Juist in de laatste jaren van zijn leven vond de Franse kunstenaar Henri Matisse zichzelf opnieuw uit. Hij ging vrijer, kleurrijker en radicaler te werk dan ooit tevoren.
‘Ik hoop dat we, hoe lang we ook leven, jong zullen sterven’, schreef Henri Matisse in 1950 op tachtigjarige leeftijd. De Fransman stierf vier jaar later. Hij had zich al dertien jaar, ondanks een darmoperatie die hem in 1941 bijna het leven had gekost, bezield gevoeld door een nieuwe creatieve impuls, een soort ‘tweede leven’, zoals hij het zelf verwoordde in een brief aan zijn zoon Pierre. In de laatste jaren van zijn leven vond Matisse namelijk een nieuwe taal uit: die van uitgesneden vormen en felle kleuren. Precies deze periode staat centraal in de flamboyante tentoonstelling Matisse: 1941-1954. Het resultaat van een samenwerking tussen het Centre Pompidou (gesloten voor renovatie tot 2030) en het Grand Palais.
Het geheel is een duizelingwekkend, vrolijk spektakel van kleuren, vormen, lijnen en licht
De twee musea hebben meer dan driehonderd werken van over de hele wereld verzameld. Sommige worden voor het eerst aan het publiek tentoongesteld. De verzameling toont de immense diversiteit van Matisse’s oeuvre, naast zijn beroemdste schilderijen. De tentoonstelling omvat tekeningen, gouache-uitknipsels, geïllustreerde boeken, textiel en glas-in-loodramen. Het geheel is een duizelingwekkend, vrolijk spektakel van kleuren, vormen, lijnen en licht. En dan nog eens een heleboel kleur.
De laatste jaren van een kunstenaarsleven worden nog wel eens gezien als een periode van onvermijdelijke creatieve achteruitgang, maar deze verzameling aan innovatieve technieken en materialen bewijst het tegendeel. De tentoonstelling eert een kunstenaar die met de jaren alleen maar creatiever en gedurfder werd.