• Reader
  • Vis, hoe heet je?

Vis, hoe heet je?

| Elon Gilad | 03 oktober 2019

De eerste vertalers Hebreeuws van Twintigduizend mijlen onder zee zaten met een lastig probleem. Er waren geen woorden voor de zeewezens van Jules Verne.

In tegenstelling tot de Feniciërs waren de oude Hebreeërs geen zeevarend volk, wat waarschijnlijk verklaart waarom er maar weinig zeedieren staan vermeld in de Hebreeuwse bronnen van de Bijbel, met uitzondering uiteraard van de walvis (liwjatan of leviathan) van de profeet Jona. Hoe het ook zij, de Joden, die het Hebreeuws al heel snel hadden verruild voor het Aramees, vonden er iets op: ze gebruikten voor de zee-wezens gewoon de woorden van hun buren.

Dat werd pas een probleem in de twintigste eeuw, toen er buitenlandse boeken werden vertaald in het Modern Hebreeuws, een nieuwe taal die was ontwikkeld door en voor de zionistische beweging op basis van het Bijbelse en rabbinistische Hebreeuws en die in 1948 de officiële taal van Israël zou worden. Toen Zeev Sperling, een Jood uit Palestina, zich in 1876 in het hoofd haalde om Twintigduizend mijlen onder zee te vertalen, had hij heel wat moeite om de Hebreeuwse namen te vinden voor de vele zeewezens die in de roman van Jules Verne beschreven staan. Om een voorbeeld te geven: de wezens die de Nautilus aanvallen heten in zijn vertaling ‘reuzenslakken’ (khelzonot anak), omdat er in het Hebreeuws van die tijd geen woord voor ‘octopus’ bestond.

Vreemde namen

Maar in 1892 was de taalkundige en pionier van het Modern Hebreeuws Eliëzer Ben Jehoeda (1858-1922) begonnen diverse consumptievissen van neo-Hebreeuwse namen te voorzien: khilak (van het Latijnse halec) voor haring, sardal (van het Griekse sardella) voor sardine en palmod (van het oud-Griekse pelamys) voor makreel. Alleen zijn deze neologismen, ondanks de naam en faam van Ben Jehoeda, nooit tot het gangbare taalgebruik doorgedrongen. Hoewel de Hebreeuwse samenleving van Palestina zich in het begin van de twintigste eeuw gestaag ontwikkelde, werden de vissen nog altijd aangeduid met de namen die de Arabische vissers in Palestina gebruikten, of met namen die werden geïmporteerd door de Joodse immigranten van het Europese continent.

Zo noemden de Joden in Palestina de dorade destijds dènis, naar het Levantijns-Arabische dinnîs. In het Turks heet deze vis çipura, en ook die naam is courant geworden, in tegenstelling tot het door Ben Jehoeda bedachte avroma, naar het Latijnse abramis. De zalm heet salmon (een leenwoord van het Engels) of lavrak, naar het Ottomaans-Turkse levrek dat door de Palestijnse vissers wordt gebruikt. Zelfs de harder heeft, ondanks de inspanningen van Ben Jehoeda, een Arabische naam gekregen, bouri. Omdat ‘sardine’ een woord is dat in veel talen wordt gebruikt, zoals het Arabisch, het Russisch, het Duits en het Engels, is dit ook ingeburgerd in het Modern Hebreeuws. En ‘makreel’, door Ben Jehoeda als palmod vertaald, is onder invloed van de Arabisch-Palestijnse omgeving palamida geworden, een hebraïsering van het ballamîda van de Arabische vissers.

‘Noun’

In 1930 besloot een taalkundige commissie in Palestina orde te scheppen in de warboel van vissennamen. ‘Dat was een belangrijk initiatief,’ herinnerde Shmuel Eisenstadt, voormalig directeur van het centraal bureau van die commissie, zich destijds in zijn boek Ons levende Hebreeuws.

