• Cultuur
  • Wilde verhalen

Wilde verhalen

| Lucy Cooke | 22 juli 2018

BBC-documentairemaker Lucy Cooke ontrafelt in Wilde verhalen talloze hardnekkige misverstanden over dieren. Zo blijken elanden nogal alcoholistisch aangelegd en die kleffe pinguïns notoire schuinsmarcheerders te zijn. Maar ze laat bovenal zien hoe de verhalen die we bedenken meer over ons zeggen dan over de beesten in kwestie. Hier leest u het verhaal van de kikker, het lievelingsdier van de auteur, dat door de eeuwen heen voor heel onverwachte doeleinden is ingezet – met treurige gevolgen.

7. De kikker. Orde van de _Anura_

Het is uiterst merkwaardig, maar na een levensduur van zes maanden lossen kikkers op in het slijk, hoewel nooit is waargenomen hoe dit precies gebeurt, waarna ze in de lente in het water weer tot leven komen en dezelfde gedaante krijgen als eerst. Deze jaarlijkse gebeurtenis is het gevolg van een occulte ingreep van de natuur.’

Plinius de Oudere, Naturalis Historia, 77 na Christus

Het eerste jaar van dit millennium was ik verwoed op zoek naar een mythisch watermonster met de intrigerende naam Telmatobius culeus ofwel scrotumkikker, beter bekend als de Titicacakikker.

De eerste keer dat ik van het bestaan van dit royaal geplooide dier hoorde was in Uruguay, waar ik logeerde bij een natuurbeschermer met een interessant netwerk. Een vriend van hem, Ramón ‘Kuki’ Avellaneda, had in de jaren zestig van de vorige eeuw in een kleine onderzeeboot de uitgestrekte wateren van het Titicacameer doorkruist, dat hoog in de Andes ligt, op de grens tussen Bolivia en Peru. Zijn metgezel was niemand minder dan Jacques Cousteau. Ze waren vergeefs op zoek geweest naar verloren Inca-goud, maar ontdekten bij wijze van troost gigantische waterkikkers, die, zo verzekerde Kuki’s kennis mij, ongeveer zo groot waren als een kleine auto.

De kikker is mijn lievelingsdier. Kikkers hebben de evolutionaire sprong van het water naar het land gemaakt, en zijn daardoor in mijn ogen de ware ontdekkingsreizigers. Dankzij een aantal evolutionaire trucs kunnen ze ondanks hun fragiele bouw in onherbergzame en afgelegen gebieden overleven. Onder de ongeveer 6700 soorten die van de kikker bekend zijn, zijn er die hun eigen zonnebrandcrème afscheiden, een antivriesmiddel produceren of zelfs kunnen vliegen. De eerste amfibieën waren heuse reuzen van bijna tien meter lang, die zich voedden met babydinosauriërs. Misschien hadden Kuki en Cousteau zo’n relikwie gevonden. Misschien huisde in het hoogste meer ter wereld een eigen, amfibische variant van het monster van Loch Ness.

Ik wist Kuki op te sporen, die zijn oude dag bleek te slijten in de buurt van de mooie, chique Braziliaanse badplaats Búzios. Aangezien hij als gevolg van al die jaren onder water doof was geworden, verliep ons telefonische contact via zijn zoon, die mij de ontnuchterende boodschap bracht dat zijn vaders scrotumkikkers in werkelijkheid nauwelijks zo groot waren als een frisbee. Ik kon mijn teleurstelling nauwelijks verbergen.

De Telmatobius werd eigenlijk al lang geleden ontdekt: in 1867. De lachwekkende Latijnse naam verwijst naar zijn gelijkenis met een uitgezakte balzak. Oké, die is misschien niet heel flatteus, maar daardoor heeft hij wel een uithoudingsvermogen waar Houdini van onder de indruk zou zijn.

Het leven in het Titicacameer is hard. Het ligt bijna 4 kilometer boven de zeespiegel, de zon schijnt er krachtig en de lucht is er ijl. Geen geschikte plek voor een koudbloedige amfibie met een tere huid. De Telmatobius overleeft er door vrijwel constant onder water te blijven, zodat hij als het ware door een gigantische natte deken tegen felle uv-straling en grote temperatuurwisselingen wordt beschermd. Hij komt zelden boven en ademt overwegend door zijn huid, die om het ademoppervlak te vergroten in plooien om zijn iele lijfje hangt. Als hij zuurstof nodig heeft, zwemt de Titicacakikker niet naar boven om lucht te happen, zoals kikkers gewoonlijk doen, maar doet hij enkele push-ups op de bodem van het meer om de circulatie van het zuurstofrijke water rond zijn huidplooien te stimuleren.

Toen Cousteau in 1969 in zijn miniduikboot het meer verkende, zag hij naar eigen zeggen ‘duizenden miljoenen’ van deze grote amfibieën, meestal van zo’n 50 centimeter lang. Zulke reuze-exemplaren zijn volgens lokale vissers allang verdwenen, en zelfs in verkleinde versie is de kikker steeds moeilijker te traceren.

Tegenwoordig loop je meer kans een Titicacakikker te vinden in een blender in het centrum van Lima. De gerimpelde amfibie vormt namelijk het belangrijkste ingrediënt van een traditionele Peruviaanse vorm van viagra, een illegaal drankje dat in het hele land populair is, maar vooral in de hoofdstad. En zo kwam het dat ik op het vliegveld van Lima een taxichauffeur aanklampte om me in de twee uur tussen mijn vluchten naar de allerbeste kikkercocktailbar te brengen. Pas toen we in razende vaart de stad doorkruisten, realiseerde ik me dat mijn vastbeslotenheid het favoriete amfibische afrodisiacum van deze chauffeur te proeven weleens als een avance kon worden opgevat. Ik probeerde het gesprek daarom zo wetenschappelijk mogelijk te houden, maar gezien mijn gebrekkige Spaans, zijn totale gebrek aan Engels en de suggestieve naam van de kikker was dat best lastig.

