• The Atlantic
  • Longreads
  • ‘Mijn vader is meer dan zijn winkel.’ Het lot van de kleine winkelier

‘Mijn vader is meer dan zijn winkel.’ Het lot van de kleine winkelier

The Atlantic | Boston | Francesca Mari | 06 maart 2021

Meer dan vierhonderdduizend kleine bedrijven in de VS moesten dit jaar sluiten vanwege de pandemie. Ook winkelier Frank Mari wilde het licht al uitdoen en vroeg bijstand aan. Maar hij kwam terug op zijn besluit toen zijn voorraad draadloze speakers de deur uitvloog.

De eerste keer dat ik mijn vaders Yelp-recensies las, schrok ik. Ze waren niet allemaal positief en natuurlijk las ik de slechtste beoordelingen het eerst. Mijn vader Frank runt een winkel in hifi-apparatuur in San Francisco en repareert zelf de merken die hij verkoopt. Een van de recensenten gaf hem één ster en merkte op dat zijn draaitafels vijf weken onaangeraakt in de winkel hadden gestaan. Het herinnerde me aan alle doordeweekse avonden waarop we tot negen uur in de winkel bleven, zodat hij achterstallige klussen kon afmaken.

Iemand anders klaagde dat mijn vader de telefoon had opgenomen met de woorden: ‘Wat wil je? Ik heb het heeeeel druk.’ Ik herinner me dat hij dat ooit had geroepen toen ik nog klein was. Hij was in de wacht gezet door de bank of een leverancier, en de tweede lijn bleef maar overgaan. Ik was verbijsterd. ‘Nou, ik hoop dat je het zoooooo druk hebt dat mensen NOOIT meer naar je winkel gaan’, schreef die recensent.

Maar de haters waren in de minderheid. Onder zijn klanten telde hij [burgemeester] George Moscone (‘heel gewoon’, zei mijn vader) en de dochter van Walt, Diana Disney Miller (‘zo klein als Minnie Mouse en vriendelijk tegen iedereen’). ‘Hij leek mij de enige die ik een lastige en dure klus kon toevertrouwen – en ik had absoluut gelijk’, schreef iemand. ‘Hier krijg je waar voor je geld, al ben je geen audiokenner’, schreef een ander. ‘Ik koop al dertig jaar bij hem. Zou nooit ergens anders naartoe gaan.’ Een ‘juweeltje in de buurt’.

De lockdown heeft veel kleine bedrijven in financiële problemen gebracht. Ook in Londen moesten winkelcentra dicht en konden detailhandelaars alleen nog bestellingen online verwerken. – © Dominika Zarzycka / NurPhoto / Getty

En er was ook een recensie van iemand die niets van mijn vader had gekocht. Hij had zichzelf buitengesloten uit zijn auto en schreef om mijn vader te bedanken voor het gebruik van de telefoon in de winkel. Zou een werknemer van Walmart dat doen? Mochten ze dat? Grote winkels zijn zo ontworpen dat het personeel zelden naar buiten kan kijken. Ze maken geen deel uit van ‘het ballet op het stadstrottoir’, waar Jane Jacobs over schreef in The Death and Life of Great American Cities. In het Greenwich Village van rond 1950 dat zij vereeuwigde, ontfermden kruideniers zich over sleutels en pakjes voor de buren, en personeel in snoepwinkels hield een oogje op de kinderen. Zelfs de drinkebroers die zich verzamelden onder de smerige, oranje buitenlampen van de White Horse Tavern zorgden voor een veilige straat door die bezet te houden. Toen ik het boek vijftien jaar geleden voor het eerst las, zei ik tegen mijn vader dat hij ook een exemplaar moest kopen bij de boekwinkel verderop in de straat, wat hij ook meteen deed. Het was het eerste boek dat hij las sinds hij de winkel in 1975 had geopend.

