• Süddeutsche Zeitung
  • Europa
  • Het Syrië-proces: de spion, de aanklager, de meeloper en het regime

Het Syrië-proces: de spion, de aanklager, de meeloper en het regime

© Mesut Zeyrek / Anadolu Agency via Getty

Sinds 2011 vecht het Syrische regime tegen het eigen volk. In Duitsland staan nu de eerste oorlogsmisdadigers voor de rechter. Over een historisch proces en de grijze gebieden tussen goed en kwaad.

In Berlijn, 2800 kilometer een een vlucht verwijderd van het vaderland, in het land waarin hij eindelijk veilig meent te zijn, haalt de oorlog hem op een winterdag in 2014 weer in. De mensenrechtenadvocaat Anwar al-Bunni had Syrië moeten verlaten omdat hij voor zijn leven vreesde; sinds een of twee weken wonen hij en zijn vrouw in het opvangcentrum voor asielzoekers in Berlin-Marienfelde. En daar blijft zijn blik op zeker moment rusten op een bewoner die hem wat dikker lijkt dan eertijds in Syrië. ‘Hij had ook minder haar, en een bril op. Ik kon hem niet meteen thuisbrengen,’ vertelt al-Bunni nu. Wie is die man met die levervlek onder het linkeroog?

Woensdag (26 februari) heeft de rechtbank in de Duitse stad Koblenz een vonnis geveld in het Syrië-proces. Eyad A., werkzaam voor de Syrische geheime dienst, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierenhalf jaar. Lees meer in ons artikel van donderdag:

Twee dagen denkt al-Bunni daarover na, dan schiet het hem weer te binnen: die man is Anwar R., op het laatst kolonel van de Syrische Staatsveiligheidsdienst, in het jaar 2006 nog leider van een commando dat al-Bunni ontvoerde. Hij is de man die al-Bunni naar een gevangenis liet brengen waar hij bedreigd, geslagen en bijna om het leven gebracht werd. Vijf jaar gevangengezet, officieel wegens ‘in gevaar brengen van de nationale eer’. In feite werd al-Bunni gestraft omdat hij tegenstanders van het regime voor de rechtbank had verdedigd en te luid de rechten had opgeëist waarop zijn lastgevers zich volgens de Syrische grondwet konden beroepen.

Al-Bunni kwam de man nog een paar keer tegen in Berlijn, bijvoorbeeld bij de uitgifte van maaltijden en later in een goedkope meubelzaak. Al-Bunni is er zeker van dat Anwar R. hem ook herkende. ‘Ik was beroemd in Syrië,’ zegt hij, en inderdaad zijn op het internet veel foto’s te vinden die hem tonen bij processen of met buitenlandse gasten. Zijn gezicht was destijds iets voller, net als zijn kruin en zijn baard. In zijn kleine kantoor op een binnenplaats in Prenzlauer Berg heeft hij geen herinneringen aan die tijd opgehangen. Het verleden is ook zonder beelden altijd aanwezig – en dat zal alleen nog maar toenemen wanneer al-Bunni in een historisch proces zal worden behandeld. Als het daar zijn folteraar zal inhalen.

Achter blinde muren

Sinds de toevallige ontmoeting met Anwar R. heeft al-Bunni een nieuw doel om voor te leven. Toen in 2015 honderdduizenden Syriërs zoals hij naar Duitsland kwamen, lieten ze weliswaar de oorlog achter zich, maar niet de conflicten die buurten, vriendenkringen en zelfs families verscheurden. De 2800 kilometer tussen het oude en het nieuwe vaderland kunnen veel in het leven veranderen, maar niet alles. Sommigen blijven sympathiseren met oppositionele groepen, anderen blijven nog altijd trouw aan het regime. De naar Duitsland gevluchte mensen zijn in de eerste plaats slachtoffers van de oorlog, maar er zitten ook daders tussen. Syriërs die in naam van de staat of als lid van milities misdaden begaan hebben. Niet lang na zijn toevallige ontmoeting met Anwar begint al-Bunni naar deze mensen te zoeken.

Anwar R., nu 57 jaar oud, zou verantwoordelijk zijn voor minstens 4000 gevallen van marteling en 58 doden. Hij verliet Syrië eind 2012 en kwam in juli 2014 in Duitsland aan. Bijna zes jaar later wordt hij hier voor de rechter gebracht. Vanaf 23 april zal hij samen met Eyad A., ook lid van de Syrische geheime dienst, voor een Duitse rechtbank staan. Het proces bij het gerechtshof in Koblenz zal geschiedenis schrijven: het is wereldwijd de eerste keer dat handlangers van de Syrische president Baschar al-Assad verantwoording af moeten leggen voor martelingen in opdracht van de staat.