Bij de sapjesbar, niet meer dan een rommelig hok aan een drukke marktstraat, zag ik het legendarische dier voor het eerst. De kolossale balzak uit de diepe wateren bleek in werkelijkheid een klein, gespikkeld, moddergroen kikkertje dat met droevige, bolle ogen door het vieze glas van het aquarium naar buiten staarde. De taxichauffeur bestelde zijn gebruikelijke weekendopkikkertje, waarop de vrouw achter de bar een troosteloos uitziende kikker kordaat bij zijn achterpoten uit het aquarium griste, met zijn kop tegen de toonbank sloeg en pelde als een banaan. Daarna gooide ze hem met wat kruiden en honing in een Moulinex – dit alles met de souplesse van Tom Cruise in Cocktail.

De Telmatobius culeus heeft er gelukkig geen idee van dat hij is genoemd naar zijn gelijkenis met een uitgezakte balzak en dat hij grote kans heeft om als illegaal viagra-substituut in een blender te eindigen.
De Telmatobius culeus heeft er gelukkig geen idee van dat hij is genoemd naar zijn gelijkenis met een uitgezakte balzak en dat hij grote kans heeft om als illegaal viagra-substituut in een blender te eindigen.

Met een onmiskenbare twinkeling in zijn ogen gaf mijn gids me de kikkershake te proeven, waar ik in de naam van de journalistiek aan nipte. Het drankje smaakte zoet en romig en helemaal niet kikkerachtig. Eigenlijk was het best lekker – totdat ik bedacht wat erin zat. Van een stimulerende werking merkte ik niets. Veel amfibieën scheiden stoffen uit die hun nut in de wetenschap bewezen hebben, maar Telmatobius culeus valt in de categorie traditionele remedies waarvan je geen enkel medisch heil hoeft te verwachten. De vermeende werking ervan is een louter culturele kwestie. In de Andes worden de kikkers al heel lang met vruchtbaarheid geassocieerd, de kikkersymboliek stamt zelfs nog van vóór de tijd van de Inca’s.

En niet alleen hier werd een verband gelegd tussen kikkers en vruchtbaarheid. Ook in middeleeuws Engeland nam men met regelmaat een kikker in de mond – niet als afrodisiacum, maar als anticonceptiemiddel. De precieze werking ervan is een raadsel, maar het zal in ieder geval menig jongeman ervan hebben weerhouden zijn beminde te kussen. In het communistische China adviseerde de minister van Gezondheid in 1950 aan vrouwen in het kader van de geboortebeperking een handjevol levende kikkervisjes door te slikken. Dit was weliswaar al een flinke verbetering ten opzichte van de oud-Chinese gewoonte de visjes eerst in kwik te bakken, waarop allicht geen zwangerschappen volgden aangezien alle betrokkenen werden vergiftigd. Maar de minister wilde de methode toch enigszins verfijnen. Hij testte de geboortebeperkende werking van kikkerdril op muizen, katten en mensen; 43 procent van de geteste vrouwen werd binnen vier maanden zwanger. In 1958 werd officieel vastgesteld dat levende kikkervisjes geen zwangerschappen kunnen voorkomen – een zege voor zowel alle vrouwen als alle kikkervisjes uit de Volksrepubliek.
De kikker wordt zowel in volksverhalen als in de wetenschap van oudsher in verschillende culturen in verband gebracht met seks en vruchtbaarheid. Het gevolg is een bizarre geschiedenis over voortplanting, voorspellende krachten en een zeer schadelijke schimmel.

Al minstens vijfduizend jaar worden vruchtbaarheidsgoden in de vorm van kikkers aanbeden. De Azteken hadden als godin van de aarde een gigantische pad genaamd Tlaltecuhtli, die symbool stond voor de eindeloze cyclus van geboorte, dood en wedergeboorte. Hun buren in het precolumbiaanse Meso-Amerika verafgoodden een zelfs nog oudere amfibie genaamd Centeotl, patroonheilige van de geboorte en de vruchtbaarheid, die de wat afschrikwekkende gedaante had van een pad met een reeks imponerende uiers. En aan de andere kant van de wereld, in het oude Egypte, werd de godin van vruchtbaarheid en geboorte, Heket, afgebeeld als een kikker.

De oorsprong van deze wijdverbreide vruchtbaarheidsmythe moet waarschijnlijk worden gezocht in de gewoonte van de kikker zich explosief voort te planten – wat even dramatisch in zijn werk gaat als het klinkt. Kikkers hebben de overlevingstactiek hun tegenstanders te overweldigen door samen te drommen en met z’n allen zo’n grote hoeveelheid eieren te produceren dat die onmogelijk allemaal kunnen worden opgegeten. Stel je krioelende massa’s amoureuze amfibieën voor die in groepjes van twee, drie of meer aan elkaar klitten, en dat dagen achter elkaar.

Aangezien vrijwel alle amfibieën zich in het water voortplanten, vallen deze kikkerorgies vaak samen met jaarlijkse regenbuien of overstromingen, die van groot belang waren voor de boeren. Zo waren de oude Egyptenaren voor hun landbouw afhankelijk van de jaarlijkse overstroming van de Nijl. Wanneer het water zich in de lente weer terugtrok, liet het niet alleen vruchtbare zwarte aarde achter voor hun gewassen, maar ook duizenden geile kikkers. En zo was de link tussen de fertiliteit van de kikkers, de aarde en de bevolking al snel gelegd.

Maar de grote vraag was waar al deze kikkers eigenlijk vandaan kwamen.

De oude filosofen, die zich het hoofd braken over deze vraag, besloten dat de wellustige bende aan de aarde zelf ontsproten moest zijn, waarbij de reactie tussen water en modder levenwekkende eigenschappen kreeg toegeschreven. Het idee dat anorganisch materiaal leven kon voortbrengen, zagen we eerder bij de paling. Het werd vrijelijk toegepast op allerlei soorten die net als kikkers en palingen geen duidelijke geslachtsorganen hadden en op zeker moment een rigoureuze metamorfose ondergingen. Soortgelijke ideeën deden al lange tijd de ronde in China, India, Babylon en Egypte, maar het was Aristoteles die ze uiteindelijk allemaal bijeenbracht in de wel doordachte maar daardoor niet minder onjuiste abiogenesetheorie.

