• The Atlantic
  • gender
  • ‘Meer vrouwen aan de top begint bij meer zelfvertrouwen’

‘Meer vrouwen aan de top begint bij meer zelfvertrouwen’

© Pixy
The Atlantic | Boston | Claire Shipman, Katty Kay | 13 maart 2021

Gebrek aan zelfvertrouwen belemmert vrouwen in hun carrière, zeggen Katty Kay en Claire Shipman, auteurs van The Confidence Code. Het goede nieuws: er is maar een klein zetje nodig.

Keuze uit ons archief

In 2014 schreven Katty Kay en Claire Shipman dit nog altijd relevante betoog voor meer vrouwelijk zelfvertrouwen op de werkvloer. Zeven jaar later worden vrouwen die zich wél zelfverzekerd opstellen nog altijd als ‘bitch’ weggezet, zoals maar weer blijkt uit de vele haatberichten die vrouwelijke politici volgens onderzoek van onder andere De Groene Amsterdammer dagelijks op sociale media over zich heen krijgen, en minder serieus genomen, zoals blijkt uit de manier waarop onze premier met zijn vrouwelijke collega’s omgaat.

Dit artikel verscheen eerder op 3 juli 2014 in nummer 60 van 360 Magazine.

Jarenlang hebben wij vrouwen ons op de achtergrond gehouden en alles netjes volgens de regels gedaan. Als we maar hard genoeg werkten, zouden onze talenten wel gezien en beloond worden, dachten we.

En we hebben vooruitgang geboekt. Aan de universiteiten in de VS studeren nu meer vrouwen af dan mannen. Vrouwen vormen nu de helft van de werkende bevolking en zijn steeds beter vertegenwoordigd in het middelmanagement. Zeker vijf wereldomspannende onderzoeken wijzen uit dat bedrijven die veel vrouwen in dienst hebben in alle opzichten beter presteren dan hun concurrenten. Nooit eerder is zo duidelijk geweest hoe goed wij vrouwen zijn. Kijk naar de veranderende waarden in de samenleving en je ziet dat de wereld een vrouwelijker koers vaart.

En toch, terwijl wij ijverig doorwerkten, bleven de mannen om ons heen sneller promotie maken en meer verdienen. De cijfers zijn bekend: vooral aan de top ontbreken vrouwen vrijwel geheel en daar zit nauwelijks verbetering in. Een halve eeuw nadat de eerste vrouwen de bestuurskamers binnendrongen, ziet ons carrièrepad er nog steeds heel anders uit dan dat van mannen.

Moederinsticht

Sommigen zeggen dat het krijgen van kinderen onze prioriteiten verandert. Daar zit wel iets in. Moederinstinct speelt inderdaad een rol in de emotionele spagaat tussen thuis en werk, een spagaat die mannen minder sterk ervaren. Anderen wijzen naar culturele en institutionele belemmeringen voor het succes van vrouwen. Ook daar zit iets in. Maar er is nog iets veel wezenlijkers dat verklaart waarom vrouwen nog steeds niet door het glazen plafond heen hebben weten te breken: hun grote gebrek aan zelfvertrouwen.

Al tijdens de research voor ons boek Womanomics (2009) stuitten we in onze gesprekken met tientallen hooggeplaatste, succesvolle vrouwen telkens weer op een zwarte vlek, een kracht die voor hen duidelijk een belemmering vormde. Waarom zei die succesvolle bankier tegen ons dat ze de belangrijke promotie die ze net had gekregen, eigenlijk niet verdiende? Waarom liet de productontwikkelaar die al tientallen jaren vooropliep op haar vakgebied, zich tegen ons ontvallen dat ze er niet zo zeker van was dat zij de juiste persoon was om dat grote nieuwe project van haar bedrijf te leiden? In de twintig jaar dat wij over de Amerikaanse politiek hebben geschreven, hebben we de meest invloedrijke vrouwen van het land geïnterviewd. We ontmoeten geregeld mensen van wie je zou verwachten dat ze één en al zelfvertrouwen zijn. En toch lijkt het erop dat de vrouwen die zich in de machtscentra van dit land bevinden – voor zover daar vrouwen aanwezig zijn – aan zichzelf twijfelen.

Zelf kunnen we erover meepraten. Vorig jaar kwam tijdens een etentje ons eigen zelfvertrouwen ter sprake. Hoe goed we elkaar ook dachten te kennen, het was een onthullend gesprek. Katty is afgestudeerd aan een prestigieuze universiteit, spreekt verscheidene talen en heeft toch haar hele leven gedacht dat ze niet intelligent genoeg was te streven naar een topbaan in de journalistiek. Ze was ervan overtuigd dat ze haar reputatie in Amerika alleen te danken had aan haar Engelse accent, dat haar, zo dacht ze, elke keer dat ze haar mond opendeed een paar extra IQ-punten opleverde. 

Die alfamannetjes maakten zo veel lawaai, dan zouden ze wel meer weten dan zij

Claire vond dat ongelooflijk, belachelijk zelfs. Toch zei zij altijd dat ze ‘gewoon geboft had – op het juiste moment op de juiste plek was’ als mensen haar vroegen hoe ze nog vóór haar dertigste een baan bij CNN in Moskou had weten te bemachtigen. En ook zij had het jarenlang heel gewoon gevonden dat ze moest wijken voor de alfamannetjes om haar heen, want die maakten zo veel meer lawaai, waren zo veel zekerder van zichzelf, dan zouden ze ook wel meer weten dan zij. Onbewust geloofde ze dat die mannen meer recht hadden om op tv aan het woord te komen. Maar waren ze echt beter? Of alleen maar zelfverzekerder?

