• The Guardian
  • Economie
  • Hoe de sandwich Groot-Brittannië veroverde

Hoe de sandwich Groot-Brittannië veroverde

The Guardian | Londen | Sam Knight | 03 januari 2018

De Britse sandwichindustrie is goed voor 8 miljard pond per jaar. Maar dat is niet genoeg, als het aan de gepassioneerde ‘sandwichmensen’ ligt, die over het product praten als over een literair meesterwerk. Er zijn nog nieuwe belegcombinaties mogelijk, en belangrijker: nieuwe dagdelen te veroveren.

De gekoelde, verpakte sandwich, een onderdeel van het moderne Britse leven dat zo algemeen, zo veelsoortig en altijd zo dichtbij is dat je er op dit moment waarschijnlijk een zit te eten, werd precies zevenendertig jaar geleden uitgevonden. Zoals zoveel rond de sandwich klinkt ook dit misschien onwaarschijnlijk. Maar het is waar. In het voorjaar van 1980 gingen bij Marks & Spencer, de grootste warenhuisketen van het land, voor het eerst verpakte sandwiches over de toonbank. Niet veel bijzonders. Zalm met komkommer. Ei met tuinkers. Driehoekjes wit brood in een plastic doosje, op de afdeling etenswaren, naast alle andere producten. De prijs: 43 pence.

Nu de sandwichindustrie inmiddels goed is voor 8 miljard Britse ponden per jaar, lijkt het onvoorstelbaar dat dit nooit eerder was geprobeerd, maar het was wel zo. Groot-Brittannië was in 1980 een land van formica toonbanken, fluorescerend licht en in jus gedrenkt middageten. Sandwiches werden thuis van kliekjes in elkaar geflanst, voor je neus belegd in een rokerig café of ze waren iets treurigs met opgekrulde hoeken in de British Rail-restauratie.

Andrew Mackenzie, de man die indertijd de voedselafdeling van M&S-filiaal Edinburgh leidde – een van de eerste vijf filialen die de nieuwe, chique, kant-en-klare sandwiches verkochten – probeert me duidelijk te maken hoe nieuw dat toen was. ‘Vergeet niet,’ zegt hij, ‘Het bestond nog niet, dat idee.’

Het had op zijn minst iets exotisch. Wie wilde er betalen voor iets dat je net zo makkelijk thuis kon klaarmaken? ‘We vonden het allemaal een beetje raar indertijd,’ zegt Mackenzie. Maar hij volgde de instructies van het hoofdkantoor op en transformeerde een opslagruimte tot een miniproductielijn, met roestvrijstalen werkbladen en een vroege bebotermachine. De eerste M&S-sandwiches werden door winkelpersoneel klaargemaakt in geïmproviseerde keukens en kantines. ’s Nachts lagen de garnalen te ontdooien op dienbladen en voor dag en dauw begon een vijfkoppige ploeg aan het bereiden van de sandwiches voor die dag.

En wat verkochten ze goed! De sandwiches gingen zo snel over de toonbank dat het experiment werd uitgebreid naar 25 filialen en vervolgens naar 105. Al snel moest Mackenzie in Edinburgh meer sandwichmakers aannemen. In het filiaal in Croydon stond een ploeg van zeven medewerkers honderd sandwiches per uur te maken. De eerste officiële M&S-sandwich was zalm met tomaat, maar in werkelijkheid lag er niets echt iets vast. De voorraad raakte zo snel uitverkocht dat het personeel de broodjes belegde met wat er ook maar voorhanden was. In Cambridge maakten ze sandwiches met haring, en ook die wilden de klanten.

In al haar bescheidenheid bleek de verpakte sandwich prima te passen in heel nieuwe manier van leven en werken. Binnen een jaar was de vraag zo groot dat M&S drie leveranciers benaderde om het proces te industrialiseren. (Een van de eerste sandwichfabrieken ter wereld was een provisorische houten keet op het terrein van de Telfer’s vleespasteifabriek in Northampton.) In 1983 bracht Margaret Thatcher een bezoek aan de M&S flagshipstore op de Londense Marble Arch en zij noemde de sandwich met garnalensalade ‘verrukkelijk’.

Elke supermarkt stortte zich op de trend. In het hele land hielden chefs en bakkers en lieden van allerlei pluimage op met wat ze aan het doen waren en begonnen op een industrieterrein hun eigen sandwichmakerij. De sandwich was niet langer bijzaak, of een hap bij gebrek aan beter, ze werd de brandstof van een dynamisch, avontuurlijk bestaan. ‘Bij Amstrad beginnen de medewerkers vroeg en werken ze tot laat door. Niemand neemt lunchpauze – misschien krijgen ze een sandwich op hun bureau gegooid,’ aldus zakenmagnaat Alan Sugar in 1987 tegen een publiek op City University. ‘Er wordt niet over koetjes en kalfjes gepraat, het is een en al actie.’ In 1990 was de Britse sandwichindustrie een miljard Britse pond waard.

Een klant bekijkt het aanbod van Pret a Manger in een filiaal in Londen. – © Luke MacGregor / Getty
Een klant bekijkt het aanbod van Pret a Manger in een filiaal in Londen. – © Luke MacGregor / Getty

In die tijd werd de sandwich-ectie van M&S geleid door een jonge econoom, Roger Whiteside. Als inkoper was Whiteside met het idee gekomen om een setje van vier gepelde sinaasappelen te verkopen, om klanten tijd te besparen. Hij had gelezen dat er in New York appartementen zonder keuken werden gebouwd en hij begreep welke kant het op zou gaan. ‘Heb je tijdgebrek en heb je geld, dan is het eerste wat je doet eten kopen dat al voor je is klaargemaakt,’ zegt hij. ‘Waarom zou je nog gaan koken, tenzij dat je hobby is?’

Als hoofd sandwiches liet hij iedere week nieuwe prototypes maken en ontwikkelde hij een heel schema, dat uiteindelijk onpraktisch zou blijken, om elke ochtend in West-Londen stokbroodjes te laten bakken en die, nog knapperig, bij winkels in de hele hoofdstad te laten afleveren. Stokbrood wordt zacht in de koeling, een van het verrassend grote aantal technische problemen rond sandwiches. Whiteside verdiepte zich in vragen over ‘dragers’ (brood), ‘afsluiters’ (boter, mayonaise), ‘insluitingen’ (wat er in het brood zit), ‘proteïnen’ (tonijn, kip, bacon) die soms bijna filosofisch werden. ‘Wat is het belangrijkst, de drager of het beleg?’ vroeg hij zich af. ‘Hoe zwaar mogen de garnalen meewegen in de prijs? Hoeveel prikkels hebben mensen nodig?’