Wilde je kikkers maken, dan had je alleen wat modder nodig uit een sloot waarin kikkers hadden gezeten, dat liet je in een groot vat even staan met wat regenwater en – tada! – je had je eigen pot instantkikkers

Volgens Aristoteles’ Historia Animalium komen bepaalde ongewervelde diersoorten ‘in het geheel niet voort uit dieren, maar ontstaan ze spontaan: sommige ontspruiten uit de dauw die neerdaalt op het gebladerte … andere uit rottende aarde, of uit hout, droog dan wel groen, en weer andere uit de uitwerpselen van andere dieren, voor of nadat deze het lichaam hebben verlaten’.

Zijn theorie werd, zoals alles wat Aristoteles schreef, met veel eerbied ontvangen. Niet alleen voorzag deze in een oplossing voor het kikkermysterie, bovendien was zo verklaard waar de krioelende maden in rottend vlees vandaan kwamen en hoe het kon dat mensen in hun uitwerpselen soms van die akelige wormpjes aantroffen. De naturalisten die in zijn voetsporen traden, waaronder Plinius de Oudere, gingen met het idee aan de haal en breidden de lijst van Aristoteles uit met insecten die spontaan zouden ontstaan uit zo’n beetje alles wat je bedenken kunt, van ‘oude was’ en ‘azijndrab’ tot ‘vochtig stof’ en ‘boeken’. Dit generatieproces was behoorlijk specifiek: paarden brachten wespen voort, krokodillen schorpioenen, ezels sprinkhanen en stieren bijen. Vooral karkassen zouden allerlei leven kunnen genereren.

Hoe idioot dit alles ons nu ook in de oren klinkt, het idee van spontane generatie bleek zeer levensvatbaar; tot in de zestiende en zeventiende eeuw was dit de gangbare opvatting. Ruim tweeduizend jaar lang lieten creatieve denkers zich door Aristoteles’ beginselen inspireren tot een heel scala aan bizarre instructies voor het tot stand brengen van leven. Iedere zichzelf respecterende natuurfilosoof deed daar gretig aan mee. In zijn Mundus Subterraneus uit 1665 bood de Duitse jezuïet Athanasius Kircher zijn lezers bijvoorbeeld een flinke verzameling recepten die soms zo simpel waren als de bereiding van een bakje noedels. Wilde je bijvoorbeeld kikkers maken, dan had je alleen wat modder nodig uit een sloot waarin kikkers hadden gezeten, dat liet je in een groot vat even staan met wat regenwater en – tada! – je had je eigen pot instantkikkers.

Aangezien van sommige kikkers bekend is dat ze in tijden van droogte een winterslaap houden in de modder, zou het kunnen dat iemand op deze manier eens een kikker heeft ‘voortgebracht’. Dat de fantasierijke instructies van Jan Baptist van Helmont tot resultaten leidden, is minder waarschijnlijk. We kunnen deze zeventiende-eeuwse Vlaamse chemicus wel de Gordon Ramsay van het abiogenesegezelschap noemen – alleen zullen niet veel mensen in de verleiding zijn gekomen zijn recepten te volgen.

Giftige, roofzuchtige spinachtigen breng je volgens hem als volgt voort: je maakt een gat in een steen, vult dat met basilicumblaadjes, legt er een steen bovenop en laat het bouwsel in de zon staan. Na enkele dagen zullen de ‘dampen van de basilicum, die als rijsmiddel fungeren, de plantaardige materie hebben getransformeerd’ en heb je een huis vol ‘heuse schorpioenen’. Wilde je muizen, dan stopte je wat tarwe en water in een fles die je bedekte met de rok van een ‘onreine vrouw’; eenentwintig dagen later was je knagende kameraadje klaar. Met recepten voor puppy’s had hij vast meer succes gehad…

Men was zo overtuigd van de spontanegeneratietheorie dat Sir Thomas Browne, de Britse arts en schrijver die wel vaker oude mythen onder de loep nam, volslagen belachelijk werd gemaakt toen hij in 1646 in twijfel durfde te trekken of zo’n muizenrecept wel zou werken. ‘Hij betwijfelt of muizen uit rottend materiaal kunnen worden voortgebracht!’ schrijft een verbouwereerde Aristoteles-aanhanger. ‘Dan kan hij zich net zo goed afvragen of kaas en hout wormen kunnen genereren en of vlinders, sprinkhanen, schaaldieren, slakken, palingen enzovoort uit rotte materie kunnen ontstaan … daarmee twijfel je als het ware aan de Rede, het Verstand, de Ervaring.’

Door de opkomst van de microscoop in de tweede helft van de zeventiende eeuw ging er voor kritische geesten als Browne een piepkleine maar hele nieuwe wereld open, waarin allerlei nieuwe kennis verborgen lag. Er stond een groep microscopisten en experimentele biologen op die als pioniers van de ware wetenschap zou afrekenen met ouderwetse occulte ideeën. Een van hen was de vooraanstaande Italiaanse naturalist Francesco Redi, die Aristoteles’ theorie besloot te toetsen aan de hand van wat waarschijnlijk de goorste reeks experimenten is die ooit werden uitgevoerd (waarbij Audubons verstopspel met het rottende varken zeker een eervolle vermelding verdient).

Tijdens een broeierige Italiaanse zomer verzamelde Redi alle kadavers waar hij maar aan kon komen – van kikkers tot tijgers. Daarna volgde hij vlijtig de instructies van de verschillende natuurfilosofen op, zodat zijn woning veranderde in een stinkende keuken waar leven werd gebrouwen. Hoe smerig of bizar de methoden ook waren, Redi voerde ze in volle ernst uit, probeerde ze meermalen om te zien of ze de sleutel tot genese bevatten. In zijn verslag van deze onwerkelijke en onwelriekende zomer staat bijvoorbeeld te lezen hoe hij – niet één, maar drie keer – de aanwijzingen van zijn landgenoot Giambattista della Porta opvolgt voor het genereren van een pad ‘uit een eend die op een mesthoop ligt te rotten’. Helaas, schrijft hij, hadden zijn pogingen ‘geen resultaat’, en kon hij niet anders dan concluderen dat Porta, overigens ‘toch een interessante en serieuze schrijver’, in dit geval ‘te goedgelovig’ was geweest.

