenteld.

The Tyranny of Merit is Sandels reactie op de brexit en de verkiezing van Donald Trump. Voor mensen als Barack Obama, Hillary Clinton, Tony Blair 
en Gordon Brown zal het uitdagende lectuur zijn. Door het bepleiten van een ‘tijdperk van verdienste’ als oplossing voor de uitdagingen van globalisering, ongelijkheid en de-industrialisatie, zo betoogt Sandel, hebben de Democratische Partij en haar Europese tegenhangers de westerse arbeidersklasse en haar waarden links laten liggen, met rampzalige gevolgen voor het algemeen belang.

Opklimmen

Sandels toon is gematigd als altijd, zijn formuleringen vertonen de kenmerkende souplesse en elegantie. Maar er is enige frustratie voelbaar wanneer hij de opkomst beschrijft van een stroming die hij beschouwt als ondermijnend links individualisme: ‘De oplossing voor de problemen van globalisering en ongelijkheid, zo werd ons aan weerszijden van de Atlantische Oceaan voorgehouden, was dat degenen die hard werken en zich aan de regels houden, zo hoog moeten kunnen opklimmen als hun inspanningen en talenten toelaten. Dat noem ik in het boek de “retoriek van het opklimmen”. Dat werd een geloofsartikel, een schijnbaar oncontroversiële stijlfiguur. We zullen een eerlijk speelveld creëren, werd door centrum-links gezegd, zodat iedereen gelijke kansen heeft. En als we dat doen, zullen degenen die dankzij hun inspanningen, talent en harde werken opklimmen, hun plaats ten volle hebben verdiend.’

De aanbevolen manier om ‘op te klimmen’ was het volgen van een hogere opleiding. Oftewel, om de mantra van Blair te citeren: ‘Education, education, education.’ Sandel citeert een toespraak van Obama uit 2013 waarin de president studenten voorhield: ‘Wij leven in een eenentwintigste-eeuwse wereldeconomie. En in een wereldeconomie kunnen banen overal naartoe gaan. Bedrijven zoeken naar de best opgeleide mensen, waar die ook wonen. Als je geen goede opleiding hebt gevolgd, zal het moeilijk worden om een baan te vinden waarvan je kunt rondkomen.’ Aan degenen die bereid waren de vereiste inspanning te leveren werd beloofd: ‘Dit land zal altijd een plek zijn waar je kunt slagen als je je best doet.’

Tegen deze benadering heeft Sandel twee fundamentele bezwaren. Het eerste, en meest voor de hand liggende, is dat het legendarische ‘eerlijke speelveld’ een hersenschim blijft. Hoewel zijn eigen Harvard-studenten er 
volgens hem inmiddels in toenemende mate van overtuigd zijn dat hun succes het resultaat is van hun eigen inspanningen, is tweederde van hen afkomstig uit de hoogste inkomensklassen. Datzelfde is het geval op andere gerenommeerde Amerikaanse universiteiten. De relatie tussen sociale klasse en SAT-scores, op grond waarvan de vervolgopleiding van middelbare scholieren wordt bepaald, is onbetwist. In meer algemene zin, merkt Sandel op, stagneert de sociale mobiliteit in |de VS al decennialang. ‘Kinderen van arme ouders blijven als volwassenen meestal arm.’

Succesethiek

Maar het belangrijkste thema van The Tyranny of Merit is de links-liberale consensus die dertig jaar lang heeft geheerst en die nu door Sandel genadeloos op de korrel wordt genomen. Zelfs een perfecte meritocratie, zegt hij, zou een slechte zaak zijn. ‘Het boek probeert aan te tonen dat daar een donkere, demoraliserende kant aan zit,’ legt hij uit. ‘De implicatie is dat degene die niet opklimt dat alleen maar aan zichzelf te wijten heeft.’ 

De centrum-linkse elite heeft de oude klassenloyaliteit laten varen en een nieuwe rol op zich genomen als moraliserende levenscoach, die zich erop toelegt individuen uit de arbeidersklasse een wereld te helpen vormen waarin ze op zichzelf zijn aangewezen. ‘Over globalisering,’ zegt Sandel, ‘zeiden deze lieden dat de keuze er niet langer een was tussen links en rechts, maar tussen “open” en “gesloten”. Open betekende een vrije stroom van kapitaal, goederen en mensen over grenzen heen.’ Deze stand van zaken werd niet alleen gezien als onomkeerbaar, maar ook gepresenteerd als heilzaam. ‘Wie er op enigerlei manier bezwaar tegen maakte, was bekrompen, bevooroordeeld en antikosmopolitisch.’

