• Places Journal
  • Cultuur
  • Het grootste eiland ter wereld

Het grootste eiland ter wereld

Places Journal | New York | tim winton | 28 april 2017

De bevolkingsdichtheid van Australië is buitengewoon laag. Er is, volgens schrijver Tim Winton, meer landschap dan cultuur, meer lucht dan materie, meer rust dan beweging en meer ruimte dan tijd. Het blijft hem imponeren.

Ik ben opgegroeid op het grootste eiland ter wereld. Ik heb de neiging dat onloochenbare feit zo makkelijk te vergeten dat ik mezelf er zo nu en dan aan moet helpen herinneren. Maar in een tijdperk waarin een cultuur zichzelf vooral onderzoekt via de politiek en de ideologie, is dat vergeten van mij van zoiets basaals misschien niet zo verrassend. Onze gedachten zijn vaak elders. De materiële zaken van het leven, de organische en concrete krachten die ons vormen, worden over het hoofd gezien alsof ze onbelangrijk zijn of zelfs licht gênant.

Ons menselijk bestaan wordt in toenemende mate geregistreerd, gemeten, bediscussieerd en beschreven in abstracte termen. Misschien verklaart dat mede waarom iemand zoals ik, die eigenlijk beter zou moeten weten, kan vergeten dat hij een eilandbewoner is. Australië als fysieke plek wordt voortdurend overschaduwd door Australië als staat, Australië als economische onderneming. De kracht van dergelijke begrippen valt niet te ontkennen. Maar er zijn meer krachten aan het werk. Steeds vaker ben ik me bewust van de mate waarin geografie, afstand en weersomstandigheden mijn smaak, fantasie en verwachtingen hebben gevormd. Het eiland heeft niet alleen als achtergrond gediend. Met het landschap voel ik me net zo verbonden als met familie. Zoals zo veel Australiërs ervaar ik die tektonische aantrekkingskracht – een soort heimwee naar familie – het sterkst als ik in het buitenland ben.

Hybride Europees product

Toen ik in de jaren tachtig in Europa woonde, ging ik er abusievelijk vanuit dat ik me alleen door de taal en de geschiedenis onderscheidde van inwoners van de Oude Wereld, alsof ik eigenlijk een hybride Europees product was mijn opvoeding. Maar ik had mijn geografie te weinig eer toegekend, net als degenen die mij hadden onderwezen dat hadden gedaan. Dan heb ik het niet over wat ik had gelezen en wat niet – mijn fysieke reactie op een nieuwe omgeving bracht me van mijn stuk. Het was alsof mijn lichaam in opstand kwam. Buiten de grote steden en de lieflijke dorpjes van de Oude Wereld kreeg ik het gevoel dat mijn bedrading door de war lag. Ik had verwacht dat ik de oude monumenten zou waarderen en de natuur prachtig zou vinden, maar eigenlijk deed zich het tegenovergestelde voor. De immense schoonheid van veel gebouwen en stadsgezichten raakte me diep, maar in de natuur, waar ik me gewoonlijk het meest op mijn gemak voel, aarzelde ik. Hoewel ik echt onder de indruk was van wat ik zag, voelde ik me er lichamelijk en emotioneel niet mee verbonden. Omdat ik afkomstig ben uit een vlak en droog continent verheugde ik me op de hoge bergen en kolkende rivieren, welige valleien en vruchtbare vlaktes, maar toen ik dat alles in het echt zag, voelde ik er tot mijn verbijstering eigenlijk niets bij. Mijn voornamelijk Eurocentrische opvoeding had me voorbereid op een gevoel van herkenning, maar dat ervaarde ik niet zo – heel verwarrend. De schilderijen en gedichten over die plekken ontroerden me nog steeds, dus ik begreep niets van het merkwaardige ongeduld dat me bekroop als ik ze in werkelijkheid zag. Waren het geen schitterende landschappen en panorama’s? Ja, natuurlijk wel, hoewel soms een beetje te veel van het goede. Voor iemand die in een kaal landschap is opgegroeid zag dat er vaak te schattig uit; het was mooi, mierzoet zelfs. Ik had voortdurend het gevoel dat ik het niet begreep.