We gingen met andere succesvolle vrouwen praten, in de hoop leerzame voorbeelden te vinden van echt, bloeiend vrouwelijk zelfvertrouwen. Maar hoe harder we zochten, hoe meer we juist bewijzen vonden van het gebrek daaraan.

Facebook-COO Sheryl Sandberg: ‘Nog steeds word ik op sommige dagen wakker met het idee dat ik een bedrieger ben en niet op de juiste plek zit’ 

Techondernemer Clara Shih, die in 2010 het succesvolle socialmediabedrijf Hearsay Social oprichtte en op haar negenentwintigste al toetrad tot de directie van Starbucks, is een van de weinige vrouwelijke CEO’s in de machowereld van Silicon Valley. Zij vertelde hoe ze als eerstejaars studente computerwetenschappen altijd dacht dat vakken die zij moeilijk vond, voor anderen makkelijk waren. En al studeerde Shih uiteindelijk af als beste van haar jaar, toch zei ze tegen ons dat ze zich soms een ‘bedrieger’ voelt. En dat is precies wat ook Facebook-COO Sheryl Sandberg tegen ons zei, een jaar voordat haar boek Lean in verscheen: ‘Nog steeds word ik op sommige dagen wakker met het idee dat ik een bedrieger ben en niet op de juiste plek zit.’ 

Deze en nog veel andere gesprekken inspireerden ons om een boek te schrijven over de vraag of gebrek aan zelfvertrouwen vrouwen afhoudt van succes. We ontdekten dat ons aanvankelijke vermoeden klopte: inderdaad hebben vrouwen er problemen mee – er bestaat een enorm verschil in zelfvertrouwen tussen de seksen. Vergeleken met mannen vinden vrouwen minder vaak dat ze toe zijn aan een promotie, schatten ze hun eigen prestaties bij examens lager in en onderschatten ze in het algemeen hun eigen kunnen. En het wordt steeds duidelijker hoe schadelijk dit gebrek aan zelfvertrouwen kan zijn. Succes blijkt even nauw samen te hangen met zelfvertrouwen als met competentie. Geen wonder dat vrouwen op de hoogste niveaus nog steeds pijnlijk ondervertegenwoordigd zijn. Dat alles is het slechte nieuws. 

Maar er is ook goed nieuws: zelfvertrouwen kun je verwerven, als je er je best voor doet. Het verschil in ‘zelfvertrouwen’ kan dus afnemen; de kloof kan worden gedicht. 

Onderhandelingen

In 2011 onderzocht het Britse Institute of Leadership and Management hoe zeker Engelse managers zich voelden over hun werk. De helft van de vrouwelijke respondenten meldde twijfel aan zichzelf, hun prestaties en hun carrièrekansen, tegen minder dan een derde van de mannelijke respondenten.

Linda Babcock, hoogleraar economie aan de Carnegie Melton University en auteur van Women don’t ask, ontdekte in onderzoeken onder studenten aan businessschools dat mannen vier keer zo vaak zelf het initiatief nemen tot onderhandelingen over hun salaris dan vrouwen, en dat als vrouwen wél onderhandelen 30 procent minder salaris vragen dan mannen. 

In 2003 deden de Amerikaanse psychologen David Dunning en Joyce Ehrlinger onderzoek naar de relatie tussen zelfvertrouwen en competentie. Daarvoor bekeken ze hoe vrouwen hun eigen competentie inschatten en welke invloed dat eigen oordeel had op hun zelfvertrouwen. Ze lieten mannelijke en vrouwelijke studenten een quiz invullen over wetenschappelijk redeneren. Voor de quiz moesten de studenten hun eigen wetenschappelijke vaardigheden een cijfer geven.

Als ze al onderhandelen, vragen vrouwen 30 procent minder salaris dan mannen

‘We wilden zien of je eigen idee over hoe goed je bent in wetenschap, bepaalt hoe je denkt over iets wat daar los van zou moeten staan, namelijk of je een vraag goed hebt beantwoord,’ vertelde Ehrlinger. De vrouwelijke studenten gaven zichzelf een lager cijfer dan de mannelijke als het ging om wetenschappelijke vaardigheden: op een schaal van 1 tot 10 gaven de vrouwen zichzelf gemiddeld een 6,5, en de mannen gaven zichzelf een 7,6. Toen ze moesten inschatten hoe goed ze de vragen hadden beantwoord, dachten de vrouwen dat ze 5,8 van de 10 vragen goed hadden. De mannen schatten 7.1. En hoe hadden ze het in werkelijkheid gedaan? Hun gemiddelde lag ongeveer gelijk – de vrouwen hadden 7,5 van de 10 goed en de mannen 7,9. 

Om te laten zien hoe groot de invloed van zelfperceptie is in het echte leven, werden de studenten vervolgens uitgenodigd – zonder dat ze wisten hoe ze gepresteerd hadden – om mee te doen aan een wetenschapsquiz waarbij prijzen te winnen waren. Slechts 49 procent van de vrouwen gaf zich op voor de wedstrijd, tegen 71 procent van de mannen. 

