• Financial Times
  • Afrika
  • De 300.000 jaar oude casus voor een 15-urige werkweek

De 300.000 jaar oude casus voor een 15-urige werkweek

Foto: @ Getty Images
Financial Times | Londen | James Suzman | 27 januari 2021

Onze voorvaderen, de jager-verzamelaars, zouden een zwaar bestaan hebben geleid, waarin ze voortdurend tekortkwamen en meestal vroeg stierven. Dit idee, en het voortdurende streven om schaarste te bestrijden, vormt de basis van onze huidige economie en samenleving. Er blijkt alleen niets van te kloppen.

Al drie decennia documenteer ik de levens van de Ju/’hoansi-bevolking in de noordwestelijke Kalahari, en hun vaak traumatische confrontaties met de moderne samenleving. De Ju/’hoansi zijn misschien wel de bekendste van het handjevol gemeenschappen die zich tot ver in de twintigste eeuw in leven hielden door te jagen en verzamelen. De koste wat kost groeiende wereldeconomie vinden ze meestal weinig zinnig.

Waarom, vroegen ze bijvoorbeeld, kregen overheidsfunctionarissen die in kantoren met airconditioning zaten en de hele dag koffie dronken en kletsten, zoveel meer betaald dan de jonge mannen die ze op pad zonden om greppels te graven? Waarom gingen mensen nadat ze betaald hadden gekregen de volgende dag weer terug naar hun werk, in plaats van te genieten van de vruchten daarvan? En waarom werken mensen zo hard om meer geld te verdienen dan ze ooit nodig zullen hebben, of waar ze ooit van kunnen genieten?

Het was niet verwonderlijk dat de Ju/’hoansi deze vragen stelden. Tegen de tijd dat ik met hen begon te werken, was het al algemeen aanvaard dat ze het beste moderne voorbeeld vormen van hoe onze jagende en verzamelende voorouders moeten hebben geleefd. Maar hoe meer tijd ik met hen doorbracht, hoe meer ik begon te vermoeden dat hun benadering van de economie ons niet alleen inzichten in het verleden opleverde, maar ook liet zien hoe we ons in een steeds verder geautomatiseerde toekomst zouden kunnen organiseren.

Zelden leken deze lessen urgenter. Nu het aantal werklozen stijgt als gevolg van de verspreiding van covid-19, zijn regeringen bereid tot revolutionaire financiële injecties, van door de staat gesponsorde verlofregelingen tot het uitdelen van contant geld om in restaurants te kunnen eten – alles om de mensen weer aan het werk te krijgen.

Mantra

Voor de pandemie ging het ook al vaak over de toekomst van werk. Men maakte zich toen vooral zorgen over de niet-aflatende kannibalisatie van de arbeidsmarkt door steeds efficiëntere geautomatiseerde systemen en kunstmatige intelligentie.

Het is een begrijpelijke angst. Het werk dat we doen bepaalt mede wie we zijn. Het bepaalt onze toekomstperspectieven, waar en met wie we de meeste tijd doorbrengen en het vormt onze waarden. Zozeer zelfs dat we strebers bewonderen, luiheid afkeuren en dat universele werkgelegenheid een mantra vormt voor iedere politici, van welke partij ook.

De Ju/’hoansi zijn misschien wel de bekendste van het handjevol gemeenschappen die zich tot ver in de twintigste eeuw in leven hielden door te jagen en verzamelen. – © Getty

Maar dat is niet de juiste weg. Sinds de prille begin van de Industriële Revolutie worden mensen geprikkeld door het vooruitzicht van een toekomst waarin automatisering ons geleidelijk bevrijdt van het saaie werk. In 1776 bezong Adam Smith, grondlegger van de moderne economie, de ‘prachtige machines’ die volgens hem na verloop van tijd ‘onze arbeid zouden vergemakkelijken en verminderen’; in de twintigste eeuw beschreef Bertrand Russell hoe, in een binnenkort geautomatiseerde wereld, ‘gewone mannen en vrouwen, die kans hebben op een gelukkig leven, vriendelijker en verdraagzamer zullen worden’ en zelfs hun ‘neiging tot oorlog zullen verliezen’.