Eind jaren zestig omringde mijn vader zich met zijn middelbareschoolvrienden in zijn slaapkamer in San Francisco en klooiden ze wat met verschillende draaitafels. Als ze waren vertrokken, veegde hij met glasreiniger hun vingerafdrukken van de kastjes en de ramen, een gewoonte die zijn moeder trots aan haar vriendinnen vertelde. In zijn vrije tijd haalde hij dingen uit elkaar om ze daarna weer in elkaar te zetten klokken, radio’s, versterkers – en om zijn studie te betalen nam hij een baantje als reparateur bij een audio-videowinkel. Hij wilde radio-dj worden en presenteerde wekelijks een programma voor de publiekeradiopartner van het College of San Mateo. Maar als ik hem vraag wat hij draaide, kan hij het zich niet meer herinneren. Hij mocht alleen middle-of-the-roadmuziek draaien van het station. En voor hem was de kwaliteit van het geluid net zo belangrijk als de artiesten.

Hij verhuisde van het reparatiehok van de audio-videowinkel naar de verkoopafdeling – een enigszins pompeuze beschrijving van een ruimte van zo’n vier bij zeven meter met zeeschuimkleurig tapijt en geluiddichte, glazen schuifdeuren. Op een dag liep er een verpleegkundige binnen aan wie hij een videorecorder verkocht. Hij belde haar een paar keer om te vragen of die goed werkte en vroeg haar uiteindelijk mee uit, naar de Dickens Fair (waar alles – en iedereen – uit een roman van Charles Dickens komt). Zijn zus werkte er en had kaartjes voor hem geregeld. Zeven jaar later zette die verpleegkundige, die zeven jaar ouder was dan hij, mij op de wereld. Eind jaren tachtig werd Frank mede-eigenaar van de winkel en in de jaren negentig kocht hij de oprichter uit.

Harmony Audio Video

Die winkel, Harmony Audio Video, is 45 jaar lang mijn vaders leven geweest: de reden dat hij elke dag vroeg het huis verliet, de reden dat hij steevast te laat was als hij me van school ophaalde, de reden dat hij 25 jaar lang nooit op vakantie ging. Toen ik opgroeide, werd de winkel ook mijn leven: vanaf de tijd dat de borstkanker van mijn moeder aan het uitzaaien was en ik in de tweede klas zat (ze stierf toen ik tien was), hing ik tot zeven, acht uur achter in de winkel rond voor we aan de rit van veertig minuten langs de kust over Highway 1 begonnen naar het iets betaalbaarder El Granada.

Het luxe onderwijs dat mijn moeder koos, en dat mijn vader met trots betaalde, leverde een onuitstaanbare twaalfjarige op

Dat hij me bij zich hield op het werk betekende dat hij niet voor kinderopvang hoefde te betalen. In ruil daarvoor stond hij de tweede telefoon in de winkel aan mij af om met klasgenoten en vrienden te kunnen praten. Als hij met een klant bezig was en ik had een vraag, dan moest ik die opschrijven op een van de honderden blanco briefjes waarop hij maandelijkse aanbiedingen noteerde.

Knooppunt

Dankzij de winkel kon ik naar een privéschool in San Francisco (met nog wat extra financiële hulp). En hij bezorgde me een zomerbaantje toen ik op de middelbare school zat: chemicaliën in reageerbuisjes druppelen met een pipet (een van zijn klanten was onderzoeker in een bloedlaboratorium). Ik zal niet zeggen dat de winkel een hoeksteen van de gemeenschap was – niemand heeft goede speakers of een kristalheldere flatscreen-tv echt nodig – maar hij was een knooppunt waar diverse lagen van de bevolking met elkaar in contact kwamen: artsen, techondernemers, Italianen uit de arbeidersklasse, zoals mijn vader, die dol waren op snelle auto’s en luxe speakers, net als de musici en videojongens die hij in dienst had en voor wie hij winstdelingsplannen opzette.

Dat niemand speakers en tv’s nodig heeft, was iets waar ik een uitgesproken mening over had. De eliteschool die mijn moeder uitkoos, en die mijn vader met trots betaalde, leverde een onuitstaanbare twaalfjarige op. Televisie, zo had ik beslist, was een verspilling, en ik nam elke gelegenheid te baat om tegen mijn vader te zegen dat wat hij deed, nou ja, niet-essentieel was, zoals we nu zouden zeggen. Op een bepaald moment zei mijn vader tegen me dat ik me niet gedwongen moest voelen om ooit in de winkel te komen werken, een ontroerende opmerking omdat het zo overduidelijk was dat ik dat nooit zou doen. Mijn moeder had achteraf altijd iets anders willen doen dan verpleging, en ik wist dat hij wilde dat ik een carrière zou vinden waarin ik me helemaal thuis voelde.

