‘Amanda, ik ga je godverdomme verkrachten’

Pacific Standard – Santa Barbara  | 21 augustus 2019 - 11:3421 aug - 11:34

Perverse verwensingen, grove beledigingen en gewelddadige intimidatie: het internet leent zich er uitstekend voor. Van de gebruikers die melding van misbruik hebben gemaakt, is 72,5 procent vrouw. De journaliste Amanda Hess, die (onder meer) over seks schrijft, was zelf meerdere malen het doelwit en sloeg alarm.

Mijn vakantie in Palm Springs was nog maar net begonnen, toen naast me in mijn donkere hotelkamer mijn telefoon met twee piepjes trillend tot leven kwam. Ik tuurde naar het schermpje. Het was half zes ’s ochtends, en een vriendin sms’te me vanaf de oostkust. ‘Amanda. Dat Twitteraccount. Ik schrik me dood’, schreef ze. ‘Er lijkt een speciaal Twitteraccount te zijn opgezet voor doodsbedreigingen aan jouw adres.’

Ik kwam met moeite uit bed en klapte mijn laptop open. Een paar uur eerder had iemand met de username ‘headlessfemalepig’ me zeven tweets gestuurd. ‘Ik zie dat je niet erg aantrekkelijk bent. Zat er dik in’, luidde de eerste. Vervolgens: ‘Jij pijpt allemaal pikken van dronken gasten en drugsgebruikers.’ Als vrouwelijke journalist die (onder meer) over seks schrijft, was ik wel gewend aan dit soort reacties. Maar deze man ging veel verder: ‘Ik ben 36 en ik heb twaalf jaar gezeten voor “doodslag”. Ik heb een vrouw vermoord, een vrouw zoals jij, die de spot dreef met pikken.’ 
En later: ‘Goed om te zien dat we in dezelfde staat wonen. Ik zal je opzoeken, en als ik je heb gevonden, verkracht ik je en hak ik je kop eraf.’ Er volgde nog meer, maar de laatste tweet vatte het bondig samen: ‘Je gaat eraan en ik ben degene die je gaat vermoorden. Dat zweer ik je.’

Mijn vingers bleven boven het toetsenbord zweven. Ik was doodsbang en compleet van slag. Vervolgens geneerde ik me voor mijn angst, en uiteindelijk werd ik razend. Aan de ene kant leek het niet erg waarschijnlijk dat ik binnen afzienbare tijd zou worden verkracht en onthoofd door een serieverkrachter en -moordenaar. Aan de andere kant was headlessfemalepig duidelijk gestoord en was hij op een bizarre manier door mij geobsedeerd. Ik pakte mijn telefoon en belde het alarmnummer.

De agent keek me indringend aan en zei: ‘Wat is Twitter?’

Twee uur later kwam er een politieagent uit Palm Springs het trapje naar mijn hotelkamer op sjokken, bleef in de deuropening staan en vuurde een spervuur van vragen op me af. Ik verschafte hem de relevante achtergrondinformatie: ik ben journaliste, ik woon in Los Angeles, niet iedereen is even enthousiast over wat ik over vrouwen, relaties of seks schrijf, en dit was niet voor het eerst dat iemand op mijn stukken reageerde met dreigementen om me te verkrachten of te vermoorden. De agent zette zijn handen in zijn heupen, keek me indringend aan en zei: ‘Wat is Twitter?’

Ik keek naar hem op, in het felle zonlicht, en ik wist niets beters te verzinnen dan: ‘Het is een soort e-mail, maar dan openbaar.’ Wat ik er niet bij vertelde is dat Twitter de plek is waar ik lol maak, klaag, werk, roddel, lummel en flirt. Twitter zit overal en altijd in mijn achterzak en ligt naast me wanneer ik in slaap val. 
En sinds ik in 2007 ben begonnen met schrijven, is het ook een van de vele virtuele plekken waar mannen zeggen dat ik moet opdonderen.

Stuitende dingen

Er zijn te veel voorbeelden om op te noemen, maar zoals elke goede journalist heb ik een bestandje waarin ik de ergste gevallen opsla. Zo was er de televisiekijker die na een interview mijn e-mailadres wist te achterhalen en me liet weten dat ik ‘de lelijkste vrouw was die hij ooit had gezien’. Of het groepje bezoekers aan een site voor ‘mannenrechten’ die foto’s van mij en een vooraanstaande feministe bekeken, en vervolgens bespraken hoe ze met ons ‘de nacht zouden doorbrengen’. (‘Allebei een rubber masker op en dan in standje 69 aan elkaar vastbinden, zodat die bitches niets meer kunnen zeggen of doen, en ze dan van alle kanten pakken, in alle openingen’, was een van de voorstellen.) En de anonieme reactie op een van mijn artikelen: ‘Amanda, ik ga je godverdomme verkrachten. Hoe voelt dat?’

Dit alles wil niet zeggen dat ik een uitzondering ben. Ik ben gewoon een vrouw met een internetaansluiting. Hier volgt een kleine greep uit de stuitende dingen die andere vrouwen de afgelopen jaren op internet naar het hoofd geslingerd hebben gekregen. Alyssa Royse, die blogt over seks en relaties, waagde te zeggen dat ze The Dark Knight maar niks vond. Ze kreeg de volgende reactie: ‘Je bent duidelijk gestoord. Ik hoop dat iemand je neerschiet en verkracht.’ Kathy Sierra, die over technologie schrijft, had geblogd over software, codes en design, en kreeg te horen: ‘Ik hoop dat iemand je keel doorsnijdt en je bek volspuit.’ En over Lindy West, een van de schrijfsters van de vrouwenwebsite Jezebel, die kritische kanttekeningen plaatste bij een verkrachtingsgrap van een komiek: ‘Ik heb zin om een pylon in haar te steken.’ Rebecca Watson, een atheïstische columniste, die blogde over seksisme in een cynische wereld, kreeg het bericht: ‘Als ik in Boston zou wonen, had ik een kogel door je kop gejaagd.’ En Catherine Mayer, een journaliste van Time, kreeg om onduidelijke redenen het volgende bericht: ‘ER LIGT EEN BOM VOOR JE HUIS, DIE PRECIES OM 10:47 AFGAAT MET EEN TIMER EN ALLES ZAL VERWOESTEN.’