Begin jaren negentig ontwikkelde Whiteside bij M&S in Manchester de eerste speciale ‘food to go’-afdeling, met eigen kassa en uitgang. Deze innovatie werd een voorbeeld voor de meeste hedendaagse supermarkten, en was enorm succesvol. Maar niet succesvol genoeg voor Whiteside. Hij begreep niet waarom er nog mensen in het centrum van Manchester waren die niet naar M&S kwamen om zijn lunchpakketje te kopen.

Aan het eind van de twintigste eeuw werkten er meer Britten in de productie en de verkoop van sandwiches dan in de landbouw

Op een dag ging hij een filiaal van Boots aan de overkant van de straat binnen. Zoals bijna elke grote retailketen was deze apotheker het voorbeeld van M&S gevolgd en in de sandwichverkoop gestapt. (Boots zette in 1985 als eerste een landelijk distributiesysteem op, waardoor het in al zijn vestigingen dezelfde sandwiches kon verkopen, en was de eerste die met de complete meal deal kwam.) Maar Whiteside was ervan overtuigd dat de sandwiches van Boots minder lekker waren dan die van M&S, en dat de meeste klanten dat ook wisten. Hij sprak de mensen aan die in hun lunchpauze bij Boots in de rij stonden en vroeg hen waarom ze niet naar zíjn winkel kwamen. ‘Ze zeiden: “Tja, ik heb geen zin om de straat over te steken,”’ vertelt hij.

Dat antwoord trof Whiteside als een mokerslag. Kennelijk veroorzaakte de massaproductie van een maaltijd die je zonodig op straat kon openscheuren en opeten een verandering in het gedrag van mensen. ‘Onmiddellijke bevrediging, absoluut gemak en aanwezigheid,’ zei Whiteside. ‘Ben je niet aanwezig, dan gaan ze niet naar je op zoek.’ Hij keerde uit Manchester terug naar Londen en probeerde M&S ertoe te bewegen om honderden stand alone-sandwichshops in Londen te openen. ‘Het was zo’n overduidelijke kans.’ M&S voelde niet voor het idee, maar Whiteside wist zeker dat de toekomt was aan degene die op elke straathoek stond te verkopen. Hij zag Pret en Starbucks en Costa en Subway van verre aankomen. In de jaren negentig verdrievoudigde de sandwichindustrie in omvang. Aan het eind van de twintigste eeuw werkten er meer Britten in de productie en de verkoop van sandwiches dan in de landbouw.

Zat je een gekochte sandwich te eten terwijl je dit las, dan is die nu waarschijnlijk wel op. Volgens een schatting van de bedrijfstak kost het ongeveer drieënhalve minuut om zo’n sandwich op te eten. Maar niemand weet het precies, want niemand let er echt op. De grote kracht van de sandwich door de eeuwen heen was altijd dat ze zich zo onopvallend in ons leven voegt, door te zorgen dat we kunnen lopen, lezen, de bus nemen, werken, dromen, onze mobiele apparaten scannen en tegelijkertijd kunnen eten met een paar kleine draaiende bewegingen van pols en vingers. Het vastpakken bij de hoek. Het wegvegen van de kruimels.

Maar als iets simpel of intuïtief lijkt wil dat nog niet zegen dat het dat ook is. De opkomst van de gekoelde Britse sandwich in de afgelopen veertig jaar is een weloverwogen, verbijsterende, bijna krankzinnig arbeidsintensieve prestatie. De carrières van mensen als Roger Whiteside bestonden uit een miljoen kleine stapjes: van de zoektocht naar minder natte tomaten en naar manieren om bacon knapperiger te maken; van diepgaand onderzoek naar de moleculaire structuur van brood en de compressie-eigenschappen van sla. De openingetjes binnen de krullen van ijsbergslabladeren – waardoor luchtzakjes ontstaan – heten binnen de branche ‘kaboutergrotjes’. Een ‘druiper’ is het onaangename verschijnsel dat het beleg naar de bodem van het sandwichpakje – oftewel de skillet (koekenpan) – zakt. De sandwichmarkt is bezeten van perfectie en marktaandeel en vormt dan ook een wereld van constante en meedogenloze concurrentie. Elke week kopen concurrerende sandwichontwikkelaars elkaars producten, plukken die uit elkaar, wegen de verschillende ingrediënten en zetten ze weer in elkaar. ‘Het is een absolutie passie,’ zegt een voormalige M&S-leverancier. ‘Voor iedereen. Dat moet het wel zijn.’

De alledaagsheid van de sandwich heeft haar buitengewone effectiviteit als commercieel product altijd weten te maskeren. In 1851 berekende de sociaal geëngageerde journalist Mayhew dat er in Londen per jaar 436.800 sandwiches op straat werden verkocht, allemaal met ham. Dat lijkt misschien veel, maar supermarktketen Sainsbury’s, dat tegenwoordig 4 procent van de Britse food to go-markt voor zijn rekening neemt, verkoopt dat aantal nu gemiddeld in anderhalve dag. ‘Het is soms moeilijk te zeggen hoeveel er veranderd is in onze sandwichconsumptie, omdat we er zelf zo’n nostalgisch gevoel over hebben,’ zegt culinair journalist Beel Wilson. ‘Maar het feit dat veel mensen nu vijf dagen per week, of zelfs zeven dagen per week sandwiches eten, dát is de verandering. De sandwich is overal in ons leven doorgedrongen.’


En toch is de sandwich nog niet tevreden. Je zou denken dat in een land waar er al zo’n 4 miljard per jaar worden verkocht, en waarin velen zich stuk beter voelen sinds hun besluit om minder brood te eten, de markt misschien verzadigd zou raken of zelfs iets zou afnemen. Maar dat is niet het geval. Volgens de British Sandwich Association (BSA) groeit het aantal verkochte sandwiches gestaag met 2 procent – oftewel 80 miljoen sandwiches – per jaar. De sandwich blijft de motor van de 20 miljard pond omvattende Britse food to go-branche, die de grootste en meest geavanceerde van Europa is en waarop de mensen die er werken bijzonder trots zijn. ‘Wij zijn de rest van de wereld lichtjaren vooruit,’ zegt Jim Winship, hoofd van de BSA.

