• Cultuur
  • De Grieken

De Grieken

| Philip Matyszak | 23 juli 2018

Veel toeristen staan vreemd te kijken wanneer ze in Turkije op ruïnes van Griekse steden stuiten, of ontdekken dat Napels een Griekse naamgeving is. Nog onbekender is dat er Griekse steden waren tot in de uitlopers van de Himalaya. Matyszak laat zien welke culturen van invloed waren op het Oude Griekenland, en zo indirect op de westerse wereld.

Proloog

In de oudheid omvatte de Griekse wereld in tijd en ruimte veel meer dan wat wij vandaag de dag ‘Griekenland’ noemen. Tegenwoordig staan veel toeristen raar te kijken wanneer ze in Turkije op ruïnes van Griekse steden stuiten. Maar ook bloeiende steden als het Italiaanse Napels (Nea Polis, ‘nieuwe stad’) en het Franse Marseille (Massalia) zijn van oorsprong Grieks, en minstens net zo oud. Sterker nog, Ai-Khanoem in het noorden van Afghanistan werd rond 275 v.Chr. door de Griekse heerser Seleucus I gesticht als Alexandrië aan de Oxus. En dat is nog maar een van de tientallen vroegere Griekse steden die verspreid liggen in Centraal-Azië.

Op haar hoogtepunt omvatte de Griekse beschaving een gebied dat zich meer dan duizend kilometer ten oosten en ten westen van het Griekse vasteland uitstrekte. Syrië, Egypte en Babylonië zijn hellenistische koninkrijken geweest. En veel van die beroemde Grieken waar je op de middelbare school over leert zijn zelden of nooit in Griekenland zelf geweest. Denk aan Herodotus, Sappho, Euclides, Pythagoras en Archimedes.

Er bestaan veel boeken over de geschiedenis van het klassieke Griekenland, maar de klassieke periode vormt slechts een klein deel van de geschiedenis van de Grieken uit de oudheid. De rest is grotendeels in de vergetelheid geraakt en wordt hooguit aangestipt als andere culturen te maken kregen met Grieken. Dit boek kiest de omgekeerde benadering. Het Griekse vasteland komt er nauwelijks aan bod: de focus ligt bij de Grieken elders in de antieke wereld, met name in wat wij nu aanduiden als het Midden-Oosten en Centraal-Azië. Veel Grieken beschouwden die gebieden destijds eenvoudigweg als hun ‘thuis’.

Dit boek vertelt het verhaal van de Grieken buiten Griekenland. Het beslaat een periode van meer dan tweeduizend jaar, van prehistorische Griekse nederzettingen aan de oevers van de Zwarte Zee tot aan de val van de laatste grote Griekse stad in de middeleeuwen, het machtige Constantinopel. Tussen deze twee momenten hebben we het over de opkomst van Griekenland als grote mogendheid in het Egeïsche Zeegebied, de veroveringen door Alexander en over de uitgestrekte hellenistische koninkrijken na hem, die samen net zo groot waren als het latere Romeinse rijk. We zullen ook zien dat de Griekse beschaving in Klein-Azië en het Midden-Oosten nauwelijks beïnvloed werd door de komst van de Romeinen en dat het Byzantijnse rijk in de lange periode na de Romeinen in vrijwel alle opzichten terugkeerde naar zijn Griekse wortels.

Alle zeven wereldwonderen van de antieke wereld – de grote piramide van Gizeh, de vuurtoren van Alexandrië, de hangende tuinen van Babylon, de Kolossus van Rhodos, de Artemistempel, het standbeeld van Zeus in Olympia en het mausoleum van Halicarnassus – werden gebouwd ofwel door Grieken, ofwel in landen die later onder Griekse overheersing zouden staan. Maar slechts één ervan, het standbeeld van Zeus, bevond zich op het Griekse vasteland zelf.

De Griekse wereld in brede zin vormde een fascinerende combinatie van enorme denkkracht, diepe menselijkheid en een sterk gevoel voor esthetiek. De mensen die deze wereld bevolkten, van decadente despoten en excentrieke genieën tot fenomenale kunstenaars, hebben een diepgaande invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van de westerse beschaving. In dit boek zullen we zien dat ze nog steeds onder ons zijn, al hebben we het niet in de gaten.

Dit is hun verhaal.

1. De Grieken voor de tijd van Alexander

Rond 1200 v.Chr. maakte het antieke Griekenland deel uit van een samenhangend cultuurgebied dat volop in ontwikkeling was en dat zich uitstrekte van Indië tot aan het westelijke Middellandse Zeegebied. Op dit hoogtepunt van de bronstijd liepen er handelsroutes van Brittannië tot ver in Azië. Een Egyptische farao kon begraven worden met om zich heen kruiken uit Mesopotamië, olijfolie uit Cyprus, cederhout uit Libanon en bronzen voorwerpen die tin uit Wales bevatten. Het was de tijd van de Hethieten, de minoïsche stierspringers op Kreta en de ‘paleiscultuur’ van het Myceense Griekenland, een wereld die zou voortleven in de legendes over Hercules en Helena van Troje. Deze wereld was ontwikkeld, verfijnd, welvarend – en ten dode opgeschreven.

