• The New York Times
  • Magazine 197 – Juli
  • Sir Rushdie over hoe verhalen ons van de volwassen wereld bevrijden

Sir Rushdie over hoe verhalen ons van de volwassen wereld bevrijden

Een scène uit de Mahabharata. – © CC
The New York Times | New York | Salman Rushdie | 01 juli 2021

Het bijzondere van verhalen, zegt Salman Rushdie, is dat je weet dat ze een product van de verbeelding zijn, en toch een diepe kern van waarheid bevatten. Literatuur heft de grens tussen het magische en het realistische op, en helpt ons de wereld op een andere manier te zien.

Voor er boeken waren, waren er verhalen. Aanvankelijk werden de verhalen niet opgeschreven. Soms werden ze zelfs gezongen. Kinderen werden geboren en voor ze konden praten, zongen hun ouders liedjes voor hen, een liedje over een ei dat van een muur viel misschien, of over een jongen en een meisje die een heuvel op gingen en ervan afvielen. Naarmate de kinderen ouder werden, vroegen ze bijna net zo vaak om verhalen als om eten.

De kinderen werden verliefd op deze verhalen en wilden ze steeds weer horen. Vervolgens werden ze ouder en troffen ze die verhalen aan in boeken. En andere verhalen, die ze nooit eerder hadden gehoord, over een meisje dat in een konijnenhol viel, over een dwaze oude beer en een bangelijk biggetje en een sombere ezel, of een tolpoortje, of een plek waar Maximonsters woonden. De liefde voor verhalen maakte iets in de kinderen los dat hen hun hele leven zou voeden: hun verbeelding.

De kinderen verzonnen elke dag toneelstukjes, ze bestormden kastelen, veroverden landen en bevoeren het ruime sop, en ’s nachts zaten hun dromen vol draken. Maar ze werden groter en langzaam maar zeker vielen de verhalen van hen af, ze werden in dozen gestopt en op de vliering gezet, en het kostte de kinderen van weleer meer moeite om verhalen te vertellen en in zich op te nemen, meer moeite, treurig genoeg, om verliefd te worden. 

Het komt voor dat een boek ons niets meer zegt als we ouder worden en dat onze opwinding verflauwt

Ik denk dat de boeken en verhalen waarop wij verliefd worden ons maken tot wie we zijn, of laat ik het iets voorzichtiger zeggen: de geliefde vertelling heeft invloed op de manier waarop we dingen begrijpen en in ons dagelijks leven tot oordelen en keuzes komen. Het komt voor dat een boek ons niets meer zegt als we ouder worden en dat onze opwinding verflauwt. Maar het kan ook dat we, naarmate ons begrip zich vormt en hopelijk verruimt, een boek dat we vroeger weglegden ineens gaan waarderen; misschien zijn we ineens in staat de muziek te horen, in vervoering te raken door het lied dat eruit opklinkt. 

Toen ik als student Günter Grass’ grote roman Die Blechtrommel (De blikken trommel) las, kwam ik er niet doorheen. Het stond tien jaar op een plank te kwijnen voor ik het een tweede kans gaf, waarna het een van mijn favoriete romans werd: een van de boeken waarvan ik durf te zeggen dat ik ervan houd. Het is een interessante vraag om te stellen: wat zijn de boeken waar je echt van houdt? Het antwoord zal je veel vertellen over wie je op dit moment bent.

Wonderverhalen

Ik groeide op in Bombay (India), een stad die nu helemaal niet meer lijkt op de stad die het ooit was en die zelfs haar naam heeft veranderd in het veel minder welluidende Mumbai. De tijd waarover ik het heb verschilde zo van de huidige dat hij onmogelijk ver weg, ja zelfs fantastisch lijkt. In dat lang vervlogen Bombay leken de verhalen en boeken die uit het Westen tot me kwamen regelrechte wonderverhalen. 

Hans Christian Andersens Sneeuwkoningin, met die toverspiegelscherven die in de bloedbaan van mensen terechtkwamen en hun hart van ijs maakte, was voor een jongen uit de tropen, waar ijs alleen in de vriezer voorkwam, nog angstaanjagender. De nieuwe kleren van de keizer was extra genieten voor een jongen die opgroeide in de onmiddellijke nasleep van het Britse Rijk. 