Russell hoopte dat deze verandering tijdens zijn leven zou plaatsvinden. ‘De oorlog toonde onomstotelijk aan dat het door de wetenschappelijke organisatie van de productie mogelijk is om de moderne bevolking in vrijwel alles te voorzien met slechts een klein gedeelte van de huidige arbeidscapaciteit,’ merkte hij in 1932 op. En vanaf het begin van de twintigste eeuw tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog namen de wekelijkse werkuren in geïndustrialiseerde landen daadwerkelijk gestaag af.

We blijven gefixeerd op het vinden van nieuw werk – ook al lijkt dat vaak geen ander nut te dienen dan de wielen van de commercie draaiende houden

Econoom John Maynard Keynes, tijdgenoot van Russell, was een vergelijkbare mening toegedaan. Hij voorspelde dat tegen 2030 kapitaalvorming, productiviteitsverbeteringen en technologische vooruitgang het ‘economische probleem’ zouden hebben opgelost en een tijdperk zouden inluiden waarin niemand, afgezien van een paar ‘doelgerichte geldmakers’, meer dan vijftien uur per week zou werken.

Hij was ook van mening dat het metaalachtige gezoem van geautomatiseerde productielijnen de doodsteek was van de orthodoxe economie. De instellingen en structuren die onze economieën organiseren, zijn volledig gebaseerd op de veronderstelling van schaarste: de verlangens van mensen zijn grenzeloos, maar de beschikbare middelen om aan hun behoeften en wensen te voldoen zijn dat niet. In de geautomatiseerde toekomst, zo meende hij, zou absolute schaarste tot het verleden behoren, zodat we met gerust hart afstand zouden kunnen doen van onze inmiddels verouderde economische infrastructuur en werkcultuur.

Gouden tijdperk

Helaas bleken ze geen gelijk te hebben. We hebben de drempels al overschreden waarvan Keynes beweerde dat ze toegang boden tot een ​​‘gouden tijdperk van vrije tijd’, en toch werken de meesten van ons nu meer uren dan de tijdgenoten van Keynes en Russell. En aangezien automatisering en covid-19 de arbeidsmarkt aantasten, blijven we gefixeerd op het vinden van nieuw werk dat mensen kunnen doen – ook al lijkt dat werk vaak geen ander nut te dienen dan de wielen van de commercie draaiende te houden en de groei weer in het zwart te krijgen.

Tijdens ruim 95 procent van de homosapiengeschiedenis hadden mensen meer vrije tijd dan wij nu

Toch zijn er, ook afgezien van de urgentie van onze huidige hachelijke situatie, goede redenen om vast te houden aan deze beroemde visies op een toekomst van vrije tijd. Als we verder terugkijken binnen de geschiedenis van de mens dan economen vaak doen, zien we dat veel van onze ideeën over werk en schaarste stevig geworteld zijn in de bodem van de landbouwrevolutie, en dat bovendien tijdens ruim 95 procent van de geschiedenis van de homo sapiens, mensen meer vrije tijd genoten dan wij nu.

Heel fundamenteel bezien zijn we geboren om te werken. Alle levende organismen zoeken, winnen en verbruiken energie om te groeien, in leven te blijven en zich voort te planten. Dit elementaire werk is een van de dingen die levende organismen zoals bacteriën, bomen en mensen onderscheiden van dode dingen, zoals rotsen en sterren. Maar ook onder de levende organismen vallen mensen op door hun manier van werken.

De meeste organismen zijn ‘doelgericht’ in hun energieverbruik, wat betekent dat, hoewel het voor een externe waarnemer mogelijk is om het ​​doel van hun acties te bepalen, er weinig reden is om aan te nemen dat ze aan een karwei beginnen met een duidelijke visie op wat ze willen bereiken. Mensen daarentegen zijn buitengewoon doelgericht. Als we naar ons werk gaan, doen we dat meestal om meer redenen dan alleen om energie te winnen en verbruiken.

Als we ons evolutionaire traject volgen, zien we dat ons lichaam en onze geest gedurende duizenden generaties zijn gevormd door de verschillende soorten werk die onze evolutionaire voorouders hebben verricht. Ook zien we dan dat natuurlijke selectie meestergeneralisten van ons heeft gemaakt, die tijdens hun leven een verbazingwekkende variatie aan vaardigheden kunnen verwerven.