Het noodlot dat toesloeg was verschrikkelijk en het is nog steeds onbegrepen. In de jaren tussen 1050 en 1000 v.Chr. werden vrijwel alle steden van enig belang in de antieke wereld geplunderd en verwoest. Zelfs het machtige Egypte, met zijn natuurlijke verdedigingslinies van zee en woestijn, werd op grote schaal belaagd door de Hyksos, de zeevolkeren, en onder die druk verviel het land bijna tot anarchie. De hethietische en de minoïsche beschaving, die niet zulke sterke natuurlijke grenzen hadden, werden van de aardbodem weggevaagd. De handel stortte ineen, bevolkingsaantallen liepen dramatisch terug en in het westelijke Middellandse Zeegebied begon een ‘donkere periode’ die meer dan tweehonderdvijftig jaar geduurd heeft.

De geleerden zijn het er niet over eens wat nu precies de oor zaak van deze ineenstorting was. Er is gedacht aan vulkaanuitbarstingen, en dan met name de grote uitbarsting van de vulkaan Thera (het huidige Santorini), die klimaatveranderingen tot gevolg hadden. De Thera spuwde naar schatting zo’n zestig kubieke kilometer aan puin de atmosfeer in; de invloed die dat op het weer had werd tot in China opgemerkt en vastgelegd. Maar ook invasies door barbaren, heftige epidemieën en een economische crisis zijn wel gesuggereerd als mogelijkheden. En als deze fenomenen niet de oorzaak van de donkere periode waren, dan hebben ze er in elk geval wel aan bijgedragen.

Griekenland met zijn Myceense beschaving werd niet gespaard. In alle steden die daar zijn opgegraven hebben archeologen sporen van verwoesting uit deze periode aangetroffen. Er hebben zich in de laatste decennia van de elfde eeuw v.Chr. de vreselijkste dingen afgespeeld, waaronder brandschatting en plundering. De lijken werden niet begraven maar bleven gewoon op straat liggen. De overlevenden trokken zich terug in afgelegen valleien en in versterkingen boven op heuvels. In de daaropvolgende decennia verleerden de mensen het schrijven, en het economisch verkeer werd gereduceerd tot ruilhandel tussen naburige dorpen.

De Griekse bevolking veranderde van samenstelling. In latere Griekse tradities is sprake van de Doriërs, een volk dat zichzelf aanduidde als ‘de zonen van Hercules’ en dat vanuit de Balkan naar het zuiden trok, waarna het het grootste deel van de Peloponnesus in bezit nam. Later identificeerden de Grieken zichzelf ofwel met de oorspronkelijke Ioniërs en Arcadiërs, ofwel met deze binnenvallende Doriërs (vooral de Spartanen zagen zichzelf als Dorisch).

Als gevolg van de Dorische invasie sloegen de oorspronkelijke bewoners van de Peloponnesus op de vlucht. Ze vestigden zich in soms verafgelegen streken en stonden zo aan de wieg van het Griekse rijk dat in de daaropvolgende periode zou opkomen. Althans, zo zagen de oude Grieken dat zelf. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat het plaatje in werkelijkheid een stuk complexer was. Om te beginnen is het niet duidelijk of de Doriërs de oorspronkelijke bevolking hebben verdrongen of zich ermee hebben vermengd. Het kan ook nog zijn dat zijzelf de eerste bewoners van het schiereiland waren. In elk geval is de ineenstorting van de Myceense beschaving niet alleen aan de Doriërs te wijten. Maar in dit boek kijken we niet zozeer naar oorzaken als wel naar gevolgen, en het gevolg van de ineenstorting in de donkere periode was hoe dan ook dat de Griekse beschaving zich verspreidde over het hele Middellandse Zeegebied en daarbuiten.

Een stimulerende uitwisseling zorgde in de vijfde eeuw voor een intellectuele revolutie die de wereld tot op de dag van vandaag mede bepaald heeft

Toen de nevelen van de donkere periode optrokken en het archaïsche Griekenland zichtbaar werd, woonden er niet alleen Grieken ver buiten hun eigen land, maar de ‘buitenlandse’ steden liepen ook nog eens voorop bij het uitdragen van de Griekse beschaving in de nieuwe tijd. Voor de mensen in de oudheid omvatte ‘Griekenland’ ook delen van Klein-Azië, de eilanden in de Egeïsche Zee, Sicilië en grote delen van Zuid-Italië. Als de belangrijkste delen van de Griekse wereld golden Hellas, het eigenlijke Griekenland; dan Ionië, de Griekse steden op de Egeïsche eilanden en in de kustregio van Klein-Azië; en ten slotte Magna Graecia, dat onder meer Sicilië en het zuiden van Italië omvatte. In totaal waren er honderden Griekse koloniën (de stad Miletus alleen al stichtte er dertig). Van Mainake in het zuiden van het Iberisch schiereiland tot Phasis aan de Zwarte Zeekust van het huidige Georgië, vormden de Griekse kustnederzettingen ‘een Griekse zoom op een barbaarse mantel’.

Deze steden hadden veel meer gemeenschappelijk dan hun Griekse cultuur. Om te beginnen lagen ze allemaal aan of vlak bij zee. Ook de filosoof Plato had daar een mooi beeld voor: volgens hem waren de Griekse steden rond de Middellandse Zee net ‘kikkers om een vijver’ (Phaedo, 109b). Van Halicarnassus in Klein-Azië tot Syracuse op Sicilië gingen Griekse kolonisten vermoedelijk telkens op dezelfde manier te werk. Eerst zochten ze een eilandje voor de kust, om daar een versterkte basis te vestigen. Vervolgens gingen ze zakendoen met de plaatselijke bevolking en zodra die een beetje aan ze gewend was geraakt, stichtten ze een nederzetting op het vasteland, waarbij de eilandbasis voor de zekerheid aangehouden werd.