Frank Mari. ‘Ik ben een van de laatste hoogwaardige audiojongens. Waarom zou ik als een idioot met mijn hoofd tegen de muur gaan beuken?

Wat mijn vader ook niet hoefde te zeggen was dat hij van zijn werk hield. Hij vond het heerlijk om een klant te laten plaatsnemen in de namaak-Eames-fauteuil in de audioruimte om harde muziek of een film – Terminator 2Independence DayThe Rock – te laten horen in surroundsound, op dreunende subwoofers. Dat was de soundtrack van mijn jeugd. Hij genoot van apparatuur die nauwgezet de geometrie van geluid overbracht, stekelige geluiden en ronde, scherpe geluiden. Hij las Stereophile en andere vakbladen van begin tot eind, investeerde in nieuwe producten, leerde hoe die werkten. Hij maakte al snel gebruik van technologieën die later gemeengoed zouden worden: cd’s, dvd’s,  Bluetooth, streaming, Sonos. (Niet elke gok leverde iets op. Herinnert u zich de laserdisc? Hij heeft er kasten vol van.) Het voordeel en nadeel van een bedrijf als het zijne is dat de technologie altijd voortschrijdt, waardoor klanten iets kunnen najagen, maar de eigenaar altijd moet rennen om hen in te halen.

Ik vermoed dat de andere reden voor mijn automatische verzet tegen de winkel is dat die me mijn vaders kwetsbaarheid liet zien. Begin 2000, toen ik op de middelbare school zat, streefde hij ernaar dagelijks gemiddeld voor 2000 dollar aan apparatuur te verkopen – en dat lukte. Maar ‘gemiddeld’ betekende goede en slechte dagen. Zo nu en dan kocht een arts een heel thuisbioscoopsysteem, na alles een uur lang bestudeerd te hebben. Andere keren stelde een advocaat tientallen vragen voor hij liet weten dat hij naar Best Buy [een grote Amerikaanse elektronicaketen] zou gaan. Of het kon gebeuren dat Lou Reed binnenwandelde, op de muziek van Tsjaikovski die uit de speakers kwam begon te kankeren, voor 700 dollar aan Grado-koptelefoons kocht voor een opnamesessie op de Skywalker Ranch en ze door een assistent liet terugbrengen als de sessie achter de rug was. Zondagen en maandagen – zijn vrije dagen – waren het minst druk. Maar al te vaak hoorde hij als hij belde dat er nog niets was verkocht.

Zo was het niet altijd gegaan. Mijn vader was in de winkel begonnen in de glorietijd van de hoogwaardige audio. Sommige merken van topkwaliteit werden alleen verkocht via officiële dealers, die door de bedrijven betaald werden om kennis op te doen. Yamaha stuurde mijn vader naar de Bahama’s en B&W stuurde hem naar hun fabriek in Engeland, een reis waar hij nog steeds de mooiste herinneringen aan heeft. Hij nam mijn moeder mee – er was een toeristisch programma voor wederhelften, vrijwel allemaal vrouwen. Vóór internet werkten audio-videobedrijven met talloze onafhankelijke dealers. Sinds de komst van internet, dat de mogelijke toegangspaden tot consumenten verveelvoudigde, nog maar met enkelen.

De laatste conferentie die mijn vader bijwoonde vond midden jaren negentig plaats in Phoenix. Hij kwam terug met een bonsaicactus die nu, twintig jaar later, nog steeds gedijt – in tegenstelling tot al het andere in de bedrijfstak.