In de eerste plaats worstelde ik met de schaal. In Europa lijken de dimensies van de fysieke ruimte samengeperst. De dreigende verticale aanwezigheid van bergen ontnam me de horizon. Ik was het niet gewend om in zo’n ruimtelijke inperking te leven. Zelfs een stad met wolkenkrabbers ademt meer dan een besneeuwde bergketen. Bergen vormen een massieve barrière, een obstakel, zowel conceptueel als visueel als fysiek. Steile bergwanden rijzen niet gewoon omhoog. ze dringen zich op, maken zich groot en hun massiviteit is intimiderend. Voor een West-Australiër als ik, die gewend is aan vlak landschap, en die juist uit ruimte zijn energie haalt, is het effect claustrofobisch. Volgens mij was ik voortdurend intuïtief op zoek naar afstanden die er niet waren, mat ik eenvoudigweg te weinig ruimte om me heen.

In de tweede plaats, en dat was nog belangrijker, stoorde het me dat ieder landschap sporen droeg van menselijk handelen en technologie. Natuurlijk vind je ook in de meest afgelegen gebieden in Australië kenmerken van menselijke activiteiten – vroegere vuurregimes hebben leefgebieden gevormd en er zijn schilderingen en rotstekeningen gevonden op plekken waar nooit mensen lijken te hebben gewoond – maar vele aanpassingen, veranderingen en verfraaiingen door de Aboriginals zijn zo bescheiden dat ze nauwelijks opvallen; voor het ongeoefende oog zijn ze eigenlijk onzichtbaar. In Europa daarentegen zijn zelfs de indrukwekkendste en ogenschijnlijk meest verlaten landschappen onmiskenbaar veranderd. In de bergen lijkt achter iedere pas of bocht nog een tunnel te zijn, een kabelbaan, een chic resort, of barst het van de reflecterende verkeers- of reclameborden.

Bungle Bungles in Purnululu National Park, West-Australië. Door erosie zijn er ravijnen en valleien ontstaan. – © Getty Images
Bungle Bungles in Purnululu National Park, West-Australië. Door erosie zijn er ravijnen en valleien ontstaan. – © Getty Images

In een achterafbioscoopje in Parijs aan de Rue du Temple waar ik samen met mijn zoon naar Peter Pan van Walt Disney keek, ontdekte ik dat ik, hoewel we in het flikkerende donker allemaal naar hetzelfde schermzaten te kijken, een andere film zag dan de rest van de zaal. Wat voor de Parijse kinderen een exotische fantasie leek, zag er voor mij uit als thuis. Ik kende geheime grotten en schuilplekken zoals die van de Verloren Jongens. Ik was opgegroeid in een wereld van rotseilandjes, boten en donkere wildernis. In mijn beleving was alleen de kille, eenzame kinderkamer op zolder bij de familie Darling onbekend terrein, zonderling zelfs. De enorme vrijheid van Nooitgedachtland zonder het toezicht van volwassenen was voor mij heel vertrouwd. Ik zag de film voor de zoveelste keer, maar nu met een andere blik: ik lette niet op het verhaal maar concentreerde me gretig op de achtergrond en begreep dat ik een totale vreemde was in die omgeving. Door dat te erkennen werden mijn jaren in het buitenland makkelijker te verteren en kon ik er meer van genieten.

Toen ik in 1960 werd geboren was de bevolkingsdichtheid 1 inwoner per vierkante kilometer. Vijftig jaar later is de bevolking verdubbeld, maar de dichtheid is nog steeds buitengewoon laag. Ondanks een menselijke geschiedenis van zestigduizend jaar is Australië nog steeds een plek met meer land dan mensen, meer geografie dan architectuur. Maar het is nooit leeg geweest. Sinds mensen voor het eerst uit Afrika helemaal naar dat oude stuk Gondwana liepen toen het nog niet zo ver van Azië en de rest van de wereld af lag, is het verkend en bewoond, veranderd en gemythologiseerd, belopen en bezongen. Mensen zongen, dansten en schilderden hier vele tienduizenden jaren voor de komst van de toga en de sandaal. Dat is de echte oudheid. Weinig landschappen zijn al zo lang gekend. En nog minder landschappen zijn nog steeds zo dun bevolkt.