Wat voor rottend vlees hij ook gebruikte, de enige schepselen die Redi wist voort te brengen, waren maden en vliegen. ‘Ik herhaalde de experimenten met zowel rauw als gekookt vlees van een vos, hert, buffel, leeuw, tijger, hond, lam, geit, konijn, en ook een paar keer met vlees van eenden, ganzen, kippen, zwaluwen etc.’, schrijft hij. ‘Tot slot probeerde ik het met verschillende soorten vis: zwaardvis, tonijn, paling, tong etc. In alle gevallen kwam een van voornoemde vliegensoorten tevoorschijn.’

En zo kwam Redi iets op het spoor wat voor ons inmiddels de normaalste zaak van de wereld is, maar destijds zeer vergezocht leek: dat het in werkelijkheid de rond het vlees zoemende vliegen waren die de maden voortbrachten. ‘Na alles in overweging te hebben genomen, kwam ik tot de conclusie dat de wormen die we soms in vlees tegenkomen direct voortkomen uit wat de vliegen erop achterlaten, en niet uit rottend vlees’, schrijft hij. ‘Bovendien bleek dat de vliegen die op het vlees afkwamen voordat het wormstekig wordt, van dezelfde soort zijn als die er later uit voortkomen. Zo werd ik in mijn overtuiging gesterkt.’

Hij had nog wel een experiment nodig om zijn vermoedens te staven. Je kunt het met recht een rotexperiment noemen:

Ik stopte een slang, een paar vissen, wat palingen uit de Arno en een stuk van een gezoogd kalf in vier grote vaten met een brede opening, die ik vervolgens hermetisch afsloot. Daarna vulde ik evenveel vaten op exact dezelfde manier, alleen liet ik deze open. Het duurde niet lang of het vlees en de vis in deze laatste reeks vaten zaten onder de maden en werden druk bezocht door vliegen. Maar in de gesloten vaten was geen made te vinden, ook al zat het vlees er al dagenlang in.

In al zijn briljante eenvoud toonde dit experiment aan dat in de kadavers waar de vliegen niet bij konden geen maden ontstonden, terwijl het vlees in de open vaten er al snel van krioelde. En dat was het begin van het einde van de abiogenesetheorie.

Maar helaas werd vrijwel meteen een nieuwe, al even onjuiste veronderstelling geboren. De ‘preformisten’, die zich tot doel hadden gesteld het ontstaan van al het dierlijke leven te verklaren, geloofden dat elk wezen zich ontwikkelde uit een miniatuurversie van zichzelf, de zogenaamde homunculus. Deze zit verpakt in een zaadje en neemt tijdens de ontkieming langzaam in omvang toe. De preformisten waren verdeeld in twee kampen: de ovisten, die dachten dat de homunculus zich in het eitje van de vrouw bevond, en de spermisten, die voor het zaad van de man opteerden.

Het idee dat voor het creëren van nieuw leven zowel een zaadcel als een eitje nodig was had maar heel weinig aanhangers. Daar kwam pas verandering in toen onze favoriete bioloog, de knipgrage Lazzaro Spallanzani, in de jaren tachtig van de achttiende eeuw aan een nieuwe reeks experimenten begon. We zagen eerder hoe hij zijn gevreesde schaar botvierde op slakken en vleermuisoren. Dit keer gebruikte hij het voor een creatiever doeleinde: hij fabriceerde piepkleine tafzijden broekjes voor kikkers.


Spallanzani was geobsedeerd door seks – door kikkerseks, om precies te zijn. Hij hoopte van parende kikkers meer te leren over het bevruchtingsproces. Bij kikkers vindt de conceptie namelijk buiten het lichaam plaats, zodat deze beter geobserveerd, en – belangrijker nog – gecontroleerd kan worden.

Maar destijds was zelfs dit fundamentele feit omstreden. De beroemde taxonoom Carl Linnaeus had immers gezegd dat ‘in de natuur in geen enkel geval, voor geen enkel levend wezen geldt dat de bevruchting van het ei buiten het lichaam van de moeder plaatsvindt’. Spallanzani wilde uitzoeken of de Zweed gelijk had en toverde zijn schaar tevoorschijn om zich met het kikkerseks in te laten. Hij nam eerst een paar solitaire vrouwtjes, knipte ze open en haalde de eitjes uit hun lichaam. Deze, constateerde hij, ontwikkelden zich nooit tot kikkervisjes maar veranderden in een ‘weerzinwekkende, rottende brij’. Uit de eitjes die tevoorschijn kwamen terwijl het vrouwtje door een mannetje werd omklemd, kwamen daarentegen altijd kikkervisjes. Zo was bewezen dat er sprake was van externe bevruchting. En hoewel de mannetjeskikker niet veel meer leek te doen dan zich stevig vastklampen aan het vrouwtje (kikkersperma is onzichtbaar in water), vermoedde Spallanzani dat hij toch íéts aan het proces bijdroegen. Hij moest alleen ontdekken wat.

Hiertoe leende de voortvarende padre een idee van de Franse wetenschapper René Antoine Ferchault de Réaumur, die zich dertig jaar eerder grote moeite had getroost de substantie te vinden die de mannetjeskikker tijdens de copulatie uitstootte – als daar überhaupt sprake van was. Zijn aanpak was ingenieus: hij liet de kikker zelfgemaakt ondergoed dragen bij wijze van uit de kluiten gewassen condoom. Gelukkig voor Spallanzani (en voor ons) hield de pietluttige Fransman het hele proces nauwgezet bij.