Bijna 100.000 mensen liet het regime sinds het uitbreken van de opstand in gevangenissen verdwijnen. Het lot van tienduizenden is nog onzeker. Minstens 18.000 mensen werden terechtgesteld of doodgemarteld, berichten organisaties als Amnesty International of het Syrische netwerk voor mensenrechten. Die daden werden begaan achter blinde muren, maar overlevenden kunnen ze geloofwaardig afschilderen.

Ook naar die mensen is al-Bunni op zoek. Om hun verhalen te documenteren – en om ze te overreden zich als getuigen ter beschikking te stellen van de Duitse Justitie. Zodat het proces tegen Anwar R. zal slagen en er meer soortgelijke processen zullen volgen.

Voor zijn zoektocht maakt hij gebruik van Facebook en van zijn netwerk in de offline wereld. Tijdens onze ontmoeting in Berlijn, rinkelt Al-Bunni’s telefoon bijna net zo vaak als hij trekjes neemt van zijn e-sigaret. Hij verdient niets met dit werk. Om reizen naar getuigen en andere onkosten te kunnen financieren is hij aangewezen op ondersteuning door mensenrechtenorganisaties.

Het gaat hem niet om wraak, zegt al-Bunni, zelfs niet in het geval van Anwar R. Hij wil ooit weer terugkeren naar een fatsoenlijk en democratisch Syrië, en zo’n land kun je alleen met gerechtigheid opbouwen. ‘Ik wil verhinderen dat oorlogsmisdadigers een rol kunnen spelen in de toekomst van het land,’ roept de tengere 61-jarige man uit, en van opwinding slaat hij op de tafel. “Hun daden zijn gedocumenteerd. Niemand moet met hen om kunnen gaan!’

‘Mijn medestrijders waren mijn beste vrienden. Ik heb ze allemaal verloren’

Hoessein Ghrer geloofde in een betere toekomst toen hij vanuit Aleppo naar de Syrische hoofdstad verhuisde. Damascus was opwindender, groter, levendiger – heel anders dan zijn conservatieve geboortestad waar de zakenlieden in de bazaars en de imams van de moskeeën het openbare leven bepaalden. Van de sociale controle door familie en buren was Ghrer door die verhuizing verlost, maar echt vrij was hij niet. Aan de universiteit van Damascus maakte hij mee hoe het regime zijn onderdanen tot in detail probeerde te controleren: zelfs een initiatief om samen afval te verzamelen werd door de decaan verboden. ‘Dat kunt u prima alleen doen,’ had hij gezegd, ‘maar niet als groep.’ De systematische onderdrukking van het eigen volk was daar al een traditie.

Syriës jongste geschiedenis is doortrokken van de heerschappij van de familie Assad. Hafis al-Assad had in 1970 de macht gegrepen en het land met harde hand geregeerd. Na zijn dood in het jaar 2000 hoopten veel Syriërs dat zijn zoon hervormingen zou gaan doorvoeren. Maar de toen pas 34-jarige Baschar stelde die verwachtingen teleur. In 2007 verzekerde hij zich door een volksstemming van een tweede ambtstermijn met zogenaamd 97,62% van de stemmen. Er was niets veranderd. En Hoessein Ghrer begon heimelijk te bloggen. Op het internet schreef hij tegen de dictatuur.

Ghrer noemde zich ‘freeman’. Ook al hadden de geheime diensten toen nog weinig ervaring met sociale media, toch was zijn activisme gevaarlijk. Ghrers echtgenote maakte zich zorgen, ze hadden al kinderen. En toen de zogeheten Arabische lente ook Syrië bereikte, legde Ghrer in maart 2011 ook nog zijn pseudoniem af. Hij publiceerde zijn artikelen over burgerrechten nu onder zijn echte naam. ‘Ik wilde laten zien dat achter de teksten geen buitenlandse agenten of terroristen schuilgingen,’ zegt hij nu in Berlijn. Hij is 42 jaar oud, draagt een scheiding in het midden en een hoekige bril.

Als hij vertelt over de hoop van toen, en hoe hij zich voor het eerst echt voelde leven toen hij bij de protesten in 2011 luidkeels zijn mening liet horen, vecht Ghrer tegen zijn tranen. De revolutionaire stemming werd toen abrupt onderdrukt. ‘Mijn medestrijders waren mijn beste vrienden,’ zegt hij, en hij moet even pauzeren omdat zijn stem breekt. ‘Ik heb ze allemaal verloren.’