Dit deed ons denken aan iets wat Hewlett-Packard een aantal jaar geleden ontdekte, toen het bedrijf erachter wilde komen hoe het meer vrouwen in topfuncties kon krijgen. Bestudering van de personeelsdossiers wees uit dat vrouwen bij HP pas solliciteerden naar een promotie als ze dachten dat ze de kwalificaties in de functieomschrijving voor 100 procent bezaten. Mannen wilden al solliciteren als ze dachten dat ze voor 60 procent aan de eisen voldeden. Vrouwen houden zich op de achtergrond, zelfs al zijn ze overgekwalificeerd en uitstekend voorbereid. Vrouwen voelen zich alleen zeker van hun zaak als ze echt perfect zijn. Of bijna perfect.

Zelfoverschatting

Brenda Major, sociaal psycholoog aan de University of California, is tientallen jaren geleden al begonnen met onderzoek naar het probleem van zelfperceptie. ‘Als jonge hoogleraar,’ vertelde ze ons, ‘stelde ik een test op waarin ik mannen en vrouwen vroeg hoe ze dachten dat ze zouden gaan presteren bij een aantal verschillende taken.’ Ze ontdekte dat de mannen altijd hun vaardigheden en de daaropvolgende prestaties overschatten, en dat de vrouwen die twee elke keer weer onderschatten. De prestaties zelf verschilden niet in kwaliteit. 

Dat is ook de ervaring van Victoria Brescoll, hoogleraar op de Yale School of Management. Juist daar wordt studenten ingeprent dat je in de tegenwoordige zakenwereld zelfvertrouwen nodig hebt. Haar studenten zijn qua intelligentie het neusje van de zalm, maar ze was geschokt toen ze merkte hoe weinig geloof haar vrouwelijke studenten in zichzelf hadden.

‘De vrouwen hebben het idee dat ze toch geen prestigieuze baan zullen krijgen, dus waarom zouden ze al die moeite doen?’ verklaarde ze. ‘Of ze denken dat ze niet voor honderd procent competent zijn op dit specifieke terrein, dus doen ze er niet hun best voor.’ Het gevolg is dat de vrouwelijke studenten vaak ophouden met de studie. ‘Uiteindelijk kiezen ze voor een minder competitief vakgebied, zoals human resources of marketing,’ zei ze. ‘Ze ambiëren geen baan in de financiële wereld of een hoge positie op de universiteit.’

En de mannen?

‘Die gaan gewoon overal op af,’ lachte Brescoll. ‘Zij vinden zichzelf geweldig, ze denken, wie zou mij nou niet willen?’

Twijfelen mannen wel eens aan zichzelf? Natuurlijk. Maar niet zo heftig en zo vaak als vrouwen en ze laten zich minder door hun twijfels tegenhouden. Mannen hebben meer de neiging zichzelf te overschatten. Uit een onderzoek in 2011 aan de Columbia Business School bleek dat mannen hun prestaties bij het maken van een aantal wiskundeopgaven consequent 30 procent hoger inschatten dan ze werkelijk waren. 

Als ze toch geen prestigieuze baan zullen krijgen, waarom zouden ze al die moeite doen?

Het is een feit dat zelfoverschatting je ver kan brengen. Psycholoog Cameron Anderson heeft het onderwerp jarenlang bestudeerd. In 2009 gaf hij een groep van 242 studenten een lijst met historische namen en gebeurtenissen en vroeg ze om aan te kruisen welke ze kenden. Sommige namen klonken realistisch, maar waren verzonnen: zo stond er een Koningin Shaddock op, en een Galileo Lovano, en een gebeurtenis die Murphy’s last ride heette. Het experiment was bedoeld om overmatig zelfvertrouwen te testen. Sommige studenten kruisten de verzonnen namen aan, in plaats van ze gewoon open te laten. Volgens Anderson wees dat erop dat zij dachten meer te weten dan ze eigenlijk wisten. Aan het eind van het semester vroeg Anderson de studenten om elkaar een cijfer te geven in een onderzoek dat bedoeld was om de plaats van elke individuele student binnen de groep te bepalen. De studenten die de meeste verzonnen namen en gebeurtenissen hadden aangekruist, hadden de hoogste status binnen de groep gekregen.

Zelfvertrouwen, aldus Anderson, is even belangrijk als competentie. Wij wilden het eigenlijk niet geloven. Maar in ons hart wisten we dat we dit verschijnsel jarenlang hadden waargenomen. Binnen elke organisatie, of het nu een investeringsbank is of de Dierenbescherming, zijn er mensen die meer bewondering en meer gezag krijgen dan anderen. En dat zijn niet noodzakelijkerwijs degenen die het meest weten of kunnen, maar degenen die het zelfverzekerdst zijn.

Blijkbaar hoeft een gebrek aan competentie geen negatieve gevolgen te hebben, als je je maar zelfverzekerd toont

‘Als mensen zeker zijn van zichzelf, als ze denken dat ze ergens goed in zijn – of dat nou werkelijk zo is of niet – tonen ze zowel verbaal en non-verbaal zelfverzekerd gedrag,’ zegt Anderson. Dat uit zich in brede gebaren, een lagere spreektoon, en de neiging om al vroeg en vaak het woord te nemen, vaak op een rustige, ontspannen manier. ‘Ze doen veel dingen waardoor in de ogen van anderen zelfverzekerd lijken,’ voegde hij eraan toe. ‘Of ze goed zijn of niet, is eigenlijk niet zo belangrijk.’ 