Misschien komen verhalen van elders altijd over als sprookjes. Maar voor mij speelden de echte wonderverhalen zich dichter bij huis af, en ik heb het als schrijver altijd als een groot geluk beschouwd om daarin als kind te zijn ondergedompeld.

Sommige van deze verhalen waren oorspronkelijk heilig, maar omdat ik opgroeide in een niet-religieus gezin kon ik ze gewoon als mooie verhalen waarderen. Toen ik voor het eerst in het grootse epos Mahabharata las hoe de machtige god Indra de Melkweg karnde door de legendarische berg Mandara als roerstok te gebruiken, om zo de gigantische melkoceaan in de hemel te dwingen zijn nectar – amrita, de nectar van de onsterfelijkheid – af te geven, ging ik anders naar de sterren kijken.

In die onwaarschijnlijk verre tijd, mijn jeugd, een tijd voordat lichtvervuiling de meeste sterren voor stadsbewoners onzichtbaar maakte, kon een kind in een tuin in Bombay nog omhoogkijken naar de nachtelijke hemel en de harmonie der sferen horen en met nederige vreugde de dikke streep van de Melkweg aanschouwen. Ik stelde me voor hoe er magische druppels melk uit vielen. Misschien opende ik mijn mond wel, wie weet viel er een druppel in en zou ook ik onsterfelijk zijn. 

Dat is het mooie van het wonderverhaal en zijn nakomeling, de fictie: dat je tegelijk weet dat het verhaal een product van de verbeelding is, oftewel onwaar, én denkt dat het een diepe kern van waarheid bevat. De grens tussen het magische en realistische houdt op zulke momenten op te bestaan.

Een heleboel seks, een hoop onheil, erg veel uitweiding; monsters, djinns, gigantische Rocs; soms enorme hoeveelheden bloed en bloedvergieten, maar geen God

Wij waren thuis geen hindoes, maar we geloofden dat de grote verhalen van het hindoeïsme ons net zo goed iets te zeggen hadden. Op de dag van het jaarlijkse Ganpati-festival, wanneer een enorme mensenmenigte beelden van de god Ganesha met zijn olifantenhoofd naar de waterkant van Chowpatty Beach droeg om de god in zee te dompelen, voelde het alsof Ganesha ook bij mij hoorde; hij voelde aan als een symbool van collectieve vreugde en, ja, stedelijke eenheid en niet als een lid van het pantheon van een ‘rivaliserend’ geloof.

Toen ik er achter kwam dat Ganesha’s liefde voor literatuur zo groot was dat hij aan de voet van de Indiase Homerus, de wijze Vyasa, zat en de klerk werd die de Mahabharata noteerde, hoorde hij zelfs nog meer bij me. En toen ik volwassen was en een roman schreef over een jongen die Saleem heette en een ongewoon grote neus had, leek het, ook al kwam Saleem uit een moslimfamilie, logisch de verteller van Midnight’s Children (Middernachtskinderen) in verband te brengen met de meest geletterde van de goden, die toevallig ook zo’n joekel van een neus had. Het vervagen van de grenzen tussen religieuze culturen in dat oude, echt geseculariseerde Bombay voelt nu aan als iets te meer dat het verleden scheidt van India’s bittere, verstikte, zedenmeesterige, sektarische heden.

Toegegeven, de invloed van deze verhalen is niet altijd positief. De sektarische politici van de Nationalistische hindoepartijen zoals de in India regerende Bharatiya Janata-partij gebruiken de retoriek van het verleden om te fantaseren over een terugkeer naar Ram Rajya, het ‘bewind van Lord Ram’, een vermeende gouden eeuw van het hindoeïsme zonder obstakels als leden van andere religies die de zaken maar compliceren. De politisering van de epische Ramayana en van het hindoeïsme in het algemeen is in handen van gewetenloze sektarische leiders een gevaarlijke zaak geworden.

Maar ik wil terug naar de ik uit mijn kindertijd, die betoverd was door verhalen waarvan de kracht en het enige doel betovering was. Ik wil van de grote religieuze epossen naar de enorme voorraad schunnige, samenzweerderige, mysterieuze, opwindende, komische, bizarre, surreële en heel vaak vreselijk sexy verhalen die zijn opgeslagen in de overschotten van het Oosterse pakhuis, omdat – niet alleen omdat, maar jawel, omdat – ze laten zien hoeveel plezier er aan literatuur te beleven valt als God eenmaal uit beeld is verdwenen. 