Schuldeisers Wassim Mukdad (l), Patrick Kroker, en Hussein Ghrer praten met journalisten na het proces van de eerste dag in Koblenz 23 april 2020. – @ Thomas Frey / dpa via AP

Ghrer zat juist aan het middagmaal toen hij de eerste keer werd opgehaald. De mannen brachten hem naar het beruchte gebouw van de geheime dienst ‘Afdeling 251’, ook ‘al-Khatib’ genaamd naar de straat waarin het gelegen is. Iedereen in Damascus kent het gebouw, het wordt gevreesd. De onderafdeling ‘Onderzoek’, verantwoordelijk voor de genadeloze verhoren van de gevangenen, werd geleid door Anwar R., de man onder wie ook advocaat al-Bunni heeft geleden.

Beide voormalige gevangenen, al-Bunni en Hoessein Ghrer, kennen elkaar al uit de tijd dat ze samen in Syrië waren; in Duitsland hebben ze elkaar teruggevonden. Ze worden nu gesteund door het European Center for Constitutional and Human Rights (ECCHR). Deze organisatie, gevestigd in Berlijn-Kreuzberg, wil vermoedelijke daders van mensenrechtenschendingen wereldwijd ter verantwoording roepen, met hulp van het Duitse recht. Daartoe staan hun getuigen als Hoessein Ghrer bij, wat tot gevolg heeft dat hij in dit interview niet mag ingaan op details waarover de vrouwelijke rechter in Koblenz hem waarschijnlijk zal ondervragen. Afwijkingen tussen de verklaring van een getuige voor de rechter en voordien gepubliceerde uitlatingen zouden door de advocaten van de verdediging kunnen worden uitgebuit.

Maar hoe wreed de foltering in het rijk van Anwar R. was, valt na te lezen in de beschrijvingen van de Duitse onderzoekers. ‘Bij de verhoren werd een groot aantal foltermethoden ingezet’, heet het daar, ‘naast slagen met vuisten, stokken, buizen, kabels, zwepen en slangen was ook het toedienen van elektrische schokken aan de orde van de dag.’ De cellen in de kelder van het gebouw waren overvol. In plaats van de 100 personen waar ruimte voor was, propten Anwar R. en zijn mensen er vaak 400 tot 600 in de onderaardse ruimtes. Zelfs tijdens het slapen moesten de gevangenen staan; in het gunstigste geval mochten ze eenmaal per dag naar het toilet. Sommigen werden aan hun polsen opgehangen, velen werden verkracht, vrijwel iedereen werd de slaap onthouden, evenals medische verzorging. Ook na foltering op de ‘Duitse stoel’, waarop de slachtoffers werden vastgebonden. De flexibele leuning van het apparaat werd dan naar achter gedrukt tot op de grond, de rug van de gevangene werd overstrekt totdat vaak de wervelkolom brak. Ook regelmatig werd door de folteraars gekozen voor het ‘rad’, waarbij de gevangene dubbelgevouwen in een autoband gedwongen werd en dan met stokken afgetuigd. Anwar R. zelf maakte zijn handen er niet aan vuil, voor zover de onderzoekers konden nagaan. Hij gaf enkel de bevelen.

Namen, namen en nog eens namen

Hoessein Ghrer had geluk – en de juiste kennis om de martelingen te overleven. Andere activisten hadden hem verteld wat hem te wachten stond. Terwijl hij nog vrij was, speelde hij te verwachten scenario’s door, en wist welke informatie hij zou prijsgeven. Meestal wilden de folteraars inderdaad ‘namen, namen en nog eens namen’, zegt Ghrer. Namen van andere activisten en tegenstanders van Assad. Voor het verhoorteam van Anwar R. verzon en bekende Ghrer veel, maar zichzelf ontzegde hij de vlucht in fantasiewerelden. Dat was de snelste manier om gek te worden, volgens hem. ‘Ik heb er een paar gezien die daardoor volledig doordraaiden.’ Na een paar weken werd Ghrer vrijgelaten.

Maar kort daarop, in februari 2012, werd hij nog eens gearresteerd. Hij was juist begonnen in het ‘centrum voor media en meningsvrijheid’ te werken toen het regime in één klap een einde maakte aan het werk van die groep. Het leger zette de straat af en bestormde het kantoor alsof zich hier ondergrondse strijders verschanst hadden. ‘In Syrië zijn de mensen gewend om weg te kijken,’ zegt Ghrer, ‘maar bij deze actie was dat haast onmogelijk.’

De soldaten vonden geen wapens, maar alleen papieren en computers. Ze voerden geen strijders af, maar burgers als Ghrer. Deze keer zou hij drieëneenhalf jaar gevangen zitten.

De eerste activisten die voor hervormingen demonstreerden werden door het regime meteen al als terroristen aangeduid. Onder hetzelfde voorwendsel vielen eenheden van Assad later protestoptochten aan waarbij honderdduizenden de straat opgingen. Daarop bewapenden delen van de oppositie zich en al gauw vochten Assads troepen tegen gedeserteerde soldaten en jihadistische milities. Het land gleed af naar een burgeroorlog die tot op heden voortduurt.

