• The Guardian
  • Cultuur
  • Hoe filantropie de superrijken ten goede komt

Hoe filantropie de superrijken ten goede komt

The Guardian | Londen | Paul Vallely | 09 januari 2021

Er zijn meer filantropen dan ooit tevoren. Elk jaar geven ze tientallen miljarden aan goede doelen. Hoe komt het dan dat de ongelijkheid blijft toenemen?

Filantropie, zo wordt algemeen aangenomen, houdt in dat geld van de rijken terechtkomt bij de armen. Dat is niet het geval. In de Verenigde Staten, volgens de statistieken het meest filantropische land, gaat amper een vijfde van het geld dat door grote gevers wordt gedoneerd naar de armen. Veel gaat naar kunst, sportteams en andere culturele bezigheden, en de helft komt ten goede aan onderwijs en gezondheidszorg. Op het eerste gezicht lijkt dat te passen in het populaire plaatje van ‘goede doelen’. Tot je een beetje begint te graven.

In 2019 gingen de grootste donaties binnen het onderwijs naar de elite-universiteiten en -scholen waar de rijken zelf op hadden gezeten. In het VK gingen tussen 2007 en 2017 meer dan twee derde van alle miljonairdonaties – 4,79 miljard Britse pond (5,3 miljard euro)  – naar het hoger onderwijs, waarvan de helft naar slechts twee universiteiten: Oxford en Cambridge. Wanneer de rijken en de middenklasse aan scholen doneren, doen ze dat liever aan de scholen die door hun eigen kinderen worden bezocht dan aan die van minder bedeelden. Britse miljonairs gaven in het genoemde decennium 1,04 miljard pond uit aan kunst tegenover 222 miljoen pond aan armoedebestrijding.

De algemene aanname dat filantropie automatisch leidt tot een herverdeling van geld is onjuist. Veel elitefilantropie betreft elitedoelen. De wereld wordt er niet beter van; de status quo wordt versterkt. Filantropie is heel vaak in het voordeel van de rijken – en er is niemand die filantropen daarvoor verantwoordelijk stelt.

Uiting van macht

De rol van particuliere filantropie is de afgelopen twee decennia dramatisch toegenomen. Bijna driekwart van de 260.000 filantropische stichtingen die wereldwijd in deze periode zijn opgericht, heeft samen meer dan 1,5 biljoen dollar (1,3 biljoen euro) in handen. De grootste gevers zitten in de VS, het VK komt op de tweede plaats. De omvang van de schenkingen is enorm. De Gates Foundation alleen al gaf in 2018 5 miljard pond weg – een bedrag dat in verreweg de meeste landen hoger is dan het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking.

Filantropie is altijd een uiting van macht. Donaties hangen meestal af van de persoonlijke grillen van superrijke individuen. Soms vallen deze samen met de prioriteiten van de samenleving, maar soms ook zijn ze ermee in tegenspraak, of werken ze ondermijnend. Er rijzen ​​steeds meer vragen over de impact die deze megadonaties op samenlevingen hebben.

De relatie tussen filantropie en democratie levert automatisch spanningen op. Ondanks de grote voordelen die moderne filantropie met zich mee kan brengen, kan de omvang van de donaties de uitgaven op gebieden als onderwijs en gezondheidszorg zodanig vertekenen dat de prioriteiten van democratisch gekozen regeringen en lokale autoriteiten worden gedwarsboomd.

Een deel van deze invloed is indirect. De filantropie van Bill en Melinda Gates heeft de mensheid enorme voordelen opgeleverd. Toen de stichting haar eerste grote subsidie ​​voor malariaonderzoek deed, verdubbelde ze daarmee bijna het bedrag dat wereldwijd aan de ziekte werd uitgegeven. Hetzelfde geldt voor polio. Mede dankzij Gates (en anderen) zijn ongeveer 2,5 miljard kinderen ingeënt tegen deze ziekte en zijn er wereldwijd 99,9% minder gevallen van polio. Polio is zo goed als uitgeroeid. Filantropie heeft de mislukkingen van zowel de farmaceutische industrie als van regeringen over de hele wereld goedgemaakt. De Gates Foundation heeft er sinds haar oprichting in 2000 meer dan $45 miljard aan geschonken, en miljoenen levens gered.