Britse sandwichmakers zijn in heel Europa gewild en worden door bedrijven uit Rusland en het Midden-Oosten uitgenodigd om over alle aspecten te adviseren, van verpakking en productielijnen, tot ‘mondgevoel’ en waterkers. ‘In Saoedi-Arabië zijn ze dol op het verhaal van earl Sandwich, de boef,’ zegt een fabriekseigenaar. En in de weken dat ik aan dit artikel werkte ben ik niet één persoon tegengekomen die er niet van overtuigd was dat het lange hoogtij nog jaren zou aanhouden. ‘Het is groot. We doen het allemaal. En we doen het vaak. Dat is onze marktanalyse,’ zegt Martin Johnson, topman van Adelie Foods, een grote leverancier aan koffiezaken en universiteiten.

Een van de grote drijfveren van de industrie is het gekmakende gegeven dat we zoveel sandwiches zelf huis blijven klaarmaken – naar schatting 5 miljard per jaar. ‘Het grote gat in de markt zijn nog steeds de mensen die niet kopen,’ zei Johnson. Het doel dat in 1980 zo onwaarschijnlijk leek – de industrialisatie van zoiets gewoons als de sandwich – is nu bijna een provocatie aan mensen die zich wijden aan het food to go-concept.

Per slot is elke sandwich die jij thuis klaarmaakt er één die zij niet verkopen. Mensen in de bedrijfstak zeggen altijd dat gewone mensen niet genoeg in huis hebben en daardoor niet genoeg variatie kunnen aanbrengen in beleg en brood. Zij zijn zich er ook van bewust dat mensen die eenmaal beginnen met onderweg eten, dat blijven doen, zolang er geen verandering in onze omstandigheden optreedt (rond 2009, na de financiële crisis, was er een korte maar merkbare daling in de verkoop van sandwiches in winkels).

Als ik bij de productontwikkelingskeuken van Sainsbury’s langsga, ligt daar een sandwich met gerookte ham en cheddar van Oakwood op tafel – een van de bestverkopende van deze supermarkt. ‘Twintigduizend mensen per dag maakten vroeger thuis een sandwich met ham en kaas klaar,’ zegt manager productontwikkeling Patrick Crease. ‘Nu is dít hun sandwich met ham en kaas.’ Ik weet niet of hij het zo bedoelt, maar op de een of andere manier klinkt dit diepzinnig en onomkeerbaar; ‘Er zijn twintigduizend varianten die niet meer bestaan.’

‘Sandwiches hebben ons bevrijd van de vork, de eettafel, de vaste etenstijd. In zekere zin hebben ze ons bevrijd van de maatschappij zelf’

Belangrijker nog is dat de sandwich bewezen heeft dat ze zich op een unieke manier in ons gehaaste, laatkapitalistische bestaan weet te voegen. In haar boek over sandwiches uit 2010 schrijft Wilson dat de beste manier om de sandwich te begrijpen was om haar niet te zien als voedsel met brood eromheen, maar als een manier van eten – functioneel en kortstondig – die weerspiegelt hoe wij nu leven. ‘Sandwiches hebben ons bevrijd van de vork, de eettafel, de vaste etenstijd,’ schrijft Wilson. ‘In zekere zin hebben ze ons bevrijd van de maatschappij zelf.’

Sandwichmensen willen meer over ons weten dan we over onszelf weten. Ze besteden evenveel tijd aan nadenken over onze gewoonten en zwakheden als aan nadenken over wat wij willen eten. Starbucks weet dat je op maandag waarschijnlijk kiest voor een salade en op vrijdag voor een tosti ham-kaas. Sandwichfabrieken weten dat onze goede nieuwjaarsvoornemens standhouden tot de derde week van januari, als de BLT-bestellingen weer omhoog gaan. Volgens Clare Clough, directeur voedingswaren van Pret a Manger, kan haar bedrijf jaren vooruit voorspellen wat de drukste dag zal zijn voor ontbijtsandwiches: de laatste vrijdag voor Kerstmis – de ochtend van de kater na de kerstborrel, die dit jaar op 15 december viel. ‘We kunnen je van tevoren vertellen hoeveel we er zullen verkopen,’ zegt ze.

Dagdelen

Het duidelijkste – en meest ambitieuze – streven van de bedrijfstak is om ons zover te krijgen dat we de hele dag door sandwiches eten. Het is me opgevallen dat mensen in dit vak het nooit over ontbijt, lunch of avondeten hebben. Zij praten over ‘dagdelen’, ‘gelegenheden’ en ‘missies’, en die zijn allemaal goed voor een sandwich. In 2016 voerde het Britse publiek naar schatting vijf miljard food to go-‘missies’ uit en die worden steeds gelijker verdeeld over de dagdelen. De belangrijkste ontwikkeling in de sandwichbranche van de laatste jaren is de succesvolle manier waarop het ontbijt is aangepakt. (het bestverkopende beleg van de afgelopen twaalf maanden was bacon). En het volgende doel, zo dicteert de logica, is het avondeten – of, zoals iemand bij Adelie Foods het noemt, ‘de fragmentatie van de avondgelegenheid’.

Whiteside, de voormalige sandwichbaas van Marks & Spencer, is ervan overtuigd dat de bedrijfstak de avond kan veroveren. Hij is in 1999 na twintig jaar bij M&S weggegaan, en was een van de oprichters van onlinesupermarkt Ocado. In 2013 werd hij algemeen directeur van Greggs, de grootste gebaksketen van het Verenigd Koninkrijk, waar hij leiding gaf aan een radicale uitbreiding en versimpeling van het bedrijf. Er werden honderden nieuwe winkels geopend en het bedrijf begon met speciale ‘drive-through’-zaken en een eigen bezorgdienst.

Whiteside ziet de warme sandwich als de sleutel om Greggs ‘aantrekkelijker te maken in het avonddagdeel’. Als je wilt dat mensen onderweg naar huis een sandwich eten, geef ze dan iets warms. We zitten in een kleine vergaderkamer op de eerste verdieping van het hoofdkantoor van Greggs, aan de rand van Newcastle. ‘Denk er eens over na,’ zegt Whiteside. ‘Een burger is een warme sandwich, toch?’ Hij is duidelijk in zijn element: aan het begin van de verovering van een nieuw dagdeel. ‘Sandwiches zitten nooit stil.’