In de afgelopen negen jaar heeft Assad met Russische hulp de gebieden die onder controle stonden van de opstandelingen in puin gebombardeerd en ook chemische wapens ingezet. De meeste delen van het land heeft de dictator inmiddels heroverd. De prijs daarvoor was hoog: minstens 350.000 Syriërs hebben in deze oorlog het leven verloren, 13 miljoen hun huizen – de helft van de Syrische bevolking is in het land op de vlucht of naar het buitenland gevlucht, zoals Hoessein Ghrer.

Ghrer werkt nu in Noord-Duitsland als IT-adviseur. Bij het proces zal hij optreden als burgerlijke partij. Hij wil niet meer alleen als slachtoffer gelden. ‘Ik wil weer een mens zijn die handelt,’ zegt hij.

‘De koning van alle bewijsmiddelen is het document’

Getuigenverklaringen zijn belangrijk voor het proces, dat vindt ook Bill Wiley. ‘Maar de koning van alle bewijsmiddelen,’ zegt de Canadees in zijn kantoor, ‘is het document.’

De rook van Cubaanse cigarillos hangt in de lucht, rondom staan whiskyflessen en ook de afbeelding van een prinses, die zijn dochter in schelle kleuren heeft geschilderd. Wiley is een spion. Zijn functieomschrijving is anders dan die van de onderzoeksrechter of van onderzoekers in dienst van de Verenigde Naties – al was het maar omdat Wiley zijn eigen regels heeft bepaald. De door hem opgerichte Commission for International Justice and Accountability (CIJA), een stichting op basis van het Nederlands recht, stelt bewijzen veilig in oorlogsgebieden. Je zou ook kunnen zeggen: Wiley laat ze stelen.

Hoe hij de oprichter werd van een organisatie die sommigen ‘waarheidssmokkelaar’ noemen, vertelt de roodblonde man in een huis zonder bel. De locatie is geheim, ergens in West-Europa, zoveel mogen we wel opschrijven. Wiley wil zijn intussen 150 medewerkers beschermen en ongevraagd bezoek ver weg houden van het materiaal dat hier wordt opgeslagen. In een raamloze ruimte staan lange rijen planken gevuld met eenvoudige bruine kartonnen dozen. In die dozen: akten van de Syrische veiligheidsdiensten, nu eens glad, dan weer verkreukeld, soms met drek besmeurd. Met stempels, handtekeningen, en handgeschreven notities. ‘Meer dan 800.000 bladzijden,’ zegt Wiley, ‘ongeveer 3,6 ton.’

Wiley was ooit soldaat. Het lichaam van de nu 56-jarige maakt nog steeds een gevechtsklare indruk. Hij was actief voor de VN als onderzoeker en juridisch adviseur bij de behandeling van de conflicten in Joegoslavië en Rwanda. Daarna werkte hij bij het Internationale Gerechtshof, tot hij uiteindelijk gefrustreerd de handdoek in de ring wierp. Te zelden lukte het om vermoedelijke oorlogsmisdadigers schuldig te bevinden. Toen in 2011 het conflict in Syrië begon, wist Wiley het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken te overreden om hem een paar honderdduizend pond ter beschikking te stellen voor iets nieuws. Voor een ‘opzet met een hogere risicotolerantie’, zoals hij het noemt.

Met een paar voormalige collega’s uit zijn VN-tijd organiseerde hij algauw seminars in het zuiden van Turkije die voor de Syrische oppositie dienden als een plek om zich terug te trekken. Ze prentten activisten de grondbeginselen in van het veiligstellen van bewijs, leerden hen om te verzamelen wat ze ook maar te pakken konden krijgen: plaquettes, telefoons, akten, video’s, laptops.

Maar Wiley had niet alleen jonge idealisten nodig, maar ook de medewerking van de bewapende rebellen. ‘Verover de gebouwen van het regime, plunder wat je maar wilt. Maak wat mij betreft een mooie video hoe jullie vervolgens alles vernielen,’ bezwoer hij de commandanten wanneer die iets in Turkije te doen hadden en hij ze – afhankelijk van hun ideologische achtergrond – ontmoette bij de avondmaaltijd of bij een paar biertjes.

‘Maar laat ons verdomme nog an toe de documenten veiligstellen voordat jullie alles in de fik steken!’ En zo begonnen de Syrische medewerkers steeds meer documenten in schuilplaatsen op te slaan.