Een vrouw hoeft niet eens als schrijfster voor een bekend medium te werken om doelwit te worden. Volgens een rapport uit 2005 van het Pew Research Center, dat al meer dan tien jaar het onlineleven van Amerikanen in kaart brengt, loggen mannen en vrouwen sinds 2000 in gelijke mate in, maar zijn de stuitendste berichten in veruit de meeste gevallen tegen vrouwen gericht. Wij geven veel vaker aan dat we op internet worden gestalkt of lastiggevallen – van de 3787 mensen die tussen 2000 en 2012 bij de vrijwilligersorganisatie Working to Halt Online Abuse melding hebben gemaakt van dergelijke incidenten is 72,5 procent vrouw. Soms kan het zelfs uitlopen op een fysieke belaging: uit een Pew-rapport blijkt dat 5 procent van alle vrouwen die internet gebruiken zeggen dat er ‘online iets is gebeurd’ waardoor ze ‘fysiek gevaar hebben gelopen’. En dat begint al jong: bij tienermeisjes is er beduidend vaker sprake van cyberpesten dan bij jongens. Alleen al het feit dat je je als vrouw op internet begeeft, lijkt reden om te worden lastiggevallen. In 2006 zetten onderzoekers van de Universiteit van Maryland een aantal nepaccounts op en begaven zich in chatrooms. Accounts met een vrouwelijke username kregen gemiddeld honderd seksueel expliciete of bedreigende berichten per dag. Mannelijke usernames gemiddeld 3,7.

Cyberstalking

Er zijn drie federale wetten die betrekking hebben op cyberstalking. De eerste dateert van 1934 en ging over lastigvallen per post, per telegram en per telefoon, zestig jaar na de uitvinding van Alexander Graham Bell. Sinds in 1994 de Violence Against Women Act 
is aangenomen, is deze wet door middel van amendementen geleidelijk aangepast aan nieuwe technologieën, en de straffen zijn verzwaard voor wie deze technologieën misbruikt. In 34 staten zijn er wetten aangenomen tegen cyberstalking; de meeste staten hebben oude wetten op het gebied van stalking en bedreiging aangepast teneinde mensen te kunnen vervolgen die op internet misdrijven begaan. Maar tegenwoordig gaat het zo makkelijk om even snel een perverse reactie te versturen, en is het misbruik zo wijdverspreid, dat velen zeggen dat het daarmee vrijwel inhoudsloos is geworden, en dat het onzin is om de noodklok te luiden. Journalisten die doodsbedreigingen serieus nemen ‘wekken vaak de indruk dat het gaat om een ingrijpende gebeurtenis, en dat we medelijden moeten hebben met de “slachtoffers”’, schreef mijn collega Jim Pagel afgelopen najaar in Slate. ‘Maar je hoeft maar tien minuten op internet 
te surfen om te weten dat deze beweringen geen stand houden.’ Op Twitter voegde hij eraan toe: ‘Als er geen precedent is van lijfelijk geweld, is het enkel angst zaaien.’ Mijn vriendin Jen Doll van de Atlantic Wire schreef: ‘Ik heb het idee dat iedereen gebaat zou kunnen zijn bij het advies dat we vroeger van onze moeder kregen: gewoon geen aandacht aan besteden… Het zijn pestkoppen, mensen die willen sarren. Je moet gewoon niet toehappen.’ In de epiloog van haar boek The End of Men zegt Hanna Rosin – redacteur bij Slate – dat het virtueel belagen van vrouwen iets is om blij mee te zijn. Het laat zien hoe ver we zijn gekomen. Veel vrouwen op internet ‘hebben macht, worden in brede kring gepubliceerd en gelezen; als zij de vrouwenhaat weten op te sporen, dan zullen ze de verantwoordelijke seksist met plezier aan de schandpaal nagelen op een van de vele onlineplekken die tot hun beschikking staan, en dat zal gevolgen hebben.’

Niet zeuren

Dus vrouwen die online worden belaagd, moeten ofwel niet zeuren ofwel zich gevlijd voelen door de geuite dreigementen. We kunnen kiezen tussen ons gedeisd houden of ‘met plezier’ reageren.

Maar hoe we ook ons best doen om het te negeren, deze seksespecifieke vorm van – stelselmatig – belagen heeft ingrijpende gevolgen voor de positie van vrouwen op internet. Bedreiging met verkrachting, moord of stalking kan emotioneel zeer belastend zijn, veel tijd in beslag nemen en veel geld kosten in de vorm van rechtsbijstand, beveiligingssoftware en inkomstenderving. Ik heb de afgelopen jaar veel tijd gestoken in het in kaart brengen van de activiteiten van een wel heel fanatieke cyberstalker. Je weet tenslotte maar nooit.