Een van de opvallendste kenmerken van de verhalen die nu zijn bijeengebracht op de pagina’s van de Duizend-en-een-nacht, om maar één voorbeeld te geven, is de nagenoeg algehele afwezigheid van religie. Een heleboel seks, een hoop onheil, erg veel uitweiding; monsters, djinns, gigantische Rocs; soms enorme hoeveelheden bloed en bloedvergieten, maar geen God. Precies waarom zedenmeesterige moslims er zo’n hekel aan hebben. 

In Egypte, in mei 2010, maar zeven maanden voor de opstand tegen president Hosni Moebarak, kreeg een groep islamitische juristen lucht van een nieuwe editie van Alf layla wa-Layla (de oorspronkelijke Arabische titel) en begon een actie om af te dwingen dat de editie werd teruggetrokken en het boek werd verboden, omdat het ‘een oproep tot kwaad en zonde’ was en diverse toespelingen op seks bevatte. Gelukkig kregen zij niet hun zin, en vervolgens begonnen belangrijker kwesties de Egyptische gemoederen bezig te houden. Maar ze hadden wel een punt.

Er staan in dat boek inderdaad nogal wat toespelingen op seks en de personages lijken veel meer bezig met hun seksleven dan met vroom-zijn, wat inderdaad, zoals de juristen betoogden, een oproep tot kwaad zou kunnen zijn, als je tenminste op die verwrongen puriteinse manier naar de wereld kijkt. Volgens mij is het een voortreffelijke oproep en zeker de moeite waard om gehoor aan te geven, maar mensen die niet houden van muziek, grappen en plezier nemen er aanstoot aan. Eigenlijk is het een wonder dat deze oude tekst, deze wonderbaarlijke collectie wonderverhalen, twaalfhonderd jaar nadat de eerste verschenen nog altijd in staat is om fanatici van hun stuk te brengen. 

Vliegende tapijten

Het boek dat we nu gewoonlijk de Arabische nachten noemen, ontstond niet in Arabië. De vermoedelijke oorsprong is Indiaas; ook uit Indiase inhoudsopgaven blijkt een voorliefde voor raamvertellingen, voor matroesjka-achtige verhalen-in-verhalen en voor dierenfabels. Ergens rond de achttiende eeuw vonden deze verhalen hun weg naar Perzië, en af te gaan op bewaard gebleven snippers informatie stond de collectie bekend als Hazar Afsaneh, ‘duizend verhalen’.

Er bestaat een document uit Bagdad uit de tiende eeuw, waarin de Hazar Afsaneh wordt beschreven en gewag wordt gemaakt van de raamvertelling, over een verdorven koning die iedere nacht een bijzit doodt totdat het een van deze gedoemde vrouwen lukt haar executie af te wenden door hem verhalen te vertellen. Hier komen we voor het eerst de naam Sjeherazade tegen. Jammer genoeg is geen één exemplaar van de Hazar Afsaneh zelf bewaard gebleven.

Dit boek is de grote ontbrekende schakel binnen de wereldliteratuur, de legendarische bundel via welke de wonderverhalen uit India naar het Westen reisden, om op een gegeven moment te stuiten op de Arabische taal en te veranderen in de Duizend-en-een-nacht, een boek met vele versies maar zonder consensus over de canonieke vorm. Vervolgens ging het verder westwaarts, eerst naar het Frans, in de achttiende-eeuwse vertaling van Antoine Galland, die een aantal in de Arabische editie ontbrekende verhalen toevoegde, zoals ‘Aladin en de wonderlamp’ en ‘Ali Baba en de veertig rovers’. 

En vanuit het Frans brachten de verhalen het tot het Engels, en van het Engels ging de reis naar Hollywood, wat een taal op zich is, en vanaf dat moment is het een en al vliegende tapijten en is Robin Williams de geest. (Het is overigens frappant dat in de Arabische nachten geen vliegende tapijten voorkomen. Wel is er een legende dat koning Salomo er een bezat dat van grootte kon veranderen en groot genoeg kon worden om een leger te verplaatsen.)