Niet langer de staat bepaalt wat goed is voor de mensen, de rijken beslissen dat

Toch kan deze gang van zaken ook problematisch zijn. Zo kan Bill Gates zich focussen op het aanpakken van een probleem dat door de lokale bevolking niet als een prioriteit wordt gezien, bijvoorbeeld de aanpak van polio in een gebied waar de ziekte geen grote rol speelt. Iets dergelijks deed zich voor bij de donaties aan opleidingen in de VS, waar hij zich richtte op de grootte van de klas, waardoor minder geld werd uitgegeven aan de prioriteiten die lokale gemeenschappen zelf stelden.

Andere filantropen grijpen bewuster in. Individuen als Charles Koch aan de rechterkant en George Soros op links slaagden erin het publieke beleid te veranderen. Alleen al in de VS wordt meer dan 10 miljard dollar per jaar besteed aan ideologische overtuiging.

Het resultaat is wat de overleden Duitse miljardair, scheepsmagnaat en filantroop Peter Kramer ‘een verkeerde machtsoverdracht’ noemde, namelijk die van democratisch gekozen politici naar miljardairs, zodat ‘niet langer de staat bepaalt wat goed is voor de mensen, maar de rijken dat beslissen’. Het Global Policy Forum, een onafhankelijke beleidswaakhond die toezicht houdt op de algemene vergadering van de Verenigde Naties, heeft regeringen en internationale organisaties gewaarschuwd dat ze, voordat ze geld van rijke donoren aannemen, ‘de groeiende invloed van grote filantropische stichtingen, en vooral de Bill & Melinda Gates Foundation, moeten overwegen (…) en de bedoelde en onbedoelde risico’s en bijwerkingen van hun activiteiten analyseren’. Gekozen politici, zo waarschuwde de VN-waakhond in 2015, zouden vooral bezorgd moeten zijn over ‘de onvoorspelbare en ontoereikende financiering van publieke goederen, het gebrek aan controle- en verantwoordingsmechanismen en de heersende praktijk om bedrijfslogica toe te passen op de levering van publieke goederen’.

Antidemocratisch

Sommige soorten filantropie zijn misschien niet alleen ondemocratisch, maar zelfs antidemocratisch. Charles Koch en zijn overleden broer, David, zijn ongetwijfeld het meest prominente praktijkvoorbeeld van rechtse filantropie. Maar er zijn tal van anderen, vooral in de VS, die zich bezighouden met zaken die velen controversieel en zelfs weerzinwekkend vinden. Zo gebruikte Art Pope het fortuin dat hij met zijn discountwinkelketen vergaarde om aan te dringen op een aanscherping van de wet ter voorkoming van fraude bij verkiezingen, ook al is zulke fraude in de VS zo goed als verwaarloosbaar. Popes wens dat kiezers zich bij de verkiezingen legitimeren, zorgt er in de praktijk voor dat de 10 procent van de kiezers die geen identiteitsbewijs met foto hebben, buiten het kiesrecht vallen omdat ze te arm zijn om een ​​auto te bezitten en het onwaarschijnlijk is dat ze speciaal om te stemmen een rijbewijs of ander ID aanschaffen. Zulke kiezers – waarvan velen zwart zijn – zullen statistisch gezien waarschijnlijk niet stemmen op de aartsconservatieven die Art Pope aanhangt.

Manipuleren dergelijke filantropische activiteiten het democratische proces meer dan de campagnes van miljardair-financier George Soros om een verantwoordelijke overheid en sociale hervormingen over de hele wereld te promoten? Of de steun van hedgefonds-miljardair Tom Steyer aan een beweging die jongeren aanmoedigt om zich uit te spreken over klimaatverandering? Of de aanvallen van internetmiljardair Craig Newmark op nepnieuws? Ieder van deze rijke individuen grijpt de eigen ervaring aan als motivatie. Aan de hand van welke maatstaf zouden we de ene ingreep legitiemer kunnen noemen dan andere?

David Callahan, redacteur van de Inside Philanthropy-website, zegt het zo: ‘Als donateurs meningen hebben die we verafschuwen, hebben we de neiging ze te zien als valse beïnvloeders van het beleid. Maar als we hun doelen aanhangen, zien we ze vaak als heldhaftigen die bereid zijn zich te verzetten tegen machtsbelangen of achterlijke publieke meerderheden… Dit soort à la carte-reacties hebben weinig zin. De vraag zou eigenlijk moeten zijn of we denken dat het over het algemeen in orde is dat filantropen de macht hebben om hun eigen visie op een betere samenleving zo breed uit te dragen.’