De documenten het land uit te krijgen – dat is dan de klus die die ‘hogere risicotolerantie’ vergt waar Wiley het over had. Voordat koeriers de landsgrens bereiken moeten ze door ontelbare checkpoints heen die deels door rebellen, deels door het regime, en tijdelijk ook door de terreurmilitie IS bemand worden. En hoewel koeriers de routes tientallen keren aflegden in testritten, zonder de onopvallende koffers en reistassen waarin ze de papieren vervoeren, werden er toch een paar gearresteerd. Als ze weer vrijkwamen waren ‘sommigen in een betere conditie, anderen in een slechtere’, vertelt Wiley. Maar sommigen verdwenen voorgoed. Een medewerker stierf als gevangene van IS, een ander in gevangenschap onder het regime.

Beelden van het proces in Koblenz.

De papieren die Wiley bereikt hebben, belasten niet alleen de handlangers van het regime in de provincie, maar ook de leiding in Damascus, inclusief Baschar al-Assad, wiens handtekening staat op meerdere akten in Wiley’s archief. Assads crisisteam gaf bijvoorbeeld instructies hoe protestdemonstraties gebroken moesten worden. Medewerkers van politiebureau’s meldden vertwijfeld dat ze niet meer wisten wat ze aan moesten met alle lijken van gefolterden. ‘Dictaturen zijn systemen waarin iedereen erop bedacht is zich te verzekeren van rugdekking,’ zegt Wiley. ‘De ironie is: omdat iedereen alles laat ondertekenen door een hogergeplaatste, produceren ze bergen bewijsstukken.’

Al ziet de CIJA bewust af van een website, toch raakte het werk van de groep snel bekend in kringen van degenen die zich bezighouden met internationaal recht en de vervolging van oorlogsmisdaden. Leden van mensenrechtenorganisaties winden zich weliswaar soms op over de ‘Rambo-methodes’ als men ze aanspreekt op Wiley’s werkwijze, anderen bekritiseren het feit dat de CIJA in Syrië ook met jihadistische milities heeft samengewerkt. Maar voor de onderzoeksrechters van veel landen zijn de bijdragen van Wiley een geschenk – ook daarom pleitten enkele diplomaten bij hun regeringen voor diens werk. Tegenwoordig dragen bijvoorbeeld de USA, de EU en ook Buitenlandse Zaken bij aan het budget, dat inmiddels enkele miljoenen bedraagt. De CIJA verzamelt inmiddels ook allang bewijzen van misdaden die door andere oorlogspartijen en in andere conflicten werden begaan, bijvoorbeeld in Irak.

In het geval van Syrië is de kwaliteit van het bewijs ‘zo goed als ze sinds de Neurenbergse processen niet meer geweest is’, aldus Wiley. Nu zijn er alleen nog gerechtshoven nodig die het materiaal accepteren. Een groot internationaal tribunaal is nog niet in zicht, maar soms komen er aanvragen, zoals die uit Duitsland. Of de CIJA iets had over een man met de naam Anwar R., wilde het Bundeskriminalamt weten.

‘Grappig dat jullie dat vragen,’ antwoordde Wiley. Hij had een heel dossier: documenten met handtekeningen, verklaringen van insiders en getuigen, en ‘contextual evidence’, dus bewijzen die het systeem van foltergevangenissen beschrijven.

Wiley haalt een stapel papier uit een lade van zijn bureau. ‘High quality stuff’, zegt hij. 61 bladzijden, waarvan Wiley alleen de laatste bladzijden laat zien: 355 voetnoten die naar bewijsstukken verwijzen. ‘100 % zekere gevallen heb je voor een rechtbank nooit,’ zegt Wiley. ‘Maar wat wij tegen Anwar R. hebben is heel, heel veel.’

De aanklager

Koel, beheerst en veeleer gereserveerd zijn de juristen achter de metersdikke betonnen muren van het Openbaar Ministerie in Karlsruhe. Een jachtkoorts, zoals die bij CIJA-chef Wiley in elke tweede zin doorklinkt, staan aanklagers als Christian Ritscher zichzelf niet toe, althans niet openlijk. Vreugde over de domheid van een verdachte zou men hier nauwelijks laten blijken. Hoogstens met een verstolen glimlachje.

De jurist is een grote man, strak in het pak, 55 jaar oud. Zijn team van acht onderzoekers is de ‘warcrimes unit’, een prestigeproject van het Openbaar Ministerie in Karlsruhe. ‘Oorlogsmisdadigers opsporen die in Duitsland mogelijk een schuilplaats gevonden hebben’, zo beschrijft Ritscher zijn opdracht.