Afgelopen zomer groeide Caroline Criado-Perez binnen de Engelstalige wereld uit tot een boegbeeld van vrouwen die op internet worden bedreigd, nadat ze een petitie had ingediend bij de Britse overheid om meer vrouwen op bankbiljetten te laten figureren. (Toen de Bank of England liet weten de sociaal bewogen Elizabeth Fry op het vijfpondbiljet te gaan vervangen door Winston Churchill, opperde Criado-Perez voorzichtig dat de bank misschien nog ten minste één bankbiljet in omloop zou kunnen houden waarop een vrouw stond afgebeeld – anders dan de koningin van Engeland.) Vrijwel onmiddellijk kwamen er Twitterberichtjes waarin werd gedreigd haar te verkrachten en te vermoorden. Berichten als: ‘Morgenochtend om 21.00 uur ga ik je verkrachten. Zullen we in de buurt van je huis afspreken?’

Maar toen gebeurde er iets interessants. Criado-Perez besloot de bedreigingen te retweeten, waardoor al haar volgers ze onder ogen kregen. Ze belde de politie en probeerde Twitter een reactie te ontlokken. Journalisten over de hele wereld schreven over de dreigementen. Doordat meer mensen ervan hoorden, steeg haar aantal volgers tot bijna 25.000. Haar volgers steunden haar in haar pogingen een reactie uit te lokken van zowel de Britse politie als Twitter.

Overbelast

Tot grote verontwaardiging van de internationale gemeenschap speelden politie en Twitter elkaar wekenlang de bal toe. Andy Trotter, die de Engelse politie adviseert op het gebied van communicatie, liet weten dat het de verantwoordelijkheid van Twitter was om de berichten na te trekken. Hoewel in Engeland meer kwetsende uitingen als misdrijf worden aangemerkt dan in Amerika, zou het aantal bedreigingen domweg te veel zijn voor het ‘overbelaste’ politieapparaat, aldus Trotter. De politie wil zich 
niet in dit strijdperk begeven. Dat zou namelijk ten koste gaan van de ‘aandacht voor andere zaken’.

Ondertussen heeft Twitter de boel proberen te sussen door te zeggen dat slachtoffers als Criado-Perez online een formulier kunnen invullen voor elke beledigende tweet. Toen medestanders van Criado-Perez bij Mark Luckie, het hoofd van de pers- en nieuwsafdeling van Twitter, aandrongen op een reactie, blokkeerde hij enige tijd zijn account, met als argument dat deze werd ‘misbruikt’. Twitter heeft officiële richtlijnen voor slachtoffers van misbruik, waarin de bal wordt doorgespeeld naar de wetshandhavers: ‘Als een interactie verder gaat dan schelden en wanneer je het gevoel hebt dat je gevaar loopt’, staat er, ‘licht dan de plaatselijke autoriteiten in, zodat zij een inschatting kunnen maken van de dreiging en je kunnen helpen de kwestie offline op te lossen.’

In de weken nadat de vlam in de pan was geslagen, liet Scotland Yard weten drie mannen te hebben opgepakt. Twitter haastte zich – in reactie op enkele onlinepetities waarin het bedrijf tot actie werd gemaand – een ‘misbruikmelding’-knop te introduceren, waarmee overtredingen kunnen worden gerapporteerd. Criado-Perez bleef bedreigingen ontvangen. Er liep toch nog iemand rond, of liever gezegd: er liepen honderden mensen rond, die graag zouden zien dat ze werd verkracht en vermoord.

Internet is een wereldwijd netwerk, maar wanneer je de telefoon pakt om een onlinebedreiging te melden maakt het niet uit of je in Londen zit of in Palm Springs, aangezien je uiteindelijk te maken krijgt met een agent met een betrekkelijk beperkte bevoegdheid. En die agent is naar alle waarschijnlijkheid een man.

Volgens het U.S. Bureau of Justice Statistics was in 2008 slechts 6,5 procent van de plaatselijke agenten en 19 procent van de FBI-agenten vrouw. Bij kleinere korpsen ligt dat percentage nog lager. En op veel plekken gaat het politiewerk nog goeddeels analoog: een telefoontje naar het alarmnummer wordt direct doorgeschakeld naar het politiebureau; de dichtstbijzijnde agent wordt erop afgestuurd; hij maakt aantekeningen met pen en papier.

Nadat Criado-Perez haar honderden bedreigingen had ontvangen, kreeg ze naar eigen zeggen tegenstrijdige instructies van de politie hoe ze de misdrijven moest aangeven. Ze moest herhaaldelijk in de obscene berichten ‘spitten’ om het bewijsmateriaal te verzamelen. ‘Die bedreigingen kan ik nog net aan’, twitterde ze. ‘Waar ik niet mee om kan gaan, is de beschuldigende vinger waarmee naar het slachtoffer wordt gewezen en de manier waarop de politie alles documenteert.’

Het aantal bedreigingen zou domweg te veel zijn voor het ‘overbelaste’ politieapparaat

Vorig jaar schreef de atheïstische Amerikaanse blogger Rebecca Watson over haar ervaringen, toen ze een aantal plaatselijke en landelijke wetshandhavende instanties had gebeld nadat een man een website had opgezet waarop hij haar met de dood bedreigde. ‘Omdat ik wist waar hij woonde, belde ik de politie daar. Ik kreeg te horen dat ze niets voor me konden betekenen en dat ik aangifte moest doen bij de politie in mijn eigen woonplaats’, schreef Watson later. ‘Uiteindelijk kreeg ik iemand aan de lijn die me vertelde dat ze me niet konden helpen, maar dat ze er wel een melding van zouden maken voor het geval hij op een dag de daad bij het woord zou voegen, want dan wisten ze meteen in welke richting ze moesten zoeken.’