Het idee dat het geld van een filantroop zijn eigen geld is waarmee hij kan doen wat hij wil, zit diepgeworteld

Het idee dat het geld van een filantroop zijn eigen geld is waarmee hij kan doen wat hij wil, zit diepgeworteld. Sommige filosofen beweren dat elk individu de volledige eigendomsrechten over zijn vermogen heeft – en dat de enige verantwoordelijkheid van een rijk persoon is om dat vermogen verstandig te gebruiken. John Rawls, een van de meest invloedrijke filosofen van de vorige eeuw, zag gerechtigheid als een kwestie van eerlijkheid. Hij voerde aan dat burgers hun morele verantwoordelijkheid nakomen wanneer ze een eerlijk deel van de belasting betalen waarmee regeringen voor de armen en kwetsbaren zorgen. Los daarvan zijn welgestelden vrij om over hun inkomen te beschikken.

Zeggenschap

Maar wat de rijken weggeven, is niet helemaal hun eigen geld. Door belastingvermindering worden de doelen die door rijke individuen worden gekozen mede gefinancierd met het geld van de belastingbetalende burger.

De meeste westerse regeringen bieden genereuze fiscale prikkels om liefdadigheidsacties aan te moedigen. In Engeland en Wales betaalde in 2019 een persoon die tot 50.000 pond per jaar verdiende 20 procent daarvan aan inkomstenbelasting. Voor degenen die meer verdienden, werd alles tussen 50.000 en 150.000 pond belast tegen 40 procent, en alles boven 150.000 pond tegen 45 procent. Maar giften aan geregistreerde liefdadigheidsinstellingen zijn belastingvrij. Een gift van 100 pond zou de gewone belastingbetaler dus slechts 80 pond kosten, terwijl 20 pond door de overheid wordt betaald. De belastingbetaler met het hoogste tarief hoeft slechts 55 pond te betalen, terwijl de staat de overige 45 pond betaalt. [Ook in Nederlands zijn veel giften aan goede doelen fiscaal aftrekbaar.] Superrijke filantropen bevinden zich daardoor in een positie waarin een groot percentage van hun gift door de belastingbetaler wordt gefinancierd. Dat maakt de bewering dat het geld dat de rijken aan goede doelen weggeven helemaal van henzelf is, een stuk dubieuzer. En als belastingbetalers een deel van de gift bijdragen, waarom zouden ze dan geen zeggenschap hebben over de liefdadigheidsinstelling waar die naartoe gaat?

In Groot-Brittannië werden de totale kosten voor de staat van de verschillende belastingvoordelen voor donoren in 2012 geschat op 3,64 miljard pond. Belastingvrijstellingen voor liefdadigheidsinstellingen bestaan ​​in het VK sinds de invoering van inkomstenbelasting in 1799, maar liefdadigheidsinstellingen zijn al sinds het elizabethaanse tijdperk grotendeels vrijgesteld van bepaalde belastingen. In feite is de Britse belastingvermindering nog steeds grotendeels beperkt tot de categorieën van liefdadigheid die zijn uiteengezet in de Charitable Uses Act van 1601: vermindering van armoede, bevordering van het onderwijs, bevordering van religie en ‘andere doeleinden die gunstig zijn voor de gemeenschap’. In de VS zijn er zelfs nog minder beperkingen om een van belasting vrijgestelde liefdadigheidsinstelling te worden, behalve de voorwaarde dat de instantie in kwestie zich niet met partijpolitiek inlaat.

Beide landen stimuleren op die manier het doneren aan ​​liefdadigheidsinstellingen. De filantroop ontloopt niet alleen de belasting op de schenking, maar houdt bovendien controle over de besteding van het geld, binnen de beperkingen van de liefdadigheidswet. Het effect hiervan is vaak dat de rijken zeggenschap krijgen over zaken waar anders de staat over zou beslissen.