Een juridisch waterdicht bewijs kunnen leveren van een daad die gepleegd is in een ander land, waarvan de autoriteiten geen ambtelijke bijstand kunnen of willen verlenen, dat is meestal een pijnlijk trage puzzelarbeid. Maar dat ze Anwar R. in hun netten hebben gevangen is tot dusver hun grootste vangst – dat komt doordat de vermoedelijke martelmeester hun het genoegen gedaan heeft een Berlijnse politiepost binnen te wandelen en zijn verhaal te vertellen. Waarom? Omdat Anwar R. aannam dat de Duitse politie hem met veel collegiale sympathie aan zou horen. ‘Hij dacht misschien dat er niets verkeerds in stak,’ zegt Ritscher. Om zijn lippen tekent zich nu die glimlach af.

Wat een bizarre scène: het is februari 2015, Anwar R. wil de Duitse politie om bescherming vragen. Hij voelt zich achtervolgd, in de gaten gehouden door Russische en Syrische geheime diensten: bij doktersbezoeken in Berlijn zijn hem twee keer verdachte mannen opgevallen. Ter verklaring deelt hij vrijmoedig mee dat hij een belangrijk man is geweest in Syrië’s foltermachinerie. Interessant, zeggen de rechercheurs. Vertelt u maar.
De werelden die hier op elkaar botsen…

‘Uiteenlopende voorstellingen van recht en onrecht,’ zo beschrijft Ritscher het nu. Aan de ene kant de Syriër, die meent dat foltering gewoon een onderdeel van zijn werk is. Dat bevel bevel is. Hij maakt er geen geheim van dat hij er graag mee doorgegaan was. Alleen uit angst voor vergeldingsmaatregelen tegen familieleden die in een door de oppositie beheerst gebied woonden, was hij in ballingschap gegaan.

Ritscher is de man die de vermoedelijke oorlogsmisdadiger nu moet confronteren met de principes van het internationale recht. Dat wil zeggen: er zijn misdaden die een zo duidelijk geval van onrecht zijn dat geen geblaf van een bevelhebber ze ooit legaal kan maken. Ook niet in een oorlog.

Deze gedachte, geïntroduceerd door de geallieerden bij de Neurenbergse processen tegen de belangrijkste Duitse oorlogsmisdadigers, gaat op voor misdaden tegen de menselijkheid. Daartegen kunnen Duitse onderzoeksrechters op basis van het zogeheten beginsel van ‘universele jurisdictie’ ook in actie komen wanneer die daden in het buitenland gepleegd werden en slachtoffers noch daders Duits zijn. Op die manier zijn er in de Bondsrepubliek al eerder processen gevoerd tegen mannen die in Rwanda bevel gegeven hadden tot massamoorden, en tegen IS-aanhangers.

Syrische oorlogsmisdaden bleven tot dusver ongestraft. Voor een strafvervolging door het Internationale Gerechtshof hoeven Assad en zijn folteraars niet bang te zijn: het land heeft de autoriteit van het Hof in Den Haag niet erkend. Volgens zijn statuten kan het Gerechtshof alleen optreden tegen burgers van landen die erbij aangesloten zijn of wanneer de Veiligheidsraad van de VN het daartoe oproept. In die raad beschermt Rusland zijn bondgenoot Syrië met zijn veto – reden waarom ook Carla Del Ponte, de legendarische voormalige hoofdaanklager in Den Haag, haar onderzoeksmandaat in een bijzondere VN-commissie voor Syrië twee jaar geleden teruggaf.

Hogere Regionale Hof van Koblenz, waar het tweede proces tegen twee voormalige inlichtingenofficieren van het Syrische regime wordt gehouden. – © Mesut Zeyrek / Anadolu Agency via Getty

Nu wordt eindelijk een klein deel van de daden behandeld, decentraal in verschillende landen. In Frankrijk bijvoorbeeld onderzoeken aanklagers ook beulsknechten van het Assad-regime. Maar de Duitse aanklacht is de eerste ter wereld die voor de rechter komt. Ritscher en zijn collega’s beschuldigen Anwar R. ervan verantwoordelijk te zijn voor minstens 4000 folteringen en 58 gevallen van doodslag – in de slechts anderhalf jaar tussen het begin van de Syrische burgeroorlog in het voorjaar van 2011 tot het eind van zijn dienstverband in Afdeling 251 op 7 september 2012.

Hem hangt een levenslange gevangenisstraf boven het hoofd.

En ook al wordt Anwar R. intussen juridisch bijgestaan en zwijgt hij als het graf: wat hij op de Berlijnse politiepost officieel heeft verklaard zal voor Ritschers mensen in Koblenz een waardevol bewijsmiddel zijn. Daarbij komt nog het dossier dat Bill Wiley stuurde; bovendien hebben de Duitse onderzoekers de zogeheten Caesar-foto’s forensisch geanalyseerd: toen een militaire fotograaf van het Syrische leger met dit pseudoniem deserteerde nam hij meer dan 53.000 foto’s mee. Ze tonen de lichamen van minstens 6786 doden die door de geheime diensten in Damascus naar ziekenhuizen gebracht werden; de instantie waar ze vandaan kwamen is meestal met viltstift aangegeven op het voorhoofd, een arm of de borst. En dan zijn er nog de verklaringen van talrijke overlevenden: Ritschers team sprak met in totaal 52 getuigen, van wie er 40 zelf slachtoffer van marteling waren in Afdeling 251.