De eerste keer dat ik aangifte deed van het feit dat ik online was bedreigd met verkrachting, in 2009, zei de agent die naar mijn huis was gestuurd: ‘Waarom zou iemand nou zoiets doen?’ Hij weigerde er een officiële aangifte van te maken. In Palm Springs zei de agent die naar mijn hotel kwam: ‘Voor hetzelfde geld zit die vent ergens in een kelder in Nebraska.’ Dat mijn stalker had gezegd dat hij in dezelfde staat woonde en dat hij van plan was me thuis op te zoeken, werd domweg afgedaan als een internettrucje.

Na mijn meest recente serie bedreigingen vroeg 
ik Jessica Valenti, een vooraanstaand feministisch schrijfster (en oprichtster van het blog Feministing) 
die herhaaldelijk slachtoffer is geweest van onlinebedreigingen, om advies. En vervolgens vroeg ik of 
ze haar verhaal wilde vertellen. ‘Het is eigenlijk niet één verhaal. Dit is me de afgelopen zeven jaar meerdere keren overkomen’, vertelde ze. ‘Toen de eerste bedreigingen van verkrachting en moord in haar inbox opdoken, ging ze een week uit logeren, veranderde haar bankrekeningen en nam een ander telefoonnummer. Bij de volgende golf dreigementen nam ze contact op met de plaatselijke wetshandhavers, die haar zeiden dat de mannen die haar bedreigden naar alle waarschijnlijkheid niet daadwerkelijk tot actie zouden overgaan, maar dat de aard van de berichten dusdanig was dat ze alert moest zijn op een veel minder zichtbare dreiging: stille ‘jagers’ die zich verschuilen achter de tweetende ‘schreeuwers’. De FBI adviseerde Valenti om haar huis te verlaten tot 
de Twitterstorm was overgewaaid, om nooit in haar eentje de straat op te gaan, en om goed op te letten 
of ze ineens bepaalde mannen of bepaalde auto’s opvallend vaak voor de deur zag staan. ‘Het was een volstrekt idioot advies’, zegt ze. ‘Je moet werkelijk overal voor op je hoede zijn. Je kunt nauwelijks nog de deur uit.’

Dichtklappen

We kunnen internet ook niet domweg mijden. Toen Time -journaliste Catherine Mayer aangifte deed van een dreiging met een bomaanslag, adviseerden de agenten die haar te woord stonden – die dachten 
dat een username een geheime code is, en die niet leken te weten wat een IP-adres is – haar om niet meer op internet te gaan. ‘Niet een van de agenten die ik heb gesproken twittert, of begrijpt zelfs maar waarom iemand dat zou willen’, schreef ze later. 
‘De agenten gaven me allemaal het advies een poosje niet te twitteren, in de veronderstelling – die ze met velen delen – dat Twitter niet meer is dan een tijdverkwistende verslaving.’

Met al die onlinekrenkingen zou je als vrouw het liefst Twitter afsluiten, je laptop dichtklappen en je mobiele telefoon uitschakelen. Soms doen we dat ook: uit een onderzoek van Pew Research Center bleek dat tussen 2000 en 2005 het percentage internetgebruikers dat deelneemt aan onlinechats en -discussiegroepen is gedaald van 28 naar 17 procent. Die afname is geheel toe te schrijven aan de geringere deelname van 
vrouwen.’ Maar voor veel vrouwen is het geen optie om internet de rug toe te keren. We gebruiken onze apparaten om gelijkgestemden te vinden, om geld 
te verdienen, om een vangnet te creëren. Voor een vrouw als ik, die alleen woont, is internet niet zomaar een tijdverdrijf: het is noodzakelijk voor mijn werk en voor het contact met vrienden, familie en soms met wetshandhavers, in de hoop dat ik me dan minder bedreigd voel door zowel online als offlinegeweld.

Dilemma

Overtreders opereren meestal anoniem, of onder pseudoniem. Maar de vrouwen op wie ze hun pijlen richten werken meestal voor een officieel medium, gewoon onder hun eigen naam, en binnen het kader van hun eigen leven. Slachtoffers hebben niet de mogelijkheid zich te distantiëren van het misdrijf. In het geval van onlinebedreigingen is er één iemand die de realiteit van het internet aan den lijve ervaart, en dat is het slachtoffer. Het is een stuk eenvoudiger voor degene die het dreigement uit – en voor degene die onderzoek doet naar het dreigement – om te geloven dat wat op internet gebeurt, niet echt is.

Als de autoriteiten internet beschouwen als een fantasiewereld, dan heeft dat verregaande consequenties voor de manier waarop onlinemisdrijven worden onderzocht en vervolgd. In de wetgeving op het gebied van bedreigingen staat dat het slachtoffer een concrete, directe en gegronde angst moet voelen. In de staat Californië, waar ik woon, moet sprake zijn van een ‘ondubbelzinnige, onvoorwaardelijke, directe en specifieke’ dreiging, en tevens moet er sprake zijn van ‘een zekere doelgerichtheid en de verwachting dat het dreigement onmiddellijk zal worden uitgevoerd’ om het als misdrijf aan te merken. Als de politie niet weet of degene die het dreigement uit in dezelfde buurt woont of in Nebraska, dan kan het dreigement makkelijk worden afgedaan als ‘geen onmiddellijke dreiging’. Als de politie het dreigement beschouwt als een uit de hand gelopen grap, dan geldt de bedreiging niet langer als een misdrijf.

