Waarom de economie draait op nutteloze banen

Strike Magazine  | 26 maart 2016 - 06:1526 mrt - 06:15

Ooit het gevoel gehad dat je baan maar verzonnen is? Dat de aarde gewoon door draait als je stopt met datgene waar je je tussen negen en vijf mee bezighoudt? Antropoloog en professor David Graeber dook in het fenomeen ‘bullshitbanen’.

In 1930 voorspelde John Maynard Keynes dat de technologische ontwikkelingen tegen het einde van de eeuw van dien aard zouden zijn dat landen als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten een 15-urige werkweek zouden hebben. Er is alle reden om aan te nemen dat hij gelijk had. Technologisch gezien zijn we er zeker toe in staat. Maar in plaats daarvan is technologie misschien wel aangevoerd om manieren te vinden om ons juist meer te laten werken. Daarvoor moesten er banen worden gecreëerd die in feite zinloos zijn. Hele volksstammen, met name in Europa en Noord-Amerika, besteden hun hele werkzame leven aan het uitvoeren van taken waarvan ze stiekem vinden dat ze nutteloos zijn. De morele en mentale schade als gevolg hiervan is enorm. Het is een litteken op onze collectieve ziel. En toch heeft vrijwel niemand het erover.

Niet ingecalculeerd
Waarom is Keynes’ beloofde Utopia – waarop in de jaren zestig nog geestdriftig werd gewacht – nooit werkelijkheid geworden? Het standaardverhaal is tegenwoordig dat hij de gigantische toename in consumentisme niet had ingecalculeerd. Geconfronteerd met de keuze tussen minder uren en meer speeltjes en vermaak, hebben we collectief voor het laatste gekozen. Dit levert een leuk moraliteitsverhaaltje op, maar als je er heel even dieper over nadenkt, besef je dat het niet waar kan zijn. Ja, we hebben sinds de jaren twintig inderdaad de schepping van een eindeloze verscheidenheid aan nieuwe banen en industrieën meegemaakt, maar slechts een heel klein deel daarvan heeft te maken met de productie en distributie van sushi, iPhones of hippe gympen.

Dus wat zijn dat precies voor nieuwe banen? Een recent rapport waarin de werkgelegenheid in de VS van 1910 wordt vergeleken met die van 2000, geeft een vrij helder beeld (net als in het Verenigd Koninkrijk trouwens). Gedurende de vorige eeuw is het aantal mensen dat werkzaam was als bediende, in de industrie of het boerenbedrijf drastisch gedaald. Tegelijkertijd is het aantal ‘vaklieden en medewerkers in management, administratie, verkoop en dienstverlening’ verdrievoudigd, en daarmee gegroeid van ‘een kwart tot driekwart van de totale werkgelegenheid’. Met andere woorden: banen in de productie zijn zoals voorspeld grotendeels weggeautomatiseerd (zelfs als je het aantal industriearbeiders wereldwijd telt, inclusief de ploeterende massa’s in India en China, komt het als percentage van de wereldbevolking bij lange na niet meer in de buurt van wat het ooit was).

Maar in plaats van een aanzienlijke vermindering van het aantal arbeidsuren om de wereldpopulatie de vrijheid te geven eigen projecten, vermaak, visies en ideeën na te jagen, hebben we een snelle stijging van nog niet eens zozeer de dienstverlenende als wel van de administratieve sector gezien, inclusief de creatie van geheel nieuwe industrieën zoals de financiële dienstverlening en telemarketing, of de ongekende uitbreiding van sectoren als ondernemingsrecht, bestuur van universiteiten en gezondheidszorg, personeelszaken en PR. In deze aantallen zijn nog niet eens al die mensen verwerkt die zich bezighouden met de administratieve en technische ondersteuning en beveiliging van deze industrieën, om nog maar niet te spreken over het hele scala aan toeleveringsbedrijven (hondenwassers, 24-uurspizzakoeriers) die hun hele bestaansrecht danken aan het feit dat de rest van de wereld zo veel tijd besteedt aan het werken in die andere sectoren.

Ik stel voor dat we dit soort banen de ‘bullshitbanen’ noemen.

Het lijkt wel alsof er iemand ergens nutteloze banen zit te bedenken, alleen maar om ons allemaal aan het werk te houden. En dat is nu precies waar het mysterie schuilt. Dit is nu precies wat er in een kapitalistisch systeem niet zou moeten gebeuren. Natuurlijk, in de oude, inefficiënte socialistische staten zoals de Sovjet-Unie, waar werkgelegenheid werd gezien als zowel een recht als een heilige plicht, bedacht het systeem zoveel banen als maar nodig waren (daarom waren er in Sovjetwarenhuizen drie winkelbedienden nodig om een stuk vlees te verkopen). Maar dit is uiteraard juist het type probleem dat een markteconomie zou moeten oplossen. Tenminste, volgens de economische theorie is betalen voor mensen die eigenlijk niet nodig zijn het laatste wat een onderneming met winstoogmerk zal doen. Maar op de een of andere manier gebeurt dat toch.

