Steenrijk, straatarm

El Estímulo | Caracas  | 29 januari 2019 - 21:5829 jan - 21:58

Nog niet zo lang geleden was Venezuela een florerende oliestaat waar het geld niet op kon. Nu wordt het land geteisterd door armoede en verval, met dank aan oud-president Hugo Chávez en zijn economische wanbeleid.

» Lees dit artikel in de Reader

Toen president Chávez in december 1998 voor het eerst werd gekozen, erfde hij een onrustige economie. Het aarzelende herstel, twee jaar daarvoor ingezet dankzij een deels door het IMF gefinancierd saneringsplan, werd verstoord door een keldering van de olieprijs op de wereldmarkt. In 1998 daalde de olieprijs met 35 procent, het laagste niveau in 25 jaar en tevens het laagste tot nog toe.

Maar vanaf dat moment ging de olieprijs alleen maar omhoog. Slechts twee keer was er een substantiële terugval: in 2009 (een daling van 36 procent) en 2015 (49 procent). Het idee dat de olieprijs ad infinitum zou blijven stijgen, veroorzaakte onder bevolking en bestuurders een steeds erger wordende ‘renteniersziekte’, die inmiddels geldt als een van de ingekankerde kwalen van Venezuela.

Die renteniersziekte manifesteerde zich in de opvatting dat de opbrengsten van de olie, eigendom van de staat, opgesoupeerd konden worden zonder zich te bekommeren om de diversificatie van de economie als bron van welvaart. Wat die aandoening nog versterkte, was de onjuiste opvatting dat schaarste en inflatie te wijten waren aan woeker en dat daarom de prijzen van overheidswege moesten worden vastgesteld.

In de twintig jaar dat de bomen tot in de hemel leken te groeien, werd er alleen maar aan potverteren gedaan, zonder iets aan de productiviteit te doen. De overvloed zorgde ervoor dat iedereen het breed liet hangen en alleen maar schulden maakte en, vooral, dat er niet gespaard werd. Het devies was: uitgeven, binnen en buiten Venezuela.

Lange arm van de staat

Dankzij de overvloed had de regering een almachtige status die het vermogen gaf om in elke sector van de economie in te grijpen. En dat deed ze ook, vanuit de gedachte dat ze alle nadelige gevolgen met geld kon afkopen of met economische dwangmaatregelen de kop kon indrukken. De willekeur van de macht, de bevoegdheden van de president en de omvang van de overheid namen schrikbarend toe en de staatsfinanciën werden een puinhoop, met als onvermijdelijk gevolg corruptie en het vastlopen van de economie.

Na de politieke crisis van 2002 drong de lange arm van de staat nog dieper door tot de haarvaten van de samenleving. Het hele economische reilen en zeilen werd een hypergecontroleerde ruimte waarin de overheid zich manifesteerde als enige weldoener.
De bedreigingen, de volledige uitholling van het recht op privé-eigendom, de gedwongen onteigeningen zonder vergoeding en de rechtsschendingen kweekten een sfeer van onzekerheid 
en wantrouwen. De particuliere 
investeringen stagneerden en zakten uiteindelijk helemaal in, en de ontwaarding van de bolivar op de zwarte markt werd, hoe kan het ook anders, een constante van het dagelijks leven in Venezuela. Het gebrek aan economisch vertrouwen, dat weer leidde tot minder ondernemerszin, had ook tot gevolg dat lenen op de internationale kapitaalmarkt steeds moeilijker en duurder werd.

Naarmate de inflatie steeds verder uit de hand liep, werden er meer goederen geïmporteerd. De prijsbeheersing werd steeds moeilijker, met als toppunt de extreme Ley Orgánica de Costos y 
Precios van 2011 (‘Organieke Wet op Kosten en Prijzen’), die alle prijzen streng aan banden legde. De wet schoot zijn doel – van bovenaf stabiliteit opleggen – volledig voorbij, om de doodeenvoudige reden dat dergelijke regels de productiviteit verlammen. Hoe strenger ze worden – en dus de winstgevendheid verminderen – des te minder aanbod er is van goederen en diensten en des te minder bereidheid om in de toekomst te investeren, waardoor de schaarste toeneemt.