Hier hebben de mensen anders geleerd te leven omdat de omstandigheden uniek waren. In plaats van vier seizoenen waren er vijf, soms wel zes. Water was schaars. De dunne laag aarde was weinig vruchtbaar, wat weer een unieke fauna en flora opleverde. Om hier te overleven moest je je wel heel specifiek aanpassen. De geschiedenis van Australië is doordrenkt van menselijk handelen, en toch heeft er altijd veel ruimte gezeten tussen die ragfijne cultuurdraden. Ze zijn sterk maar onderling zo strak met elkaar verbonden dat ze moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, vooral niet door hen die op zoek zijn naar tekenen van bebouwing of langdurige bewoning.

De oorspronkelijke volkeren op dit continent, de Aboriginals, leefden noodzakelijkerwijs een nomadisch bestaan. Hun verblijf in een bepaald gebied was seizoengebonden, soms zelfs puur toevallig. Met verre maar geliefde gebieden bleven ze verweven via een web van liederen en rituelen, zodat land dat fysiek niet werd bewoond toch nooit leeg was. Gebieden waren zeer vertrouwd en cultureel springlevend maar die cultuur liet zelden iets concreets na. Artefacten en constructies waren over het algemeen een kort leven beschoren en beeldende kunst moest ieder seizoen worden vernieuwd. Net zoals een kind werd ‘verwekt’ door als een beeld te verschijnen in een waterpoel voordat een vrouw zwanger werd, ontsprong de cultuur uit land en voegde zich ernaar.

Twee eeuwen nadat deze manier van leven voorgoed werd vernietigd is Australië nog steeds een gebied waar meer landschap is dan cultuur. Ons eiland duldt niet die mate van menselijke controle en fysieke aanwezigheid die op de meeste andere continenten geldt. En dat zal waarschijnlijk altijd zo blijven.

Als je het over India, China, Italië, Frankrijk of Duitsland hebt, krijg je er al snel beelden bij van menselijk handelen en artefacten, maar bij Australië zijn de associaties van niet-menselijke aard

Ik beweer niet dat Australië geen cultuur heeft of dat het cultureel leven er onbeduidend is. Maar de meeste Aziatische en Europese landen kunnen in menselijke termen worden beschreven. Als je het over India, China, Italië, Frankrijk of Duitsland hebt, krijg je er al snel beelden bij van menselijk handelen en artefacten, maar bij Australië zijn de associaties van niet-menselijke aard. Natuurlijk staat de vindingrijkheid van de inheemse cultuur buiten kijf, maar zelfs die wordt overschaduwd door de schaal en alomaanwezigheid van het land dat tot die vindingrijkheid heeft aangezet. Geografie overtroeft alles. Ze is de basis van alles. En na eeuwen Europese kolonisatie is dat nog steeds zo, want geen enkele prestatie van na de invasie, geen stad en geen hoog oprijzend monument kan wedijveren met de grandeur van het land. En dat is geen romantisch idee. Alles wat we in dit land doen wordt nog steeds overtroffen door de onstuimige kracht van de natuur en kan alleen bestaan bij de gratie van deze kracht. Een operagebouw, een ijzeren brug, een trotse toren – het zijn allemaal wonderen van creativiteit, maar als bouwsels steken ze zwakjes af tegen het landschap waarin ze staan. Denk aan de imposante massa en het steeds veranderende gezicht van de Uluru. Zullen architecten steen ooit zo veel leven kunnen meegeven? Denk aan de adembenemende grootte en complexiteit van Purnululu, ook wel bekend als de Bungle Bungles. Het is een soort geheimzinnige megastad bedacht door ingenieurs die onder invloed waren van mescaline. Mensen zullen waarschijnlijk nooit in staat zijn om zoiets moois en gecompliceerds te maken.