Hoe belangrijk deze procedure voor de eerste kolonisten was, blijkt uit het voorbeeld van Chalcedon. Deze stad werd later wel ‘de stad der blinden’ genoemd, omdat de stichters kennelijk niet in de gaten hadden gehad dat er aan de overkant van de Bosporus een veel aantrekkelijker locatie voorhanden was – het latere Constantinopel. Echter, bij Chalcedon had men de beschikking over het schiereiland Kadıköy als ‘basis buitengaats’, en iets dergelijks ontbrak aan de Europese kant van de zeestraat.

Doorgaans hechtten de koloniën aan een goede band met hun stichterstad (voor Chalcedon was dat bijvoorbeeld Megara). Zo’n band berustte niet alleen op sentiment maar ook op handel. Goederen uit de respectieve achterlanden werden op koopvaardijschepen af- en aangevoerd. De Atheners exporteerden vazen naar Fenicië en importeerden de beroemde paarse kleurstof uit dat land. De Feniciërs op hun beurt verkochten die vazen weer door naar Egypte in ruil voor graan en papyrus. Chinese zijde en slippers uit Perzië, geïmporteerd door de steden in Anatolië, konden in Rhegium geruild worden tegen was, kaas en slaven uit Italië. Tussen Carthago en de Grieken op Sicilië was het niet alleen haat en nijd maar werd er ook gehandeld in ivoor, tin uit Cyprus, of bronzen voorwerpen uit Etrurië.

Handel bracht voorspoed in steden als Korinthe. Die stad had zoveel voordeel van haar ligging op het smalste stuk van de Peloponnesische landengte dat ze vaak werd aangeduid als ‘het welvarende Korinthe’. En in Sybaris in Zuid-Italië ontwikkelde men zo’n luxueuze levensstijl dat zelfs nu nog het woord ‘sybaritisch’ staat voor zelfvoldane decadentie.

Uit de diverse achterlanden kwamen er niet alleen allerlei goe deren naar de Griekse wereld maar ook cultuur, ideeën, godsdiensten en filosofieën. Deze stimulerende uitwisseling zorgde in de vijfde eeuw voor een intellectuele revolutie die de wereld tot op de dag van vandaag mede bepaald heeft.

Intellectuele bloei

Als we kijken naar het bloeiende intellectuele leven in het vroegklassieke Griekenland, dan zien we dat veel van wat daar tot ontwikkeling kwam niet oorspronkelijk Grieks was. Er zijn duidelijke sporen van Semitische (Fenicische en Joodse) beïnvloeding en de Grieken bouwden ook voort op het werk van de Babyloniërs. Ook is er de controversiële ‘zwarte Athene’-hypothese, die inhoudt dat veel van de Griekse filosofie zou zijn ontleend aan het Afrikaanse denken en via Egypte naar Griekenland zou zijn gekomen. Al is deze gedachte in toenemende mate onder vuur komen te liggen, het lijkt wel steeds waarschijnlijker dat het Griekse alfabet in Egypte is ontwikkeld en een Semitische oorsprong heeft. Taalkundig gezien gaat het woord ‘alfabet’ terug op de Semitische woorden alef (stier) en beth (huis). (‘Bethlehem’ betekent letterlijk ‘broodhuis’.)

Maar waar men bij eerdere schriftvormen, zoals de Egyptische hiëroglyfen, gebruikmaakte van pictogrammen, gingen de Grieken een stap verder door symbolen te gebruiken voor het weergeven van de klanken van hun taal. Tekenden de Egyptenaren een plaatje om bijvoorbeeld een kat te laten zien, de Grieken gebruikten tekens om de klanken van het gesproken woord voor ‘kat’ mee te noteren. Uit dit voorbeeld van het alfabet blijkt dat de Grieken buitenlandse ideeën niet klakkeloos overnamen. Ze dachten er goed over na en voerden aanpassingen en verbeteringen door met behulp van concepten uit de vele culturen waar ze mee in contact stonden. Dat leidde dan tot een typisch Griekse synthesis.

Evenzo valt uit de mythologie af te leiden dat de klassieke Griekse goden van elders zijn gekomen. Zeus is afkomstig van Kreta, Aphrodite van Cyprus, Dionysus en de heksgodin Hecate uit Anatolië. De oudste legenden over Hercules stammen niet uit Griekenland maar uit Egypte. Maar toen ze eenmaal door de Grieken waren geadopteerd, ondergingen de goden wel fundamentele veranderingen, zodat ze beter pasten bij de Griekse opvattingen over godsdienst.

Volgens de Griekse mythologie verkregen de Olympische goden de heerschappij over de wereld nadat ze de eerdere goden in een letterlijke titanenstrijd hadden verslagen (Zeus en zijn voorgangers behoorden tot een geslacht van reuzen dat bekendstond als de Titanen). Deze strijd weerspiegelt mogelijk het moeizame proces waarin het nieuw geïmporteerde buitenlandse pantheon zich een plaats moest zien te veroveren in het denken en de leefwereld van de gelovigen.