‘1745: Na vier jaar koortsachtig werken is hij ervan overtuigd dat hij op de drempel van het succes staat. Hij toont de andere edelen twee plakken kalkoen met een plakje brood ertussen’

De revolutionaire mogelijkheden van de sandwich zijn altijd goed verborgen gebleven, juist doordat ze zo gewoon is. De beste geschiedenis, die in 1966 werd geschreven door Woody Allen, is een verhaal over de reis de vierde earl of Sandwich tweehonderd jaar daarvoor zou hebben gemaakt. ‘1745: Na vier jaar koortsachtig werken is hij ervan overtuigd dat hij op de drempel van het succes staat. Hij toont de andere edelen twee plakken kalkoen met een plakje brood ertussen. Iedereen wijst zijn werk af, behalve David Hume, die iets groots ziet opdoemen en hem aanmoedigt om door te gaan.’

Pogingen van wetenschappers om het exacte moment van haar ontstaan vast te leggen – de eerste keer dat dit stapeltje brood met beleg werd gemaakt – lezen over het algemeen ook als parodieën. Er bestaat een theorie rond ‘trenchers’, dikke hompen brood die in de middeleeuwen dienstdeden als bord, er zijn uitgesponnen interpretaties van verwijzingen bij Shakespeare naar ‘brood met kaas’, en natuurlijk kent iedereen de lange geschiedenis van de platte, gevulde broden in het Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten. Daarom is er grote interesse voor de reis die de earl als jonge man in 1738-1739 heeft gemaakt. Maar in het uitgebreide dagboek dat na zijn dood werd gepubliceerd, heeft hij het helaas nergens over het pitabrood of de calzone.

De eerste zekere vermelding van een sandwich is te vinden in de dagboeken van Edward Gibbon, die op 24 november 1762 dineerde bij de Londense Cocoa Tree Club, op de hoek van St James Street en Pall Mall. ‘Die eerbiedwaardige gelegenheid biedt elke avond een waarlijk Engels aangezicht,’ schreef hij. ‘Twintig of dertig van de hoogstgeplaatste mannen van het koninkrijk (…) die aan tafeltjes hun avondmaal gebruiken (…) met een stukje koud vlees, of een Sandwich.’ Een paar jaar later kwam een Franse reisschrijver, Pierre-Jean Grosley, met de legende – die sindsdien zeer geliefd is onder marketingmensen – dat de earl verzocht om ‘een stukje rundvlees, tussen twee plakken geroosterd brood’ om hem op de been te houden tijdens een 24 uur durende gokpartij. Daarmee was de roem van deze geniale snack gevestigd.

Het bewijs hiervoor rammelt echter nogal. In zijn definitieve biografie, The Insatiable Earl (De onverzadigbare earl), die in 1994 werd gepubliceerd, komt N.A.M. Rodger tot de conclusie dat Sandwich altijd slecht bij kas was en nooit veel weddenschappen aanging voor een man van zijn stand. De earl, een grote, onhandige man, die een gevaar vormde voor serviesgoed, fungeerde in totaal elf jaar als minister van Marine, en volgens de meeste verhalen niet al te best. Hij woonde alleen nadat zijn vrouw in 1755 krankzinnig was geworden. Bezoekers aan zijn huis beklaagden zich over de slechte kwaliteit van het eten. ‘Sommige van de gerechten bij hem zijn ofwel miezerig of volkomen uit de tijd,’ aldus zijn vriend, lord Denbigh. De waarheid is waarschijnlijk dat de gehele toekomst van de sandwich – haar symbiotische relatie met werk, het feit dat ze een meer bedachtzame, ontspannen en sociale manier van eten links laat liggen – al aanwezig was bij haar ontstaan. In de hogere kringen van het achttiende-eeuwse Engeland werd de belangrijkste maaltijd van de dag rond vier uur ’s middags geserveerd, en dat botste met de taken van de earl op het ministerie. Waarschijnlijk heeft hij de sandwich met rundvlees bedacht om aan zijn bureau te kunnen eten.

Al snel was de trend niet meer te stoppen. Louis Eustache Ude, de chef-kok van de earl van Sefton, erkende de voordelen van deze nieuwigheid in zijn kookboek uit 1813. ‘Een royale schaal sandwiches, met kip, met ham, kalf, tong &tc, enkele schalen gebak en hier en daar op de tafel een mand fruit’ – met andere woorden: het schoolvoorbeeld van een food to go-maaltijd – zou de kosten van de diner dansant met driekwart verminderen. Maar hij vond het gerecht ook beneden zijn waardigheid. Chef Ude deed wat hij kon om de sandwichrage nog enige verfijning te geven, door bechamelsaus te voor te stellen als beleg en aan te dringen op ‘buitengewone zorg’ voor het aanmaken van de sla, maar je voelt in zijn woorden de frustratie dat hij kennelijk zo diep gezonken is dat hij dit moet doen. ‘Van alle dingen in de wereld hebben sandwiches de minste uitleg nodig,’ schreef hij. ‘Iedereen weet hoe je ze maakt, min of meer.’

In het clubhuis van een cricketclub in North Devon worden sandwiches bereid. – © Ben Birchall / Getty
In het clubhuis van een cricketclub in North Devon worden sandwiches bereid. – © Ben Birchall / Getty

Je moet een bepaald type geest hebben om met een echte innovatie tussen de sneetjes brood te kunnen komen. Isabelle ‘Mrs’ Beeton schijnt in 1861 de eerste avant-gardesandwich te hebben bedacht met haar ‘Toast Sandwich’, een sneetje geroosterd brood, op smaak gebracht met zout en peper, tussen twee gewone sneden brood – maar voor het grootste deel van de negentiende en twintigste eeuw was de sandwich wat ze was. Smalle reepjes zonder korst voor de rijken; ‘mondscheurders’, zoals ze in een kookboek werden genoemd, voor de armen. Vooral in het naoorlogse Groot-Brittannië werd de sandwich – uitgedroogd brood na uren op een toonbank, treurige smurrie ertussen – het symbool van een soort culinaire hopeloosheid. ‘De sandwich die de Britten op zaterdag tussen de middag in de plaatselijke pub eten is waarschijnlijk een boetedoening voor een of andere nationale zonde,’ schreef Douglas Adams in 1984.