Uit onze evolutionaire geschiedenis blijkt bovendien dat hoe doelgerichter en vaardiger onze voorouders werden in het besparen van energie – dankzij de eenvoudige gereedschappen die ze maakten en uiteindelijk, misschien een half miljoen jaar geleden, door hun beheersing van het vuur –, hoe minder tijd en energie ze besteedden aan het zoeken naar voedsel. In plaats daarvan besteedden ze tijd aan andere doelgerichte activiteiten als muziek maken, verkennen, hun lichaam opsmukken en samen zijn. Het is zelfs mogelijk dat onze voorouders nooit taal zouden hebben ontwikkeld als ze geen vrije tijd hadden verworven met de uitvinding van vuur en gereedschap; net als onze neven, de gorilla‘s, zouden ze tot 11 uur per dag hebben moeten spenderen aan foerageren, kauwen en het verwerken van taai en moeilijk verteerbaar voedsel.

Het is mogelijk dat onze voorouders nooit taal zouden hebben ontwikkeld als ze geen vrije tijd hadden verworven door de uitvinding van vuur en gereedschap

Nieuwe genomische en archeologische gegevens suggereren nu dat homo sapiens ongeveer 300.000 jaar geleden voor het eerst in Afrika opdook. Maar uit de gegevens is het lastig om af te leiden hoe ze leefden. Voor een beter begrip van de stukken bot en gebroken stenen die het enige bewijs vormen van hun levenswijze, begonnen antropologen vanaf de jaren zestig nog bestaande foeragerende volkeren te bestuderen.

De bekendste van deze studies had betrekking op de Ju/’hoansi, een gemeenschap die afstamt van een aaneengesloten lijn van jager-verzamelaars die sinds het begin van onze soort grotendeels geïsoleerd in zuidelijk Afrika hebben geleefd. De studie zette gevestigde ideeën over de sociale evolutie op hun kop, omdat werd aangetoond dat onze jager-verzamelaarvoorouders vrijwel zeker geen ‘nare, gewelddadige en korte’ levens hebben gehad. De Ju/’hoansi bleken goed gevoed en tevreden te zijn, en langer te leven dan de meeste mensen in agrarische samenlevingen. En doordat ze zelden meer dan vijftien uur per week hoefden te werken, hadden ze voldoende tijd en energie over voor ontspanning en plezier.

Delen

Later onderzoek leverde een beeld op van hoe verschillend Ju/’hoansi en andere kleinschalige foerageergemeenschappen zich economisch gezien organiseerden. Het onthulde bijvoorbeeld een samenleving die tegelijkertijd uitermate individualistisch en egalitair was, en waarin het belangrijkste herverdelingsmechanisme bestond uit een systeem dat iedereen het absolute recht gaf om een beroep te doen op eventuele overschotten van een ander. Het toonde ook aan hoe in deze samenlevingen individuele pogingen om middelen of macht te verwerven of te monopoliseren alom werden afgekeurd en bespot.

Maar het belangrijkste was dat deze studies verrassende vragen opriepen over de manier waarop we onze eigen economieën organiseren, niet in de laatste plaats omdat ze aantoonden dat, in tegenstelling tot de aannames over de menselijke aard waar onze economische instellingen op zijn gebaseerd, verzamelaars niet voortdurend bezig waren met schaarste, of verwikkeld in een concurrentiestrijd om middelen.

Terwijl aanhoudende schaarste veronderstelt dat we gedoemd zijn tot een sisyphiaans bestaan, altijd bezig om de kloof tussen onze onverzadigbare verlangens en onze beperkte middelen te overbruggen, werkten verzamelaars zo weinig omdat ze weinig behoeften hadden, die ze bijna altijd gemakkelijk konden bevredigen. In plaats van zich bezig te houden met schaarste, hadden ze vertrouwen in de voorzienigheid van hun woestijnomgeving en in hun vermogen om deze te benutten.

Als we het succes van een beschaving afmeten aan de hand van haar uithoudingsvermogen door de tijd heen, dan komt de economie van de Ju/’hoansi – en andere zuidelijk Afrikaanse verzamelaars – naar voren als meest succesvolle en duurzame in de hele menselijke geschiedenis. Met een flinke marge.

Toch schieten Ju/’hoansi daar tegenwoordig weinig mee op. De afgelopen vijf decennia werden ze grotendeels beroofd van hun land, zodat de meesten nu rondscharrelen in sloppenwijken aan de rand van Namibische steden en in ‘hervestigingsgebieden’, waar ze vechten tegen honger en aan armoede gerelateerde ziekten. Aangezien ze niet in staat zijn banen te vinden in een kapitaalintensieve economie waar de jeugdwerkloosheid net onder de 50 procent schommelt, zijn ze afhankelijk van bedelarij, sporadisch werk – vaak in ruil voor maïspap of alcohol – en overheidssteun.