Het slachtoffer staat dus voor een psychologisch dilemma: hoe moet ze haar eigen angst duiden? Moet ze, zoals velen aanraden, een onlinebedreiging afdoen als een flauwe grap en niet eens de moeite nemen om op het politiebureau aangifte te doen van het feit dat iemand haar – haha – wil verkrachten en vermoorden? Of moet ze heel braaf elke bedreiging melden bij de politie, die haar zorgen weleens zou kunnen wegwuiven? Toen ik laatst weer werd bedreigd met de dood en met verkrachting, zei iemand uit mijn vriendenkring tegen me dat ik me geen zorgen hoefde te maken, aangezien de anonieme twitteraar me in het echte leven vast geen kwaad zou doen; iemand anders merkte op dat mijn stalker het type man leek dat een jas van mijn huid zou laten maken, en drong erop aan dat ik hemel en aarde zou bewegen om mijn stalker achter de tralies te krijgen.

Danielle Citron, hoogleraar recht aan de Universiteit van Maryland, houdt zich bezig met bedreigingen op internet. In 2009 heeft ze in een artikel in de Michigan Law Review in kaart gebracht hoe er in brede kring wordt gereageerd op virtuele bedreigingen met 
dood en verkrachting. Ze kwam tot de conclusie dat het belagen van anderen op internet stelselmatig wordt afgedaan als ‘onschuldige stoerdoenerij’, dat de daders worden gezien als ‘jeugdige boefjes’ en de slachtoffers als ‘overgevoelige zeurkousen’. Journalist David Margolick deed ook een duit in het zakje, naar aanleiding van een recent geval van virtuele belaging. Tijdens een interview op National Public Radio deed hij de bedreigingen af als ‘puberaal, kinderachtig en verwerpelijk, maar meer ook niet… Het zijn gewoon corpsballen met een grote bek.’

Nu is een studentenhuis vol corpsballen al nooit echt een veilige omgeving geweest voor vrouwen. Ik ben online bedreigd, maar ik ben ook lastiggevallen op straat, betast in de metro, naar huis gevolgd nadat ik een boodschap had gedaan in een avondwinkel, door een dronken vriendje tegen de matras gedrukt, en verkracht tijdens een date. Zelfs als ik mijn Twitteraccount ophef, liggen de bedreigingen op de loer.

Tegenwoordig kan een heel leger van anonieme stalkers zich in alle vrijheid uitleven op internet, 
met hun ‘spelletjes’ en ‘kwajongensstreken’. Ze verschuilen zich achter een pseudoniem, maar voor de vrouwen op wie ze het gemunt hebben, versterken deze aanvallen de echte angsten, ongemakken en stress die we in het dagelijkse leven ervaren.

Anonimiteit

Twitter heeft tot nog toe altijd schouderophalend gereageerd wanneer het bedrijf werd geconfronteerd met zorgen over bedreigingen op het platform, zegt Citron, de hoogleraar recht aan de Universiteit van Maryland, die onderzoek doet naar de wettelijke implicaties van het belagen van vrouwen via internet.

In de cultuur van Twitter is het duidelijk belangrijker dat discussies in alle openheid kunnen plaatsvinden dan dat alles nauwlettend in de gaten wordt gehouden. In tegenstelling tot Facebook verlangt Twitter niet van de gebruikers dat ze zich onder hun echte naam inschrijven. Gebruikers kunnen gebruikmaken van de lichtzinnigheid – en de bescherming – die anonimiteit biedt. Als een gebruiker in de problemen komt met de voorwaarden van Twitter, staat het hem vrij om een nieuw account te openen en weer met een schone lei te beginnen. En de Communications Decency Act uit 1996 vrijwaart een platform als Twitter van wettelijke aansprakelijkheid voor uitingen van individuele gebruikers.

Citron vindt de introductie van de ‘misbruikmelding’-knop een ‘zeer bemoedigende’ ontwikkeling. Doordat mensen in staat zijn een account te blokkeren hoeven vrouwen niet langer alle obscene en kwetsende tweets onder ogen te krijgen. Maar onze problemen zijn niet allemaal op te lossen met een druk op de knop. In sommige gevallen is die knop niet meer dan een virtuele pleister als remedie tegen een potentieel gevaarlijke situatie in de realiteit. Het kan ook weer tégen vrouwen werken, doordat het spoor van digitaal bewijsmateriaal wordt gewist. En de knop kan niet verhinderen dat dezelfde stalkers een nieuw account openen en hun misdrijven voortzetten.

Toen ik in Palm Springs die zeven tweets kreeg, rapporteerde een goedbedoelende vriendin dat aan Twitter, geheel volgens hun procedure, in de hoop dat het bedrijf actie zou ondernemen en ik daarmee geholpen zou zijn. Een paar uur later werden de tweets verwijderd, zonder verder commentaar (en zonder dat er contact met mij was opgenomen).

De Twitterfeed van headlessfemalepig werd vervangen door een pagina waarop stond dat het account was opgeheven. Gelukkig had ik screenshots gemaakt van de tweets, maar voor de agenten, die over een zeer beperkte kennis van het platform beschikten, maakte het plotselinge verdwijnen van de tweets de zaak alleen maar gecompliceerder. De rechercheur die op mijn zaak was gezet vroeg of ik hem links kon sturen naar de plek waar de boodschappen online te vinden waren – maar zonder gerechtelijk bevel waarmee de archieven van Twitter doorzocht konden worden, konden de wetshandhavers er niet meer bij. Als iemand de bedreigingen had gemeld voordat ik kans had gezien ze te bekijken, dan had ik hun bestaan misschien helemaal nooit aannemelijk kunnen maken. Zonder gedegen onderzoek is het voor mij onmogelijk om vast te stellen of headlessfemalepig dit voor het eerst deed, of dat het om de seriestalker gaat die me al vele jaren belaagt. Ondertussen staat niets headlessfemalepig in de weg om gewoon tweets te blijven sturen, onder een andere naam.