De uitvinding van M&S brak door in winkelstraten waar tot dan toe vooral onopvallende broodjeszaken huisden. Slome bediening. Bakken beleg van onbestemde ouderdom. ‘Het was een ellendige toestand,’ zegt Julian Metcalfe. ‘Negentig procent van die tenten was heel deprimerend.’ Metcalfe opende in de zomer van 1986 het eerste filiaal van Pret a Manger, op Victoria Street 75b in Londen. Hij was zesentwintig jaar. Voor die tijd had hij een delicatessenwinkel gerund in Putney, maar daar was geen keuken en Metcalfe gruwde van de producten die hij er moest verkopen. ‘We kregen koolsla aangeleverd die zestien dagen mee moest gaan,’ herinnert hij zich. ‘Ik weet nog dat ik dacht: Hemel.’ Met een vriend uit zijn studietijd, Sinclair Beecham, besloot Metcalfe een delicatessen- en sandwichzaak te openen in Westminster.

De eerste Pret was een allegaartje van salades, vleeswaren, kaas en sandwiches die Metcalfe achter in de zaak klaarmaakte. Als ik hem vraag waarom hij zich uiteindelijk heeft beperkt tot sandwiches, zegt hij: ‘Omdat die beter verkochten dan ham. Ham snijden duurde een eeuwigheid.’ Metcalfe is zelf een man van weinig geduld en streefde ernaar om klanten in een minuut of nog sneller te helpen. ‘We begonnen met het verkopen van de bekende sandwiches,’ zegt hij. ‘Met kaas. Maar ik dacht, waarom kunnen we er geen lamsvlees met munt op doen?’

Nu was voor hem het hek van de dam. Vaak stond Metcalfe nog tot één uur ’s nachts kippen te braden, waar hij met zijn handen het vlees vanaf trok. Een leverancier liet hem een kleine zoetwaterkreeft, oftewel rivierkreeft, proberen. Hij was dol op raketsla. In een Pret a Manger-sandwichreceptenboek uit 1996 zie je de uitgelaten sfeer van die experimenteerfase terug: lamsvlees, rode-bessengelei en aubergine; geitenkaas, roze peperkorrels, tomaten. De formule was geen instant succes. Het duurde vier jaar voor Metcalfe en Beecham hun tweede zaak konden openen, op Bishopsgate in de Londense City. Toen het eindelijk zover was, serveerden ze hun sandwiches met operamuziek op volle sterkte. ‘Het was idioot,’ zegt Metcalfe. ‘Maar het werkte.’

Twee deuren van de oorspronkelijke Pret lag vroeger nog een andere sandwichzaak, French Franks, die zich vooral richtte op de gevulde croissant – op zichzelf al een gedurfd concept in die tijd. Frank Boltman, die overigens niet Frans is, keek verbaasd wat de jongens van Pret deden. ‘Het was zes klaarmaken, zes verkopen. Weinig, maar vaak. Zo werkt het nu ook,’ zegt hij. ‘Ze verkochten voortdurend vers klaargemaakt eten, prachtig.’

Sammies

Begin jaren negentig had Boltman negen French Franks-filialen, maar het tempo van Pret a Manger kon hij niet bijbenen. Pret opent volgend jaar zijn vijfhonderdste filiaal en heeft op dit moment een geschatte waarde van 1,4 miljard pond. (Metcalfe heeft het grootste deel van zijn aandelen in 2008 verkocht.) Maar Boltman is wel degelijk een expert op dit terrein. Deze kleine man met zijn hese stem en grote snor die hij onder het praten gladstrijkt, werd tussen 2009 en 2012 vier jaar achter elkaar uitgeroepen tot Sandwichdesigner of the Year, bij de uitreiking van de felbegeerde ‘Sammies’.

‘Vijf nieuwe sandwiches opschrijven, dat is voor mij een vorm van ontspanning,’ zegt hij als we elkaar spreken bij zijn laatste geesteskind, een hipsterachtige zaak die Trade heet, aan Essex Road in Noord-Londen. De zoektocht van deze sandwichuitvinder gaat zelden over rozen. De bedrijfstak heeft zijn eigen 80:20-regel: 80 procent van de verkoop komt van 20 procent van de smaken. Dit wordt ‘de core’ genoemd – de eiersalade, de BLT, de kipsalade – en ze zijn zo vertrouwd als maar kan. De top 3 van bestverkopende Pret-sandwiches (allemaal stokbroodjes: kip met Ceasarsalade en bacon; tonijn met komkommer; cheddar met zuur) is al zeven jaar onveranderd. De sandwich garnalensalade staat bij M&S al 36 jaar op nummer één.

Boltman laat zich hierdoor niet ontmoedigen. Hij begint met het kiezen van brood en ingrediënten uit wat hij al op het menu heeft staan. De kunst van de sandwichontwerper is om naar binnen te denken, variaties te vinden binnen een bekend en beperkt domein. ‘Het is een kwestie van vasthoudendheid, kennis, ervaring, flair,’ zegt Boltman. Gesprekken in de bedrijfstak gaan vaak over mogelijke nieuwe combinaties – de rivierkreeft met raketsla van Pret; de Wensleydale and carrot chutney van M&S – alsof het over de Midsummer Night Dream van Peter Brook gaat of over de Romeo and Juliet van Zeffirelli. Alsof er een nieuw verhaal wordt bedacht. iemand een nieuwe schaakzet ontdekt.

Ook in dit vak kun je showman zijn. Boltman vertelt over de sandwich met kip en broccoli die hij in de jaren tachtig maakte. ‘Op een speciaal tarwebroodje met pitjes,’ zegt hij. ‘Ongelooflijk.’ Terwijl we zitten te praten maakte de keuken Boltmans versie van de Reuben voor me klaar, die hij in zijn zaken voor £ 8,50 verkoopt. Ik heb niet ontbeten en de sandwich is belegd met een royale hoeveelheid pastrami, die een week lang in de pekel heeft gelegen. De smaak van karwijzaadjes in het roggebrood blijft op mijn gehemelte hangen. ‘Proefde je de geheime saus erdoorheen?’ vraagt hij.

