• Cultuur
  • Nugrybauti

Nugrybauti

| Joel Mowdy | 03 oktober 2019

In Litouwen verdwalen mensen zo vaak tijdens het paddestoelen zoeken, dat er een speciaal woord voor is. Het beschrijft een staat van opwinding die langzaam in ongerustheid verandert.

Onze bouwvallige, negentiende-eeuwse boerderij in het Litouwse bos ligt aan het begin van een dorp dat bestaat uit vijf boerderijen, een geelhouten kerk en een begraafplaats. We zijn 30 kilometer verwijderd van de dichtstbijzijnde stad, Anyksciai, waar mijn vrouw Simona opgroeide voor ze de wereld ging rondreizen toen het IJzeren Gordijn was gevallen. Ik ontmoette haar in New York, we trouwden en gingen uiteindelijk terug naar haar geboorteland om ons kind dicht bij de natuur te laten opgroeien. De meeste doordeweekse dagen aan het begin van de herfst verlopen rustig; we zijn de enige permanente inwoners en eventuele dagjesmensen zijn ver van ons vandaan aan het werk. Dus we schrokken nogal toen er op een septembermiddag nogal dwingend op de deur werd gebonkt.

Mijn gezin en ik zaten aan een lunch van bietensoep en gekookte aardappelen toen we het gebonk hoorden. Ik stelde me een ongeduldige boswachter voor die kwam informeren waar ik het hout voor het geraamte van de hooiberg vandaan had. Hout weghalen of het bos op een andere manier verstoren is verboden, maar ik had alleen een paar dode dennenbomen verzameld die nog niet verrot waren. Ik ben geen vandaal of dief, maar een aasgier – dat was mijn rechtvaardiging. Ik was van plan me van te domme te houden, net te doen alsof ik de wet niet kende.

Simona deed de deur open. Daar stond een oude man, buiten adem, met een reusachtige emmer halfvol diverse soorten paddestoelen stevig in zijn hand geklemd. ‘Waar ben ik?’ riep hij.

‘Dit is Inkunai,’ zei Simona.

‘Ah, dat dacht ik al,’ zei hij.

Hij vertelde Simona dat hij was verdwaald in de buurt van Debeikiai, zo’n 10 kilometer verderop, vlak bij de grote weg. Hij was samen met zijn zus paddestoelen aan het zoeken, maar op de terugweg naar de auto hadden ze elkaar uit het oog verloren.

Eetbare paddestoelen © A.M. Perrot / Wellcome Collection
Eetbare paddestoelen © A.M. Perrot / Wellcome Collection

In Litouwen komt het zo vaak voor dat iemand verdwaalt terwijl hij paddestoelen aan het zoeken is dat er een speciaal woord voor bestaat: nugrybauti. Deze man was de eerste die ik ontmoette die zo hopeloos verdwaald was, hoewel ik sinds ik in de bossen ben gaan wonen zelf vaak nugrybaves ben geweest. Je bereikt een staat van nugrybauti als de opwinding die je voelt wanneer je prachtige paddestoelen hebt gevonden langzaam verandert in ongerustheid, veroorzaakt door het gevoel dat het bos om je heen is veranderd. Je richtingsgevoel neemt af en je sjokt doelloos over mos, onder takken door en langs de rand van dennenbossen, verdwaald – tot je, veel later, weer op een vertrouwd pad belandt, zij het niet op de plek waar je dacht uit te komen.

Meer in het algemeen gaat nugrybauti om het moment waarop iemand de draad van een gesprek is kwijtgeraakt of is afgedwaald van de plot van een verhaal, een gedachtesprong heeft gemaakt. Zoals je, wanneer je een verhaal vertelt, langzaam in onbekend gebied terechtkomt door een cluster van cognitieve associaties te volgen, waarna je je in paniek afvraagt of je ooit nog de weg terug zult vinden, om vervolgens weer op een vertrouwd punt te stuiten.

Do-or-Die Dan

Neem mijn vader. ‘Heb ik je ooit verteld over Do-or-Die Dan?’ begon hij weer op een avond. Ik was tien jaar. De rook van zijn sigaret kringelde omhoog in de door een kaars verlichte keuken in ons huis in Mastic Beach, New York. Hij had zijn glas met wat er ook inzat leeggedronken. Ik ging tegenover hem aan tafel zitten. Do-or-Die Dan was een klassieker, een uitstekend startpunt in de donkere wouden van mijn vaders geest. Het pad van dit verhaal kruiste vele andere die we eerder hadden genomen. Wie wist waar dit ons heen zou leiden, of naar welke tijd?