Eigenlijk niet zo belangrijk. Blijkbaar hoeft een gebrek aan competentie geen negatieve gevolgen te hebben. Het is om woedend van te worden.

Maar toen we eenmaal over die woede heen waren, konden we inzien dat er in Andersons werk ook een waardevolle les schuilt: tientallen jaren lang hebben vrouwen een belangrijke wet van de professionele jungle niet begrepen. Het is niet genoeg om in stilte door te ploeteren en keurig aan alle eisen te voldoen. Talent is niet alleen een kwestie van competent zijn; zelfvertrouwen is onderdeel van dat talent. Dat moet je hebben om te kunnen uitblinken.

We gingen ook inzien dat gebrek aan zelfvertrouwen de oorzaak is van verscheidene bekende vrouwelijke gewoonten. Bijvoorbeeld de neiging van vrouwen om de schuld op zich te nemen als iets misloopt en om hun successen toe te schrijven aan de omstandigheden – of aan andere mensen. (Mannen lijken het tegenovergestelde te doen.)

Perfectionisme

Dave Dunning, de psycholoog van Cornell, droeg dit voorbeeld aan: in het masterprogramma van Cornell zit een cursus die op een bepaald moment echt moeilijk wordt. Dunning heeft opgemerkt dat de meeste mannelijke studenten die horde nemen voor wat hij is, en op hun lagere cijfers reageren met ‘Tjonge, dit is een moeilijk vak’. Dat is wat bekendstaat als ‘externe attributie’ en in een situatie als deze is dat vaak een gezond teken van berusting. Vrouwen reageren meestal anders. Als de cursus moeilijk wordt, vertelde Dunning ons, reageren zij eerder met: ‘Zie je wel, ik kan het niet.’ Dat is ‘interne attributie’, en het kan ervoor zorgen dat je slechter gaat presteren.

Ook dodelijk voor het zelfvertrouwen is perfectionisme, iets waar vooral vrouwen last van hebben. Vrouwen beantwoorden vragen niet voor ze zeker zijn van het antwoord, leveren een verslag niet in voor ze het tot in den treure hebben gecorrigeerd, geven zich niet op voor die triatlon als ze niet zeker weten dat ze sneller en fitter zijn dan nodig. Wij vrouwen kijken toe hoe onze mannelijke collega’s risico’s nemen, terwijl we zelf afwachten tot we zeker weten dat we helemaal klaar en in alle opzichten gekwalificeerd zijn. We werpen ons fanatiek op onze prestaties thuis, op school, op het werk, in de yogaklas, zelfs op vakantie. We gunnen onszelf geen rust als moeder, als echtgenote, als zuster, als vriendin, als kokkin, als sportvrouw. De ironie wil dat het streven naar perfectie ons in de weg zit om ook maar ergens iets van terecht te brengen.

Als vrouwen op school competent genoeg zijn en hard genoeg werken om mannen voorbij te streven, waarom is het later dan zo moeilijk om die mannen bij te houden?

Waar ligt de oorzaak? Als vrouwen op school competent genoeg zijn en hard genoeg werken om mannen voorbij te streven, waarom is het later dan zo moeilijk om die mannen bij te houden? Zoals bij zo veel vragen rond het menselijk gedrag gaan draait het in de antwoorden op deze vragen om nature en nurture.

Het idee dat er een verschil zou zijn in de structuur en werking van mannelijke en vrouwelijke hersenen, is onder vrouwen lang taboe geweest. We waren bang dat zo’n verschil tegen ons gebruikt zou worden. Wat tientallen jaren lang – of eigenlijk eeuwenlang – ook gebeurd is. Laten we om te beginnen duidelijk zijn: mannelijke en vrouwelijke hersenen zijn veel meer gelijk dan verschillend. Het is niet mogelijk om van twee willekeurige hersenscans met zekerheid te zeggen welke mannelijk en welke vrouwelijk is. Bovendien wordt de mate van zelfvertrouwen van elk individu beïnvloed door heel veel genetische factoren die niets te maken lijken te hebben met zijn of haar sekse.

Toch vertonen mannelijke en vrouwelijke hersenen verschillen. En het is mogelijk dat die verschillen unieke denk- en gedragspatronen stimuleren en op die manier invloed hebben op zelfvertrouwen. Op dit terrein wordt veel onderzoek gedaan, met vaak tegenstrijdige en controversiële uitkomsten. Sommige onderzoeken werpen de intrigerende mogelijkheid op dat hersenstructuur leidt tot verschillen in de manier waarop mannen en vrouwen reageren op moeilijke of bedreigende situaties.

Vergeleken met mannen blijven vrouwen langer stilstaan bij iets dat in het verleden is misgegaan

Neem bijvoorbeeld de amygdalae, die soms de primitieve angstcentra van de hersens worden genoemd. Zij zijn betrokken bij het opslaan van emotionele herinneringen en het reageren op stressituaties. Uit onderzoeken met behulp van MRI-scans is gebleken dat vrouwen hun amygdalae eerder activeren als reactie op negatieve emotionele prikkels dan mannen – wat erop duidt dat vrouwen meer dan mannen geneigd zijn sterke emotionele herinneringen te vormen na negatieve gebeurtenissen. Dit verschil lijkt een fysiologische basis te verschaffen voor iets wat in gedragsonderzoek is waargenomen: vergeleken met mannen blijven vrouwen langer stilstaan bij iets dat in het verleden is misgegaan. 