Deze narratieve migratie heeft veel van de wereldliteratuur – tot aan het magisch realisme van de Zuid-Amerikanen – beïnvloed, vandaar dat ik, toen ik op mijn beurt uit de verhalen putte, het gevoel had een cirkel te sluiten en die verhaaltraditie terug te brengen naar het land van oorsprong. Maar ik betreur de teloorgang van de Hazar Afsaneh die bij herontdekking het verhaal van de verhalen compleet zou maken; wat een vondst zou dat niet zijn.

Sjeherazade vertelde verhalen om haar hachje te redden, zette de verbeelding in tegen de dood, een Vrijheidsbeeld van woorden en niet van metaal

Wie weet zou een bepaald mysterie in het hart van de raamvertelling of liever helemaal aan het eind worden opgelost en zou er een antwoord komen op iets wat ik me al een poos afvraag: veranderden Sjeherazade en haar zuster Dunyazad uiteindelijk, na duizend-en-een en nog meer nachten, in moordenaars en doodden ze hun bloeddorstige echtgenoten?

Hoeveel vrouwen vermoordden Shahriar, monarch van ‘het eiland of schiereiland India en China’, en zijn broer, Shah Zaman, soeverein heerser over het barbaarse Samarkand, eigenlijk? Het begon toen Shah Zaman zijn vrouw aantrof in de armen van een paleiskok. Hij hakte hen in mootjes en toog naar het huis van zijn broer, waar hij zijn schoonzuster, Shahriars koningin, in een tuin aantrof in gezelschap van tien diensters en tien slaven. Het gezelschap was bezig elkaar te bevredigen: de koningin sommeerde haar eigen minnaar vanuit een boom. 

Ai, de boosaardigheid en trouweloosheid van de vrouw! Shah Zaman vertelde zijn broer wat hij had gezien, waarop de diensters, de slaven en de koningin stuk voor stuk hun verdiende loon kregen. (De minnaar van Shahriars overleden vrouw lijkt te zijn ontsnapt.)

Koning Shahriar en koning Shah Zaman namen naar behoren wraak op het ontrouwe vrouwendom. Drie jaar lang trouwden ze elke nacht een nieuwe maagd, die zij ontmaagden en vervolgens lieten terechtstellen. Sjeherazades vader, Shahriars vizier of eerste minister, was verplicht Shahriars executies eigenhandig uit te voeren.

De vizier was een onderlegd man, een fijnbesnaard persoon – dat kan toch niet anders als hij zo’n voorbeeldige dochter als Sjeherazade had grootgebracht? En haar zuster Dunyazad, al net zo’n aardige, slimme, fatsoenlijke meid. 

Wat zou dat met de ziel van de vader van zulke prachtige dochters doen als hij werd gedwongen honderden vrouwen te doden, om de kelen van de meisjes door te snijden en te zien hoe het leven uit hen vloeide? We krijgen het niet te horen. Wat we wel weten is dat Shahriars onderdanen geweldig tegen hem in het geweer kwamen en de hoofdstad begonnen te ontvluchten met hun vrouwvolk, zodat er na drie jaren geen maagden meer in de stad te vinden waren. Geen maagden, behalve Sjeherazade en Dunyazad.

Drieduizend tweehonderdveertien

Tegen de tijd dat Sjeherazade het verhaal betreedt door met koning Shahriar te trouwen en haar zuster Dunyazad te bevelen aan de voet van het echtelijk bed te gaan zitten en na de voltrekking van Sjeherazades ontmaagding te vragen om een verhaal, waren Shahriar en Shah Zaman al verantwoordelijk voor tweeduizend tweehonderddertien doden. Maar elf van hen waren mannen.

Toen hij eenmaal met Sjeherazade was getrouwd en in de ban was geraakt van haar verhalen, stopte Shahriar met het doden van vrouwen. Shah Zaman, die niet door literatuur was getemd, ging op oude voet door met zijn wraakactie. Duizend-en-een nacht later stond de dodentaks op drieduizend tweehonderdveertien.