Als dat proces zich over langere tijd uitstrekt, gaat het productievermogen van het land achteruit, gaan ondernemingen failliet en wordt de schaarste chronisch. Vóór 2006 stond de schaarste-indicator van de Venezolaanse Centrale Bank op 4 procent. In 2013 was die gestegen naar 20 procent, en vervolgens ging hij gestaag omhoog naar 30 procent, tot april 2013, waarna werd gestopt met de publicatie van het cijfer. Rantsoenering, lange rijen en de zwarte markt zijn tot de dagelijkse praktijk gaan behoren.

Valutapolitiek

De excessieve controle, zeg maar de economische repressie, deed zich ook gelden in de valutapolitiek. De bolivar werd overgewaardeerd en de overheid stelde in februari 2003, toen een 
massale staking in de olie-industrie voorbij was, een quotum in op buitenlandse deviezen. De bedoeling van 
de valutapolitiek was niet om tot evenwichtige wisselkoersen te komen, maar om via manipulatie van de 
wisselkoersen de inflatie te bestrijden.

Lange tijd bleef de officiële koers van de bolivar overgewaardeerd om de kosten van de import laag te houden. De structurele neiging van de bevolking en het bedrijfsleven om te importeren sloeg op hol en bereikte een piek in 2012, het laatste regeringsjaar van Chávez, waarin hij ook zijn legendarische verkiezingscampagne hield [en onder andere een huis gaf aan zijn drie miljoenste volger op Twitter, tot grote verontwaardiging van veel critici]. 
De totale import bedroeg 66 miljard dollar (2200 dollar per hoofd van de bevolking), vier keer zoveel als in 1998 en 33 procent van het totaal aan goederen in de economie.

De staat deed intussen weinig om de economie te diversifiëren. Landbouw en industrie verloren hun productiviteit en hun concurrentiekracht, en konden niet meer structureel aan de binnenlandse vraag voldoen, laat staan exporteren. Het aandeel van de binnenlandse productie in het bbp daalde tussen 1998 en 2012 van 18 naar 14 procent. Naar schatting was het eind 2017 gezakt naar 10 procent van het bbp.

De binnenlandse productie werd meer dan ooit afhankelijk van import, de beperking op deviezen joeg de productiekosten omhoog en we veranderden in een economie die zichzelf niet meer kon bedruipen.

Kwetsbaar

Bijzondere vermelding verdient hier het buitenspel zetten van de centrale bank, de Banco Central de Venezuela (BCV). In 2005, toen de bomen nog tot in de hemel groeiden, ontnam de 
regering de BCV zijn rol van beheerder van de internationale reserves. De staat gebruikte die reserves vervolgens om de meest uiteenlopende uitgaven en projecten te dekken, zonder rekenschap af te leggen aan het land en zonder geld opzij te zetten voor de 
toekomstige generatie. In 2010 werd de BCV gedwongen het ontwikkelingsplan van de regering te volgen en 
zich te voegen naar haar prioriteiten, waardoor het instituut veranderde in een ontwikkelingsbank.

Zo gebeurde het dat een regering die werd gekozen om het land te bevrijden van de corruptie, de economie te diversifiëren en een einde te maken aan de renteniersziekte en de inflatie, een weg van economische repressie insloeg die deze problemen alleen maar vergrootte en het land nog kwetsbaarder maakte voor onrust in de wereldeconomie.

De verzwakking van de productiecapaciteit, zowel van staatsbedrijven als van de particuliere industrie, het stilvallen van de export, de verkwisting van buitenlandse activa, de monetaire financiering van het begrotingstekort en de onbetrouwbaarheid van politici vormden bij elkaar een volmaakt recept voor het ontstaan van hyperinflatie, wanneer Venezuela getroffen zou worden door een schok van buitenaf. Zoals in 2015 dus gebeurde. In 2015 daalde de olieprijs met de helft en rees de inflatie de pan uit. Nooit eerder was de inflatie in een Latijns-Amerikaans land zo hoog – en die stijgt nog steeds, net als de wijdverbreide armoede en de totale ineenstorting waaraan ons land ten prooi is gevallen.

Auteur: Tamara Herrera

El Estímulo
Venezuela | website | elestimulo.com

Multimediaal platform dat in 2014 werd opgericht door Paula Quinteros, een Colombiaanse journalist en ondernemer die in Venezuela opgroeide en daar een kleine persgroep leidt, Iguana Blue Networks. Bevat ook een online cultureel magazine met reportages, genaamd Climax, en de economische website El Interés.

Plaats een reactie