Boltman is een oude rot in het vak. Hij heeft een tijdje een McDonalds-franchise gehad. Sandwiches mogen dan fungeren als snelle hap om ons drukke, haastige leven mogelijk te maken, volgens hem geven ze mensen ook een kostbaar moment om even in hun eentje te ontsnappen. ‘Mensen willen eten,’ zegt hij, terwijl hij zich naar me toe buigt. ‘Ze willen troost. Ze willen verlichting. Ik heb een kloteochtend gehad, ik heb ruzie gemaakt met mijn baas. De reis hierheen was afschuwelijk. Dus ik heb niet genoeg aan een klef mengsel van sla en nog wat in een plastic bakje. Ik wil een kop thee en een chocoladekoek en eigenlijk gewoon een potje janken. Ik ga verdomme een sandwich halen.’

Na de snelle groei van de jaren tachtig en negentig stabiliseerde de sandwichmarkt zich. Toepasselijk genoeg bestaat die uit twee kanten: de specialistische ketens zoals Subway, Greggs en Pret a Manger, waar de etenswaren ter plaatse vers worden klaargemaakt; en het netwerk van fabrieken, ooit gestart door M&S, die de hele nacht doorwerken en aan supermarkten, koffiebars in winkelstraten, gevangenissen, luchtvaartmaatschappijen, ziekenhuizen en alle anderen leveren. Bij de sandwichketens is het de grotere merken – met schaalgrootte en de beste locaties – voor de wind gegaan. De Amerikaanse gigant Subway, die in 1996 zijn eerste Britse vestiging opende in Brighton, heeft nu 2500 filialen en is de grootste versbereider van het land, met Greggs als goede tweede.

Aan de fabriekskant heeft er een golf van fusies en overnames plaatsgevonden, omdat bedrijven voldoende productiecapaciteit zochten om aan Tesco of Waitrose te kunnen leveren. Tegenwoordig torenen twee firma’s, Greencore en 2 Sisters, boven de rest uit: zij leveren samen meer dan de helft van de fabrieksmatig geproduceerde sandwiches in het VK – misschien een miljard per jaar. Greencore en 2 Sisters slepen meestal de technische prijzen van de BSA in de wacht voor innovaties in het ontdooien van garnalen of het wassen van sla. Geen van beide bedrijven wilde mij ontvangen. (2 Sisters Group was onlangs onderwerp van een onderzoek door The Guardian en ITV naar de manier waarop het bedrijf kip voor de supermarkt verwerkt.)

‘De Britten moeten dit gaan doen. Het is de sandwich. Daar zouden ze trots op moeten zijn’

Grootschalig sandwiches maken is verschrikkelijk gecompliceerd en de winstmarges zijn klein. Als gevolg daarvan doet de bedrijfstak geheimzinnig. ‘Het is volkomen idioot,’ zegt Rachel Collinson, de vroegere commercieel directeur van een fabriek in Northampton die in 2011 door Greencore werd overgenomen. Collinson was een van degenen die de kartonnen verpakking doorvoerden die in 1999 voor Pret was ontworpen en in de jaren 2000 de hele bedrijfstak veroverde. Elke ochtend krijgt haar bedrijf achthonderd verschillende ingrediënten binnen, die het dan aan het begin van de middag heeft verwerkt tot 250.000 sandwiches. ‘Ik heb in bijna elke voedselbranche gewerkt,’ zegt ze. ‘Niets is te vergelijken met sandwiches. Het is supersnel, supervers. Het is de top op dit gebied.

Op een grauwe ochtend mag ik de productielijnen komen bekijken bij Adelie – een food to go-fabrikant met een omzet van 300 miljoen pond – in het Noord-Londense stadsdeel Wembley. Zoals veel groothandelaars noemt Adelie liever geen namen van afnemers, uit angst de illusie te verstoren dat de meeste supermarkten en dure merken zelf hun sandwiches maken. Het hoofd van de productieafdeling is Azzedine ‘Abdul’ Chahar, een achtenveertigjarige voormalige politieman uit Algiers, die in 1993 de burgeroorlog in zijn land ontvluchtte. Chahar heeft sindsdien altijd sandwiches gemaakt, al wordt hij wel eens raar aangekeken als hij vrienden thuis vertelt wat voor werk hij doet. Net als veel mensen over de hele wereld beschouwen Algerijnen de sandwich als minderwaardig fastfood, omdat ze koud is. ‘Zelfs nu nog,’ schokschoudert hij. Hij probeert zijn tienerdochter over te halen om op school een fatsoenlijke maaltijd te eten, maar ze laat hem bijna elke ochtend onderweg naar school een sandwich voor haar kopen. ‘Het is een snelle lunch. Oppakken en wegwezen,’ zegt Chahar, ‘Er is geen tijd in het VK. Dat weet je.’

We trekken kaplaarzen aan, een witte jas en een haarnetje en wassen drie of vier keer onze handen. Je aankleden om een sandwichfabriek binnen te gaan is een beetje alsof je je voorbereid op het opereren van een paard. Chahar toont me de lange rijen hoog opgestapelde kratten met speciaal bruin brood (dat perfect vierkant moet zijn), een koelruimte met voor zes dagen aan kaas, en een ruimte met tweeëntwintig verschillende salades. In 2010 introduceerde Raynor Foods, een klein familiebedrijf in Chelmsford, de Intenso, een pruimtomaatje met dikkere celwanden waardoor het zijn vocht beter vasthoudt. Inmiddels is het de standaardtomaat in de bedrijfstak.

Dankzij de Intenso, die oorspronkelijk door een dochtermaatschappij van het Duitse farmaceutische bedrijf Bayer was ontwikkeld voor pizza’s, is het soppig worden van sandwiches spectaculair afgenomen. Maar de tomaatjes zijn soms lastig te krijgen. Chahar ziet een krat staan. ‘De leveranciers hadden vorige week moeite om ze te vinden,’ moppert hij.