De cultuur was doordesemd van een meedogenloze succesethiek: ‘Degenen aan de top hadden hun plek verdiend, maar hetzelfde gold voor de achterblijvers. Hun inspanningen waren minder effectief geweest. Ze hadden bijvoorbeeld geen universitaire graad behaald.’ Naarmate centrum-links en de vertegenwoordigers ervan een steeds betere economische positie kregen, nam de focus op opwaartse mobiliteit toe. ‘Ze raakten voor hun achterban – en in de VS ook voor hun financiering – steeds meer aangewezen op de hogere beroepsgroepen. In 2008 werd Obama de eerste Democratische presidentskandidaat die meer campagnegeld binnenhaalde dan zijn Republikeinse opponent. Dat was een keerpunt, maar het werd destijds niet opgemerkt of benadrukt.’

In de Verenigde Staten stagneert de sociale mobiliteit al decennialang

Arbeiders werd in feite voorgehouden dat als ze zich niet ‘verbeterden’, ze de last van hun mislukking zelf maar moesten dragen. Velen voelden zich verraden en stemden anders. ‘Het populistische verzet van de afgelopen jaren is een opstand tegen de tirannie van de verdienste, zoals die werd ervaren door degenen die zich vernederd voelen door de meritocratie en door deze algehele politieke ontwikkeling.’

Het is een vernietigende analyse. Sympathiseert hij dan met het trumpisme? ‘Ik koester geen enkele sympathie voor Donald Trump, dat vind ik een verwerpelijke figuur. Maar in mijn boek betuig ik begrip voor degenen die op hem hebben gestemd. Het enige authentieke aan Trump, ondanks zijn ontelbare leugens, is zijn intense gevoel van onzekerheid en zijn diepe wrok tegen de elite, die volgens hem zijn leven lang op hem heeft neer-gekeken. Dat is een zeer belangrijke verklaring voor zijn politieke aantrekkingskracht.

‘Oordeel ik hard over de Democraten? Ja, omdat hun onkritische omhelzing van marktaannames en meritocratie de weg heeft vrijgemaakt voor Trump. Ook al heeft Trump nu de verkiezingen verloren en zal hij de Oval Office moeten verlaten, de Democratische Partij zal alleen in haar missie slagen als ze meer oog heeft voor legitieme grieven en ressentimenten, waaraan de progressieve politiek in het globaliseringstijdperk het nodige heeft bijgedragen.’

Tot zover de diagnose. De enige uitweg uit de crisis, meent Sandel, is het 
ontmantelen van de meritocratische aannames die een maatschappij van winnaars en verliezers van een moreel keurmerk hebben voorzien. De coronapandemie, en in het bijzonder de nieuwe waardering voor zogenaamd ongeschoold, slecht betaald werk, biedt een beginpunt voor vernieuwing. ‘Dit is het moment om een debat te beginnen over de waardigheid van werk; over de beloning van werk in zowel financiële zin als in termen van waardering. Nu pas realiseren we ons hoe enorm afhankelijk we niet alleen zijn van artsen en verpleegkundigen, maar ook van bezorgers, supermarktmedewerkers, vrachtwagenchauffeurs en mensen in de thuiszorg en de kinderopvang, van wie velen zijn aangewezen op een nulurencontract. Dat noemen we vitale arbeidskrachten, maar het zijn meestal niet de best betaalde of meest gerespecteerde arbeidskrachten.’

Er moet een radicale herevaluatie komen van de manieren waarop 
bijdragen aan het algemeen welzijn worden beoordeeld en beloond. Het geld dat wordt verdiend in de Londense City of op Wall Street, staat bijvoorbeeld in geen enkele verhouding tot de bijdrage van financiële speculatie aan de reële economie. Belasting op financiële transacties moet fondsen vrijmaken die op een eerlijker manier kunnen worden verdeeld. Maar voor Sandel is het woord ‘eer’ even belangrijk als de betalingskwestie. Er moet een herverdeling komen van zowel waardering als geld, en van beide moet er meer gaan naar de miljoenen mensen die werk doen waarvoor geen universitaire graad is vereist.

‘We moeten opnieuw nadenken over de rol van universiteiten als poortwachters van kansen,’ zegt hij, ‘een rol die we langzamerhand als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. 

Diplomaterreur is het laatste aanvaardbare vooroordeel geworden. Het zou een ernstige vergissing zijn om de investering in beroepsopleidingen en leertrajecten over te laten aan rechts. Meer investeringen zijn niet alleen belangrijk om mensen zonder een hogere opleiding te helpen de kost te verdienen; de publieke erkenning die eruit voortvloeit kan meer waardering kweken voor de bijdrage aan het algemeen welzijn door mensen die niet naar de universiteit zijn geweest.’