Hoewel ondernemingen zich wel bezighouden met meedogenloze inkrimpingen, is de categorie mensen die daadwerkelijk dingen maakt, verplaatst, repareert en onderhoudt de dupe van de ontslagen en productieversnellingen. Door een vreemde alchemie die niemand echt kan verklaren, lijkt het aantal betaalde papierschuivers uiteindelijk uit te breiden en blijken steeds meer werknemers, eigenlijk net als Sovjetarbeiders, op papier 40 tot zelfs 50 uur, maar effectief slechts 15 uur per week te werken, precies zoals Keynes voorspelde, omdat de rest van hun tijd wordt besteed aan het organiseren of bijwonen van inspirerende seminars, het bijwerken van hun Facebookprofiel of het downloaden van tv-series.

Morele dynamiek
De oplossing is duidelijk niet economisch: het is een moreel en politiek vraagstuk. De heersende klasse heeft berekend dat een gelukkige en productieve bevolking met veel vrije tijd levensgevaarlijk is (denk maar aan wat er gebeurde toen dit in de jaren zestig werd benaderd). En aan de andere kant komt het gevoel dat werk een morele waarde op zich is, en dat iedereen die niet bereid is zich gedurende de uren dat hij wakker is te onderwerpen aan enige vorm van intensieve arbeidsdiscipline niets verdient, die heersende klasse verdomd goed uit.

Toen ik eens de kennelijk eindeloos toenemende bestuurlijke verantwoordelijkheden in de Britse faculteiten zat te overdenken, zag ik een mogelijk beeld van de hel opdoemen. De hel als verzameling individuen die het grootste deel van hun tijd werken aan een taak die hun niet bevalt en waar ze niet bijzonder goed in zijn. Stel dat ze waren ingehuurd omdat ze uitstekende kastenmakers waren en vervolgens ontdekken dat er van ze wordt verwacht dat ze een groot deel van hun tijd besteden aan het bakken van vis. Die taak is ook niet echt nodig – tenminste, er hoeft maar een beperkte hoeveelheid vis te worden gebakken. Maar op een of andere manier raken ze allemaal zo verbolgen bij de gedachte dat sommige van hun collega’s wel eens meer tijd zouden kunnen besteden aan het vervaardigen van kasten in plaats van een evenredige bijdrage te leveren aan het bakken van vis, dat er binnen de kortste keren grote stapels waardeloze, slecht gebakken vis op de werkvloer liggen en dat dit eigenlijk het enige is waar iedereen mee bezig is.

Volgens mij is dit een vrij nauwkeurige weergave van de morele dynamiek in onze eigen economie.

Ik begrijp best dat een dergelijk argument meteen op bezwaren stuit: ‘Hoezo kun jij bepalen welke banen echt nodig zijn? Wat is eigenlijk nodig? Jij bent een professor in de antropologie, waar is dat eigenlijk voor nodig?’ (En veel lezers van roddelbladen zouden het bestaan van mijn baan aanhalen als dé definitie van verkwistende sociale uitgaven.) En op een bepaalde manier is dat uiteraard waar. Er bestaat geen objectieve maatstaf voor sociale waarde.

Ik zou iemand die ervan overtuigd is dat hij een waardevolle bijdrage aan de samenleving levert, ook niet durven vertellen dat dit niet zo is. Maar hoe zit dat met de mensen die er zélf van overtuigd zijn dat hun baan zinloos is? Niet zo lang geleden kwam ik opnieuw in contact met een schoolvriend die ik sinds mijn twaalfde niet meer had gezien. Tot mijn verbazing ontdekte ik dat hij in de tussentijd eerst dichter was geworden en daarna leadzanger van een rockband. Ik had een aantal van zijn nummers op de radio gehoord en had er geen idee van dat deze zanger iemand was die ik kende. Hij was duidelijk geniaal en vernieuwend, en zijn werk had zonder enige twijfel de levens van mensen over de hele wereld opgefleurd en verbeterd. En toch, na een aantal geflopte albums was zijn platencontract verbroken en maakte hij, geplaagd door schulden, uiteindelijk ‘de standaardkeuze die veel richtingloze mensen maken: rechten studeren’, zoals hij het zelf formuleerde. Nu is hij gespecialiseerd in ondernemingsrecht en werkt hij voor een vooraanstaand kantoor in New York. Hij gaf meteen toe dat zijn werk totaal zinloos was, niets toevoegde en volgens zijn inschatting eigenlijk niet zou moeten bestaan.

Waardig werk
Je kunt hier een heleboel vraagtekens bij zetten, bijvoorbeeld: wat zegt het over onze samenleving dat er maar een zeer beperkte vraag ontstaat naar getalenteerde dichter-muzikanten, maar een kennelijk buitensporig grote vraag naar specialisten in ondernemingsrecht? (Antwoord: als 1 procent van de bevolking vrijwel het hele besteedbare inkomen beheerst, dan weerspiegelt wat we ‘de markt’ noemen wat zíj denken dat nuttig of belangrijk is, en niet de ideeën van anderen.) Belangrijker nog, het geeft aan dat de meeste mensen in dit soort banen zich er uiteindelijk wel van bewust zijn. Ik geloof zelfs dat ik nog nooit een advocaat ondernemingsrecht heb ontmoet die niet dacht dat zijn vak onzinnig was. Dat geldt voor bijna alle nieuwe industrieën die ik hiervoor heb opgenoemd. Er is een hele groep professionals in loondienst die, als je ze op een feestje ontmoet en opbiecht dat je iets doet dat wel eens als interessant zou kunnen worden beschouwd (zoals een antropoloog), überhaupt niet over hun werk willen praten. Maar na een paar drankjes steken ze van wal over hoe zinloos en stompzinnig hun baan eigenlijk is.