Met de nieuwe goden kwamen er ook nieuwe opvattingen over godsdienst. Voorheen meende men dat het verloop der dingen direct werd aangestuurd door de goden. Om maar iets te noemen: het koren groeide omdat de godin Demeter dat zo wilde. En meer was er niet van te zeggen, want de wegen der goden waren fundamenteel ondoorgrondelijk. Maar in de archaïsche en klassieke periodes gingen de Grieken de goden zien als krachten. Zeus was de ordenende kracht, Aphrodite de kracht van de liefde, Demeter stond voor de impuls die de velden vruchtbaar maakt, enzovoort. En toen de wereld onderhevig bleek te zijn aan een krachtenspel werd het mogelijk om de kosmos te beschouwen als een soort machine. Dit hele proces werd vergemakkelijkt doordat de Grieken geen dogma’s kenden – in de zin van godsdienstige opvattingen die door een geestelijkheid voor onbetwistbaar en onaantastbaar worden gehouden – en ook geen ketterij. De Grieken waren zeker geen voorstanders van godslastering en heiligschennis, maar dat was alleen omdat ze geloofden dat je de goden maar beter niet kon beledigen, aangezien die niet al te precies waren in hun wraakoefeningen. Daar konden zomaar onschuldige slachtoffers bij vallen.

Zolang het de gemeenschappelijke verering van de goden niet in de weg stond was de gemiddelde Griek vrij om te geloven wat hij wilde. En toen de Griekse filosofen de wereld als een machine waren gaan zien, en dus probeerden uit te vinden hoe die machine werkte, bestonden daar vanuit godsdienstige hoek geen ideologische bezwaren tegen.

Van daaruit werd het concept van empirische wetenschap ontwikkeld – het zelf doen van waarnemingen en het vervolgens systematiseren van de op die manier verworven kennis. Dit concept is de basis van de moderne wetenschapsbeoefening. Voor ons mag het vanzelfsprekend lijken, maar in de oudheid vormde het een enorme intellectuele doorbraak, waar onze biologie, wiskunde, natuuren scheikunde rechtstreeks op gebaseerd zijn.

De filosofen hadden ook al snel in de gaten dat de maan om de aarde draait. Maar vervolgens trokken ze de overhaaste conclusie dat de rest van het universum ook om de aarde draait

De moderne filosofie houdt zich voornamelijk bezig met het zelf, ethiek en moraliteit, maar de eerste ‘minnaars van de wijsheid’ (de eigenlijke betekenis van het woord ‘filosofen’) hadden een veel bredere blik. Die richtten zich op vragen die eerder tot het domein van de priesters behoorden. Waar komen de dingen vandaan? Waar zijn ze van gemaakt? Is de natuur te beschrijven als een reeks processen?

De antwoorden waar men mee kwam waren deels op het bizarre af fout. Griekse astronomen kwamen erachter dat de aarde rond is door te kijken naar de schaduw van de aarde die bij een maansverduistering op de maan valt. En ze hadden ook al snel in de gaten dat de maan om de aarde draait. Maar vervolgens trokken ze de overhaaste conclusie dat de rest van het universum ook om de aarde draait. Ze ontwikkelden een uitgewerkt model van de kosmos waar niets van klopt, terwijl het wel alle waargenomen verschijnselen kon verklaren.
Daarin bevonden zich enkele sterren die door de sterrenbeelden heen bewogen, terwijl alle andere sterren op hun plaats bleven. Dit bleken later de planeten te zijn, van het Griekse woord planètès ofwel ‘zwerver’.

Zo nam het Griekse denken het bijgeloof weg dat tot dan toe geheerst had rond verschijnselen zoals zonsverduisteringen. Men begreep die nu en kon ze ook voorspellen. Zo legde de staatsman Pericles een en ander ooit uit aan een zeeman door zijn mantel tussen de zeeman en de zon te houden. Een zonsverduistering was net zoiets, legde hij uit, maar dan groter en verder weg. De vroege Grieken meenden dat alles op Gaia (de aarde) bestaat uit kenmerkende hoeveelheden van de vier elementen aarde, lucht, water en vuur. In de vijfde eeuw kwamen de filosofen Democritus en Leucippus tot de conclusie dat alle materie te herleiden is tot een enkele bouwsteen. Die kon je vinden door iets in tweeën te snijden, de helft vervolgens ook weer en zo verder totdat je aankwam bij de laatste, fundamentele, onsnijdbare (Grieks: atomos) eenheid. Leucippus betoogde dat de materiële wereld bestaat uit deze ‘atomen’, gerangschikt in een bijna oneindig groot aantal verschillende combinaties. Die vormen de dingen waar we dagelijks mee te maken hebben.

Dit proces van wetenschappelijk onderzoek is in de volgende vijfhonderd jaar voortgezet, en in alle wetenschappen werd telkens opnieuw vooruitgang geboekt. Tegen het eind van de hellenistische periode had de filosofie met opmerkelijke nauwkeurigheid zaken als de omvang van de aarde en de afstand van de aarde tot de maan vastgesteld. Het hefboomprincipe was wiskundig uitgewerkt (‘Geef me ergens een vast punt en ik krijg de aarde in beweging,’ aldus Archimedes), evenals de meetkunde. Men wist hoe men een stoommachine (aeolipile) moest bouwen en aan de praat krijgen.

De vooruitgang en creativiteit van deze periode werd pas getemperd door de komst van het Romeinse rijk en kwam vrijwel tot stilstand toen dat rijk uiteenviel. Bij de opbouw van het moderne Europa tijdens de renaissance en de verlichting lieten de grote denkers van toen de filosofische en religieuze sjibbolets van de voorbije duizend jaar grotendeels voor wat ze waren. Ze gingen verder waar de Grieken gebleven waren.