Dan was een Vietnamveteraan, net als mijn vader, maar mijn vader ontmoette hem pas na de oorlog, op zijn werk. Dus ik wist dat met dit verhaal de kansen dat mijn vader zou verdwalen in herinneringen aan gevechten en in stilte zou vervallen terwijl ik nog aan tafel zat, moest plassen en wachtte tot hij zijn afwezige blik op mij zou richten en me zou laten gaan, kleiner waren dan gewoonlijk. Maar het verhaal over Do-or-Die Dan vond vlak na de oorlog plaats (omtrent het moment dat pa naar huis reed van zijn nachtdienst en in een frontale botsing een roekeloze fietser doodreed, waardoor de diepe put van schuldgevoel waar hij bovenop had gezeten zich opende), dus er was nog steeds een risico dat hij over de oorlog zou beginnen. Dat risico was er altijd. Niet alle paden leidden naar Vietnam, maar alle paden liepen erdoorheen.

Het Do-or-die Dan-verhaal was bedoeld om me te vermaken. Mijn vader wilde me leren dat het leven heel grappig kon zijn, en daarom vertelde hij me over de keer tijdens de oorlog waarop hij zich het grootste deel van de dag schuil had gehouden in olifantsgras, toen de soldaat met wie hij zich voor de Vietcong verborgen hield zijn geduld verloor, opsprong zodat zijn hoofd boven de groene bladeren uitstak en zei: ‘We zitten hier, stelletje klootzakken!’ De kogels scheurden door het gras. Pa trok zijn maat op de grond. Hij lachte onder het vertellen, en ik lachte mee. Ik was elf of misschien twaalf jaar oud. Het was de allereerste keer dat ik mijn vader hoorde vloeken.

“Wat was het ergste van de oorlog?” “Wachten,” zei hij

Ik heb nooit overwogen te vragen wat er daarna was gebeurd, hoe ze de situatie verder hadden aangepakt. In plaats van bij de pointe van al die verhalen te komen, stierf mijn vaders stem altijd weg en kreeg hij de duizendmeterblik in zijn ogen, terwijl de rook zich rond de bewegingloze bladen van de ventilator aan het plafond verzamelde. Ik wachtte en moest plassen. Hij stak nog een sigaret op.

Na zijn tijd in Vietnam begon mijn vader een carrière als cockpitmonteur van de Grumman F-14 Tomcat in Calverton, Long Island. Hij werkte in de nachtploeg. Een stel andere kerels in de nachtploeg, zoals de man die hij later Do-or-Die Dan zou gaan noemen, waren ook veteranen. Dan leefde om lol te maken, maar het werk hinderde hem daarbij. Vooral de vrijdagavonden, waarop er natuurlijk gefeest moest worden, waren een marteling voor hem. Dus maakte Dan er een gewoonte van een vierdaagse werkweek aan te houden. Hij had altijd een excuus klaar om aan die laatste dienst te ontkomen: hij was ziek, zijn auto was kapot, hij moest zijn sukkelende moeder naar het ziekenhuis brengen. Ten slotte liet de voorman Dan naar zijn kantoor komen om hem een laatste waarschuwing te geven: als hij nog een vrijdagdienst miste, kon Dan vertrekken.

Het kwam allemaal heel slecht uit. Er was een groot feest waar Dan naartoe moest; het was van levensbelang dat hij erbij was. Hij liep te hele week te mokken en te foeteren, maar verscheen vrijdag in een prima humeur op zijn werk – een totale ommekeer. Maar toen kwam Dan om elf uur ’s avonds bij de voorman, terwijl hij zijn linkerhand beschermend in zijn rechterarm liet rusten.

‘Ik moet naar het ziekenhuis,’ zei hij. ‘Die verrekte moersleutel schoot uit. Ik denk dat ik een paar vingers heb gebroken.’ Dat was helemaal niet waar: op het toilet had Dan heet water over zijn hand laten lopen om de indruk te wekken dat die gewond was. Hij was roodverbrand, maar de kans om eerder weg te mogen was hem die pijn wel waard.