‘Op 21 maart trokken we ze broekjes aan die uit een blaas waren vervaardigd’, schreef De Réaumur. ‘Ze zaten strak om het lichaam en sloten het achterste volledig af.’ Dit honderd procent natuurlijke kostuum was rekbaar en gemakkelijk bij de kikkers aan te trekken. Maar zodra ze ermee te water gingen, werd het kostuum ‘zacht en slap’ en begon het uit elkaar te vallen. Omdat De Réaumur twijfelde of de ‘kikker [zo nog] wel voldoende bedekt was’, werd het organische ondergoed afgekeurd.

De Franse wetenschapper De Réaumur was zo tevreden met zijn op maat gemaakte kikkeronderbroekjes dat hij kunstenaar Hélène Dumoustier opdracht gaf zijn kekke condoomvariant voor de eeuwigheid vast te leggen, met schouderbandjes en al.
De Franse wetenschapper De Réaumur was zo tevreden met zijn op maat gemaakte kikkeronderbroekjes dat hij kunstenaar Hélène Dumoustier opdracht gaf zijn kekke condoomvariant voor de eeuwigheid vast te leggen, met schouderbandjes en al.

Gewaxte tafzijde, de waterdichte stof die voor paraplu’s wordt gebruikt, bleek bestendiger. Helaas ontbrak het dit materiaal aan voldoende elasticiteit om een goede pasvorm te garanderen. Met voelbare frustratie noteerde de Fransman: ‘Nadat ik de broekjes had gemaakt en bij ze had aangetrokken, sprongen de kikkers er voor mijn neus weer uit.’ Hij had de beengaten te groot gemaakt en tot zijn ontsteltenis werkten de kikkers zich eruit door simpelweg hun poten op te trekken.

Maar om oplossingen zat De Réaumur nooit verlegen. Hij stelde het ontwerp bij door aan de broek minuscule bandjes te bevestigen die over de schouders van de kikker werden getrokken en de boel netjes op z’n plek hielden. Toen Spallanzani deze aantekeningen doorlas, kwam hij op het idee voor zijn eigen amoureuze amfibieën net zo’n pakje te fabriceren. ‘Het idee van de bandjes, hoe dwaas en idioot het ook klinkt, beviel me wel, en ik besloot het in de praktijk te brengen. De mannetjes lieten zich er niet door weerhouden, zochten de vrouwtjes even gretig op en verrichtten de daad zo goed en zo kwaad als het ging.’

Zodra de kikkers klaar waren, trok Spallanzani ze voorzichtig het broekje uit en gluurde erin om te zien wat hij te pakken had. In tegenstelling tot zijn Franse voorganger slaagde de Italiaanse priester er wél in wat zeldzame klodders sperma op te vangen, die hij meteen over een hoopje onbevruchte eitjes uitsmeerde. Deze eitjes veranderden inderdaad in kikkervisjes, wat leek te bevestigen dat het goedje uit de kikkerbroek essentieel was voor de bevruchting.

Maar de grondige Spallanzani liet niets aan het toeval over. Om zijn theorie te staven, besmeurde hij kikkerdril met bloed, azijn, alcohol, wijn (van uiteenlopende kwaliteit), urine en het sap van limoenen en citroenen, om uit te zoeken of andere vloeistoffen niet evengoed in staat waren de eitjes tot leven te wekken. Hij probeerde zelfs of elektriciteit in dit opzicht misschien iets uithaalde. Geen van deze pogingen had het beoogde resultaat.

Spallanzani’s kikker gerelateerde kleermakerscapriolen speelden een cruciale rol in de oplossing van het bevruchtingsmysterie. Honderd jaar later belandden er opnieuw amfibieën in een laboratorium. En opnieuw werden ze ingezet om vast te stellen of er al dan niet bevruchting had plaatsgevonden. Alleen ging het dit keer niet om de eitjes van een kikker, maar om die van een mens.

De methode lijkt aan de middeleeuwse bestiaria te zijn ontleend, maar de eerste betrouwbare zwangerschapstest ter wereld, die tussen 1940 en 1960 in gebruik was, kwam in de vorm van een kleine kikker met bolle ogen. Hij werd niet blauw of gestreept nadat hij was geïnjecteerd met de urine van een zwangere vrouw, maar legde bij een positieve uitkomst acht tot twaalf uur later een lading eitjes.

De test was niet zelf thuis uit te voeren. Een professioneel team bracht lange uren door in de kelders en bijgebouwen van ziekenhuizen en gezinsplanningsklinieken waar tanks vol profetische padden stonden. Audrey Peattie, een energieke 82-jarige uit Hertfordshire, vertelt me over de drie jaar dat zij in het Watford-ziekenhuis deel uitmaakte van zo’n team.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was het nogal uitzonderlijk dat een jonge vrouw in een laboratorium met plas en padden werkte. Terwijl de meeste van haar vriendinnen na de middelbare school secretaresse werden, ging Audrey op haar zeventiende door naar Watford voor dit werk dat in haar eigen woorden weliswaar ‘ongewoner’ en ‘moeilijker uit te leggen’ was, maar haar veel voldoening schonk.

‘We deden zo’n veertig tests per dag. De kikkers waren glibberig maar als je ze tussen hun poten vastpakte, kon je ze in hun vlezige dijen injecteren’, vertelt Audrey. ‘Dan stopte je ze in een genummerde pot, liet ze een nacht op een warme plek staan en de volgende ochtend keek je of de kikker eitjes had gelegd. Als er maar een paar eitjes waren, herhaalden we de test met een andere kikker. Maar ze zaten er vrijwel nooit naast.’

De orakelkikkers waren ‘niet van het soort dat door je tuin hupt’, zegt Audrey. Voor de tests werd de exotische Afrikaanse klauwkikker (Xenopus laevis) gebruikt, een oeroude waterkikker uit sub-Saharisch Afrika, die met zijn lange klauwen, platte lijf en Frankenstein-achtige hechtingpatroon langs beide zijden van zijn lijfje niet bepaald een schoonheid is. Doordat klauwkikkers geen oogleden hebben, wekten ze bovendien de onheilspellende indruk je overal in het lab met hun starende bolle ogen te volgen.