Grieken buiten Griekenland

Een van de interessante aspecten van de vroege Griekse filosofie is dat ze grotendeels buiten het Griekse vasteland tot ontwikkeling kwam. De eerste filosofen kwamen uit Milete, een stad niet ver van de kust van Anatolië, bij de monding van de rivier de Meander, met zijn spreekwoordelijke bochten. Korte tijd later waren het filosofen op het nabijgelegen eiland Samos die concludeerden dat het universum mathematisch coherent is (twee plus twee is altijd en overal vier) en dat de mensen er goed aan zouden doen om hun leven op dit harmonische en evenwichtige principe af te stemmen. De Efesische filosofie ontstond, de naam zegt het al, in de stad Efese, gelegen aan de kust van Klein-Azië.

De andere grote tak van de Griekse filosofie ontstond ook al niet in Griekenland maar in het zuiden van Italië. Uit de Eleaanse school (Elea is het huidige Velia, in de provincie Salerno) kwam Zeno voort. Hij werd bekend door zijn paradoxen en het principe van het bewijs uit het ongerijmde, of reductio ad absurdum, de gedachte dat het aanvaarden van iets wat niet waar is, of het verwerpen van iets wat wel waar is, uiteindelijk tot onhoudbare conclusies moet leiden. Andere filosofische centra in het westen waren Agrigentum op Sicilië (de pluralisten) en Croton, aan de Italiaanse zuidkust.

Verscheidene presocratici, zoals deze vroege filosofen genoemd worden, kwamen uit Thracië, het woeste gebied rond de Zwarte Zee – een van de gebieden waar Griekse kolonisten zich vlak na de donkere periode gevestigd hadden. Het ging daarbij onder meer om de sofisten (die stelden dat de werkelijkheid subjectief is; een redenering die daarvan uitgaat noemen we nog steeds een sofisme) en Leucippus de atomist, waar het zojuist al over ging.

Misschien wel de bekendste van deze filosofen was en is Pythagoras, wiens ‘a-kwadraat plus b-kwadraat is c-kwadraat’ nog steeds ijverig uit het hoofd geleerd wordt op school. Opmerkelijk genoeg kwam Pythagoras maar zelden op het Griekse vasteland. Het grootste deel van zijn leven bracht hij door in Ionië, met name op Samos, en later in Zuid-Italië.

Sappho, een van de grootste dichteressen van de antieke wereld, begon haar carrière in Ionië, om te eindigen in Zuid-Italië. Het is onduidelijk of ze ooit op het Griekse vasteland is geweest.
Sappho, een van de grootste dichteressen van de antieke wereld, begon haar carrière in Ionië, om te eindigen in Zuid-Italië. Het is onduidelijk of ze ooit op het Griekse vasteland is geweest.

Het waren niet alleen filosofen die belangrijke bijdragen leverden aan de Griekse cultuur zonder zich al te vaak op het Griekse vasteland te vertonen. Denk aan de legendarische Homerus, die met zijn werk het klassieke gedachtegoed en de klassieke godsdienst in hoge mate bepaald heeft. Als je iemands ‘mentor’ bent (of als je, in het Engels, iemand ‘hectort’, intimiderend toespreekt) dan speel je in feite personages uit Homerus’ Ilias na. Het Trojaanse paard en de achilleshiel zijn bij ons al net zo ingeburgerd als bij de Grieken.

De meningen zijn verdeeld over de vraag waar Homerus vandaan kwam. Er wordt zelfs aan getwijfeld of het bij ‘Homerus’ wel om één enkele persoon gaat. Hoe dan ook, er zijn maar weinig antieke bronnen die de schrijver van de Ilias en de Odyssee op het Griekse vasteland lokaliseren. De meest gezaghebbende bron – al gelooft men tegenwoordig niet meer dat Homerus die zelf geschreven heeft – is de ‘Apollohymne’, waarin staat:

Zou een vreemdeling vragen: ‘Jongedames, welke zanger hier geeft jullie het meeste plezier?’ antwoord dan samen met lieflijke stem: ‘Blind is die dichter en hij komt van het rotsige eiland Chios.’ (3, r. 165-170)

Zoals Homerus van Chios kwam, zo kwam een andere dichter van het nabijgelegen Lesbos – een vrouw die er met haar homo-erotische gedichten voor gezorgd heeft dat vrouwen met haar seksuele geaardheid tegenwoordig ‘lesbisch’ genoemd worden. We hebben het over Sappho, een van de grootste lyrische dichteressen van de antieke wereld. (‘Lyrische’ gedichten waren bedoeld om te worden gezongen onder begeleiding van een lier.) Net als Pythagoras begon Sappho haar carrière in Ionië, om te eindigen in Zuid-Italië. Het is onduidelijk of ze ooit op het Griekse vasteland is geweest.

Een ander concept waar de Grieken verder in gingen dan alle andere beschavingen vóór hen was dat van het ‘onderzoeken’ van gebeurtenissen, het analyseren van het verleden en het zoeken naar oorzaken van belangrijke ontwikkelingen. Het Griekse woord hiervoor was historia. Er waren eerder wel ‘historiën’ geschreven, maar dat waren eenvoudige chronologische opsommingen van gebeurtenissen. Het waarom van de gebeurtenissen kwam daarin niet aan de orde; hooguit werd iets neergezet als de wil van deze of gene godheid.