Waken

Het zou niet de verantwoordelijkheid van Twitter moeten zijn om misdadigers die hun diensten misbruiken, op te sporen en te straffen. Daar is de politie voor, of daar zou de politie voor moeten zijn. Twitter moet een afweging maken tussen enerzijds het tegengaan van wangedrag en anderzijds het belang om onze privégegevens geheim te houden (of de gegevens van, bijvoorbeeld, politiek dissidenten). Dat betekent dat ze moeten waken over de IP-adressen van gebruikers, en dat ze weigeren burgers kennis te laten nemen van de inhoud van gewiste berichten. Toen ik vroeg hoe Twitter die afweging maakte, wees Nu Wexler, die aan het hoofd staat van de afdeling publiekscommunicatie, me op een grafiek van de Electronic Frontier Foundation – een belangengroepering die opkomt voor de vrijheid van meningsuiting en de bescherming van de privacy van internetgebruikers. Uit deze grafiek blijkt dat het platform ‘de privacy van de gebruiker hoog in het vaandel heeft staan’. De grafiek heeft als onderschrift: ‘Wie dekt je? Welke bedrijven helpen om je gegevens af te schermen voor de overheid?’ Twitter scoort hoog, omdat het bedrijf zich in de rechtszaal sterk maakt voor de privacy van de gebruikers, en omdat het bedrijf verslag uitbrengt van alle verzoeken van overheidswege om gegevens.

Een hoge score op deze grafiek van de Electronic Frontier Foundation maakt gebruikers duidelijk dat hun internetactiviteiten veilig zijn voor al te nieuwsgierige overheidsinstanties – en sinds Edward Snowden is die zorg natuurlijk meer dan ooit gerechtvaardigd. Maar in sommige gevallen botst ons verlangen naar privacybescherming met de mogelijkheden van de wetshandhavers om ons te beschermen wanneer we worden belaagd. Afgelopen jaar heeft de Electronic Frontier Foundation zich uitgesproken tegen een amendement op de Violence Against Women Act. 
Tot voor kort stelde de wet het uiten van kwetsende, bedreigende en obscene opmerkingen per telefoon strafbaar, vooropgesteld dat de overtreder het telefoontje had gepleegd; in de nieuwe wet, die in maart is aangenomen, is dit uitgebreid tot alle elektronische vormen van belagen, gericht tegen een specifiek iemand, of dat nou per telefoon gebeurt of via een ander medium. Tegenstanders van de wet beriepen zich erop dat het internet veel minder echt zou zijn dan andere communicatiemiddelen. Om de woorden van de Foundation aan te halen: ‘Het staat iemand vrij uitingen die op Twitter zijn gedaan te negeren, op een heel andere manier dan wanneer je in voortdurende angst leeft dat het indringende gerinkel van de telefoon je persoonlijke levenssfeer binnendringt.’

Verlangen naar antisociaal gedrag

De technologiebedrijven zijn zich er natuurlijk terdege van bewust dat ze een grote groep gebruikers nodig hebben om de miljardenbedrijven draaiende 
te houden. Vandaag de dag hebben vrouwen voldoende macht om met succes petities af te dwingen waarin wordt opgeroepen tot de introductie van de ‘misbruikmelding’-knoppen, maar onze invloed in het bedrijfsleven is beperkt, en we kunnen weinig andere wegen bewandelen. De plaatselijke politie heeft ‘geen budget’, zegt Nathan Jurgenson, social media-socioloog aan de Universiteit van Maryland, en het ‘lijkt onwaarschijnlijk dat de regering binnenkort in actie zal komen, dus moeten we wel meer druk uitoefenen op Twitter’. Een georganiseerde gebruikersdatabase zou de beslissingen kunnen beïnvloeden van een imagobewust bedrijf als Twitter, maar vele andere platforms – zoals de ‘wraakpornosites’ die overal op het web opduiken – hoeven geen vrouwen te paaien om populair te blijven. 
‘Dat noem ik de mythe van de markt’, zegt Citron. 
‘Er leeft duidelijk een verlangen naar antisociaal gedrag. Er zijn mensen die alleen maar kijken. En 
er zijn gebruikers die de content leveren. De markt heeft geen zelfcorrigerend vermogen, en dit fenomeen zal dan ook niet als vanzelf weer verdwijnen.’

In een artikel in de Boston University Law Review uit 2009 suggereerde Citron een nieuwe manier om het wettelijke probleem van het virtueel belagen tegen 
te gaan. Ze stelde dat onlinemisbruik feitelijk neerkomt op ‘discriminatie van vrouwen waar het de kans op werk betreft’, en daar dient de Amerikaanse overheid in te grijpen. De Civil Rights Act van 1964, waarin discriminatie op grond van ras, religie of sekse strafbaar wordt gesteld, werd gebruikt om de leden van de Ku Klux Klan aan te pakken, die zich onder kappen verscholen om zwarte inwoners van Louisiana lastig te vallen en te intimideren, zodat 
die niet zouden gaan stemmen en niet zouden solliciteren. Anonieme bedreigingen op internet, zo betoogt Citron, weerhoudt vrouwen er op vergelijkbare wijze, op grond van hun sekse, van om ‘online 
te schrijven en hun brood te verdienen’. ‘Het staat hun loopbaan in de weg. Het maakt hen extra kwetsbaar voor seksueel geweld in het echte leven. Het zet vrouwen weg als onbekwame arbeidskrachten en lustobjecten. Het belagen veroorzaakt aanzienlijke emotionele problemen.’