Gebroken

‘Zo erg ziet het er niet uit,’ zei de voorman. ‘Nou, ik moet hem eerst laten nakijken en horen wat de dokter zegt. Ik kan niet werken met een hand die misschien gebroken is.’

‘Je kunt beter niet rijden met een gebroken hand,’ zei de voorman. ‘Ik breng je wel met mijn auto.’

Hij liep met Dan naar de parkeerplaats en liet hem daar even alleen, terwijl hij terugliep naar de hangar om zijn portemonnee te halen. Dan bleek drie verstuikte vingers, een gescheurde knokkel en een gebroken pols te hebben. Niemand die het kon verklaren. Benny had gezien hoe Dan zijn hand die avond op het toilet had verbrand. Dan had zijn plan aan Carl verteld. De kapotte hand was een raadsel.

Na een poosje afwezig te zijn geweest, kwam Dan terug op zijn werk met een verhaal. ‘Ik scheet peultjes,’ zei hij tegen zijn collega’s, tijdens een rookpauze voor de hangar. ‘Daar zat ik, hij had me door. Dus wat moet ik doen? Ik volg de baas naar de auto. Hij kan zelf zien dat hij niet gebroken is. Ik ben er gloeiend bij. Maar dan zegt hij dat hij zijn portemonnee in de hangar heeft laten liggen. Hij draait zich om en wil weglopen, dus ik zeg tegen hem, ik zeg: “Doe op z’n minst de auto open zodat ik kan gaan zitten. Ik word duizelig van de pijn.” De klootzak lacht me uit, maar hij doet de auto open en zegt dat ik moet wachten. Hij verdwijnt naar binnen en dan ben ik alleen met de auto. Alleen het portier en mijn hand. Nu, denk ik, en daarna: bam!’

‘Echt?’

‘Tussen de deur?’

‘Het deed godverdegloeiende pijn.’

‘Shit.’

‘Ik zit dus in de auto, echt met tranen in mijn ogen, en mijn hand is tot moes. De baas stapt in, kijkt even naar mijn hand en zegt: “Allejezus! Wat is er ingodsnaam gebeurd?” “Ik heb verdomme mijn hand gebroken,” zei ik, “dat zei ik toch. Nu is hij helemaal opgezwollen.” Hij bracht me meteen naar het ziekenhuis.’

Joe, de nieuwe bewaker, vroeg Dan hoe hij de moed had kunnen opbrengen om zijn eigen hand zo toe te takelen. In tegenstelling tot de meeste andere mannen in de nachtdienst was Joe niet in Vietnam geweest.

‘Het was een Do-or-Die-situatie, jongen,’ zei Dan. ‘In zo’n situatie doe je gewoon wat je moet doen.’

Oorlogstrauma

Toen ik laat op een avond aan mijn eigen keukentafel in het bos zat, waar ik een verhaal herschreef over een zoon die wordt achtervolgd door het oorlogstrauma van zijn vader, onderbrak mijn zoon me met een vraag naar de documenten die voor me lagen uitgespreid. Het waren de gewone brieven die mijn vader aan zijn familie had gestuurd, zijn eervolle vermeldingen en onderscheidingen, het duplicaat van toen hij voor de krijgsraad moest verschijnen omdat hij er na zijn missie in Vietnam vandoor was gegaan en zijn jeugdstrafblad van de politie in Freeport, getypt op een indexkaart.

Er stonden drie vergrijpen op beschreven, beginnend met ‘verdachte kinderen’ in 1963 en eindigend met ‘autodiefstal’ in 1965, toen hij zestien jaar was – het vergrijp waardoor hij ten slotte bij de mariniers terechtkwam omdat hij, op aandringen van zijn vader, een deal sloot met een rechter om dienst te nemen in ruil waarvoor hij niet vervolgd zou worden. Ik heb die hele geschiedenis aan Oskar uitgelegd. Hij is gefascineerd door het leven van zijn grootvader, die twee jaar voor zijn geboorte overleed. Ik vertel wat ik weet in ordelijke verhalen met een begin, een midden en een einde. De verhalen haken in elkaar als hoofdstukken die alle 54 jaar van mijn vader bestrijken.