Prioriteiten

Maar de prioriteiten van de plutocratie, waarin de rijken de baas zijn, en de democratie, waarin het volk de baas is, zijn nogal verschillend. De persoonlijke keuzes van de rijken wijken flink af van de bestedingskeuzes van democratisch gekozen regeringen. Uit een groot onderzoek uit 2013 bleek dat de rijkste 1 procent van de Amerikanen aanzienlijk rechtser is dan het volk in het algemeen op het gebied van belastingen, economische regulering en vooral welzijnsprogramma’s voor armeren. Veel van de rijkste 0,1 procent – individuen met een vermogen van meer dan 40 miljoen dollar – willen bezuinigen op sociale zekerheid en gezondheidszorg. Ze zijn minder vaak voorstander van een minimumloon dan de rest van de bevolking. Ze zijn voorstander van verminderde overheidsregulering van grote bedrijven, farmaceutische bedrijven, Wall Street en de City of London.

‘Er is een gegronde reden om bezorgd te zijn over de impact op de democratie als deze individuen invloed uitoefenen via hun filantropie’, schreef Benjamin Page, leider van het onderzoek. De onevenredige invloed van de megarijken zou kunnen verklaren, zo concludeerde zijn team, waarom overheidsbeleid soms lijkt af te wijken van wat de meerderheid van de burgers wil dat de regering doet. De keuzes van filantropen versterken de sociale ongelijkheid eerder dan dat ze deze verkleinen.

En daarom is er veel voor te zeggen om het geld dat door filantropen wordt geschonken als belastingen te innen en te besteden volgens de prioriteiten van een democratisch gekozen regering. En dat roept de vraag op of deze belastingvermindering überhaupt een goed idee is.

De argumenten voor belastinghervorming – om deze subsidies volledig af te schaffen of ervoor te zorgen dat de rijken niet meer invloed hebben dan de basisbelastingbetalers – komen zowel van rechts als van links. Belastingvermindering verstoort marktwerking, betoogt een vooraanstaande libertair, Daniel Mitchell, van het Cato Institute, een denktank die wordt gefinancierd door de conservatieve filantroop Charles Koch. Aan de andere kant van het politieke spectrum betoogt Fran Quigley, een mensenrechtenadvocaat aan de Indiana University, dat er een einde moet komen aan de belastingaftrek voor liefdadigheidsinstellingen zodat miljarden dollars kunnen worden vrijgemaakt voor hogere overheidsuitgaven aan ‘voedselbonnen, werkloosheidsuitkeringen en hulp bij huisvesting’. Maar ze moeten ook eindigen omdat ze de moreel twijfelachtige illusie versterken dat liefdadigheid ‘een effectieve en adequate reactie is op honger, dakloosheid en ziekte’.

Donaties aan universiteitsvoetbalteams, operagezelschappen en opvangcentra voor zeldzame vogels komen in aanmerking voor dezelfde belastingaftrek als donaties aan een daklozenopvang

Pogingen van politici om belastingvermindering in te dammen – laat staan ​​af te schaffen – stuitten echter al op publieke weerstand sinds William Gladstones poging in 1863. Hetzelfde gebeurde toen de Britse regering in 2012 het probleem wilde aanpakken: het voorstel van kanselier George Osborne om het bedrag van de belastingvermindering die de rijken op hun giften kunnen claimen te beperken, veroorzaakte massale verontwaardiging van filantropen, media en liefdadigheidsinstellingen. Hetzelfde gold voor hervormingspogingen door president Barack Obama.

Een alternatieve oplossing zou zijn om beperkingen op te leggen aan de soort uitgaven waarvoor vrijstellingen kunnen worden geclaimd. Bij de laatste verkiezingen kwam de Labour-partij onder leiding van Jeremy Corbyn met het idee om de liefdadigheidsstatus van betaalde scholen te schrappen. Anderen gaan verder. ‘Donaties aan universiteitsvoetbalteams, operagezelschappen en opvangcentra voor zeldzame vogels komen in aanmerking voor dezelfde belastingaftrek als donaties aan een daklozenopvang’, snijdt Quigley aan. Een van de meest genuanceerde hedendaagse verdedigers van filantropie, Rob Reich, directeur van het Center on Philanthropy and Civil Society aan de Stanford University, die filantropie beschreef als ‘een vorm van macht die grotendeels onverklaarbaar, ondoorzichtig en donorgericht is, waarbij deze laatste voor altijd beschermd is en rijkelijk fiscaal bevoordeeld’, ziet de oplossing in de beperking van belastingvermindering tot een hiërarchie van goedgekeurde doelen.