Het was een Griek van buiten Griekenland die voor het eerst een geschiedenis schreef waarin de wil van de goden nauwelijks een rol speelde. Herodotus uit Halicarnassus onderzocht de oorzaken van de Perzische Oorlog met de Grieken. Onze kennis over de veldslagen bij Marathon, Thermopylae en Salamis, waarbij de Perzische invasie van het Griekse vasteland tot staan gebracht en uiteindelijk teruggeslagen werd, hebben we hoofdzakelijk aan Herodotus te danken. Minder bekend is dat Herodotus technisch gezien tot de verliezers behoorde. Als burger van Halicarnassus in Klein-Azië was hij onderdaan van het Perzische rijk. Koningin Artemisia van Halicarnassus werd door de Perzische Koning der koningen nog zeer geprezen voor haar heldhaftig optreden tijdens de Slag bij Salamis in 480 v.Chr.

Vanwege zijn verslag van de Perzische Oorlogen staat Herodotus, terecht, bekend als ‘de vader van de geschiedschrijving’. Maar zijn Historiën is ook deels een reisverhaal en deels een verzameling losse anekdotes uit de landen waar hij doorheen trok. Omdat zijn stad deel uitmaakte van het Perzische rijk kon Herodotus verre reizen maken door het hele Midden-Oosten. Het eerste verslag uit Indië door een westerling is van zijn hand. Hij is waarschijnlijk ook in Egypte geweest, en die reis leverde een schat aan verhalen op, waaronder dat over een Griek die dwars door de Sahara reisde en bij de rivier de Niger uitkwam. (Hero dotus dacht dat dat de Nijl was die een scherpe bocht naar het westen maakte.)

Hij vertelt over een Fenicische kapitein die helemaal om Afrika heen voer. Met enige aarzeling merkt hij daarbij op: ‘Deze mannen vertelden iets wat ik eigenlijk niet kan geloven: […] aan de zuidkant van Afrika voeren ze naar het westen en toen hadden ze de zon aan hun rechterhand, dus in het noorden’ (Historiën, 4.42). Maar dat klopt natuurlijk als een bus, zoals iedere inwoner van Kaapstad zal kunnen bevestigen.

Een eervolle vermelding verdient ten slotte een Griek uit een veel latere periode: de uitvinder en wiskundige Archimedes, beroemd vanwege zijn eurekamoment (‘nu heb ik het!’) in bad. Archimedes is een keer in Egypte geweest, maar hij werd geboren en woonde het grootste deel van zijn leven op Sicilië. Van hem is niet bekend dat hij ook maar een voet op Griekse bodem heeft gezet. Hij leefde lang na de anderen die hier besproken worden: hij werd gedood na de inname van Syracuse door de Romeinen in 212 v.Chr. Maar hij vormde het levende bewijs dat het Griekse uitvindtalent al die eeuwen is blijven bloeien. En ook hem, net als vele anderen, beschouwen we als bij uitstek Grieks, hoewel hij nauwelijks een band had met het Griekse vasteland.

De meeste uitingsvormen van de Griekse beschaving kwamen dus buiten Griekenland tot bloei. De uitzondering op die regel was het toneel. Op dat gebied was Athene onovertroffen. Geen andere stad kwam ook maar in de buurt van de (nog altijd gespeelde) stukken van Sophocles, Aeschylus, Euripides, Menander, Aristophanes en hun tijdgenoten.

Nadat de Perzen er niet in geslaagd waren het Griekse vasteland in te lijven volgde er een gouden eeuw voor de Griekse cultuur. Deze periode is genoemd naar de toenmalige Atheense leidsman Pericles. Die had overigens geen officiële status. Athene was namelijk volop aan het experimenteren met een extreme vorm van democratie waarin slechts een paar ambtenaren functioneerden, die uitsluitend bezig waren met het voorbereiden van de agenda voor de volksvergadering. En zelfs die ambtenaren werden verkozen of aangewezen door het lot. Met als gevolg dat in theorie een schoenmaker net zoveel recht had om de vergadering toe te spreken als Pericles. (In weerwil van dit democratische ideaal was er wel zoveel ontzag voor rijken en aristocraten dat het bestuur van Athene normaal gesproken in handen was van mensen als Pericles – een rijke aristocraat.)

Op democratische ideeën over het landsbestuur bestond in Griekenland destijds al, en zeker in latere, meer autocratisch ingestelde periodes, veel kritiek. Ook latere historici hadden er bezwaren tegen, en die klinken door in het woord ‘democratie’ zelf, dat in feite een sterk negatieve bijklank heeft, iets als ‘heerschappij van het gepeupel’. Het grondwoord kratos verwijst naar macht en geweld. Het is tekenend dat deze term gebruikt werd en niet een vriendelijker omschrijving als bijvoorbeeld ‘demarchie’, wat ook iets als volksbestuur betekent.

De Atheners hebben de democratie weliswaar niet uitgevonden – in de archaïsche periode bestond die al in ruwe vorm in Sparta – maar ze gingen extreem ver in het toekennen van macht aan het volk als geheel. (Waarbij het ‘volk’ bestond uit gerespecteerde Atheense mannen. Alleen satirici als Aristophanes konden zoiets onzinnigs bedenken als vrouwelijke leden van de volksvergadering.)

Er is altijd veel aandacht geweest voor de Atheense democratie, ook al vormde die niet de basis van de moderne democratie naar Europese snit. Die komt voort uit de Angelsaksische stamvergadering, het zogeheten ‘ding’ (Engels: moot). Bovendien hebben slechts een paar Griekse steden gedurende een relatief korte periode echt totale democratie gekend. Later, in de hellenistische tijd, werd democratie hier en daar op lokaal niveau toegestaan, maar uiteindelijk had de koning het voor het zeggen. Toch bestaat er terecht veel lof voor de Griekse democratie, al was het maar omdat ze van invloed is geweest op de staatsvorm van de Romeinse republiek, die een eigen (beperkte) vorm van democratie kende. En de Romeinse democratie is op haar beurt een bron van inspiratie geweest voor de Founding Fathers van de Verenigde Staten. Daarom heeft dat land bijvoorbeeld een Senaat.