Volgens Eisenstadt waren de beroemde, in het Hebreeuws en Jiddisch publicerende schrijver Chajiem Nachman Bialik (1873-1934) en hijzelf de straat op gegaan om voorbijgangers te onder-vragen, om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat er voor zeewezens geen onomstotelijke Hebreeuwse namen bestonden. ‘Maar zoals een kapitein bij noodweer zijn schip niet verlaat, was Bialik op het geniale idee gekomen vissen eindelijk Hebreeuwse namen te geven.’

Bialik herinnerde zich dat zowel in het Joods-Aramees van het eerste-eeuwse Palestina als in het Aramees en het moderne Syrisch het woord noun werd en wordt gebruikt voor vis. Hij stelde dus voor om -noun als suffix te gebruikten voor alle neo-Hebreeuwse woorden. De ironie van het verhaal is dat noun ook het symbool was van de eerste christenen: de vis, maar ook het initiaal, in het Joods-Aramees van Palestina, het klassieke Aramees, het Syrisch en het Arabisch, van ‘Nazarener’, oftewel christen.

Een zestiende-eeuwse illustratie van denkbeeldige zeemonsters uit Cosmographia van Sebastian Munster, gebaseerd op Carta Marina van Olaus Magnus. – © Getty Images
Een zestiende-eeuwse illustratie van denkbeeldige zeemonsters uit Cosmographia van Sebastian Munster, gebaseerd op Carta Marina van Olaus Magnus. – © Getty Images

De lijst namen die door Bialik was opgesteld werd afgedrukt door de taalkundige commissie en verspreid in de Joodse viswinkels in Palestina. Slechts één ervan, amnoun (en het synoniem shfarnoun) zou nooit doordringen tot de inheemse taal, ook al staat hij voor de meest courante vis in het Midden-Oosten, de tilapia. Israëliërs blijven deze vis aanduiden als mushtt, de naam die ook nu nog door de Arabische Palestijnen wordt gebruikt. Het komt van het Arabische samak al-mushtt, wat ‘kamvis’ betekent, vanwege zijn staartvin.

Dit neemt niet weg dat het door Bialik bedachte suffix -noun nog altijd wordt gebruikt voor de namen van nieuwe zeedieren. In 2019 verscheen het substantief dionoun (pijlinktvis) in de nieuwe editie van het Natuurwetenschappelijk Handboek van Eliëzer Hafetz.

Octopus

Wat is er intussen van de octopus geworden?

Tegenwoordig noemen alle Israëliërs hem tamnoun, ook al blijft zijn academische naam timnoun. Sinds 1924 droegen deze weekdieren in het Duits-Hebreeuwse woordenboek van rabbijn Moshe David Gross de toepasselijke naam tmaneiraglon (letterlijk ‘achtarmige’). Toen Uriel Halperin (1908-1981), dichter en leider van de Kanaänitische Beweging – een marginale tak van het zionisme – in 1930 een nieuwe vertaling maakte van Twintigduizend mijlen onder zee, bedacht hij de naam tman-gapim (achtpotige).

Wie de oorspronkelijke bedenker was van tamnoun, valt moeilijk te achterhalen. Voor zover we weten verscheen het woord voor het eerst in 1937 in een artikel in het arbeidersdagblad Davar, drie jaar na de dood van Bialik. Omdat er geen enkele toelichting bij stond, mogen we aannemen dat het al tot het publieke domein was doorgedrongen. De katvis (sfamnoun) dateert van later: die vinden we pas sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw in de Hebreeuwse pers.

Auteur: Elon Gilad

Ha’aretz
Israël | dagblad | oplage 80.000

De eerste Hebreeuwse krant die in 1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.

Dit artikel van Elon Gilad verscheen eerder in
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 heeft 1000 nieuwe leden nodig

Deze maand bieden wij daarom een deel van onze artikelen gratis aan. Zo kunt u vast kennismaken met ons aanbod. Leden blijven toegang houden tot onze maandelijkse digitale editie en het archief.