Belastingen, belastingen, belastingen

Maar wie bepaalt die hiërarchie? Hoe kan het schenken aan goede doelen systematisch beter worden afgestemd op aanvaarde opvattingen over het algemeen welzijn? Het kan natuurlijk aan de staat worden overgelaten. Maar zoals Rowan Williams, voormalig aartsbisschop van Canterbury, me zei: ‘Dat geeft de staat een gevaarlijk grote mate van beschikking. De rol voor de staat als controleur van de moraal vind ik zeer zorgwekkend (…) en de gebeurtenissen van de afgelopen eeuw maken duidelijk dat een hyperactivistische staat met veel morele overtuigingen voor niemand goed is.’

Anderen zien de oplossing in simpelweg het verhogen van de belastingen voor de megarijken. Toen historicus Rutger Bregman in 2019 in Davos werd gevraagd hoe de wereld kan voorkomen dat er een sociale terugslag ontstaat door de toenemende ongelijkheid, antwoordde hij: ‘Het antwoord is heel simpel. Stop gewoon met praten over filantropie. En begin over belastingen te praten (…) Belastingen, belastingen, belastingen. De rest is naar mijn mening onzin.’

Het idee van hogere belastingen voor de rijken wint overal ter wereld aan aanhang. Tijdens de presidentsverkiezingen van de Democratische Partij hebben verschillende kandidaten voorstellen gedaan om belastingen te heffen op de activa of het inkomen van de superrijken. Het groeiende economische populisme in Europa en in de VS zal die druk nog eens vergroten, en dat geldt eveneens voor de noodzaak om de overheidsinkomsten te verhogen zodat de kosten van de coronacrisis kunnen worden gedekt.

De groei van de filantropie de afgelopen decennia heeft de groei van de sociale en economische ongelijkheid niet kunnen beteugelen

Een aantal prominente filantropen, waaronder Warren Buffett en Bill Gates, hebben zich publiekelijk achter het idee geschaard. ‘Ik heb meer belasting betaald dan wie dan ook ooit, en met plezier. Ik zou meer moeten betalen,’ zei Gates. Volgens Buffett is ‘de samenleving verantwoordelijk voor een zeer aanzienlijk percentage van wat ik heb verdiend’, zodat hij de plicht heeft die samenleving iets terug te geven. Een andere rijke ondernemer, Martin Rothenberg, oprichter van Syracuse Language Systems, legt uit hoe publieke investeringen leiden tot private fortuinen. ‘Mijn rijkdom is niet alleen een product van mijn eigen harde werk. Het was ook het resultaat van een sterke economie en veel overheidsinvesteringen, zowel in anderen als in mij,’ zei hij. De staat had hem een ​​goede opleiding geschonken. Er stonden gratis bibliotheken en musea tot zijn beschikking. De regering had hem een beurs voor afgestudeerden verstrekt. En tijdens het lesgeven aan de universiteit, werd hij ondersteund door tal van onderzoeksbeurzen. Dit alles vormde de basis waarop hij het bedrijf bouwde dat hem rijk maakte.

Dit alles ondermijnt het argument dat de rijken het recht hebben hun rijkdom te behouden omdat het allemaal het resultaat is van hun eigen harde werk. Sommigen erkennen inderdaad openlijk het bestaan ​​van dit sociale contract. In 2019 droeg Julian Richer, oprichter van de hifi-keten Richer Sounds, in een partnerschapstrust 60 procent van het eigendom van zijn bedrijf van 9 miljoen pond over aan zijn werknemers. Op de vraag waarom hij deze beslissing nam, antwoordde hij dat het personeel gedurende vier decennia blijk had gegeven van loyaliteit. Hij deed nu ‘het goede’ omdat ‘ik er ’s nachts beter door slaap’.

Monopolies

De groei van de filantropie de afgelopen decennia heeft de groei van de sociale en economische ongelijkheid niet kunnen beteugelen. ‘We mogen verwachten dat de ongelijkheid enigszins zal afnemen naarmate de filantropie toeneemt (…) Dat is niet het geval’, schrijft Kevin Laskowski, een medewerker van het National Committee for Responsive Philanthropy. Inderdaad, zoals Albert Ruesga, president en CEO van de Greater New Orleans Foundation, opmerkte, ‘hebben de collectieve acties van meer dan 90.000 stichtingen (…) na decennia van werk (…) de meest elementaire omstandigheden van de armen in de VS niet veranderd.’