De Peloponnesische Oorlog en de opkomst van Macedonië

De Atheense gouden eeuw had ook een keerzijde. Ten diepste was ze gebouwd op verraad. Onder leiding van Sparta hadden de Grieken samengewerkt om de Perzische inval af te slaan. Toen de Perzische dreiging wegviel had Sparta, dat vooral met zichzelf bezig was, de leiding over de Grieken uit handen gegeven en nu ging Athene de leidersrol vervullen. Hadden de onafhankelijke Griekse stadstaten tot dan toe soldaten en schepen geleverd voor de gemeenschappelijke verdediging, onder Atheense leiding ging men er meer en meer toe over geld te betalen aan Athene, waarmee die stad de anderen van troepen en schepen voorzag.

Deze betalingen ontwikkelden zich tot een soort belasting, die elk jaar hoger werd en die door Athene gewapenderhand werd geïnd. Staten die eerst dachten dat ze bondgenoten van Athene waren, bleken onderhorig te zijn geworden. Geld dat oorspronkelijk bedoeld was om de Perzen op afstand te houden werd nu ingezet ter meerdere eer en glorie van Athene. Volkeren die zich uit vrije wil hadden aangesloten bij de bond tegen de Perzen moesten nu knarsetandend in de buidel tasten om Atheense bouwprojecten te financieren. De staten onder hun gezag werden door de Atheners met een stalen gezicht aangeduid als ‘het Atheense rijk’.

Bij deze gestage opkomst van Athene begon Sparta zich ongemakkelijk te voelen. Het ongedurige, expansionistische optreden en de groeiende macht van de Atheners werd door Sparta en zijn bondgenoten als een bedreiging ervaren waar iets tegen gedaan moest worden. De oorlog tussen het Atheense rijk en de Peloponnesische Bond onder aanvoering van Sparta duurde bijna dertig jaar, en vrijwel de gehele Griekse wereld, van Thracië tot Sicilië, was erbij betrokken. Uiteindelijk werd Athene verslagen, van een vloot was nauwelijks sprake meer en economisch zat het aan de grond. De historicus Thucydides, die in die tijd leefde en die de definitieve geschiedenis van het conflict schreef, meldt dat Sparta in de laatste fase van de strijd gesteund werd door de Perzen. Met grote hoeveelheden goud en zilver zorgden die ervoor dat de Spartaanse vloot de Atheense zeemacht uiteindelijk kon breken. Een door Sparta ingestelde oligarchie werd algauw door de Atheners weggejaagd, maar de mooie jaren van voor de oorlog kwamen niet meer terug.

Al voor het conflict waren de Perzen erg onder de indruk geraakt van de Griekse hoplieten, zwaarbewapende infanteristen die hen al vaak hadden weten te verslaan. Toen het weer vrede werd konden deze Grieken als huurlingen aan de slag voor de Perzen, en velen deden dat ook, bijvoorbeeld in Thracië of Egypte. Het beroemdste contingent werd misschien wel gevormd door de tienduizend vechters die door de Perzische troonpretendent Cyrus werden ingehuurd om daarmee zijn broer opzij te zetten. Hoogtepunt van het conflict was de Slag bij Cunaxa in 401 v.Chr. De Grieken behaalden daar een eenvoudige overwinning. Maar Cyrus kwam bij de gevechten om het leven en dat was het einde van zijn opstand. Nu zaten de tienduizend Grieken in de val in vijandig gebied, iets ten noorden van Babylon in het huidige Irak. Hoe zij zich een weg terug vochten naar de Zwarte Zee en vandaar naar Griekenland behoort tot de grote heldenverhalen van de militaire geschiedenis. Het werd als Anabasis of De tocht van de tienduizend opgeschreven door Xenophon, een van de aanvoerders van het leger. Tussen de regels door wordt in dit werk de superioriteit van de Grieken tegenover hun veel talrijkere Perzische tegenstanders onderstreept. Nergens werd dit werk met zoveel aandacht gelezen als in Macedonië.

Tot halverwege de vierde eeuw v.Chr. waren de Grieken in het zuiden er niet van overtuigd dat het grote half feodale koninkrijk in het noorden echt Grieks was. Het was zeker nuttig als een buffer tegen invallen door barbaren uit het noorden. Maar in het zuiden was de monarchie zo goed als afgeschaft en beschouwde men de polis, de stadstaat, als de normale bestuursvorm. Het dialect, de gewoonten, en dus ook het bestuur in Macedonië vonden de Grieken in het zuiden maar raar. Wel lieten ze met de nodige tegenzin toe dat Macedonische koningen meededen aan pan-Helleense evenementen als de Olympische Spelen (waar bijvoorbeeld deelnemers uit Syracuse zonder meer welkom waren).

Dit veranderde in 359 v.Chr. toen koning Philippus II in Macedonië aan de macht kwam. Die had tijdens zijn jeugd als gijzelaar vastgezeten in Thebe, toentertijd misschien wel de machtigste stad in Griekenland. Hij had in militair opzicht veel van de Thebanen geleerd en toen hij als koning terugkeerde naar Macedonië paste hij zijn kennis direct toe op het Macedonische leger. Hij ontwikkelde de Macedonische lansen-falanx, die twee eeuwen lang het voornaamste wapen van de Grieken zou vormen (uiteindelijk kon hij niet op tegen de Romeinse legioenen).