Of denk aan de cortex cingularis anterior. Dit kleine deeltje van het brein helpt ons vergissingen te herkennen en keuzemogelijkheden te wegen; sommige mensen noemen het het piekercentrum. En ja: dat is bij vrouwen groter. In evolutionaire termen heeft een dergelijk verschil onmiskenbaar voordelen: vrouwen lijken uitstekend uitgerust om de horizon af te speuren naar gevaren. Het is alleen de vraag of je er in onze tijd blij mee moet zijn.

Hetzelfde zou je kunnen zeggen over de invloed van hormonen op leren en gedrag. We kennen allemaal testosteron en oestrogeen als de veroorzakers van de meest in het oog springende verschillen tussen mannen en vrouwen. Het blijkt dat ze bovendien betrokken zijn bij subtiele persoonlijkheidsdynamiek. Oestrogeen, het vrouwenhormoon, ondersteunt het deel van het brein dat betrokken is bij sociale vaardigheden en waarnemingen. Het lijkt hechting en verbinding te stimuleren en het opzoeken van conflicten en risico’s tegen te gaan – neigingen die in bepaalde omstandigheden zelfvertrouwen in de weg kunnen staan.

Investeringen die beheerd worden door vrouwelijke fondsbeheerders presteren vaak beter dan die met mannelijke beheerders

Bij mannen wordt ongeveer tien keer zo veel testosteron door hun systeem gepompt als bij vrouwen en dat heeft invloed op alles, van snelheid tot kracht tot spieromvang tot competitieve instelling. Testosteron wordt gezien als het hormoon dat de wil om te winnen en de neiging tot machtvertoon stimuleert. Recent onderzoek heeft een verband aangetoond tussen een hoge testosteronspiegel en het opzoeken van risico’s. Onderzoekers van Cambridge volgden een groep mannelijke handelaren van een beleggingsfonds. Aan de hand van speekselmonsters bepaalden de onderzoekers aan het begin en eind van elke dag de testosteronspiegel bij de mannen. Op dagen dat hun testosteronspiegel aan het begin van de dag hoog was, sloten de handelaren riskantere transacties af. Bleken die transacties winstgevend, dan steeg hun testosteronspiegel nog verder. Bij één handelaar was de hoeveelheid testosteron met 74 procent gestegen nadat hij zes dagen achter elkaar succes had geboekt. Dit hormoon lijkt dus inderdaad dat mannelijke zelfvertrouwen in de hand te werken.

Natuurlijk heeft ook testosteron zijn schaduwkanten. Een testosterongedreven beslissing is niet altijd de beste beslissing. Uit verscheidene onderzoeken onder vrouwelijke beheerders van aandelenfondsen blijkt dat meer oog voor de langere termijn en minder transacties meer winst kan opleveren: investeringen die beheerd worden door vrouwelijke fondsbeheerders presteren vaak beter dan die met mannelijke beheerders.

Kip of ei

De wezenlijke kip-of-eivraag die nog steeds beantwoord moet worden, is in hoeverre deze verschillen tussen mannen en vrouwen aangeboren zijn en in hoeverre ze het gevolg zijn van opgedane levenservaringen. Het antwoord is allesbehalve helder, maar nieuw onderzoek naar de plasticiteit van de hersenen levert steeds meer bewijzen op dat onze hersenen wel degelijk veranderen als reactie op onze omgeving. Zelfs hormoonspiegels zouden wel eens minder vast kunnen liggen dan je zou denken: onderzoekers hebben ontdekt dat de testosteronspiegel bij mannen omlaag gaat wanneer ze meer tijd doorbrengen met hun kinderen.

Laten we om meer te weten te komen over de rol die opvoeding speelt bij het verschil in zelfvertrouwen, eens kijken naar een aantal plekken waar kinderen worden gevormd: de school, de speelplaats, en het sportveld. De school is de plek waar veel meisjes vooral beloond worden voor lief zijn, in plaats van energiek, lawaaiig, of zelfs brutaal. ‘Een lief meisje zijn’ mag in het klaslokaal iets opleveren, maar het bereidt ons niet goed voor op het echte leven. Zoals Carol Dweck, hoogleraar psychologie op Stanford en auteur van Mindset: The New Psychology of Success, tegen ons zei: ‘Als het leven één lange lagere school was, waren vrouwen de onbetwiste leiders van de wereld.’ 

Het is voor jonge meisje gemakkelijker om zich goed te gedragen dan voor jonge jongens: we weten dat zij, wanneer ze op school komen, op een aantal belangrijke gebieden een ontwikkelingsvoorsprong hebben. Ze kunnen langer hun aandacht ergens bij houden, hun verbale vaardigheden en fijne motoriek zijn beter ontwikkeld, en ze hebben betere sociale vaardigheden. In het algemeen stormen ze niet als wilde dieren door de gangen en raken ze in het speelkwartier niet in gevechten verzeild. Al snel leren ze dat ze het meest waardevol zijn, en het meest geliefd, als ze de dingen op de juiste manier doen: netjes en rustig. ‘Meisjes lijken makkelijker te socialiseren,’ volgens Dweck. ‘Ze worden vaak geprezen omdat ze alles zo goed doen.’ Zo gaan ze hunkeren naar de goedkeuring die ze krijgen voor braaf gedrag. Natuurlijk bedoelen de overwerkte, overbelaste leerkrachten (of ouders) het niet verkeerd. Wie wil er niet een kind dat hard zijn best doet en geen problemen veroorzaakt?