Hoe komt dat? Het antwoord ligt in de zienswijze van de mannen die de moderne filantropie door de enorme schaal van hun giften aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw veranderden. Ondanks al hun vrijgevigheid was het opmerkelijk – zelfs in hun eigen tijd – dat staalmagnaat Andrew Carnegie en de grote industriële filantropen van die tijd de hele kwestie van economische rechtvaardigheid vermeden. Net als nu was een enorm percentage van de rijkdom destijds in handen van een klein aantal mensen dat vrijwel volledig gevrijwaard was van belastingen en andere reguleringen. Carnegie en zijn collega’s, zeggen hun critici, negeerden de grote ethische vraag, die ging om ‘de verdeling in plaats van de herverdeling van rijkdom’. Carnegie, destijds de rijkste man ter wereld, kreeg in zijn tijd kritiek op zijn ongekende vrijgevigheid omdat zijn fortuin was gebouwd op tactieken als het laaghouden van de lonen van zijn staalarbeiders. Carnegies grootste hedendaagse criticus, William Jewett Tucker, concludeerde dat er ‘geen grotere vergissing bestaat (…) dan te proberen gerechtigheid te vervangen door liefdadigheid’.

Carnegie bouwde een netwerk van bijna drieduizend bibliotheken en andere instellingen om de armen te helpen hun ambities te verheffen, maar sociale rechtvaardigheid ontbrak volledig op zijn agenda. Hij en zijn mede-‘roofbaronfilantropen’ werden geconfronteerd met vragen over de herkomst van het geld dat ze zo royaal uitdeelden, dat namelijk was vergaard door middel van meedogenloze nieuwe manieren van zaken doen. Net als veel van de huidige tech-titanen werden ze rijk dankzij de jacht op monopolies. Het oordeel van Teddy Roosevelt over John D. Rockefeller was dat ‘geen enkele liefdadigheid, hoe groot het bedrag ook is, op enigerlei wijze het wangedrag tijdens het verwerven ervan kan compenseren’.

Het witwassen van reputaties

Dit is een inzicht dat in onze tijd opnieuw aan kracht heeft gewonnen – zoals werd aangetoond door de uitsluiting van de familie Sackler als vooraanstaande internationale kunstfilantropen in 2019 en de boycot van BP’s sponsoring door culturele leiders, waaronder de Royal Shakespeare Company. Roosevelts oordeel over het witwassen van reputatie door middel van filantropie vindt steeds meer weerklank.

Filantropie kan ook op rechtmatige wijze geschieden. Maar alleen als filantropen zich daar bewust voor inspannen. En tot op vandaag helt de gangbare houding de andere kant op. Reinhold Niebuhr betoogt in zijn boek Moral Man and Immoral Society uit 1932 al hoe dit komt: ‘Filantropie combineert oprecht medelijden met het vertoon van macht [wat] verklaart dat de machtigen eerder geneigd zijn genereus te zijn dan om voor sociale gelijkheid te zorgen.’

Hoe kunnen filantropen deze houding doorbreken? Door te luisteren naar de veelheid van stemmen die onderdeel zijn van de overheid en de vrije markt. Filantropie kan zelfs als een een voorbeeld fungeren, suggereerde de Amerikaanse filantropiehistoricus Benjamin Soskis onmiddellijk na de verkiezing van Donald Trump. ‘De fundamentele liberale waarden, tolerantie en respect voor anderen, fatsoen, naastenliefde en gematigdheid, zijn in ons openbare leven afgezwakt’, aldus Soskis. ‘Binnen de filantropie moeten die waarden worden bewaard, verdedigd en gekoesterd.’

Een waar gevoel van altruïsme

Filantropie kan alleen een waar gevoel van altruïsme teweegbrengen als onder ogen wordt gezien dat het de taken van overheid of het bedrijfsleven niet kan overnemen. Het verschijnsel behoort immers niet tot het politieke of commerciële domein, maar tot de burgermaatschappij en de wereld van sociale instellingen die bemiddelen tussen individuen, de markt en de staat. Ja, filantropie kan gekozen regeringen verzwakken, vooral in de derde wereld, door nationale systemen te omzeilen of te ondermijnen. En het kan doelen begunstigen die alleen de belangen van de rijken behartigen. Maar wanneer filantropen gemeenschapsorganisaties, ouder-lerarenverenigingen, coöperaties, geloofsgroepen, milieuactivisten of mensenrechtenactivisten steunen – of rechtstreeks schenken aan liefdadigheidsinstellingen die ongelijkheid aanpakken en zich inzetten voor achtergestelde groepen – kunnen ze de burgers helpen zich te weren tegen al te autoritaire regeringen. Onder die omstandigheden kan filantropie de democratie versterken in plaats van verzwakken.