Op internet worden vrouwen overweldigd en gedevalueerd. We denken niet altijd in dat soort termen over ons onlinebestaan – daar hebben we het eigenlijk ook veel te druk voor, met al werk dat gedaan moet worden, alle vrienden die we willen zien en alle Netflix-programma’s waar we naar willen kijken. Maar als er dan ineens een anonieme stalker voorbijkomt – die bijvoorbeeld zegt dat hij ons wil verkrachten of onthoofden, ons lichaam uitgebreid in het openbaar wil onderzoeken, of ons aan de schandpaal wil nagelen vanwege onze seksuele gewoonten – herinnert dat ons er op verschillende niveaus aan dat we online altijd op onze hoede moeten zijn. Het is precies die banaliteit die de intimidatie op internet ‘zo effectief en tegelijkertijd zo schadelijk maakt, met name als een vorm van discriminatie’, aldus Mary Anne Franks, hoogleraar recht aan de Universiteit van Miami.

Diffuus universum

Zoals Citron opmerkt, is het internet geen school en geen werkomgeving, maar een enorm groot en diffuus universum waar vaak geen duidelijke richtlijnen zijn en waar meestal geen aansprakelijkheid geldt. Zelfs 
als onlinebedreigingen zouden worden gezien als een aantasting van bepaalde burgerrechten, wie zou dan de daders moeten vervolgen? Anonieme twitteraars beschikken niet over de institutionele middelen om geldelijke eisen hard te maken. En dan is er het probleem van de massa: als één iemand een verschrikkelijke tweet stuurt, kunnen anderen zich daarbij aansluiten. Een enkele stuitende tweet is misschien niet genoeg om te kunnen spreken van intimidatie en discriminatie (of herhaaldelijk belagen). En hoewel een hele groep individuen die stuk voor stuk naar je uithalen wel heel erg dicht in de buurt komt van intimidatie, er is geen georganiseerd verband waartegen je gerechtelijke stappen kunt nemen. Individuele aanklachten tegen individuele belagers zouden zeer veel tijd en geld kosten, en naar alle waarschijnlijkheid weinig opleveren. Tegelijkertijd zou het aanpassen van de Communications Decency Act, teneinde de verantwoordelijkheid bij de internetplatforms zelf te leggen, een zeer remmende werking hebben op alle vormen van communicatie, ongeacht de vraag of er sprake is van discriminatie.

Citron erkent dat het invoeren van nieuwe wetgeving, die toepasbaar is op een nieuw gebied – internet – 
wel eens sisyfusarbeid zou kunnen blijken. Maar ze zegt ook dat de bestaande wetgeving zo zou kunnen worden uitgebreid dat het seksespecifieke karakter van onlinebedreigingen wordt meegewogen, waarmee de wetgever de wetshandhavende instanties dwingt om die misdrijven serieus te nemen. ‘De middelen staan al tot onze beschikking’, zegt Citron. ‘Maar maken we er ook gebruik van? Eigenlijk niet.’ Onlinebedreigingen vervolgen als misdrijven waarbij discriminatie een rol speelt zou betekenen dat de daders zwaarder gestraft kunnen worden, dat de wetshandhavers gestimuleerd worden om deze misdrijven daadwerkelijk te onderzoeken – en hopelijk zou het ook betekenen dat het leger van anonieme daders op internet zich zou realiseren dat er een andere kant zit aan die grote bek.

Onschuldig geflirt

Onze wetgeving is er altijd in geslaagd nieuwe manieren te vinden om nieuwe bedreigingen het hoofd te bieden zonder eeuwenoude rechten te schenden – al gaat het soms langzaam. Tegenstanders van de Civil Right Act van 1964 deden de arbeidswetten af als ongrondwettelijk, en schadelijk voor het bedrijfsleven. Voordat seksuele intimidatie op het werk strafbaar werd gesteld als vorm van discriminatie, werd het afgedaan als onschuldig geflirt. Toen er voor het eerst serieus werd gesproken over het strafbaar stellen van discriminatie op grond van sekse binnen het onderwijs, eindigde een discussie in de Senaat in grote hilariteit toen een van de senatoren een mop vertelde over meisjesrugby. Totdat huiselijk geweld een speerpunt werd in de politiek, werd mishandeling afgedaan met de opmerking dat er overal wel eens ruzie is. De onschuldige grappen van nu bepalen de burgerrechtenagenda van de toekomst.
Mijn seriestalker op internet begon me te volgen 
in 2009. Ik zat in de redactie van een blad dat eens 
in de twee weken verscheen. Plotseling laaide er op een blog een polemiekje op. Een van de bloggers was ertoe overgegaan zijn verkrachtingsfantasieën op 
de site te zetten; ik interviewde hem, samen met de anderen die op de site publiceerden, en schreef er een artikel over. Vervolgens werd ik zelf bedreigd met verkrachting. Degene die me bedreigde, plaatste een foto van me op zijn blog en schreef: ‘Je zou kunnen zeggen dat ze aantrekkelijk is. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ze er schattig en onschuldig uitziet. Maar vergis je niet. Deze vrouw is het kwaad.’ (In de ogen van sommige belagers ben je bepaald niet aantrekkelijk, in de ogen van anderen ben je mooi.) ‘Ik had haar op mijn blog “de moeite van het verkrachten waard” willen noemen, maar uiteindelijk heb ik me bedacht’, voegde hij eraan toe. ‘Oeps! Weer een strafbare gedachte!’