Kijk eens naar Sjeherazade, wier naam ‘stedelinge’ betekende en die ongetwijfeld een echt stadskind was, bijdehand, geestig, afwisselend gevoelig en cynisch, echt een eigentijdse metropoolschrijver naar je hart. Sjeherazade, die de vorst strikte in haar nooit eindigende verhaal. Sjeherazade, die verhalen vertelde om haar hachje te redden, die verbeelding inzette tegen de dood, een Vrijheidsbeeld van woorden en niet van metaal. Sjeherazade, die er, tegen haar vaders wil, op stond haar plaats in de stoet naar het dodelijke koninklijke boudoir in te nemen. Sjeherazade, die de heroïsche taak op zich nam haar zusters te sparen door de koning te temmen. Die vertrouwen had, die vertrouwen moet hebben gehad, in de man onder het moordzuchtige monster en in haar eigen vermogen om hem zijn ware menselijkheid terug te geven middels verhalen.

Wat een vrouw! Je snapt best hoe en waarom koning Shahriar voor haar viel. Hij viel beslist, door de vader van haar kinderen te worden en naarmate de nachten vorderden te gaan inzien dat zijn doodsbedreiging loos was geworden, dat hij zijn vizier, haar vader, niet langer kon vragen het vonnis uit te voeren. Zijn barbaarsheid ketste af op het genie van de vrouw die duizend-en-een nachten haar leven riskeerde om dat van anderen te redden, die erop vertrouwde dat haar verbeelding bestand was tegen onmenselijkheid en dat niet geweld de weg naar de overwinning was maar, verbazend genoeg, beschaving.

Onbeantwoorde vraag

Wat had die koning mazzel! Maar (dit is de belangrijkste onbeantwoorde vraag in de Arabische nachten) waarom werd zij in hemelsnaam verliefd op hem? En waarom stemde Dunyazad, de jongere zuster die duizend-en-een nacht aan het eind van het echtelijk bed toekeek hoe haar zuster werd gebruikt door de moordzuchtige koning en naar haar verhalen luisterde – Dunyazad, de eeuwige zuster maar ook voyeur – waarom stemde zij ermee in om te trouwen met Shah Zaman, een man met nog meer bloed aan zijn handen dan zijn broer, de verhalengek?

Hoe kunnen we deze vrouwen begrijpen? In het verhaal zit een stilte die erom schreeuwt te worden uitgesproken. Dit is het enige wat ons wordt verteld: toen de verhalen uit waren, trouwden Shah Zaman en Dunyazad, maar Sjeherazade stelde één voorwaarde – dat Shah Zaman zijn koninkrijk opgaf en kwam wonen bij zijn broer, zodat de zusters niet werden gescheiden. Dat deed Shah Zaman graag, en in plaats van zijn broer wees Shahriar dezelfde vizier die nu ook zijn schoonvader was aan als heerser over Samarkand. Toen de vizier in Samarkand aankwam, werd hij door de stadsbevolking uitgelaten verwelkomd en de lokale notabelen baden dat hij lang over hen mocht regeren. En zo geschiedde.

Het laatste dodental staat op drieduizend tweehonderdzestien. Dertien van hen waren mannen

Mijn vraag bij het interpreteren van dit oude verhaal, is: was er sprake van een samenzwering tussen dochter en vader? Kan het zijn dat Sjeherazade en de vizier een geheim plan hadden uitgebroed? Want dankzij Sjeherazades aanpak was Shah Zaman niet langer koning in Samarkand. Dankzij Sjeherazades aanpak was haar vader niet langer tegen wil en dank hoveling en beul, maar een wettige koning en, belangrijker, een geliefde koning, een wijs man, een vredelievend man, de opvolger van een bloeddorstig onmens.

En toen kwam zomaar uit het niets ineens de dood voor Shahriar en Shah Zaman, tegelijk. De dood, de ‘Verpester van Geneugten en de Verdeler van Samenlevingen, de Ontvolker van Woonplaatsen en de Verzamelaar van Begraafplaatsen’ haalde hen, en hun paleizen lagen in puin en ze werden vervangen door een wijze heerser, wiens naam we niet te horen krijgen. 

Maar hoe en waarom kwam de Verpester van Geneugten? Hoe kon het gebeuren dat beide broers tegelijk stierven, zoals de tekst duidelijk te kennen geeft, en waarom lagen hun paleizen daarna in puin? En wie was hun opvolger, de niet met name genoemde Wijze?