Om dit te doen, moeten filantropen scherper zijn in hun analyses en tactieken. Op dit moment richten de meeste filantropen, als ze zich al zorgen maken over achterstand, zich eerder op het verlichten van de symptomen dan op het aanpakken van de oorzaken. Ze financieren projecten om honger tegen te gaan, banen te creëren, huizen te bouwen en diensten te verbeteren. Maar al dat goede werk kan weer worden weggevaagd door bezuinigingen op overheidsuitgaven, roofkredieten en de uitbuiting van arbeidskrachten.

Maar heel weinig bezorgde filantropen komen op het idee om onderzoek of belangenbehartiging te financieren waarbij het gaat om de oorzaak dat veel scholen arm zijn en veel banen zo slecht betaald

En er is een dieper probleem. Als het gaat om het aanpakken van ongelijkheid, kan een goedbedoelende filantroop onderwijsbeurzen financieren voor kinderen uit kansarme milieus, of opleidingsprogramma’s om laagbetaalde werknemers klaar te stomen voor betere banen. Dat stelt een paar mensen in staat om uit hun slechte omstandigheden te komen, terwijl talloze anderen aangewezen blijven op onderpresterende scholen en laagbetaald onzeker werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar heel weinig bezorgde filantropen komen op het idee om onderzoek of belangenbehartiging te financieren waarbij het gaat om de oorzaak dat veel scholen arm zijn, en veel banen zo slecht betaald. Zo’n benadering, zegt David Callahan van Inside Philanthropy, is als ‘jonge boompjes verzorgen terwijl het bos wordt gekapt’.

Conservatieve filantropen hebben de afgelopen twee decennia op een heel ander niveau geopereerd. Hun agenda was om het publieke debat te veranderen zodat het meer aansloot bij hun neoliberale wereldbeeld, dat zich verzet tegen de regulering van de financiën, verbeteringen van het minimumloon, controles op vervuilende industrieën en de totstandbrenging van universele gezondheidszorg. Ze financieren academici die klimaatverandering ontkennen, steunen denktanks voor de vrije markt, sluiten allianties met conservatieve religieuze groeperingen, creëren populistische tv- en radiostations en zetten ‘bedrijfsinstituten’ op binnen universiteiten, waardoor zij, en niet de universiteiten, de academici kunnen selecteren.

Onderzoek door Callahan laat zien dat progressief ingestelde filantropen zich veel minder dan hun conservatieve tegenhangers hebben ingezet om ideeën te cultiveren en belangrijke openbare beleidsdebatten te beïnvloeden.

Slechts een paar vooraanstaande filantropische stichtingen – zoals Ford, Kellogg en George Soros’ Open Society Foundations – geven subsidies aan groepen die armen en kansarmen mondiger maken. De meeste filantropen vinden deze bewegingen te politiek. De nieuwe generatie grote gevers komt overwegend uit de ondernemerswereld en is niet geneigd om groepen te steunen die zich verzetten tegen de werking van het kapitalisme. Ze zijn terughoudend in het steunen van initiatieven die meer macht willen geven aan de achtergestelde groepen die ze beweren zo graag te willen helpen. Ze hebben niet de neiging om initiatieven te financieren die het belasting- en fiscaal beleid, dat ten gunste van de rijken is, willen aanpakken of het regelgevend toezicht op de financiële sector versterken, dan wel de bedrijfscultuur veranderen om het delen van de opbrengst te bevorderen. Ze denken zelden aan investeringen in de media of in juridische en academische netwerken van belangrijke opinievormers, die onder andere de invloed van conservatieve filantropie willen herzien.

Inspanning

Rechtse filantropen zien al meer dan twintig jaar de noodzaak om zich te mengen in maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Het wordt tijd dat mainstream filantropen zich bewust worden van deze realiteit. Filantropie is niet per definitie in botsing met democratie, maar het kost de nodige inspanning om ze met elkaar te verenigen.

Dit is een bewerkt fragment uit Filantropie – van Aristoteles tot Zuckerberg door Paul Vallely, gepubliceerd door Bloomsbury op 17 september en beschikbaar op guardianbookshop.com

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.