Cultureel artefact

Als onze preoccupatie met schaarste en hard werken geen deel uitmaakt van de menselijke natuur, maar een cultureel artefact is, hoe is dat dan ontstaan? Er is nu goed empirisch bewijs dat de omarming van de landbouw, die iets meer dan 10.000 jaar geleden begon, niet alleen de oorzaak was van ons geloof in de deugden van hard werken, maar ook de basis vormde voor onze aannames over de menselijke natuur waar de instellingen, structuren en normen van ons huidige economische – en sociale – leven uit zijn ontstaan.

Het is geen toeval dat onze concepten van groei, rente en schulden, evenals een groot deel van ons economisch vocabulaire – woorden als ‘vergoeding’, ‘kapitaal’ en ‘geld’ – tijdens de eerste grote landbouwbeschavingen ontstonden.

Landbouw was veel productiever dan foerageren. Snelgroeiende landbouwpopulaties hadden de neiging om de maximale draagkracht van hun land steeds verder op te rekken, zodat ze steeds één droogte, overstroming of plaag verwijderd waren van hongersnood en rampspoed. En hoe gunstig de elementen ook waren, door de niet-aflatende jaarlijkse cyclus waaraan boeren onderworpen waren, zouden de meeste inspanningen pas in de toekomst worden beloond.

Bovendien weet elke boer dat je voor het uitstellen van een dringende klus, zoals het repareren van een hek of het tijdig inzaaien van een veld, genadeloos zal worden gestraft, terwijl je beloond wordt voor iedere extra inspanning om onvoorziene omstandigheden voor te zijn.

Tol

Als Russell nog leefde, zou hij waarschijnlijk blij zijn met het bewijs dat onze houding ten opzichte van werk een cultureel bijproduct is van de ellende die vroege landbouwsamenlevingen hebben doorstaan. Een dergelijke erkenning zou zijn utopie niet alleen realiseerbaarder maken, maar bovendien de opvatting versterken dat automatisering een einde kan maken aan schaarste en aan de economie zoals wij die kennen – samen met haar sociale instellingen, structuren en normen. Maar hij zou evengoed ontmoedigd kunnen zijn over onze pertinente weigering ons gedrag te veranderen, zelfs al zien we welke tol die eindeloze groei van ons eist.

Er zijn redenen genoeg om onze werkcultuur te herzien, niet in de laatste plaats dat werk de meesten weinig meer oplevert dan een loonstrook. Zoals enquêteur Gallup in een gedenkwaardig onderzoek uit 2017 naar het beroepsleven in 155 landen liet zien, beschreef slechts een op de tien West-Europeanen zichzelf als betrokken bij hun baan. Dit is misschien niet verrassend, aangezien in een ander onderzoek, dat YouGov in 2015 uitvoerde, 37 procent van de werkende Britse volwassenen al aangaf dat hun baan geen zinvolle bijdrage leverde aan de wereld.

Maar er is een nog veel dringender reden om onze manier van werken te veranderen. Als we in ogenschouw nemen dat werk in de meest fundamentele zin een energietransactie is en dat er een samenhang bestaat tussen de hoeveelheid werk die we met zijn allen verrichten en onze ecologische voetprint, is het heel aannemelijk dat minder werken – en minder verbruiken – niet alleen goed zal zijn voor onze gesteldheid, maar bovendien essentieel om een duurzame leefomgeving te waarborgen.

Het economische trauma dat door de pandemie werd veroorzaakt, heeft ons de gelegenheid geboden om onze relatie tot werk opnieuw te bezien en opnieuw te evalueren welke banen we echt van belang vinden.

Je hoort nu vrijwel niemand roepen dat er meer derivatenhandelaren moeten komen ten koste van epidemiologen en verplegers, en ooit marginale ideeën als een universeel basisinkomen of de formalisering van een vierdaagse werkweek, zijn weer vol tot bloei gekomen.

Bovenal heeft de pandemie ons er heel duidelijk op gewezen dat we veel flexibeler zijn in onze manier van werken dan we ons vaak realiseren.

James Suzmans Work: A History of How We Spend Our Time verschijnt bij Bloomsbury.

Beeld: In Tokio krijgen kantoorwerkers een yogales aangeboden. – © Getty

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.