Audrey Peattie (rechts) aan het werk in het ziekenhuis van Watford. In de jaren vijftig had zij het glibberige taakje uit kikkers los te krijgen of een vrouw al dan niet zwanger was.
Audrey Peattie (rechts) aan het werk in het ziekenhuis van Watford. In de jaren vijftig had zij het glibberige taakje uit kikkers los te krijgen of een vrouw al dan niet zwanger was.

De zwangerschap voorspellende gave van de kikker was al dertig jaar eerder ontdekt door de Britse endocrinoloog Lancelot Hogben, toen werkzaam aan de universiteit van Kaapstad. Hogben had in zijn onderzoek naar hormonen vaker gebruikgemaakt van kikkers, en in Zuid-Afrika betrok hij ook lokale soorten bij zijn experimenten. En zo ontdekte hij dat de Xenopus – net als de huidige chemische zwangerschapstest – heftig reageert op het humaan choriongonadotrofine, ofwel het hCG-hormoon, dat vrijkomt nadat een eitje is bevrucht. Hogben zag zijn ontdekking als een ‘geschenk uit de hemel’ en was zo verguld met de amfibie dat hij zijn huis naar hem vernoemde.

De Hogben-test, zoals hij ging heten, verving al snel de veel minder betrouwbare ‘konijnentest’, waarbij een vrouwtjeskonijn met urine werd geïnjecteerd en enkele uren later werd opengesneden om te zien of er activiteit in haar eierstokken waarneembaar was. Deze techniek, legt Audrey me uit, was bovendien veel minder praktisch. ‘Moet je nagaan, er moesten genoeg konijnen in het lab aanwezig zijn voor veertig tests per dag!’ Het grote voordeel van kikkers was dat ze steeds opnieuw inzetbaar waren.

Een ander pluspunt van de kikkers was dat ze klein waren en rustig in aquaria konden wachten op hun volgende rendez-vous met het urinemonster van een vrouw in gespannen verwachting. Op iedere voorspelbeurt volgde een hormoonvrije vakantie van ongeveer drie weken, vertelt Audrey, waarin de kikkers ‘wat rondzwommen’ en ‘fijngehakte lever’ te eten kregen. En dan was het weer tijd voor hun profetische dienstverlening.

De Afrikaanse klauwkikker veranderde de zwangerschapstest dus radicaal: niet langer werden er dieren bij gedood, en de tests waren nu veel laagdrempeliger om uit te voeren. Maar het wetenschappelijke belang ervan ging verder. De honderdduizenden kikkers die uit Afrika naar testlaboratoria in Europa en Amerika werden gehaald, trokken namelijk de aandacht van andere onderzoekers, vooral binnen het opkomende gebied van de ontwikkelingsbiologie – waarmee Spallanzani zich al bezighield voordat het officieel bestond. Deze biologen hadden voor hun onderzoek naar de groei van embryo’s enorme hoeveelheden eitjes nodig. De amfibieën die ze eerst gebruikten plantten zich seizoensgebonden voort, wat een grote belemmering vormde. Maar nu was er ineens een kikker die je tienduizenden eitjes kon laten leggen door hem simpelweg te injecteren met hCG (een soort moderne variant op spontane generatie). Daar kwam nog bij dat Xenopus-eitjes uitzonderlijk groot waren – tien keer zo groot als die van een vrouw – wat ze heel geschikt maakte voor microchirurgie en genetische manipulatie. De kikkervisjes waren bovendien doorzichtig, zodat de biologen hun metamorfose goed konden observeren. En als klap op de vuurpijl waren de volwassen exemplaren resistent tegen allerlei ziekten en konden ze in gevangenschap wel twintig jaar leven. De wetenschappers konden hun geluk niet op.

Samen met de muis en het fruitvliegje hoort de Xenopus thuis in het rijtje meest bestudeerde modelorganismen van de planeet. In 48 landen verdeeld over 5 continenten werden in laboratoria kolonies van deze kikker gehouden. Hij werd onderzocht, ontleed, binnenstebuiten gekeerd. Tegen de jaren tachtig was de Xenopus de meest wijdverbreide amfibie ter wereld. Deze kikker werd als eerste gewervelde diersoort gekloond en legde zelfs een bezoek af aan de ruimte.

Maar er was één cruciaal gegeven waarvan de wetenschappers nog niet op de hoote waren. Toen ze dat eenmaal ontdekten, was het al te laat. Deze globetrotter reist namelijk niet alleen.

Eind jaren tachtig merkten herpetologen voor het eerst dat er iets vreemds aan de hand was. In Australië en Zuid-Amerika verdwenen hele populaties amfibieën, vaak vrij plotseling en uit ongerepte gebieden. Bovendien werden er geen lijkjes gevonden. Het was net of ze in rook waren opgegaan. Amfibieën waren er al 65 miljoen jaar. Ze hadden de meteoriet die de dinosauriërs uitroeide overleefd, evenals verschillende ijstijdvakken en een aantal extreme klimaatveranderingen. Wat kon de oorzaak zijn van deze massale sterfte?

Na jarenlang speculeren werd de boosdoener eindelijk gevonden: een primitieve, via water overdraagbare schimmel genaamd Batrachochytrium dendrobatidis, oftewel chytrideschimmel of Bd. Deze tast de huid van de kikker aan – een zeer gevoelig orgaan dat hij gebruikt om mee te ademen – waardoor hij geen zuurstof en essentiële elektrolyten meer kan opnemen en uiteindelijk een hartstilstand krijgt.

Dertig jaar lang keken wetenschappers met afgrijzen toe hoe de schimmel op elk continent op aarde opdook – behalve op Antarctica, waar geen amfibieën voorkomen. Het gevolg was dat minstens tweehonderd kikkersoorten drastisch in aantal daalden of zelfs volledig werden uitgeroeid. Zelfs in deze tijd, waarin veel diersoorten met uitsterven bedreigd zijn, wordt deze amfibische apocalyps gezien als ‘de ernstigste infectieziekte die ooit bij gewervelde dieren is waargenomen’.