We krijgen het niet te horen. Maar stel je nog eens de vizier voor die knapte van woede vanwege al die jaren dat hij gedwongen was dat onschuldige bloed te vergieten. Stel je de jaren van de vizier voor, vol angst, duizend-en-een nachten vol angst, terwijl zijn dochters, vlees van zijn vlees, bloed van zijn bloed, verstopt waren in Shahriars slaapkamer, hun lot aan een zijden verhaaldraad. 

Hoelang wacht een man voor hij wraak neemt? Zal hij langer dan duizend-en-een nacht wachten? Dit is mijn theorie: dat de vizier, inmiddels heerser over Samarkand, de wijze koning was die terugkwam om over Shahriars koninkrijk te heersen. En de koningen stierven tegelijk door de hand van hun vrouw of die van de vizier. Het is maar een theorie. Misschien staat het antwoord in het grote verloren gegane boek. Misschien ook niet. Het blijft een… wonder.

Hoe dan ook, het laatste dodental staat op drieduizend tweehonderdzestien. Dertien van hen waren mannen.

Amoreel

De verhalen waardoor mijn liefde voor literatuur werd gewekt waren in de eerste plaats vertellingen vol heerlijke dingen die niet konden, die niet waar waren maar die doordat ze niet waar waren de waarheid vertelden, soms heerlijker en gedenkwaardiger dan verhalen die berustten op feiten. Zulke verhalen horen niet per se bij toen. Ze hadden ook nu kunnen gebeuren. Gisteren, vandaag of overmorgen.

Dierenfabels – inclusief fabels over pratende dode vissen – horen bij de meest terugkerende vertellingen in de Oosterse canon en de beste zijn, anders dan die van bijvoorbeeld Aesopus, amoreel. Ze zijn niet uit op preken over nederigheid, bescheidenheid, matiging, eerlijkheid of onthouding. Ze garanderen niet dat deugd overwint. Ze zijn al met al opmerkelijk modern. Soms winnen de slechteriken. 

In de oude collectie die in India bekendstaat als de Pañcatantra komen een paar sprekende jakhalzen voor: Karataka, de goede of betere van de twee, en Damanaka, de gewiekste intrigant. In het begin van het boek zijn ze in dienst van de Leeuwenkoning, maar Damanaka is mishaagd door de vriendschap van de leeuw met een andere hoveling, een stier, en maakt de leeuw wijs dat de stier een vijand is. De leeuw vermoordt het onschuldige dier terwijl de jakhals toekijkt. Einde van het verhaal.

Veel van Aesopus’ ietwat moralistische verhalen over de overwinning van stugge traagheid (de schildpad) op arrogante snelheid (de haas), of de dwaasheid ‘wolf’ te roepen als er geen wolf is en de gans met de gouden eieren te doden, lijken ronduit slap vergeleken met deze Quentin Tarantino-achtige wreedheid. Tot zover het cliché over het vreedzame, mystieke Oosten.

De migratie van verhalen heeft mij, zelf migrant, altijd gefascineerd, en deze jakhalsverhalen zwierven bijna net zo ver de wereld over als die van de Arabische nachten. In Arabische en Perzische versies zijn de namen van de jakhalzen veranderd in Kalila en Dimna. Ze mondden ook uit in het Hebreeuws en Latijn en op den duur, als ‘De fabels van Bidpai’, in het Engels en Frans. Anders dan de Arabische nachten zijn ze echter aan de aandacht van de moderne lezer ontsnapt, misschien omdat hun geringe bekommernis om een happy end ze onaantrekkelijk maakte voor de Walt Disney Company.

De verhalen stellen de grootste, blijvendste vraag uit de literatuur: hoe reageren gewone mensen als zich in hun leven het buitengewone voordoet?

Toch duurt hun kracht voort, en dat komt denk ik doordat deze verhalen ondanks die lading monsters en magie volstrekt geloofwaardig zijn wat betreft de menselijke natuur (zij het in de vorm van antropomorfe dieren). De hele mens zit erin, dapper en laf, eerzaam en eerloos, oprecht en stiekem, en de verhalen stellen de grootste, blijvendste vraag uit de literatuur: hoe reageren gewone mensen als zich in hun leven het buitengewone voordoet?