Risico’s

En toch is het resultaat dat veel meisjes leren om risico’s en fouten te vermijden. En dat is in hun nadeel: veel psychologen geloven tegenwoordig dat risico’s nemen, falen en doorzetten onmisbare ervaringen zijn voor het opbouwen van zelfvertrouwen. Jongens krijgen meer standjes en straf en al doende leren ze om mislukking op de koop toe te nemen. ‘Bij observaties in schoolklassen zagen we dat jongens acht keer zo veel kritiek op hun gedrag kregen als meisjes,’ schrijft Dweck.

Wat het nog ingewikkelder maakt, volgens haar, is dat meisjes en jongens verschillende soorten feedback krijgen. ‘Als jongens iets verkeerd doen, wordt gezegd dat ze niet genoeg hun best doen,’ zegt ze. ‘Terwijl meisjes fouten gaan zien als een weerspiegeling van hun eigen innerlijke kwaliteiten.’ Jongens profiteren van de lessen die ze leren – of, om precies te zijn, de lessen die ze elkaar leren, in de pauze en na schooltijd. Vanaf de kleuterschool stoeien ze, plagen elkaar, wijzen elkaar op elkaars beperkingen en noemen elkaar idioot of sukkel. Gaandeweg, meent Dweck, ‘krijgen zulke oordelen minder gewicht’. Zo maken jongens elkaar veerkrachtiger. Andere psychologen die we spraken, denken dat deze speelplaatsmentaliteit jongens later als ze groot zijn helpt om negatieve opmerkingen van zich af te laten glijden. Op eenzelfde manier leren ze ook op het sportveld om niet alleen blij te zijn met een overwinning, maar ook om een verlies van zich af te schudden.

Te veel meisjes lopen dit soort waardevolle lessen buiten school mis. We weten allemaal dat sport goed is voor kinderen, maar we hadden niet gedacht dat de voordelen ervan zo groot zijn en zo belangrijk voor het zelfvertrouwen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat meisjes die aan teamsport doen, meer kans hebben om de universiteit af te maken, een baan te vinden en te gaan werken in een door mannen beheerst vakgebied. Er is zelfs een direct verband tussen aan sport doen op de middelbare school en een hoger salaris verdienen als volwassene. Leren winnen en verliezen in de sport is blijkbaar een goede training om te kunnen winnen en verliezen op het werk. En toch doen minder meisjes aan sport dan jongens en veel meisjes die het wel doen houden er voortijdig mee op. Meisjes stappen zes keer zo vaak uit een sportteam dan jongens, en de grootste uitval treedt op tijdens de puberteit. Dit komt waarschijnlijk doordat in die periode het gevoel van eigenwaarde van meisje sterker afneemt dan dat van jongens.

Kortom, een vicieuze cirkel: meisje verliezen hun zelfvertrouwen, dus stoppen ze met wedstrijdsport, waardoor ze zichzelf een van de beste manieren om zelfvertrouwen te krijgen ontnemen. Ze komen van school af, vol van interessante historische feiten en elegante Spaanse vervoegingen, trots op hun vermogen om hard te studeren en de beste cijfers te halen, en vastbesloten om aardig gevonden te worden. Maar ergens tussen het klaslokaal en de kantoortuin veranderen de regels, en dat beseffen ze niet. Ze komen terecht in een werkomgeving die ze niet beloont vanwege hun volmaakte beheersing van de spellingsregels en uitstekende manieren. Voor volwassen succes heb je andere dingen nodig en hun zelfvertrouwen krijgt een dreun.

Bitch

Een voorbeeld. Een vriendin van ons in New York had twee onervaren medewerkers, allebei in de twintig, een vrouw (die we Rebecca zullen noemen) en een man (die we Robert noemen). Robert werkte nog maar kort bij het bedrijf, maar nu al kwam hij vaak ongevraagd het kantoor van onze vriendin binnen om snel even een voorstel te doen voor een nieuwe campagne, commentaar te geven op de bedrijfsstrategie of zijn mening te geven over artikelen die hij had gelezen. Onze vriendin keurde zijn ideeën vaak af, corrigeerde zijn misvattingen, gaf hem opdracht om meer research te doen. ‘Geen probleem,’ was zijn houding dan. Soms kwam hij met een tegenargument, andere keren grijnsde hij alleen maar en haalde zijn schouders op, terwijl hij terugging naar zijn eigen bureau. Een paar dagen later kwam hij dan weer langs met een idee of om haar op de hoogte te brengen van zijn vorderingen, ook al had hij niets anders te melden dan ‘Ik ben ermee bezig’. Het viel onze vriendin op hoe makkelijk het was om met Robert om te gaan en hoe groot het verschil was tussen zijn gedrag en dat van Rebecca, met wie ze al een aantal jaar werkte.

