Olie en wanbeleid in Latijns-Amerika

The Economist / 360  |  2 september 2019 - 10:00 2 sep - 10:00

De energie-industrie zet zich schrap voor een roerige toekomst, behalve Latijns-Amerikaanse staatsoliebedrijven, die blijven in het verleden hangen.

Olie, hoor je vaak, kan een land zowel rijkdom als narigheid brengen. In Venezuela, volgens sommige maatstaven het land met de grootste oliereserves, is het al een tijdlang vooral narigheid. Petróleos de Venezuela (PDVSA) zag zijn productie pieken in 1998, toen Hugo Chávez tot president werd gekozen. In de jaren die volgden joegen de linkse volkstribuun en zijn autoritaire opvolger Nicolás Maduro de internationale partners tegen zich in het harnas en plunderden de kas.

Een grootscheeps Amerikaans onderzoek naar omkoping binnen het bedrijf heeft tot dusver meer dan twintig mensen in staat van beschuldiging gesteld. Sinds januari, toen de Verenigde Staten zware sancties tegen PDVSA aankondigden, is de productie gedaald tot het laagste niveau per inwoner sinds circa 1920. Ondertussen lijden miljoenen Venezolanen onder een gebrek aan voedsel en basismedicijnen.

Een overzicht van de door de staat gecontroleerde energiereuzen in Latijns-Amerika, die goed zijn voor 10 procent van de wereldwijde olieproductie en 20 procent van de aantoonbare reserves, laat zien dat het wanbeleid zich niet beperkt tot Venezuela. Vijf jaar na het instorten van de olieprijs blijft de productie in een groot deel van de regio ondermaats, al moet worden gezegd dat de industrie met een ongeëvenaarde ontwrichting wordt geconfronteerd. Bezorgdheid over CO2-emissies en de opkomst van elektrische auto’s betekenen dat zorgen over maximale levering inmiddels zijn vervangen door zorgen over maximale vraag.

» Lees verder in de Reader / op Blendle

Plaats een reactie