Velen hebben zich vrijwillig gemeld bij het Openbaar Ministerie. Dat Anwar R. in februari 2019 werd gearresteerd raakte snel bekend in de Syrische gemeenschap in Duitsland, daar zorgde Anwar al-Bunni wel voor. Getuigen uit heel Europa meldden zich bij Ritschers team; al-Bunni en het ECCHR onderzochten er nog meer. Soms, vertelt Ritscher, wilden de Syriërs niet geloven dat de onderzoekers uit Karlsruhe echte ambtenaren waren. Vertegenwoordigers van een staatsmacht die niet schreeuwen en dreigen, maar luisteren en koffie schenken – zoiets kenden ze niet.

Ook Syriërs die nu in Zwitserland leven, of in Frankrijk of Zweden, willen in Koblenz getuigen tegen Anwar R. en de eveneens aangeklaagde Eyad A. Dat betekende – al voor de Coronacrisis – dat het proces geen snel verloop zal hebben, maar gepaard zal gaan met aanzienlijke logistieke onkosten. Om de getuigen te beschermen, krijgen ze bijna allemaal een pseudoniem. Hun ware namen staan in geen enkele akte, ook de rechters zullen die niet horen – ze staan alleen genoteerd in papieren die liggen in Ritschers gepantserde kluis.

De meeloper

Toen Eyad A. werd opgeroepen om op de ochtend van de 16 augustus 2018 naar het stadhuis van Zweibrücken te komen, hoopte hij dat hij daar zijn officiële status als asielzoeker overhandigd zou krijgen. Vier maanden eerder waren hij, zijn vrouw en zijn kinderen in Duitsland aangekomen, na jaren in vluchtelingenkampen in Turkije en Griekenland te hebben gezeten. Maar de ambtenaren die hem opwachten, zijn niet geïnteresseerd in zijn verblijfsstatus. Ze zijn van de Federale Recherche en stellen vragen over Afdeling 251. Als je Anwar R. zou betitelen als de hoofdinquisiteur van die afdeling, dan was Eyad A. een van haar mensenjagers.

Het ministerie van Migratie had een afschrift van de hoorzitting van Eyad A. doorgestuurd naar Justitie. Daarin had hij verklaard sinds 1996 gewerkt te hebben bij ‘het directoraat van de Algemene informatiedienst’. Laatstelijk als opperwachtmeester van de onderafdeling 40, die haar slachtoffers afleverde aan de beruchte Al-Khatibafdeling. Eyad A. en zijn collega’s arresteerden tegenstanders van het regime en maakten een eind aan protesten, met knuppels eerder dan met megafoons. Soms werd er ook geschoten.

Wat de nu 42-jarige Eyad bij de ondervraging in het stadhuis van Zweibrücken vertelt, klinkt eenduidig. Voor de ‘onlusten’, zoals hij de protesten van 2011 noemt, was het gebruikelijk om gevangenen in Afdeling 251 de rug te verbranden met kokend water; ‘Elektrische schokken waren er altijd al.’ Vanaf het voorjaar van 2011 werd het nog erger: de bewakers konden doen ‘wat ze wilden’. Dat er lijken afgevoerd werden, zou ‘niets bijzonders’ geweest zijn.

Als Eyad A. op 19 februari 2019 wordt gearresteerd, wordt hij aangeklaagd wegens medeplichtigheid aan marteling in minstens 2000 gevallen en tweemaal voor medeplichtigheid aan moord.

Minder eenduidig is het verhaal dat Ziad al-Hoessein en Akram al-Assaf vertellen. Dat laat zich niet vatten in strafbare feiten en wetsartikelen; zwart en wit lopen door elkaar in hun versies. Beide verwanten van Eyad A. vertellen over de ambivalenties en tegenstrijdigheden die een dictatuur van haar onderdanen vergt. Over de moeilijke beslissingen waartoe ze mensen dwingt die zich niet schuldig willen maken, maar die wel willen overleven.