Nieuw respect en een andere status voor niet-gediplomeerden, zegt hij, zouden eindelijk eens gepaard moeten gaan met enige nederigheid van de kant van de winnaars van de zogenaamde meritocratische wedloop. 

Aan degenen die, zoals veel van zijn Harvard-studenten, geloven dat ze hun eigen succes simpelweg verdienen, geeft Sandel de wijsheid van Prediker mee: ‘Ik heb onder de zon opnieuw gezien dat niet altijd een snelle hard-loper de wedloop wint, een sterke held de oorlog, dat hij die wijs is niet altijd zijn brood heeft, en hij die inzicht heeft de rijkdom (…) Zij allen zijn afhankelijk van tijd en toeval.’

Nederigheid

‘Nederigheid is een burgerdeugd die op dit moment van wezenlijk belang is,’ zegt Sandel, ‘omdat het een nood-zakelijk tegengif is tegen de meritocratische overmoed die ons uiteen heeft gedreven.’

The Tyranny of Merit is het nieuwste salvo in Sandels levenslange intellectuele strijd tegen een sluipend individualisme dat sinds het tijdperk van Reagan en Thatcher overheersend is geworden in westerse democratieën. ‘Jezelf als selfmade en zelfvoorzienend beschouwen. Dat beeld van het zelf oefent grote aantrekkingskracht uit, omdat het je op het eerste gezicht macht geeft: ik red het zelf wel, ik kom er wel, als ik mijn best maar doe. Het is een bepaalde kijk op vrijheid, maar wel een die gebreken vertoont. Het leidt tot een competitieve marktmeritocratie die scheidslijnen versterkt en solidariteit ondermijnt.’

Sandel hanteert een vocabulaire dat liberale ideeën over autonomie aan de kaak stelt op een manier die decennialang uit de mode is geweest. Woorden als ‘ondergeschiktheid’, ‘schuldplichtigheid’, ‘mysterie’, ‘nederigheid’ en ‘geluk’ komen herhaaldelijk voor in zijn boek. De impliciete stelling is dat kwetsbaarheid en wederzijdse erkenning de basis kunnen worden voor hernieuwde affiniteit en gemeenschapszin. Het is een maatschappijbeeld dat het absolute tegendeel vormt van wat het thatcherisme is gaan heten, met zijn nadruk op zelfredzaamheid als voornaamste deugd.

Naast het ‘klappen voor de zorg’ zijn er volgens hem meer optimistische tekenen dat er eindelijk een ethische verschuiving plaatsvindt. ‘De Black Lives Matter-beweging heeft de progressieve politiek morele energie gegeven. Het is een multiraciale beweging van verschillende generaties geworden, die ruimte biedt voor een publieke afrekening met onrechtvaardigheid. Het toont aan dat je ongelijkheid niet alleen maar tegengaat door het opheffen van meritocratische grenzen.’

Degenen aan de top hadden hun plek verdiend, maar hetzelfde gold voor de achterblijvers

Aan het eind van het boek vertelt Sandel het verhaal van Henry Aaron, 
de zwarte honkballer die opgroeide in het gesegregeerde zuiden van de VS en in 1974 het homerunrecord van Babe Ruth brak. Aarons biograaf schreef dat het slaan tegen een honkbal ‘de eerste meritocratische handeling in Henry’s leven was’. Dat is niet de lering die we moeten trekken, zegt Sandel. ‘De moraal van Henry Aarons verhaal is niet dat we van de meritocratie moeten houden, maar dat we een systeem van raciale onrechtvaardigheid moeten verachten waaraan je alleen kunt ontsnappen door homeruns te slaan.’

Eerlijke concurrentie vormt geen rechtvaardige maatschappijvisie. Dat moeten Joe Biden en zijn Europese tegenhangers goed begrijpen. Als bron van inspiratie, zegt hij, zouden ze te rade kunnen gaan bij een van zijn intellectuele helden, de Engelse christen-socialist R.H. Tawney [1880-1962]. ‘Tawney betoogde dat gelijkheid van kansen hooguit een deelideaal was. Zijn alternatief was niet een onderdrukkende gelijkheid van resultaten. Het was een brede, democratische ‘gelijkheid van omstandigheden’ die burgers van alle rangen en standen in staat stelt met opgeheven hoofd door het leven te gaan en zichzelf te beschouwen als deelnemer aan een gezamenlijke onderneming. Uit die traditie komt mijn boek voort.’ 

Dit artikel werd geselecteerd door journalist, programmamaker en presentator Chris Kijne.

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verstuurd.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.