Detailhandelaren

Als je naar Amerikaanse politici luistert, zou je denken dat de regering royale steun geeft aan kleine bedrijven. Maar dat is al een hele tijd meer retoriek dan realiteit. De laatste keer dat drastische federale wetgeving onafhankelijke detailhandelaren stimuleerde, was midden jaren dertig (en of het werkelijk een goede maatregel was, is een andere vraag). De Robinson-Patman Act verbood kwekers, fabrikanten en groothandelaren om ketens korting te geven op de aankoop van grote hoeveelheden, zelfs al werden die besparingen vaak doorberekend aan consumenten in de vorm van lagere prijzen.

‘Er zijn veel mensen die menen dat we, als we de democratie in de regering, in Amerika, willen behouden, de democratie in de bedrijfsvoering moeten behouden,’ verklaarde afgevaardigde Wright Patman. Kort daarna nam het Congres een andere wet aan die pro-kleine bedrijven was en waarin werd verboden roofprijzen te hanteren, oftewel goederen met hoge kortingen te verkopen om de concurrentie te vermorzelen.

In San Francisco richtte het coronabeleid ravage aan bij kleine bedrijven die moesten sluiten, heropenen en weer sluiten. – © David Paul Morris / Bloomberg / Getty

Maar die wetgeving op het gebied van prijsbepaling mislukte goeddeels, omdat grote handelaren simpelweg net iets andere producten inkochten. Het leidde ook tot de opkomst van geraffineerde bedrijfslobby’s. In 1938 diende Patman een voorstel in voor een progressieve federale belasting voor detailhandelaren die in meerdere staten opereerden. Als reactie daarop plaatste kruideniersketen A&P – die later beschuldigd werd van het hanteren van roofprijzen – advertenties in 1300 kranten waarin ze de belasting aan de kaak stelde en de nadruk legde op hun lage prijzen. De wet werd niet aangenomen.

In datzelfde jaar organiseerde president Franklin D. Roosevelt een conferentie in Washington D.C. voor duizend eigenaren van kleine bedrijven, in de hoop hun steun te krijgen voor de New Deal. Maar het mooie van de kleine bedrijfsleider – een koppige, soms radicale onafhankelijkheid – was ook een politieke zwakte. Het was onmogelijk om de groep ook maar ergens overeenstemming over te laten bereiken.

In de volgende decennia zou het aantal kleine bedrijven blijven schommelen. Maar sinds de jaren zestig hebben rechters in antitrustzaken zich eerder voorstander betoond van het behoud van lage prijzen voor consumenten dan van de toegang van concurrerende bedrijven tot de markt. Van 1997 tot 2007 nam het omzetaandeel van de vijftig grootste corporaties in driekwart van de bedrijfstakken toe. Lage prijzen mogen goed klinken, maar het resultaat, over een halve eeuw gemeten, is een zo grote ongelijkheid dat veel arbeiders te arm zijn om zelfs die te kunnen betalen.

Aartsvijand

Best Buy was ooit mijn vaders aartsvijand. Elke maandag, de enige dag waarop we na school meteen naar huis reden (omdat het immers de vrije dag van mijn vader was), kwamen we via de Central Freeway langs die reusachtige blauwe doos. Mijn vader maakte bijna altijd een sarcastische opmerking over elektronica die ‘gemaakt was om kapot te gaan’ en opgejaagde werknemers. Niettemin verdiende hij aan het begin van deze eeuw door twaalf uur per dag te werken bijna 100.000 dollar per jaar.

Toen kwamen de iPhone en de alomtegenwoordige onlinewinkels. Internet was niet alleen maar slecht voor mijn vader. Het stelde hem in staat verouderde onderdelen op eBay te kopen en op audiofiele forums te zoeken naar tips voor lastige reparaties. Met een paar klikken kon hij de prijzen zien van de megastores en proberen eronder te duiken. Maar veel klanten stelden zich tevreden met het streamen van muziek op hun laptop, hoe blikkerig het geluid ook was. En over het algemeen begon de bedrijfstak zich meer tegen de kleine bedrijven te keren. Amazon kreeg meer macht en wekte de verwachting van snelle levering en ultralage prijzen, hoewel de koopjes vaak tegenvielen. (‘Ik heb de prijzen opgezocht om te kunnen vergelijken en zag dat Harmony in veel gevallen 1 dollar onder de prijs op Amazon zit’, schreef een klant op mijn vaders Yelp-pagina.) De echte triomf van Amazon is niet een monopolie op prijzen, maar op onze fantasie.