Ik vertel mijn zoon de verhalen die mijn vader mij probeerde te vertellen. Do-or-Die Dan – zonder zijweggetjes en verfraaid met details – is een favoriet waar we vaak op terugkomen. We passen Dans principes toe op denkbeeldige scenario’s: vaak slapstick, soms apocalyptisch. Maar als we over mijn vader praten, komen we onvermijdelijk op het duistere terrein van zijn tijd in Vietnam terecht, de allesbepalende gebeurtenis in zijn biografie. Daarin kunnen we hem niet meer volgen. Welke verschrikkingen heeft hij meegemaakt? Heeft hij mensen gedood? Hoeveel? En hoe voelde het om met die ervaring, die in de kern van zijn wezen op de loer lag, te leven?

‘Het was een Do-or-Die-situatie, jongen,’ zei Dan. ‘In zo’n situatie doe je gewoon wat je moet doen.’

Als hij zijn verhalen vertelde, kon ik alleen stilletjes mijn plas ophouden en wachten tot hij er aan de andere kant van zijn zwijgen weer uitkwam. Slechts één keer, toen ik in de twintig was, stelde ik hem een directe vraag: ‘Wat was het ergste van de oorlog?’

‘Wachten,’ zei hij. Hij staarde naar me, door me heen, door de muur. We zaten daar, met zijn antwoord tussen ons in, tot onze sigaretten waren opgebrand. Ik stelde me voor hoe hij daar schuilde in de vochtige hitte van de middag, tussen de scherpe bladeren van torenhoog gras in een vreemd land, terwijl zijn werd hoofd gebakken in zijn helm en de rot langs zijn benen omhoogkroop. Dan is het mijn vader die opspringt. Klootzak, schiet me gewoon dood.

Dwaalspoor

Terwijl ik de oude man en zijn emmer paddestoelen het bos uit rijd, vertelt hij me waarom hij eigenlijk zijn zus was kwijtgeraakt: ze hadden ruzie gehad en hij was boos weggelopen om in zijn eentje verder te gaan zoeken en toen hij terugkwam, zag hij dat ze was vertrokken met de auto. Hij was van plan geweest om terug naar huis te lopen, maar de paddestoelen brachten hem op een dwaalspoor. Mijn zoon, toentertijd tien jaar oud, vertaalde vanaf de achterbank. Net als Simona spreekt Oskar beide talen vloeiend, terwijl mijn Litouws zich beperkt tot het vragen van elementaire aanwijzingen en het informeren naar de prijs van kool. We zetten de man af aan de kant van de grote weg, vlak bij een busstation, waarmee een eind kwam aan zijn odyssee waarin hij verdwaalde in het midden van het Litouwse woud en gered werd door een Amerikaan.

‘Ik denk dat die man dronken was,’ zei Oskar toen we wegreden.

‘Iedereen kan hier verdwalen. Het is een groot bos. Daar hoef je niet dronken voor te zijn.’

‘Ja, maar hij rook naar bier.’

‘Klopt.

‘Wat zou Do-or-Die Dan doen als hij niet meer wist hoe hij het bos uit moest komen?’

Overleven

Na een paar scenario’s te hebben doorgenomen, besloten we dat Dan waarschijnlijk in de hoogste boom die hij kon vinden zou klimmen in een poging het hele terrein te kunnen overzien. Daarna zou hij uit de boom vallen en een spalk maken van de tak die samen met hem naar beneden was gekomen.

‘En wat zou hij daarna doen?’

Ik dacht aan mijn vader, die op zijn eigen manier gewond was geraakt en was verdwaald in een wirwar van onafgemaakte verhalen die om het bos van zijn verleden cirkelden – nugrybaujant en dronken aan de keukentafel om twee uur in de nacht, pogend zijn weg terug te vinden uit de duisternis.

‘Ik denk dat hij daar uiteindelijk zijn huis zou bouwen,’ zei ik. ‘Hij zou alles doen wat nodig was om te overleven.’

Auteur: Joel Mowdy

Joel Mowdy is de auteur van de verhalenbundel Floyd Harbor (Catapult (2019). Hij woont afwisselend in Litouwen en op Bali, waar hij les geeft aan de Green School.

Guernica Magazine
Verenigde Staten | website | guernicamag.com

Stijlvol onlinemagazine dat in tien jaar een solide reputatie heeft opgebouwd. Een mix van onderzoeksjournalistiek, profilerende interviews en literaire teksten. Wordt maandelijks in meer dan honderd landen gelezen.

Dit artikel van Joel Mowdy verscheen eerder in
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.