Het antwoord is: soms doen we het niet zo goed, maar op andere momenten vinden we krachten in onszelf waarvan we niet wisten dat we ze bezaten en gaan we de uitdaging aan. We verslaan het monster, Beowulf doodt Grendel en ook Grendels nog vreselijker moeder, Roodkapje doodt de wolf, Belle wordt verliefd op een beest dat daardoor ophoudt beestachtig te zijn. En dat is gewone magie, menselijke magie, het ware wonder van het wonderverhaal.

De wonderverhalen hebben me geleerd dat er veel, schier oneindig veel manieren zijn om verhalen te benaderen, en ook dat ze leuk waren. Het fantastische was een manier om dimensies aan de echte toe te voegen, vier, vijf, zes, zeven dimensies aan de gebruikelijke drie; eerder een manier om onze ervaring van de werkelijkheid te verrijken en intensiveren dan om ervan weg te vluchten naar superheld-vampier-fantasieland.

Alleen door de fictionaliteit van fictie, de verbeeldingskracht van de verbeelding, de droomliedjes uit onze dromen een kans te geven kunnen we hopen greep te krijgen op het nieuwe en fictie te scheppen die opnieuw interessanter is dan de feiten.

Wonderland is geen vluchtoord en niet per se een aantrekkelijke of aangename plaats

Het fantastische is onschuldig noch escapistisch. Wonderland is geen vluchtoord en niet per se een aantrekkelijke of aangename plaats. Het kan – in feite is het dat – een oord vol slachting, uitbuiting, wreedheid of angst zijn. Kapitein Haak wil Peter Pan doden. De heks in het Zwarte Woud wil Hans en Grietje koken. De wolf eet wel degelijk Roodkapjes grootmoeder op. Albus Perkamentus wordt vermoord en de Lord of the Rings bereidt de knechting van heel Midden-aarde voor. 

We weten als we deze verhalen horen dat ze, ook al zijn ze ‘niet echt’ omdat tapijten niet vliegen en heksen in huisjes van peperkoek niet bestaan, toch ‘echt’ zijn, want ze gaan over echte dingen: liefde, haat, angst, macht, moed, lafheid, dood. Ze bewerkstelligen het echte gewoon via een andere route. Ze zijn echt, zelfs al weten we dat ze het niet zijn. De waarheid is niet bewerkstelligd met louter nabootsende middelen. Een beeld kan door een camera of een verfkwast worden gevangen. Een afbeelding van een sterrennacht is niet minder waarheidsgetrouw dan een foto; als de schilder Van Gogh heet is ze aantoonbaar veel waarheidsgetrouwer, al is ze veel minder realistisch.

De fantastische literatuur – het wonderverhaal, de fabel, het volksverhaal, de magisch-realistische roman – heeft altijd diepe waarheden weergegeven over de mens, zijn fijnste eigenschappen en hardnekkigste vooroordelen. Het wonderverhaal vertelt ons waarheden over onszelf die vaak onverkwikkelijk zijn; het stelt kwezelarij aan de kaak, verkent het libido, brengt onze diepste angsten boven. Zulke verhalen zijn beslist niet eenvoudig bedoeld om kinderen te vermaken, en veel ervan waren oorspronkelijk ook helemaal niet voor kinderen bestemd. Sinbad de Zeeman en Aladin waren geen Disneyfiguren toen ze aan hun reizen begonnen.

Dit is literair gezien echter een bloeiende tijd voor kinderen en volwassenen met een jong hart. Van de wereld uit Maurice Sendaks Max en de Maximonsters tot Philip Pullmans postreligieuze bovennatuurlijke werelden, van Narnia, het betoverde land achter de kleerkast tot de vreemde oorden waarin we belanden als we het tolpoortje doorgaan in Milo’s fantastische reis, van Zweinstein tot Midden-aarde: wonderland is springlevend. En in veel van deze avonturen zijn het kinderen die uitgroeien tot helden, vaak om de volwassen wereld te bevrijden; de kinderen die we waren, de kinderen die we inwendig nog zijn, de kinderen die wonderland begrijpen, die de waarheid over verhalen kennen, redden de volwassenen, die deze waarheden zijn vergeten.

(uit Languages of Truth: Essays 2003-2020, aangepaste versie)

Recent verschenen
Een remedie tegen navelstaren?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.
Onze nieuwsbrief wordt wekelijks verzonden.
inschrijven

360 is jarig en trakteert!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg 3 maanden gratis toegang tot 360 online.