In de ruimte voor reacties, onder het artikel, verscheen de ene na de andere bedreiging. Tientallen pseudoniemen en een paar valse IP-adressen – die meestal precies aantonen waar een apparaat zich bevindt, maar die met de juiste software gemakkelijk zijn te vervalsen. ‘Amanda, ik ga je godverdomme verkrachten’, luidde een bericht. ‘Hoe vind je dat? Lekker? Wat is mijn IP-adres, bitch?’ Mijn stalker schreef op zijn Twitteraccount dat hij van plan was een wapen aan te schaffen – kennelijk was hij van plan zijn First Amendment-rechten te verdedigen door zich te beroepen op het Second Amendment.
En toen, op een avond dat ik samen met mijn vriend thuis was, begon mijn mobieltje onophoudelijk te rinkelen. Ik ontving een aantal voicemailberichten, die qua toon varieerden van een dreigend: ‘En nu hou je godverdomme op met je gezeik’ tot een dronken: ‘Vuile pot… ik zal je eens een goeie beurt geven.’ Voor het eerst van mijn leven heb ik de politie gebeld. Toen er een agent voor de deur stond, vertelde ik hem dat ik stelselmatig werd lastiggevallen. Hij uitte zijn verwondering over het ‘virtuele’ misdrijf, gaf me zijn kaartje en zei dat ik moest bellen als er iemand voor de deur stond – maar hij weigerde proces-verbaal op te maken.

Straatverbod

Omdat de politie me niet wilde helpen, overwoog ik een straatverbod aan te vragen. Ik hing een foto van mijn stalker bij de receptie op mijn werk. Toen de plaatselijke politie weigerde een aanklacht in te dienen, heb ik honderd dollar neergeteld voor een privédetective. Ik moest vijf keer naar de rechtbank, waar ik telkens moest wachten tot mijn zaak werd afgeroepen. Tijdens het wachten zat ik stilletjes in de zaal, met mijn belager aan de andere kant van het gangpad, terwijl tientallen mensen de rechter vertelden over de vriendjes, vaders en ex-echtgenotes die hen hadden bedreigd en gemolesteerd. Deze mensen zochten bescherming tegen exen die met een breekijzer zwaaiden of bekenden die een wapen trokken – allemaal daadwerkelijke misdrijven die het rechtssysteem niet had weten te voorkomen. Tegen de tijd dat mijn straatverbod eindelijk aan de beurt was, had ik al enkele werkdagen geïnvesteerd om 
de zaak behandeld te krijgen. Ik had het geluk dat 
ik een vaste baan had en een begripvolle baas – al bleven de dreigementen voor hem abstracter dan voor mij. Omdat mijn zaak diende onder nieuwe antistalkingregelgeving – regelgeving die speciaal 
in het leven was geroepen voor gevallen zoals dat 
van mij, waarbij ik werd belaagd door iemand met wie ik geen persoonlijke band had – had ik ook nog eens het geluk dat ik een pro-deoadvocaat kreeg toegewezen. Voor de meeste slachtoffers geldt dat niet.
Mijn belager berustte uiteindelijk in het contactverbod toen mijn advocaat hem duidelijk maakte dat we wisten dat de commentaren op het blog afkomstig waren van zijn computer – hij had een manmoedige poging gedaan zijn sporen uit te wissen, maar hij had een paar steekjes laten vallen, en wij konden bewijzen dat de verkrachtingsdreigementen van hem afkomstig waren. Toen de rechter het contactverbod oplegde, zei ze tegen mijn belager dat hij op geen enkele manier contact met mij mocht zoeken – niet per mail, niet via Twitter, niet telefonisch, niet op een blog, zelfs niet door een luchtballon te huren en over mijn huis te vliegen. Ook moest hij te allen tijde een fysieke afstand bewaren van ten minste dertig meter. Het contactverbod zou een jaar gelden.

Niet lang nadat die periode was verstreken, stuurde hij een mail naar mijn nieuwe werk. Om de zoveel tijd zoekt hij weer contact.

Afgelopen zomer dook hij op in de commentaren op een artikel dat ik had geschreven over Cindy Wallop, een vrouw die een sekswebsite heeft opgezet. Hij schreef: ‘Ik zou het fysiologische genot om in een vrouw te ejaculeren niet opgeven voor een veel geringer psychologisch genot… Er is een reden dat het lekkerder is om het op de juiste manier te doen, en in de apenwereld zie je ook niemand die dit gedrag vertoont.’ Een paar maanden later zocht hij contact via LinkedIn. (‘Je stalker wil je graag toevoegen aan zijn professionele netwerk.’) Een paar dagen voordat ik die bedreigingen in Palm Springs ontving, had hij me via Twitter een link gestuurd naar een verhaal dat hij had geschreven, over een andere vrouw die online werd belaagd. Zo nu en dan stuurt hij me een tweet – om me eraan te herinneren dat ‘het spelletje’ weer is begonnen.

Ik ben nu vier jaar verder, maar de dossiers heb ik nog altijd. Ik bewaar elke tweet die hij me stuurt in een Worddocument, forward zijn mails naar een speciaal account en print ze ook nog eens om ze in analoge vorm aan de politie te kunnen overhandigen, mocht hij me nogmaals bedreigen (of erger). Als ik voor mijn werk naar de stad moet waar hij woont, draag ik het oude contactverbod altijd bij me, al beginnen de woorden te vervagen na tientallen keren te zijn gefotokopieerd. Alle documenten liggen keurig gesorteerd bij mij thuis. Mijn angsten krijg ik minder makkelijk onder controle.

Auteur: Amanda Hess

Amanda Hess schrijft over seks (sexwithamandahess.com), Hollywood, tieners en technologie voor verschillende bladen, waaronder Slate, Wired, ESPN The Magazine, NYMag, NYTimes, Elle, Los Angeles Times, Nylon, Details 
en Village Voice. Ze is medeoprichter van het tijdschrift Tomorrow en 
werkte mee aan The Book of Jezebel. Hess woont in Los Angeles.

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in 2014.

Plaats een reactie