De roekeloze voetbalobsessie van Viktor Orbán

The Guardian / 360  | 21 mei 2019 - 17:0921 mei - 17:09

Viktor Orbán steekt zijn liefde voor voetbal niet onder stoelen of banken. Terwijl bijna de helft van het land onder de armoedegrens leeft, pompt hij miljoenen in de bouw van kolossale stadia. En hij is nog lang niet klaar. ‘We hebben nu een club, maar we willen ook graag een museum, een kenniscentrum en een uitgeverij. Voor de mensen.’

» Dit artikel is geselecteerd voor de shortlist European Press Prize 2019, in de categorie Distinguished Reporting Award.

Felcsút lijkt een slaperig Hongaars dorpje als alle andere, met één hoofdstraat en een paar winkeltjes. Tot je het voetbalstadion ziet, dat hoog uittorent boven alle huizen in dit dorp met 1800 inwoners, veertig kilometer ten westen van Boedapest. De in 2014 voltooide Pancho Arena moet wel een van de markantste voetbaltempels ter wereld zijn: meer kathedraal dan stadion, met dat glooiende dak, die koperen torentjes en de gewelfde houten stijlen langs de tribunes om het veld.

Het stadion draagt de bijnaam die de supporters van Real Madrid in de jaren vijftig gebruikten voor de grootste Hongaarse speler aller tijden, de spits Ferenc Puskás. Het is ook de thuisbasis van de eveneens naar hem vernoemde club Puskás Akadémia FC, opgericht in 2007 en onlangs naar de eerste divisie gepromoveerd. Het biedt plaats aan meer dan 3800 toeschouwers: meer dan tweemaal zoveel als er mensen in het dorp wonen. Maar net zoals Puskás geen band had met Felcsút – hij heeft er nooit een voet gezet en begon zijn voetbalcarrière in Boedapest – zo is dit stadion ook niet echt voor de dorpelingen bedoeld.

Dat wordt nog duidelijker als je bij het complex de parkeerplaatsen ziet die gereserveerd zijn voor een hele trits Hongaarse oligarchen: mannen met een vette bankrekening en hechte banden met de regering. Zo is er een plekje voor de bankier Sándor Csányi, de rijkste man van het land en voorzitter van de Hongaarse voetbalbond. Voor István Garancsi, eigenaar van de naburige club Videoton FC. Voor de evenals Garancsi in de bouw rijk geworden oligarch László Szíjj. Twee plaatsen voor Lőrinc Mészáros, burgemeester van Felcsút en voorzitter van Puskás FC, die sinds het aantreden van jeugdvriend Viktor Orbán als premier in 2010 met stip is binnengekomen op het lijstje van de rijkste Hongaren. En er is natuurlijk een plekje voor Orbán zelf, die een deel van zijn jeugd in Felcsút heeft gewoond en er gedurende zijn eerste termijn als premier (van 1998 tot 2002) enige tijd als semiprof in de vierde divisie heeft gevoetbald.

» Lees verder in de Reader / op Blendle

Plaats een reactie