35 jaar lang was Harmony zeven dagen per week geopend, maar in de jaren na de Grote Recessie besloot Frank om op maandag dicht te gaan, en eventueel ook op zondag. Het aantal werknemers dat fulltime in dienst was begon langzaam af te nemen. De een ging met pensioen, een ander stapte over naar filmmontage. Mijn vader verving hen niet. In mijn jeugd was het vreemd als iemand in zijn eentje een winkel runde, in de afgelopen tien jaar is het de norm geworden. Een gepensioneerde vriend van mijn vader komt soms helpen of wat rondhangen, en brengt alleen de uren waarin hij echt nodig is in rekening. Het enige waarmee mijn vader een beetje geld verdient, zijn installaties op maat – met de nadruk op een beetje. Postindustrieel Amerika is een diensteneconomie; je hebt de rijken en diegenen die hen dienen. Vorig jaar, in San Francisco, een stad beladen met techgeld, betaalde mijn vader zichzelf slechts 12.000 dollar uit; hij investeerde liever meer in de winkel en sprak zijn pensioenfonds aan om de rekeningen te betalen. 

Winkels dicht, rolluiken naar beneden voor onbepaalde tijd. – © Unsplash

Dus de situatie was al niet best toen de pandemie toesloeg. Op 17 maart vorig jaar was de Bay Area het eerste gebied in de VS waar een lockdown van kracht werd, wat de 45-jarige routine van mijn vader doorbrak – voor zijn eigen veiligheid. Maar het kon hem er niet van weerhouden bijna elke dag naar de winkel te rijden, wat toegestaan was omdat reparatiewerk als een essentiële service werd beschouwd. Hij liet de lichten uit, hield de deur op slot en werkte achter in de zaak, waar hij aan klankborden knutselde en apparatuur soldeerde.

Nadat hij zich had opgegeven voor de eerste ronde van het Paycheck Protection Program (PPP) hoorde mijn vader dat er geen geld meer was. Het steunfonds, dat werd beheerd door grote banken, neigde ernaar de voorrang te geven aan de grote corporaties waarmee ze al samenwerkten. De Harvard-universiteit, Ruth’s Chris Steak House, Shake Shack en diverse horecabedrijven die bestuurd werden door Monty Bennett, de megadonor van Trump, kregen tientallen miljoenen bij de eerste verdeling; talloze kleine bedrijven kregen te horen dat het geld op was. (Die grote organisaties stortten, met de staart tussen de benen, het geld pas terug na publieke verontwaardiging en aanpassingen aan federale regels om dit soort misbruik te voor-komen.)

Om het nog erger te maken gebruikte het Congres de Cares Act, die de PPP-leningen had geregeld, om 174 miljard dollar aan belastingvoordelen uit te delen die al lang op de wenslijstjes van vastgoedontwikkelaars, investeerders en het bedrijfsleven stonden. ‘Dit soort obscure belastingmaatregelen zijn niet in het algemeen belang van het publiek,’ zei New York Times-verslaggever Jesse Drucker destijds tegen Terry Gross van NPR. Er is maar een klein aantal belastinglobbyisten dat ze zelfs maar begrijpt. Dit was weer een van die voorbeelden van een systeem dat het grote boven het kleine is gaan bevoordelen.

Redelijk besluit

Tijdens de pandemie is mijn vader de paar mensen die nog op zijn loonlijst stonden blijven doorbetalen, onder wie een vroegere verkoper die een levendige, wekelijkse nieuwsbrief schrijft (compleet met filmrecensie). Voor het overige had hij weinig kosten. Toch besefte hij, na twee maanden pandemie, dat de winkel tegen het eind van volgende maand geen geld meer zou hebben. 