Ruimte is het belangrijkste wat ik heb geërfd. Ik ben gevormd door gaten, gevoed in de grote hiaten tussen mensen. Ik maak deel uit van een dunne en poreuze menselijke cultuur waarin het land naar binnen helt, zichtbaar of voelbaar, in elk denkbare hoek: voor ieder mechanisch geluid zijn er vijf natuurlijke geluiden, voor elk bouwwerk een landschap dat twee keer zo groot en complex is. En boven dat alles een onmogelijk weidse hemel, waaronder alles nietig lijkt. In het semidorre gebied waar ik tegenwoordig woon rekt het hemelgewelf je uit, als een multidimensionale horizon. In het grootste deel van het jaar is de komst van een wolk een bijzondere gebeurtenis. Langs de zuidkust waar ik als jongvolwassene woonde, kolkt de lucht van wolkenformaties. Het hemels tumult brengt je zo in vervoering dat je gedachten meer op muziek dan op taal lijken. In de woestijn zuigt de nachtelijke hemel aan je, ster voor ster, melkweg voor melkweg, totdat je het gevoel krijgt dat je er ieder moment in omhoog kunt vallen. In Australië is de lucht niet de veilige, beschermende overkapping die het elders lijkt te zijn. Het is het dunst denkbare vlies, nauwelijks toereikend als bescherming voor aardse wezens tegen de eeuwigheid. Als je bij zonsopgang alleen op de Nullarborvlakte staat of in een zoutpan ter grootte van een klein land, voel je de paniek als je wordt overvallen door de eindeloosheid van het hemelgewelf. Het heeft gevaarlijke dieptes en oceanische bewegingen. Op ons halfrond laat de hemel je de pas inhouden, je gedachten ontsporen en raak je onthecht aan waar je mee bezig was voordat hij je bij de strot greep. Geen wonder dat Australische schilders, van Jarinyanu David Downs uit Kimberley tot Philip Wolfhagen uit Tasmanië, de luchten als een volwaardig onderwerp behandelen, ondanks de frustraties bij sommige critici, die vinden dat die schilders wat ‘verhevener’ onderwerpen moeten nemen, waarmee ze bedoelen dat die minder bepaald moeten zijn door de plek waar je woont. Voor sommige eilandbewoners is het specifieke van de plek te veel van het goede. Ze ontworstelen zich aan het isolement van Tasmanië, Lord Howe, de Straat Torres of het zogenaamde vasteland en nemen hun toevlucht tot het kosmopolitisme, en wie zou ze dat kwalijk kunnen nemen? Australiërs voelen al lang die onrust. Omgeven door zee, grenzend aan geen enkel ander land worden ze nieuwsgierig en rusteloos, krijgen ze het benauwd van steeds weer dezelfde omgeving. Als je op een eiland woont, zal het gras elders altijd groener zijn omdat je er over de grens heen niet naar kunt kijken. In gedachten maak je de gebieden overzee groener dan ze zijn. Eilandbewoners spiegelen zich verre paradijzen voor. Australiërs reizen graag. Overal ter wereld kom je ze als expat tegen. Soms kom je er nog eentje van de oude stempel tegen voor wie dat zelfgekozen ballingschap gevoelig ligt, alsof hun landgenoten hun gedrag afkeuren zoals in de jaren vijftig. De defensiefste onder hen verachten degenen die in hun eigen land zijn gebleven en het is leerzaam en ontroerend om te zien hoe sommigen later in hun leven terugkeren om de banden te herstellen, onzeker of hun vaderland nu vriendelijker is geworden of dat hun eigen gevoelens in de loop van de tijd warmer zijn geworden.

Het valt niet te ontkennen dat Australië iets meedogenloos fysieks heeft, maar ook iets irritant paradoxaals, want ook de positiefste waarnemer ervaart bij dit continent soms meer lucht dan materie, meer rust dan beweging, meer ruimte dan tijd. Het land is zelf bewegingloos. Het blijft imponeren. Het grift zich in het lichaam, en om het te doorgronden probeert de geest het voortdurend te lezen. Daarom zijn Australische schrijvers en schilders nog steeds zo geobsedeerd door het landschap, ondanks het postmoderne en bijna postfysieke tijdperk waarin we leven en werken. Niet dat we niet met de tijd meegaan. We wonen op een plek waar nog steeds met de materie in het leven wordt geworsteld. Er is daar zo veel meer van dan van ons. We zijn eeuwig in gevecht om ermee in balans te komen. De ontmoeting tussen ons en het land is een levenstaak. Elders is die strijd allang beslecht en trekt de natuur zich struikelend terug, maar hier blijft ons leven in de natuur een open vraag en ons antwoord zal niet alleen onze cultuur en onze politiek bepalen, maar ook ons overleven.