Waar kwam deze dodelijke schimmel vandaan, en hoe had de infectie zich in zo’n hoog tempo zo effectief kunnen verspreiden? Een paar jaar geleden reisde ik naar het zwaar door chytridiomycose getroffen Chili, voor een ontmoeting met dr. Claudio Soto-Azat, een veelbelovend wetenschapper die vastbesloten is het antwoord op deze belangrijke vraag te vinden en de amfibieën in zijn land te redden. Claudio is een van die immer goedgehumeurde mensen, wat heel goed van pas komt als je zoiets deprimerends bestudeert als de massale uitroeiing van je lievelingsdier.

Anders dan zijn buurlanden heeft Chili geen duizelingwekkende verscheidenheid van amfibieën (slechts vijftig soorten), maar de soorten die er leven, zijn bijna allemaal uniek. Dat komt doordat Chili eigenlijk een soort langgerekt, smal eiland is dat ligt ingesloten tussen de woestijn in het noorden, gletsjers in het zuiden, de oceaan in het westen en het Andesgebergte in het oosten. Hoewel het land deel uitmaakt van een continent vol kikkers, hebben Chileense kikkers zich er dus in afzondering ontwikkeld, wat ze extra kwetsbaar maakt.

Ik vergezelde Claudio op een expeditie met als doel de wonderlijkste van deze wezens te vinden, de zeer zeldzame soort ‘Darwins bekbroeder’, die in 1834 door onze bebaarde vriend zelf werd ontdekt op zijn legendarische Beagle -reis. Het bijzondere aan deze kikker is dat hij de traditionele vijvergebonden metamorfose heeft ingewisseld voor een sciencefictionvariant: na het paren bewaakt het mannetje de bevruchte eitjes tot ze bijna uitkomen, en slokt ze dan op. Zes weken later voltrekt zich een alienachtig tafereel: hij braakt babykikkertjes uit. Samen met het zeepaardje is hij daarmee het enige mannelijke dier dat kan baren, zij het door zijn mond.

We vlogen naar een pietepeuterig vliegveldje in Patagonië, niet veel meer dan een stoffige landingsstrook die in de aarde was gekrast, omringd door bergen en grasvlaktes. Ik weet nog dat Claudio de grens met Argentinië aanwees – een gammel metalen hek op een zandweg tussen de bergen en velden om ons heen. Het was alsof we in the middle of nowhere waren geland. Vanaf deze verlaten plek was het nog vier uur rijden naar het bos waar de bekbroeders wonen, een onwerkelijk woud vol vochtige bamboe, reusachtige rabarberplanten met bladeren zo groot dat je eronder kon schuilen, wilde fuchsiastruiken met felroze bloemen en torenhoge bomen waar lange slierten lichtgroen mos vanaf dropen. Er hing een dikke mist. Heel Lord of the Rings allemaal.

Het goede nieuws was dat we de kikker al snel vonden, wat een wonder mag heten aangezien hij maar drie centimeter lang is en zich vermomt als bamboeblaadje, inclusief lange, dunne neus bij wijze van steeltje. Het slechte nieuws was dat de uitstrijkjes die Claudio bij onze groene vriendjes afnam in het laboratorium positief werden getest voor de chytrideschimmel.

De effecten van chytridiomycose zijn onverbiddelijk onvoorspelbaar: een kikker die met de schimmel besmet raakt, is niet automatisch ten dode opgeschreven. Sommige amfibieën blijken immuun te zijn en overleven de infectie. We kunnen alleen maar hopen dat Darwins bekbroeder doordat hij overwegend op het land leeft, zal ontsnappen aan een levensbedreigende hoeveelheid schimmelsporen, die zich immers via het water verspreiden. Zijn neefje de Rhinoderma rufum had dat geluk niet. Hoewel hij dichter bij Santiago, de hoofdstad, en dus minder afgelegen woont, is van deze al even bijzondere bekbroedende kikkers al dertig jaar lang geen spoor te bekennen. Claudio denkt dat in het wild niet meer voorkomen en houdt de schimmel hiervoor verantwoordelijk. En hij heeft een sterk vermoeden hoe die in Chili is beland.

De volgende stop op onze apocalyptische kikkertour was een kleine boerderij in Talagante, een semilandelijk gebied 40 kilometer ten noorden van Santiago. Claudio had meldingen gekregen over een buitenlandse indringer: zijn hoofdverdachte in de uitroeiingszaak.

Op het heetst van de dag arriveerden we op de boerderij, waar we werden begroet door Jurgen, een man met waterig blauwe ogen, een lange witte baard en een oprechte glimlach. Hij overhandigde ons een zak kikkervisjes en een emmer exemplaren van de uitheemse soort die zijn landgoed sinds eind jaren zeventig teisterde. Met emotie in zijn stem vertelde hij hoe hij twee jaar na het arriveren van deze soort voor het eerst een ‘stille lente’ had meegemaakt, zonder het melodieuze gekwaak van zijn geliefde inheemse amfibieën. Hij ging naar ze op zoek, maar vond niks, ook niet op de plekken die vroeger zwart zagen van de kikkervisjes. Ze waren verdwenen.

Ik gluurde in de emmer en werd begroet door die vertrouwde lege, starende blik. Nee maar, Xenopus, wat brengt jou hier?

We danken veel van onze kennis over het bevruchtingsproces en de ontwikkeling van embryo’s aan de _Xenopus,_ maar door het inzetten van deze soort hebben we onbedoeld bijgedragen aan de verdwijning van fantastische soorten

Claudio vertelde dat Chili’s beruchte dictator generaal Pinochet naast al zijn andere misdaden waarschijnlijk ook verantwoordelijk is voor de invasie van deze exoot. Het verhaal gaat dat vlak nadat de militaire junta in 1973 het vliegveld van Santiago had ingenomen, een zending Xenopus werd binnengevlogen voor een laboratorium in de hoofdstad. De soldaten, die geen idee hadden wat ze met een lading buitenlandse kikkers aanmoesten, lieten ze vrij. Sindsdien zijn deze kikkers en hun nakomelingen voortvluchtig.