Naar de Griekse gewoonte van die dagen rustte Philippus zijn falanx-soldaten uit met een lange speer, de sarissa. Daarmee konden soldaten in de tweede en derde lijn van de falanx direct meestrijden. De vijand werd geconfronteerd met een muur van speren die praktisch niet te verslaan was in man-tegen-mangevechten.

Philippus stuurde een waarschuwing naar Sparta: “Als ik met mijn leger kom, dan zal ik jullie land plunderen, je bevolking afslachten en je stad verwoesten.” Het antwoord van de Spartanen was kenmerkend laconiek: “Als”

Ten tijde van Philippus’ troonsbestijging stond Macedonië er niet best voor. Binnenslands had hij te maken met rivalen die hem de troon betwistten (in feite begon hij als regent voor de nog jonge zoon van zijn overleden broer, Amyntas, maar algauw eigende hij zich de troon toe). Van buitenaf werd het land bedreigd door machtige samenwerkingsverbanden van barbaren. Eerst drong hij met geweld en overreding de barbaarse invallers terug en vervolgens richtte hij zich op het noorden van Griekenland.

Hij veroverde de gebieden rond Amphipolis en Crenides (die laatste stad noemde hij voortaan Philippi) en kwam zo in het bezit van mijnen met behulp waarvan hij zijn latere veroveringen kon financieren.

In 354 v.Chr. heerste Philippus over Thessalië, en al doende had hij ook de Griekse steden langs de Balkankust in zijn koninkrijk ingelijfd. Tegen die tijd was hij een oog armer (een verwonding, opgelopen tijdens het beleg van Methone in het noorden van Griekenland) en een zoon rijker. Die noemde hij Alexander, een veelvoorkomende naam in de familie. Hij bleef zich bemoeien met de aangelegenheden van Midden-Griekenland en liet duidelijk zien wie er de sterkste was tijdens de Slag bij Chaeronea in 338 v.Chr., waar hij een door Athene en Thebe geleide alliantie verpletterde.

Vanaf dat moment was Philippus de facto alleenheerser in Griekenland. Alleen de Peloponnesus onder aanvoering van Sparta bleef zich verzetten. Hij stuurde daarop een waarschuwing naar Sparta: ‘Als ik met mijn leger kom, dan zal ik jullie land plunderen, je bevolking afslachten en je stad verwoesten.’ Het antwoord van de Spartanen was kenmerkend laconiek: ‘Als.’ Uiteindelijk liet hij Sparta met rust.

Philippus lijkt zichzelf echter niet als koning van Griekenland beschouwd te hebben. Hij zag zichzelf liever als de man onder wiens leiding de verenigde Griekse volkeren de overwinning zouden behalen op de echte vijand, het Perzische rijk. Na zijn overwinning bij Chaeronea stelde hij zich daarom niet zozeer op als veroveraar maar als diplomaat. In 337 riep hij een vergadering bijeen in de buurt van Korinthe. Hij drong er bij de Griekse staten op aan om hun meningsverschillen opzij te zetten en om hem te helpen de Perzische vijand eens en voor altijd te verslaan. Tijdens de conferentie werd de Korinthische Bond opgericht, die alle Griekse staten behalve Sparta omvatte. (Volgens Philippus was Macedonië een van deze ‘Griekse staten’, en de andere Grieken waren niet meer in de positie om het daarmee oneens te zijn.)

Macedonië zegde toe om de andere leden van de bond niet aan te vallen en zich ook niet met hun interne aangelegenheden te bemoeien. Maar her en der in Griekenland kwamen er op strategische punten wel garnizoenen ‘vredeshandhavers’, voor het geval een van zijn nieuwe vrienden van gedachten zou veranderen.

Het jaar daarop keerde Philippus terug naar Macedonië om zijn leger klaar te maken voor een inval in Perzië. In oktober was hij in Aegae, de oude hoofdstad van het koninkrijk, voor het gearrangeerde huwelijk van zijn dochter met de koning van Epirus. Hij wilde toegankelijk overkomen op de Griekse ambassadeurs die voor het feest waren uitgenodigd en had daarom weinig lijfwachten om zich heen. Om tot nu toe onopgehelderde redenen maakte een van die lijfwachten gebruik van de gelegenheid om hem te doden. Later is Philippus’ vrouw Olympias in beeld geweest als verdachte. Zij zou de moord hebben beraamd om ervoor te zorgen dat haar zoon Alexander de Macedonische troon zou bestijgen. De relatie tussen Philippus en Alexander was nogal stormachtig, en hoewel Alexander op dat moment bij zijn vader in de gratie stond wist niemand hoe lang dat zou duren.

Zo werd Alexander koning van Macedonië in het jaar 336 v.Chr. Het was het begin van een veroveringstocht die dertien jaar zou duren, waarna de Griekse macht en invloed zich over een groter gebied zou uitstrekken dan ooit iemand voor mogelijk gehouden had.

Auteur: Philip Matyszak
Vertaler: Arian Verheij
Oorspronkelijke titel: The Greeks
Verschijnt: 14-08-2018
Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep

Dit artikel van Philip Matyszak verscheen eerder in
Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

En ontvang wekelijks het beste uit de internationale pers in uw mailbox.