Familie

Een schrijver die geobsedeerd is door het landschap moet voortdurend een vreemde spanning voelen tussen binnen en buiten. Ik ben zo overgevoelig voor weersomstandigheden en zo belust op fysieke sensaties dat ik een gênante hoeveelheid energie stop in het verwoed beramen van ontsnappingsplannen, net als vroeger op school. Wanneer ik als leerling naast een raam zat, was ik de klos. En nu ben ik niet veel anders. Ik kan niet eens een schilderij in mijn werkkamer ophangen, want een schilderij is toch een soort raam? Mijn gedachten worden naar buiten getrokken, ik raak in trance. Wat een romantische manier is om te zeggen dat ik geestelijk een wrak ben. Dus meestal schrijf ik in een donker kamertje, met mijn rug naar het uitzicht. Wat betekent dat ik vaak de kamer uitga om buiten in de zon even de wind op te staan snuiven, naar de lucht te kijken. Het is zoiets als het dwangmatig bijstellen van een klep. Soms voelt het beter als ik het heb gedaan. Meestal heb ik er spijt van. De volwassene in mij geeft toe dat ik tenminste even buiten ben geweest. Maar het kind in me voelt alleen maar des te meer wat hij mist.

Af en toe ga ik er natuurlijk tussenuit. Ik gooi wat spullen achter in mijn Land Cruiser en ga ervandoor. Ik rij door tot zonsondergang en als ik stop ben ik al een totaal ander mens. Die uitstapjes hebben geen ander doel dan om van de weidse ruimte te genieten, mijn tentje op te zetten in droge rivierbedding of een duindal, bij het vuur te gaan zitten en de sterren als kippenvel aan de hemel te zien verschijnen. Die spontane tripjes beginnen als een vlucht naar buiten en dat klinkt alsof het een ontsnapping is, maar het is meer een antwoord op een roep. Al heel snel na vertrek voel ik een soort kracht en lijkt het alsof ik gehoor geef aan een impuls naar huis. Liggend onder de nachtelijke hemel ervaar ik de merkwaardige sensatie van terugkeer en herstel, dat ergens lijkt op hoe ik me voelde als kind wanneer ik via de achterdeur naar binnen ging en de schuimige geur van wasgoed rook en het vertrouwde gesputter van de tobbe die volliep verderop in de gang.

Toch is teruggaan naar huis niet altijd gezellig. Het kan ook verbijsterend zwaar zijn. De plekken die me het dierbaarst zijn, kunnen soms heel moeilijk bereikbaar zijn. Ze zijn grimmig, woest, onvoorspelbaar. En net als zwijgzame familieleden en wantrouwende schoonfamilieleden zeggen ze niet altijd duidelijk wat ze bedoelen. Aan het ontbijt kijken ze je vuil aan en doen ze hun uiterste best om je verblijf zo onaangenaam mogelijk te maken. Je komt chagrijnig en confuus aan, onvoorbereid op het ingewikkelde familieleven en wordt vanaf het begin op het verkeerde been gezet. Weinig plekken in ons land zijn aangenaam en gastvrij. De streken die ik het best ken zijn bijzonder moeilijk begaanbaar en mijn tijdelijke habitat in het westen van Australië is heel moeilijk te bereiken – het is vijandig, droog, irritant, vernederend zelfs, en soms voel ik me na een bezoek daar net zo uitgeput en wanhopig als een gast op een kerstlunch, me afvragend waarom ik eigenlijk al die moeite heb gedaan. Maar bij zo’n tocht naar huis gaat het er toch ook om dat je je onderwerpt aan het ongemakkelijke van het vertrouwde? Als een ongelukkig kind ga je ondanks alles terug, op zoek naar meer, probeer je altijd maar weer de familiepuzzel te ontraadselen. Toch ondervind je voldoening, alleen al van het proberen, omdat je je open blijft stellen voor het mysterie, want je weet dat als je opgeeft, je helemaal niets hebt.
Dit land drukt op je. Drukt zwaar op je. Net als familie. In mijn opvatting ís het familie.

Uluru of Ayers Rock is een reusachtige rotsformatie die ongeveer in het midden van Australië ligt. – © Getty Images
Uluru of Ayers Rock is een reusachtige rotsformatie die ongeveer in het midden van Australië ligt. – © Getty Images

Hoe we ook leven, en hoe we ook over onszelf denken, de gesublimeerde feiten van onze fysieke situatie zijn altijd aanwezig, en zoals bewegend water stenen slijpt in nieuwe en vaak de gekste vormen, drukt het land zwaar op je, altijd maar schurend, duwend, slijpend. Meestal merken we nauwelijks iets van die wrijving. In het onstoffelijke tijdperk van de digitale technologie en de concessiecultuur zijn er periodes waarin zelfs een Australiër in zijn eigen land het gevoel kan hebben dat hij of zij overal zou kunnen zijn, of misschien wel nergens. Maar de wildernis schiet al snel te hulp om ons te bevrijden. De druk van de geografie laat zich duidelijk en onmiskenbaar gelden en herinnert ons eraan dat we natuurlijk alleen maar híér kunnen zijn.