De eigenschappen die van de Xenopus zo’n ideaal laboratoriumdier maken, maken hem ook tot het schoolvoorbeeld van een invasieve soort. Hij past zich makkelijk aan, is goed bestand tegen ziekten en plant zich razendsnel voort. De voortplanting is niet seizoensgebonden en de vrouwtjes leggen tot wel achtduizend eitjes per jaar. Toen ik Claudio vroeg hoeveel Afrikaanse klauwkikkers er momenteel in Chili leven, legde hij zijn hand berustend tegen zijn voorhoofd. ‘Miljoenen, als het er geen miljarden zijn. Het valt niet precies te zeggen, maar het is een reusachtig aantal. In een kleine lagune hier wonen naar schatting bijvoorbeeld al 21.000 exemplaren.’

Tot op 400 kilometer van Santiago zijn deze kikkers aangetroffen. Ze lijken met een snelheid van zo’n 10 kilometer per jaar vanaf de hoofdstad in de rondte uit te waaieren. Als er een tijdlang veel regen valt, vinden er massamigraties plaats naar nieuwe territoria. Tijdens een van die periodes, vertelde Claudio, aanschouwde een boswachter een bijbels tafereel: tweeduizend kikkers die de weg overstaken.

Afrikaanse klauwkikkers zijn vraatzuchtige roofdieren. Ze verzwelgen simpelweg alles wat ze op hun pad tegenkomen, met als gevolg dat ze hele populaties inheemse vissoorten, kikkers en kikkervisjes verwoesten. En dan heeft dit onverschrokken kikkerleger nog dat geheime wapen waarmee het de inheemse kikkers te gronde richt: veel kikkers van de voortvluchtige Xenopus -soort in Chili zijn drager van de chytrideschimmel Bd, maar blijken immuun te zijn geworden. Hoe groot de bijdrage van de Xenopus aan de pandemie precies was, weten we pas sinds kort.

Samen met een paar andere internationale onderzoekers verrichtte Claudio een knap staaltje wetenschappelijk detectivewerk. Ze verzamelden uit musea van over de hele wereld Xenopus-kikkers op sterk water, en ontdekten dat de schimmel al voorkwam bij exemplaren uit 1933 – het jaar waarin de ziekte voor het eerst werd geconstateerd, en tevens de tijd dat de kikkers uit Afrika werden gehaald om als zwangerschapstest te dienen.

Veel van deze kikkers kwamen na hun verblijf in laboratoria op vrije voeten. Toen de Hogben-test werd vervangen door die met de kleine blauwe streepjes, werden de kikkers overbodig. Vanuit de gedachte dat ze hun vrijheid na al die jaren trouwe dienst wel verdienden, lieten de labmedewerkers ze vrij. Nog talloze andere zijn uit de laboratoria ontsnapt of als ongewenste huisdieren op straat gezet. Al op vier continenten zijn invasieve populaties Afrikaanse klauwkikkers waargenomen, en de laatste onderzoeken verbinden sommige van deze invasies, zoals die in Chili en Californië, met de komst van de schimmel en de verdwijning van de oorspronkelijke kikkersoorten. Ook andere wijdverbreide invasieve amfibieën – zoals de Amerikaanse stierkikker, die wereldwijd wordt gekweekt vanwege zijn vlezige billetjes – waren wellicht drager van de ziekte, maar het lijkt erop dat de mondiale uitbraak het gevolg is geweest van de exodus der Afrikaanse kikkers.

Het is een treurige situatie. We danken veel van onze kennis over het bevruchtingsproces en de ontwikkeling van embryo’s aan de Xenopus, maar door het inzetten van deze soort hebben we onbedoeld bijgedragen aan de verdwijning van fantastische soorten als Rhinoderma rufum. Ook tot het hooggelegen leefgebied van de Titicacakikker is de schimmel doorgedrongen. ‘We leven in een tijd waarin onze natuur in rap tempo homogeniseert’, zei Claudio met een diepe zucht. ‘Door de globalisering en de bevolkingsgroei verspreiden plant- en diersoorten zich gemakkelijker over de wereld – en hun ziekten nemen ze met zich mee.’

Ook de bouw van dammen is volgens Claudio gunstig voor de Xenopus, die bij voorkeur in stilstaand water leeft. Jurgen, de boer die we samen opzochten, had op zijn landgoed een kleine irrigatiesloot die hij ‘het hellegat’ noemde. Toen ik naar deze stinkende plas water vol kikkers keek, bedacht ik me dat Aristoteles’ verklaring dat ze spontaan uit de aarde oprezen eigenlijk geloofwaardiger was dan het bizarre verhaal van een kikker die de wereld rondzwerft, zwangerschappen voorspelt en ziekten verspreidt.

In de afgelopen vijfduizend jaar heeft de kikker een lange weg bewandeld. Door de oude Egyptenaren werden ze vanwege hun vruchtbaarheid aanbeden, maar voor Jurgen viel de Xenopus-plaag te vergelijken met de vloek die de Almachtige in Exodus verkondigt: ‘Ik zal ervoor zorgen dat uw hele land krioelt van de kikkers. De Nijl zal vol kikkers zitten. Ze zullen uit het water komen en uw paleis en slaapkamer binnenkomen, in uw bed kruipen, en ook in dat van uw dienaren en volk. U zult ze zelfs aantreffen in de broodovens en de pannen.’

Auteur: Lucy Cooke
Vertalers: Nadia Ramer, Laura Weeda
Oorspronkelijke titel: The Unexpected Truth About Animals. Stoned Sloths, Lovelorn Hippos and Other Wild Tales
Verschijnt: 2-10-2018
Uitgeverij: De Geus

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Over de auteur

Lucy Cooke is a Britse zoöloog, auteur, programmamaker en presentator. Ze maakt o.a. documentaires voor de BBC en National Geographic. Ze studeerde aan New College, Oxford, en had onder andere les van evolutiebioloog Richard Dawkins.

Dit artikel van Lucy Cooke verscheen eerder in
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.