In de grootste productiehal, met een rode vloer en een zoemend luchtverversingssysteem – dat de temperatuur op 10 graden Celsius houdt – staan enkele honderden medewerkers aan zeven lopende landen. Chahar neemt me mee naar het midden van de hal, waar een stuk of tien vrouwen bezig zijn met de productie van een van de nieuwste producten van Adelie, een kip-tikka met ui-sandwich, die populair is onder studenten. De band heeft een tempo van 33 sandwiches per minuut, dus de vrouw heeft bij elke stap – het neerleggen van de 40 gram kip, het opscheppen en smeren van de bha-pasta, het erop strooien van 3 gram koriander – minder dan twee seconden de tijd voor de sandwich voorbij is. Vervolgens legt de medewerker die de ‘stapelaar’ wordt genoemd, twee sandwiches op elkaar en schuift die in de ultrasone Grote AC60-snijmachine. Chahar en ik komen dichterbij. Een heel zacht gekreun klinkt op uit het titanium mes, dat met 20.000 trillingen per seconde perfecte driehoeken snijdt. ‘Ultrasone snijmachines zijn ooit ontworpen om zonder beschadigingen door chocola en kaas te snijden. Dat gaat overal doorheen,’ fluistert Chahar. ‘Je zult de pijn niet eens voelen, geloof me maar.’

In de loop der jaren heeft Chahar geprobeerd werkloze Britten zover te krijgen dat ze zijn sandwichproductielijnen kwamen bemannen. ‘Dan komen ze hier. Ze werken een halve dag. En komen nooit meer terug,’ zegt hij. (Adelie heeft al even vruchteloze proeven gedaan met ex-gevangenen.) Het werk is te koud en te eentonig. Het salaris bij de fabriek in Wembley begint bij £7,50 per uur. Het gevolg is dat de meeste sandwichfabrieken al minstens tien jaar afhankelijk zijn van het werk van immigranten; in 2014 leidde het nieuws dat Greencore in Hongarije mensen wierf tot een beruchte kop in de Daily Mail, met de vraag: ‘Is er niemand meer in Groot-Brittannië die een sandwich kan maken?’ Volgens de BSA komt zo’n 75 procent van het personeel in de sandwich- en cafébranche in de hoofdstad uit het buitenland; in de rest van het land is dat 40 procent. Voor Chahar, die ervan droomt om de sandwich in Algerije te introduceren, is dat verbijsterend. ‘De Britten moeten dit gaan doen. Het is de sandwich,’ zegt hij. ‘Daar zouden ze trots op moeten zijn.’

Het besluit om de EU te verlaten is dan ook uiterst onhandig voor de Britse nationale cuisine. De versbereide sandwichsector van Groot-Brittannië is qua technologie en expertise de beste ter wereld en zou in theorie in staat moeten zijn zich succesvol over de hele wereld uit te breiden. Maar sinds afgelopen juni wordt de sector belaagd door stijgende voedselprijzen en verontrustende vragen over wie – of wat – die verdomde dingen in de toekomst zal gaan maken. ‘Brexit heeft alles verpest,’ zei een directeur, wiens bedrijf zwaar op Oost-Europese arbeid leunt. ‘Op de dag na het referendum, op die vrijdag, kwamen mensen me vragen: “Moet ik nu naar huis?” Dat zijn de mensen die ons uit de brand hebben gered toen de oorspronkelijke bevolking het liet afweten.’

Treurig beeld

Jim Winship van de BSA schetst een treurig beeld van de aanstaande ineenstorting van de nationale sandwichindustrie. ‘Neem de arbeidskrachten weg en de Costa’s van deze wereld kunnen niet langer functioneren,’ zegt hij. ‘Als die verdwijnen, zal dat grote invloed hebben.’ De sandwichindustrie, zo legt Winship uit, zorgt niet alleen voor honderdduizenden banen, ze levert de hele economie ook miljarden ponden extra op. ‘Dankzij de sandwich kunnen mensen hun lunchpauze doorwerken,’ zegt hij.

Martin Johnson, ceo van Adelie, die in het verleden bij BMW en Ford heeft gewerkt, is wat gematigder. Volgens hem zal de Brexit de opkomst van robots aan de sandwichproductielijn versnellen. ‘Een van de dingen die je kunt doen is zorgen dat je minder afhankelijk bent van arbeidskrachten,’ zegt hij. Beneden op de werkvloer laat Chahar me een nieuwe geavanceerde belegmachine zien – een glanzend metalen kegel – waar het bedrijf een proef mee doet. ‘Het idee is om zo veel mogelijk te automatiseren,’ zegt hij. Vanaf zo‘n dertig centimeter boven de lopende band vallen klodders eiersalade exact op plakjes wit brood. Eén vrouw met in elke hand een spateltje smeert het goedje uit. Ik kijk verder langs de lijn. Er werken maar vier mensen aan, tegen acht of negen aan de andere lijnen. De sandwiches die klaar zijn, glijden zonder menselijke tussenkomst nog een hele tijd over de lopende band. Aan het uiteinde maakt de stapelaar ze klaar voor de snijmachine. Ze ziet me kijken en lacht.

De gestage, onstuitbare uitbreiding van het sandwichrijk – de kolonisatie van nieuwe dagdelen – gaat vrij geruisloos. Op Lunch!, de jaarlijkse handelsbeurs van de food to go-industrie in het Excel Centre in Oost-Londen, schittert de sandwich door afwezigheid. Wel staan er zo’n driehonderd exposanten met fruitchips, tofu uit Devon en kikkererwtenpasteitjes. Een door de organisatoren aangeleverde grafiek verklaart min of meer waarom. Sandwiches, wraps en stokbroodjes vormen samen meer dan een derde van alle voedsel die wij in 2016 rond lunchtijd kochten. Voeg daarbij nog de burgers en het aandeel stijgt naar 40 procent. De enige andere producten die nog enigszins meetellen zijn chips, friet en chocoladerepen. Salades vormen 3,5 procent van onze lunch. Sushi halen de top 10 niet.

De sandwich hoeft niets te bewijzen. Alle andere producten op Lunch! – de notenrepen, de zongedroogde bananito’s (kleine banaantjes uit Thailand), de glutenvrije, zuivelvrije, suikervrije chai lattes, de kokos-teryakireepjes, de insecten met chocoladesmaak en het cactuswater – strijden alleen maar mee om een plekje als begeleiding van het hoofdprogramma. Hetzelfde geldt voor de verpakkingsstands. Een man die Ewald heet, laat me een nieuwe lichtgewicht wikkel uit Duitsland zien die je tot halverwege het stokbroodje kunt openritsen en die in de Benelux en in Argentinië verkoopt als een gek. ‘Het is het wauw-effect, ja,’ zegt hij terwijl hij de bovenste helft van een stokbroodje met sesamzaad tevoorschijn ritst.