Al-Assaf en al-Hoessein zijn neven van Eyad A. Grote delen van de familie hebben zich gevestigd in Rheinland-Pfalz. Dat beiden nu voor de aangeklaagde spreken ligt aan de goede kennis van het Duits van al-Hoessein. Die kwam twintig jaar geleden naar Duitsland en helpt zijn verwant. Hij was bijvoorbeeld samen met Eyad bij de ondervraging in het stadhuis. Al-Assaf daarentegen is wat ze in de rechtbank een getuige à décharge zouden noemen: hij was een aanvoerder van de eerste demonstraties in de Oost-Syrische stad Deir Ezzor, in de streek waaruit de clan afkomstig is. Dat kan hij bewijzen met video’s. Ook was hij lid van de delegatie van de Syrische oppositie die in de Bondsdag sprak, en bij de VN in Genève.

Ze herinneren zich de geschiedenis op hun manier. Eyad was een goede man, zegt al-Assaf in zijn woning in een uitgewoond huurhuis aan de rand van de binnenstad van Zweibrücken. Jarenlang zou hij niet op medeburgers gejaagd hebben, maar op aankomende leden van de Staatsveiligheidsdienst, op atletiekbanen en voetbalvelden. Sportleraar voor rekruten, dat was een goede baan voor iemand die op school niet bijzonder goed was geweest. Pas later werd Eyad overgeplaatst naar de positie die nu de Duitse justitie interesseert.

‘Hoe Assad de oorlog in Syrië won’, een mini-documentaire van Vice.

In het veilige Duitsland kun je goed en kwaad meestal glashelder onderscheiden, zegt al-Assaf. In een land als Syrië is het leven gecompliceerder. In vredestijd al, en in de oorlog helemaal.

Elke Syriër begrijpt meteen wat de rechercheurs in Karlsruhe in de ogen van al-Assaf en al-Hoessein niet wilden begrijpen. Zo zou meer dan eens aan Eyad gevraagd zijn waarom hij niets gedaan had toen zijn meerdere eens bij een demonstratie op de menigte schoot en vijf mensen doodde. Nou, die man heette Hafis Makhlouf – een neef van Baschar al-Assad die in de hoogste kringen van de macht verkeerde. ‘Eyads leven zou niet meer waard geweest zijn dan een patroonhuls als hij ook maar één kik gegeven had,’ zegt al-Hoessein.

Begin 2012 deed Eyad A. het voorkomen alsof hij met zijn gezin naar een begrafenis in zijn geboortestad Deir Ezzor moest. Van daar vluchtten ze en wisten ze ten slotte Zweibrücken te bereiken. Daar bleef Eyad A. – zelfs toen hij na de arrestatie voorlopig vrijgelaten moest worden wegens een vormfout: bij het verhoor had men hem niet afdoende duidelijk gemaakt dat hij niet meer alleen als getuige gold. Om dezelfde reden moesten de aanklagers hun aanklachten reduceren; nu leggen ze Eyad medeplichtigheid aan marteling in 30 in plaats van 2000 gevallen ten laste. Zelfs dat zou voldoende zijn voor vijf tot vijftien jaar gevangenis. Dat hij na de vrijlating niet vluchtte, is volgens de neven omdat Eyad A. een zuiver geweten heeft. Uit kringen van rechercheurs, en ook van Anwar al-Bunni is te horen dat Eyad zijn gevangenschap wil uitzitten omdat zijn moeilijk lopende dochter in Duitsland voor het eerst de noodzakelijke behandeling krijgt.

Vermoedelijk was vooral de timing van Eyad A. slecht gekozen. Hij reisde naar Duitsland precies op het moment waarop Afdeling 251 vanwege Anwar R. de interesse van het Duitse Openbaar Ministerie had gewekt. Op elk ander tijdstip zou het dossier van de man die zelfs de onderzoekers in Karlsruhe als een ‘kleine vis’ betitelen in een of andere dossierkast onder het stof geraakt zijn. Eyad A.’s neven hebben daarom hun twijfels over het beginsel van ‘universele jurisdictie’. ‘Jullie bestraffen degenen die de moed hadden zich los te maken van Assad,’ zeggen Akram al-Assaf en Ziad al-Hoessein. ‘Zo helpen jullie het regime!’

Het regime

Het zijn er nog maar enkelen die dankzij het beginsel van ‘universele jurisdictie’ voor de rechter komen. Maar de documentensmokkelaar Bill Wiley is optimistisch: ooit zullen de kopstukken zich moeten verantwoorden. Op enig moment zal een van de bevelhebbers onvoorzichtig worden, en bijvoorbeeld met een vals paspoort naar Europa reizen voor medische zorg. De chef van de geheime dienst van de luchtmacht bijvoorbeeld, een als bijzonder wreed bekend staande organisatie, wordt door het team van Christian Ritscher al gezocht middels een internationaal arrestatiebevel. En nog hoger? ‘Ik zou mijn huis er niet om durven verwedden,’ zegt Bill Wiley, ‘maar ik kan me voorstellen dat over een paar jaar zelfs Assad zelf voor de rechter staat. Geduld!’

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.