Er is hier sprake van heftig psychologisch geweld. Hoe kun je het ooit over waardig werk hebben, als je stiekem vindt dat je baan niet zou moeten bestaan? Dat moet toch een diep gevoel van woede en afkeer creëren. Maar het zit in de vreemde aard van onze maatschappij dat, zoals in het geval van de visbakkers, de heersende klasse daar iets op heeft gevonden, zodat die woede zich nu juist richt op degenen die wél zinvol werk doen.

Er lijkt in onze samenleving bijvoorbeeld een algemene regel te zijn dat hoe duidelijker andere mensen baat hebben bij iemands werk, des te minder diegene er waarschijnlijk voor krijgt. Ook hier geldt weer dat een objectieve maatstaf moeilijk te bepalen is, maar een eenvoudige manier om er enig gevoel voor te krijgen, is de vraag: wat zou er gebeuren als deze hele groep mensen simpelweg zou verdwijnen?

Arbeidsbeleid
Je kunt zeggen wat je wilt over verplegers, vuilnisophalers of monteurs, het is overduidelijk dat als zij pats-boem zouden wegvallen, het effect direct voelbaar en catastrofaal zou zijn. Een wereld zonder leraren of havenarbeiders zou heel snel in de problemen komen, en zelfs eentje zonder sciencefictionauteurs of skamuzikanten zou duidelijk een mindere wereld zijn. Het is niet helemaal te zeggen wat de mensheid ervan te lijden zou hebben als alle bestuurders van beleggingsmaatschappijen, lobbyisten, PR-onderzoekers, actuarissen, telemarketeers, deurwaarders of juridisch adviseurs op dezelfde manier zouden verdwijnen. (Veel mensen vermoeden dat het er beduidend beter op zou worden.) Maar op een handvol hoog aangeprezen uitzonderingen na (artsen), houdt de regel verrassend goed stand.

Nog onnatuurlijker is het dat er een algemeen gevoel heerst dat het ook zo hoort. Dat is een van de geheime krachten van het rechtse populisme. Dat kun je zien als de roddelpers de verontwaardiging tegen metromedewerkers opzweept wanneer die Londen lamleggen vanwege een arbeidsgeschil: het feit alleen al dat deze medewerkers Londen kunnen lamleggen, geeft aan dat hun werk noodzakelijk is, maar dat lijkt nu precies te zijn wat mensen irriteert. Het nog duidelijker in Amerika, waar Republikeinen met verrassend veel succes de verontwaardiging aanzwengelen jegens onderwijzers of arbeiders in de automobielindustrie (en, veelzeggend genoeg, dus niet jegens de schoolbestuurders of managers in de automobielindustrie, die in feite de oorzaak van de problemen zijn) vanwege hun zogenaamde opgeblazen salarissen en secundaire arbeidsvoorwaarden. Het is alsof er tegen ze wordt gezegd: ‘Maar jullie mogen kinderen lesgeven! Of auto’s maken! Jullie hebben echte banen! En dan hebben jullie ook nog eens het lef om gemiddelde pensioenen en gezondheidszorg te verwachten?!’

Als iemand een arbeidsbeleid had ontwikkeld dat perfect paste bij de instandhouding van de macht van beleggingskapitaal, had hij het niet beter kunnen doen. Echte, productieve arbeiders worden voortdurend uitgeknepen en uitgebuit. De rest is verdeeld tussen een getiranniseerde laag alom beschimpte werklozen en een grotere laag mensen die eigenlijk wordt betaald om niets te doen, op posities die zo zijn ontworpen dat zij zich kunnen identificeren met de standpunten en gevoeligheden van de heersende klasse (managers, bestuurders, et 
cetera) – en met name het financiële aspect ervan – maar die tegelijkertijd een smeulende wrok koesteren jegens eenieder met een baan die duidelijk en ontegenzeggelijk sociale waarde heeft. Het systeem is zeer zeker nooit bewust ontworpen. Het is ontstaan uit bijna een eeuw van vallen en opstaan. Maar het is de enige verklaring waarom 
wij, ondanks onze technologische mogelijkheden, niet allemaal werkdagen van 3 à 4 uur hebben.

David Graeber

De antropoloog David Graeber is hoogleraar 
aan de London School of Economics.

(Foto van Jaz Beck)

VPRO Tegenlicht gaat zondag 27 maart a.s. over de vakbond van morgen.

Dit artikel uit editie 41 van 360 Magazine (september 2013) wordt u gratis aangeboden.

Elke twee weken het beste uit de internationale pers lezen? Neem dan een abonnement op 360 Magazine.

Plaats een reactie