Rebecca maakte nog steeds een afspraak als ze haar wilde spreken en stelde dan altijd een lijstje onderwerpen op voor hun gesprek. Ze hield meestal haar mond tijdens besprekingen met cliënten, geconcentreerd als ze was op het zorgvuldig maken van aantekeningen. Ze gooide nooit zomaar een idee eruit; ze schreef het op met een uitgebreide analyse van de voors en tegens. Rebecca was goed voorbereid en werkte hard, maar ook al ergerde onze vriendin zich vaak aan Roberts voortvarendheid, toch was ze van hem meer onder de indruk. Ze had bewondering voor zijn bereidheid om ongelijk te hebben en zijn vermogen om kritiek te aanvaarden zonder zich daardoor te laten ontmoedigen. Rebecca daarentegen kon slecht tegen negatieve feedback, soms barstte ze zelfs in tranen uit en moest dan even terug naar haar eigen kamer om tot zichzelf te komen, voordat ze het gesprek konden voortzetten.

Stel dat Rebecca zich zou gedragen als Robert, wat zou haar baas daar dan van vinden?

Onze vriendin liet veel aan Rebecca over en waardeerde haar, maar ze had zo’n idee dat Robert hogerop zou komen. Het was nog slechts een kwestie van tijd voor een idee van hem wél de spijker op de kop zou, terwijl, zo vreesde onze vriendin, Rebecca zou achterblijven, gerespecteerd door haar collega’s maar niet met een hoger salaris, meer verantwoordelijkheden, of een belangrijkere titel.

Maar… stel dat Rebecca zich zo zou gedragen als Robert, wat zou haar baas daar dan van vinden? Er zijn bewijzen dat het Rebecca dan niet zo goed zou vergaan, of haar baas nu een man of een vrouw was. Ja, vrouwen ondervinden nadelige gevolgen van hun gebrek aan zelfvertrouwen, maar als ze zich wel assertief gedragen, kunnen ze te maken krijgen met allerlei andere nadelige gevolgen, die mannen vaak niet ervaren. De houding tegenover vrouwen verandert weliswaar, maar uit veel onderzoeken blijkt toch dat vrouwen nog steeds een hogere sociale en zelfs professionele tol moeten betalen dan mannen als ze zich gedragen op een manier die als agressief wordt beschouwd.

Een vrouw die zomaar het kantoor van haar baas binnenstapt met ongevraagde meningen, die op vergaderingen als eerste haar mond opendoet of adviezen geeft die niet bij haar functie passen, loopt het risico minder aardig vindt of zelfs – laten we maar eerlijk zijn – een ‘bitch’ te worden gevonden. Hoe meer succes een vrouw heeft, hoe bijtender het zuur lijkt te worden. Niet alleen haar competentie wordt in twijfel getrokken, maar haar hele karakter.

‘Zelfvertrouwen is datgene wat denken omzet in handelen’

Victoria Brescoll van de Yale School of Management vroeg zich af of vrouwen met een hoge functie zich tijdens besprekingen bewust inhouden – het omgekeerde van wat de meeste mannen met macht doen. Ze vroeg 206 deelnemers aan haar onderzoek, zowel mannen als vrouwen, om zich in de beelden dat ze op een vergadering degene met de hoogste functie dan wel degene met de laagste functie waren. Daarna liet ze ze aangeven hoeveel ze aan het woord zouden zijn. De mannen die zich hadden ingebeeld dat ze de hoogste functie hadden, meldden dat ze meer aan het woord zouden zijn; mannen die gekozen hadden voor de laagste positie, zeiden dat zij minder zouden praten. Maar de vrouwen die de hoge functie hadden gekozen zeiden dat ze evenveel aan het woord zouden zijn als de vrouwen die zich hadden ingebeeld dat ze de laagste functie hadden. Op de vraag waarom, zeiden ze dat ze niet onaardig gevonden wilden worden of uit de toon wilden vallen.

In een volgend experiment liet Brescoll mannen en vrouwen een oordeel geven over een verzonnen vrouwelijke CEO die meer aan het woord was dan andere mensen. Het resultaat: beide seksen vonden deze vrouw veel minder competent en minder geschikt voor het leiderschap dan een mannelijke CEO, die evenveel praatte. Toen over de vrouwelijke CEO werd verteld dat zij minder aan het woord was dan de anderen, ging het oordeel over haar competentie sterk omhoog.

Zelfverzekerde vrouwen kunnen dus klem komen te zitten. Maar vooralsnog lijkt te zelfverzekerd raken voor de meeste vrouwen niet het probleem. 

Opwaartse spiraal

In de twee jaar dat we bezig zijn geweest met het onderwerp zelfvertrouwen, werden we wel eens moedeloos: biologie, opvoeding, de maatschappij: alles leek het zelfvertrouwen van vrouwen te dwarsbomen. Maar ondertussen zagen we ook hoe zich een mogelijke oplossing begon af te tekenen. Zelfvertrouwen is meer dan alleen een goed gevoel over jezelf. Als vrouwen alleen maar een paar geruststellende woorden nodig hadden, dan hadden ze allang dat hoekkantoor veroverd.