Hij overwoog steun via de tweede PPP-verdeling aan te vragen, maar werd overdonderd door de vereiste informatie en de veranderende regels. (Dat overkwam ook anderen. Vier uur voordat het programma op 30 juni zou sluiten, terwijl kleine bedrijven nog steeds worstelden maar er tegelijkertijd een bedrag van 130 miljoen dollar over was, verlengde de Senaat de deadline voor de aanvraag met vijf weken.) Midden mei nam mijn vader, die nooit een redelijke man was geweest, een redelijk besluit. ‘Ik ben een van de laatste hoogwaardige audiojongens. Waarom zou ik als een idioot met mijn hoofd tegen de muur gaan beuken? Het is tijd om dag met het handje te zeggen.’ Op 68-jarige leeftijd vroeg hij bijstand aan en zei dat hij zich voorbereidde om voorgoed dicht te gaan.

Ik had hem de afgelopen paar jaar gesmeekt te overwegen met pensioen te gaan, maar nu hij me zijn besluit over de telefoon meedeelde, moest ik mijn best doen om me groot te houden. Als je het op een bepaalde manier bekeek, was mijn vader een van de gelukkigen. Hij had gespaard voor een pensioen en was op de leeftijd dat hij ook met pensioen kon. En toch voelde het als een eerloos einde van 45 jaar werk. ‘Ik ben meer dan alleen mijn winkel,’ zei hij tegen me. Maar bijna zijn hele volwassen leven lang hadden al zijn beslissingen op het tegendeel gewezen.

En toen, op maandag 15 juni, mochten kleine bedrijven in San Francisco weer open, als ze zich aan de veiligheidsregels hielden. Mijn vader was die dag gesloten, maar hij wilde de grote heropening niet missen, dus werkte hij zes dagen achter elkaar door, zonder zichzelf iets uit te betalen. (Hij had sinds januari nog geen enkele cheque op naam van de winkel geïnd.) Hij had een goed instinct. Draadloze speakers raakten tijdens de pandemie uitverkocht, maar hij had er genoeg in voorraad en mensen die ietsje ouder waren dan ik, zei mijn vader, wilden graag hun plaatselijke winkels steunen. Zijn trouwe klanten – mensen die hij al tientallen jaren kende, mensen in wier kinderen, carrières en kopzorgen hij geïnteresseerd is – verblijdden mijn vader door langs te komen, met een masker voor, met lang haar, sommigen bijna onherkenbaar, om hem te vertellen dat ze nergens anders zouden willen kopen.

Als je naar Amerikaanse politici luistert, zou je denken dat de regering royale steun geeft aan kleine bedrijven

Meer dan vierhonderdduizend kleine bedrijven zijn sinds het begin van de pandemie gesloten en nog vele duizenden lopen gevaar, volgens het aan het Brookings Institution gelieerde Hamilton Project. Door het hele land worden buurtwinkels opgeheven; ze zeggen de huurovereenkomst op en hangen met de hand geschreven afscheidsbriefjes op. ‘We zijn bedroefd dat de tijd is gekomen om zai jian (tot ziens) te zeggen’, stond er op een plakkaat bij Ton Kiang, het ‘dimsum-instituut’ van San Francisco. ‘Door de jaren heen hebt u uw bruiloften en verjaardagen met ons gedeeld en mochten wij de overgangen in uw leven en uw familiebijeenkomsten voor u verzorgen… Wij zullen die momenten altijd koesteren en uw vriendschap blijven waarderen.’ 

Hoeveel van die bedrijven zullen uiteindelijk worden vervangen, en wat zal er verloren gaan als dat niet gebeurt? Het is gemakkelijk om prijzen te vergelijken. Het is moeilijker om de waarde te bepalen van de nukkige onafhankelijkheid van eigenaren van kleine bedrijven, of van hun collectieve belang voor de gemeenschapszin en zelfs voor het idee van Amerika. ‘Wat mij verbaast in de Verenigde Staten is niet zozeer de geweldige grandeur van sommige ondernemingen als wel de ontelbare hoeveelheid kleine ondernemingen’, schreef Alexis de Tocqueville in 1835.

Mijn vader, die zo blij was om terug te zijn, deed alsof hij me nooit had verteld dat hij de winkel wilde sluiten. Hij zat in de detailhandel (slecht), maar de producten die hij verkocht waren voor thuis (goed). Voorlopig, tenminste nog even langer, zal hij het volume in de geluidsruimte, waar hij thuishoort, weer opkrikken.   

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.