Generaties lang hebben ze op school de lofzang gezongen op de schoonheid van Australië, maar ook op haar verschrikkingen. We wisten altijd dat we onderworpen waren aan de grillen van het weidse bruine land, en omdat weersextremen vaker zullen voorkomen zal dat onderliggende gevoel van kwetsbaarheid nooit minder worden. Bosbranden bedreigen nu niet alleen de houten huizen in de buitenwijken van grote steden, maar dringen ook verwoestend door in de voorsteden van grote steden en zaaien daar angst en paniek onder de bevolking. Overstromingen zijn niet meer alleen de nachtmerrie van dorpjes aan een rivier in het binnenland; enkele jaren geleden is Brisbane getroffen door een watersnoodramp. Onze grote steden aan de kust, zoals Perth, worden al zo lang geteisterd door droogte dat het zonder grote ontziltingsinstallaties geen levensvatbare woonplaatsen meer zouden zijn. In dit land hebben geografie en weer altijd een belangrijke rol gespeeld, en gezien de huidige ontwikkelingen zullen die ook niet gauw naar de achtergrond verdwijnen. Je hoeft alleen maar op straat te staan in een zakenwijk op het vasteland en het woestijnstof als regen op het vaststaande verkeer te zien vallen en je weet genoeg. Wat we onszelf ook wijsmaken, we zijn de natuur nog niet kwijt en de natuur is nog niet klaar met ons.

In de loop der tijd heeft het land mensen altijd veranderd. Velen van ons schrikken ervan hoe anders we zijn dan onze criminele voorouders die hierheen waren geëmigreerd, want dit is een plek waar mensen uiteindelijk vervreemden van hun herkomst. Het land bezit sterke krachten die mensen vervormt, verandert. Die krachten beïnvloeden onze gedachten en gewoonten, onze taal, onze zintuigen. Hoe halsstarrig velen van ons zich er ook tegen verzetten, toch worden we er op de een of andere manier door geraakt.

Eerbied

Tijdens mijn leven zijn Australiërs het woord ‘land’ gaan gebruiken zoals de Aboriginals dat doen, namelijk om te beschrijven wat mijn bet-, bet-, betovergrootouders vast en zeker territorium genoemd zouden hebben. Een familiale, relationele term heeft een objectievere en hebzuchtigere term verdrongen. In de loop der generaties heeft koloniale verachting langzaam, met horten en stoten, plaatsgemaakt voor bedeesdheid. Dat werd verdrongen door een affectie gekleurd door ambivalentie en onzekerheid, en in de afgelopen decennia is er een toenemende bewondering en eerbied voor het land waarin we ons bevinden. Ook het patriottisme heeft post gevat. Een patriot hoeft zich niet langer te wijden aan een abstractie zoals ‘de staat’. Nu zal een patriot even goed respect kunnen hebben voor het netwerk van ecosystemen die een maatschappij mogelijk maken en een ware patriot zal dat hartstochtelijk verdedigen – zowel tegen bedreigingen van binnenuit als van buitenaf –, alsof hij het land als zijn vrienden en verwanten beschouwt. Daarom schrijven we erover. Daarom schilderen we het. Vanuit liefde en verwondering, irritatie en vrees, hoop en wanhoop; want net als familie laat het zich niet naar het tweede plan verschuiven.

Auteur: Tim Winton

Tim (Timothy John) Winton (1960) is een gelauwerd Australische schrijver van fictie, non-fictie en kinderboeken.

Beeld: Port Campbell National Park, met haar 300 meter hoge, oranje-zwart gestreepte rotsen van zandsteen in de vorm van bijenkorven. – © Getty Images

Places Journal
VS | placesjournal.org

Betrouwbare bron voor wie geïnteresseerd is in de toekomst van architectuur, landschap en urbanisme.

Dit artikel van tim winton verscheen eerder in Places Journal.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.