Wie op de beurs wil zien wat er met de sandwich gebeurt, moet weten waar hij moet zoeken. Boven, in een aparte suite, wordt onder auspiciën van British Sandwich Association een rustige wedstrijd gehouden op zoek naar recepten voor de croll – een kruising tussen een croissant en een roll (broodje) – die is uitgevonden door de New York Bagel Company. Een jonge ontwikkelkok staat een croll d’Hollandaise klaar te maken op een kookplaat.

Op de beursvloer zie ik in het voorbijgaan af en toe de naam van een grote speler – van Pret, Greencore, Tesco – op de badge van een passerende bezoeker. Ze zijn er wel, om de trends en elkaar in de gaten te houden. Dit jaar stond Lunch! geheel in het teken van proteïnen en vegetarisme. Het ‘flexitarisme’, de trend onder millennials om één of twee dagen in de week geen vlees meer te eten of een tijdje vegan te worden, speelt op dit moment een belangrijke rol in de food to go-industrie. Pret a Manger opende afgelopen zomer zijn eerste vegetarische vestiging in het centrum van Londen, en heeft er nu drie in de hoofdstad. In januari lanceert M&S een lijn vegan sandwiches met felrood, groen en geel groentenbrood.

Buurtbewoners delen elkaar sandwiches uit.
Buurtbewoners delen elkaar sandwiches uit.

In het centrum van de hal kom ik de Soho Sandwich Company tegen, een leverancier uit het duurdere segment dat, zoals ik inmiddels weet, de sandwiches voor de kantine van The Guardian levert. Directeur Dan Silverston laat me zijn nieuwe TLT zien – een vegan BLT met tofurkey. ‘Dit is cool,’ zegt hij. ‘Dit is helemaal nu. Dit is de trend.’ Frank Boltman komt aangelopen. Hij kijkt naar de stands met pitabroden, exotische groenten en voorgemengde salades om ons heen. ‘Haal het voedsel weg en het is gewoon een oorlog,’ zegt hij.

Om het half uur verschijnt er een spreker op een van de podia aan de twee uiteinden van de hal. Een marketeer van Leon houdt een praatje, geïllustreerd door schermen met ‘Kombucha’, ‘Gut Health’ (gezonde darmwerking) en ‘Be storytellers’ (Wees verhalenvertellers). Op de vrijdagochtend verzamelt zich een grote menigte voor een presentatie door Roger Whiteside, de voormalige Marks & Spencer-topman, die nu Greggs runt. Toen Whiteside daar aan de leiding kwam bevond het bedrijf zich in zwaar weer. Na zeventig jaar als bakkerij in winkelstraten lukte het Greggs niet om zich aan te passen aan het feit dat 80 procent van zijn klanten iets wilden dat ze meteen konden opeten. De afgelopen vier jaar heeft Whiteside op zijn eigen praktische manier Greggs veranderd, van een bakker die ook sandwiches verkocht (Greggs had al sinds 1988 een succesvolle lijn in stokbroodjes), in een puur food to go-bedrijf. De winst is met 50 procent gestegen.

Zittend op een kruk beantwoordde Whiteside vragen van Lunch!-deelnemers over stijgende voedselprijzen en het belang van koffie als opening van het ochtenddagdeel. Whiteside, die nu 58 is, gaat straks terug naar Newcastle, waar het hoofdkantoor van Greggs is gevestigd, en hij vindt het duidelijk leuk om de nuchtere noorderling te spelen tegenover de flexitarische zuiderlingen. Het gemiddelde bedrag dat mensen bij Greggs besteden is £ 2,85. ‘Zullen we ooit quinoa kunnen verkopen in Sunderland?’ overpeinst hij. ‘Als we het kunnen, zullen we het doen.’ Iedereen applaudisseert.

Een paar weken later spreek ik Whiteside in Newcastle. Ik vraag hem een verklaring voor de opkomst van de sandwich die hij tijdens zijn carrière zich heeft zien voltrekken. Volgens hem is die deels het gevolg van de druk op het leven van de mensen die al die sandwiches eten. ‘De meeste mensen zullen je, als ze eerlijk zijn, vertellen dat ze hun hele leven lang elke dag exact dezelfde sandwich eten,’ zei hij. De sandwich is weliswaar onderdeel van een sneller en eenzamer leven, maar biedt ook een bepaalde zekerheid. We kiezen ervoor omdat we al genoeg aan ons hoofd hebben. ‘Mensen willen niet teleurgesteld worden,’ zegt Whiteside. En in zekere zin is dat het zeer Britse geheim van een zeer Britse bedrijfstak. De sandwich is een nationaal symbool van bescheiden verwachtingen die altijd worden vervuld.

Voor ik vertrek wil Whiteside me vertellen over de warme sandwiches waarvan hij hoopt dat ze het avonddagdeel zullen openbreken. Op hun eigen manier lijken de nieuwe avondsandwiches, die Greggs ‘streetfood’ noemt, even onwaarschijnlijk als de verpakte sandwich van M&S in 1980. ‘Maar in feite worden er ’s avonds heel veel sandwiches gegeten,’ volgens Whiteside. ‘Heel veel klanten eten een sandwich als ze thuiskomen, omdat ze geen zin hebben om iets anders klaar te maken. Dit is wat ze in huis hebben. Dus ze maken een sandwich.’

Een paar minuten later word ik meegenomen naar de ‘food zone’ van Greggs, op een industrieterrein een eindje bij het kantoor vandaan. Kate Jones, de manager productontwikkeling, laat me drie versies van de nieuwe streetfoodsandwiches zien onder een warme lamp. Ik neem een hapje van een van de drie: barbecue-kip met een Koreaanse barbecuesaus, geserveerd op een stokbroodje. Het beleg is warm en zoet, en plakt aan mijn tanden. Greggs heeft een nieuwe mayonaise met baconsmaak ontwikkeld als garnering. ‘Onze strategie,’ zegt Jones, ‘is dat wij gaan zorgen dat we voor elk moment van de dag het juiste aanbod hebben.’

Auteur: Sam Knight
Vertaler: Annemie de Vries

Openingsbeeld: © Luke MacGregor / Getty

The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

Sam Knight was ooit stagiair bij komiek Ali G In New York. Tegenwoordig woont hij in Londen en schrijft hij longreads voor The Guardian en The New Yorker. Hij heeft plannen voor een boek.

Dit artikel van Sam Knight verscheen eerder in The Guardian.
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.