Misschien wel de duidelijkste en meest bruikbare definitie van zelfvertrouwen die wij zijn tegengekomen is die van Richard Petty, hoogleraar psychologie op Ohio State University, die zich tientallen jaren met het onderwerp heeft beziggehouden. ‘Zelfvertrouwen,’ zei hij tegen ons, ‘is datgene wat denken omzet in handelen.’ Natuurlijk, er zijn meer factoren die bijdragen aan handelen. ‘Als er bij het handelen iets engs komt kijken, heb je misschien ook iets nodig wat we moed noemen,’ verklaarde Petty. ‘Of als het moeilijk is, kan ook een sterke wil om vol te houden nodig zijn. Ook boosheid, intelligentie, creativiteit kunnen een rol spelen.’ Maar zelfvertrouwen, zei hij, is onontbeerlijk, omdat dat in meer situaties van toepassing is dan die andere eigenschappen. Zelfvertrouwen is de factor die denken omzet in het beoordelen van wat we kunnen en dat oordeel dan omzet in actie.

Dit is van een aangename eenvoud. En het idee dat zelfvertrouwen en handelen verband met elkaar houden, houdt in dat een opwaartse spiraal mogelijk is. Zelfvertrouwen is het geloof in het eigen vermogen om te slagen, een geloof dat handelen stimuleert. Tot handelen overgaan, op zijn beurt, vergroot het geloof in het eigen vermogen om te slagen. Dus zelfvertrouwen neemt toe – door hard te werken, door succes en zelfs door mislukking. 

Als vrouwen niet tot handelen overgaan, als we aarzelen omdat we niet zeker zijn van onszelf, belemmeren we onszelf

De treffendste illustratie van de manier waarop het verband tussen handelen en zelfvertrouwen in het voordeel van vrouwen kan werken, vonden we in Milaan. Daar ontmoetten we onderzoekspsycholoog Zachary Estes, die zich al lange tijd verdiept in het grote verschil in zelfvertrouwen tussen mannen en vrouwen. Een paar jaar geleden liet hij 500 studenten een serie testen doen waarbij ze 3D-beelden op een computerscherm moesten ordenen. Bij het oplossen van deze ruimtepuzzels scoorden de vrouwen aantoonbaar slechter dan de mannen. Maar toen hij de resultaten nauwkeuriger bekeek, ontdekte Estes dat de vrouwen laag hadden gescoord omdat ze veel vragen niet eens geprobeerd hadden te beantwoorden. Dus deed hij het experiment nog een keer, maar nu zei hij tegen de studenten dat ze in ieder geval moesten proberen alle puzzels op te lossen. En ja hoor: de vrouwen scoorden veel beter, even goed als de mannen.

Om gek van te worden. Maar ook hoopgevend. Het toont iets essentieels aan: het natuurlijke gevolg van weinig zelfvertrouwen is inactiviteit. Als vrouwen niet tot handelen overgaan, als we aarzelen omdat we niet zeker zijn van onszelf, belemmeren we onszelf. Maar komen we wel in actie, ook al is dat omdat we daartoe gedwongen worden, dan presteren we even goed als mannen. 

Bij een andere test vroeg Estes iedereen om elke vraag te beantwoorden. Zowel de mannen als de vrouwen hadden 80 procent goed, wat erop duidde dat ze even goed waren. Daarna testte hij de studenten nog een keer en vroeg ze na elke vraag om aan te geven hoeveel vertrouwen ze hadden in hun antwoord. Als ze moesten nadenken of ze wel zeker waren van hun antwoorden, veranderden de prestaties van de vrouwen. De scores van de vrouwen zakten naar 75 procent, die van de mannen stegen naar 93 procent. Dat ene zetje, de vraag hoe zeker ze ergens van zijn, brengt vrouwen aan het wankelen, terwijl hetzelfde duwtje mannen eraan herinnert dat ze geweldig zijn.

Om meer zelfvertrouwen te krijgen moeten vrouwen ophouden met al dat nadenken en gewoon handelen

Ten slotte besloot Estes om een directe oppepper voor het zelfvertrouwen te proberen. Hij zei tegen een aantal willekeurig gekozen leden van de groep dat zij bij de vorige test uitzonderlijk goed hadden gepresteerd. Bij de test die ze daarna aflegden verbeterde de score van deze mannen en vrouwen enorm. Een duidelijk bewijs dat zelfvertrouwen zichzelf kan versterken.

Deze resultaten zijn uiterst relevant om de kloof te begrijpen en om te bedenken hoe die gedicht kan worden. Het probleem van de vrouwen in Estes’ onderzoek was niet hun vermogen om hoge scores te halen bij de testen. Daar waren ze even goed in als de mannen. Wat ze belemmerde was de beslissing die ze maakten om het niet te proberen.

Het advies dat uit dit soort ontdekkingen voortkomt, is maar al te bekend: om meer zelfvertrouwen te krijgen moeten vrouwen ophouden met al dat nadenken en gewoon handelen. En toch schuilt er in dat advies iets heel krachtigs, omdat het wordt gesteund door alle wetenschappelijke bevindingen en ons iets leert over de oorzaken van de vrouwelijke terughoudendheid.

Uit onderzoeken wordt steeds duidelijker hoe sterk onze hersenen in de loop van ons leven kunnen veranderen, als reactie op verschuivende denkpatronen en gedrag. Als we ons best blijven doen, als we ons talent om hard te werken ervoor inzetten, kunnen we onze hersens meer richting zelfvertrouwen sturen. Neurowetenschappers noemen dat plasticiteit. Wij noemen het hoop.

Katty Kay en Claire Shipman zijn de auteurs van The Confidence Code: The Science and Art of Self-Assurance – What Women Should Know.

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.